Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ5438

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
07/1879 FB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Verdrag tussen Nederland en Zwitserland van 12 november 1951 ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen, is niet van toepassing op de onderhavige heffing van forensenbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/1275 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1778
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige belastingkamer

Reg.nr.: 07/1879 FB

Uitspraak in het geding tussen:

[eiseres], echtgenote van [naam]

te [plaats], Zwitserland,

eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Epe

verweerder.

1. Procesverloop

Met dagtekening 31 augustus 2007, aanslagnummer [nummer], is aan eiseres een aanslag forensenbelasting voor het jaar 2004 ten bedrage van € 1.408,71 opgelegd.

Tegen voormelde aanslag heeft eiseres op 20 september 2007 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 28 september 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

Daartegen is namens eiseres door haar echtgenoot, [echtgenoot eiseres], bij brief van

31 oktober 2007 beroep bij de rechtbank ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 28 juli 2009, waar de gemachtigd van eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. Boone.

2. Overwegingen

2.1. In geschil is een aanslag forensenbelasting voor het jaar 2004.

2.2. In artikel 223 van de Gemeentewet is bepaald dat er een forensenbelasting kan worden geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

Op basis van voormelde bepalingen heeft de gemeenteraad van de gemeente Epe op

14 november 2001 de ‘Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting gemeente Epe 2002’ (hierna: de Verordening) vastgesteld. De Verordening is met ingang van 1 januari 2002 in werking getreden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt onder de naam ‘forensenbelasting’ een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

In artikel 4, eerste lid, is bepaald dat de belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen, zoals die voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld.

Op grond van artikel 5, zoals gewijzigd bij raadsbesluit van 12 november 2003, bedraagt de belasting ingaande 1 januari 2004 voor de woning als bedoeld in artikel 1, 0,569% van de krachtens artikel 4 vastgestelde waarde, met dien verstande dat het bedrag van de aanslag tenminste € 117,70 en ten hoogste € 1.408,72 bedraagt.

2.3. De in geding zijnde aanslag forensenbelasting 2004 heeft betrekking op een woning aan de [straatnaam] te Emst (gemeente Epe). Niet in geschil is dat eiseres, die hoofdverblijf heeft in Zwitserland, deze woning meer dan 90 dagen van het jaar 2004 voor zich als gemeubileerde woning beschikbaar heeft gehouden. Het belastbare feit zoals omschreven in artikel 2 van de Verordening, doet zich hier dus voor.

2.4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de aanslag forensenbelasting in strijd is met het Verdrag tussen Nederland en Zwitserland van 12 november 1951 ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen (gepubliceerd in Tractatenblad 1951,148). Eiseres is van mening dat nu de vastgestelde WOZ-waarde van de woning als heffingsmaatstaf geldt, de forensenbelasting als vermogensbelasting is aan te merken en daarom onder de Zwitserse belastingheffing valt.

2.5. De rechtbank kan dit standpunt van eiseres niet onderschrijven. Gelet op artikel 1 heeft het Verdrag ten doel de belastingplichtigen van de beide Staten te beschermen tegen de dubbele belasting die zou kunnen voortvloeien uit de gelijktijdige toepassing van de Nederlandse en Zwitserse wetten betreffende de directe belastingen op (bestanddelen van) het inkomen en op (bestanddelen van) het vermogen. Naar het oordeel van de rechtbank valt de forensenbelasting niet onder de reikwijdte van het Verdrag omdat de belasting kan worden geheven van de natuurlijke persoon die op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of zijn gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houdt, terwijl deze woning niet tot diens vermogen behoort. Ook de gekozen heffingsmaatstaf, zijnde de WOZ-waarde van het object waarvan de woning deel uit maakt, maakt niet dat de forensenbelasting een directe belasting is op een bestanddeel van het vermogen. De rechtbank is van oordeel dat het Verdrag in deze toepassing mist.

2.6. Voor wat betreft de hoogte van de opgelegde aanslag forensenbelasting stelt de rechtbank voorop dat de vaststelling van het tarief van een gemeentelijke belasting, zoals volgt uit artikel 216 e.v. van de Gemeentewet, is voorbehouden aan de gemeenteraad, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting ingevolge artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet niet afhankelijk mag zijn van het inkomen, de winst of het vermogen.

2.7. Zoals het gerechtshof Arnhem in haar uitspraak van 19 april 2000 (LJN: AA6616) heeft geoordeeld, verbiedt geen rechtsregel dat de WOZ-waarde van een onroerende zaak tevens als heffingsgrondslag voor de forensenbelasting wordt gehanteerd. In een dergelijk geval is geen sprake van een vermogensafhankelijke belasting zoals bedoeld in artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet.

2.8. Voorts is de aanslag, conform artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, opgelegd binnen de wettelijke termijn van drie jaar. Ook voor het overige heeft eiseres geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de aanslag ten onrechte, dan wel tot een onjuist bedrag, is opgelegd.

2.9. Het beroep is derhalve ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Baaren. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2009.