Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ5166

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
08/1361 en 08/1377
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en vrijstelling plaatsing hekwerk onder voorwaarde aanbrengen wildsprongen

De rechtbank is van oordeel dat de in het bestreden besluit opgenomen voorwaarde een beperking vormt ten opzichte van de aanvraag om bouwvergunning, waarvan de bouwtekening onderdeel uitmaakt. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de AbRvS van 25 mei 2005 met zaaknummer 200407853/1 (LJN: AT6146). Dat de voorwaarde uitdrukkelijk aan de van het bestreden besluit deel uitmakende vrijstelling is verbonden, maakt dat niet anders. De conclusie is dat de bouwvergunning voorziet in plaatsing van het hekwerk met de wildsprongen.

Uit de laatstgenoemde uitspraak kan niet worden afgeleid dat een zodanige de aanvraag om bouwvergunning beperkende voorwaarde aan de vrijstelling kan worden verbonden zonder de grondslag van de aanvraag te verlaten. In de betreffende door de AbRvS behandelde zaak stond immers niet het besluit waaraan de beperkende voorwaarde was verbonden zelf, maar een later besluit ter beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nrs.: 08/1361 en 08/1377

Uitspraak in de gedingen tussen:

1. [eiser]

te Epe,

eiser,

2. [eiseres]

te Epe,

eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2006 heeft verweerder aan eiser (hierna: [eiser]) vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) van het destijds geldende bestemmingsplan “Buitengebied Noordwest 1984, 4e partiële herziening” en lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een hekwerk op het perceel, kadastraal bekend gemeente Epe en Oene, sectie A, nr. 2926, plaatselijk bekend [adres] te Epe.

Bij besluit van 4 juli 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiseres (hierna: [eiseres]) gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 14 september 2006 herroepen en na heroverweging opnieuw vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO – nu van het inmiddels geldende bestemmingsplan “Buitengebied” – en lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van het hekwerk. De vrijstelling is verleend onder de voorwaarde dat twee wildsprongen in het hekwerk worden gemaakt van 10 m breed en maximaal 1 m hoog. De plaats van de wildsprongen is aangegeven op de tekening die deel uitmaakt van de verleende bouwvergunning.

[eiser] heeft bij brief van 12 augustus 2008 beroep ingesteld (reg.nr.: 08/1361).

Namens [eiseres] heeft mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, bij brief van

13 augustus 2008 beroep ingesteld (reg.nr.: 08/1377).

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van 26 mei 2009, waar [eiser] is verschenen, vergezeld door mr. drs. W.N. van der Zedde. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door mr. Robbers en vergezeld door [naam1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam2] en [naam3].

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank stelt voorop dat het belang van [eiseres] rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit en dat zij dus als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een hem persoonlijk aangaand belang te hebben, dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen. In het onderhavige geval is [eiseres] eigenaar van gronden die in de onmiddellijke nabijheid van de gronden van [eiser] zijn gelegen; deze worden van elkaar gescheiden door de [adres1]. Dit enkele feit is voldoende om [eiseres] aan te merken als belanghebbende. Daaraan doet niet af dat de woning van [eiseres] op ongeveer 175 m van het hekwerk is gelegen en dat zij daarop vanuit haar woning geen zicht heeft. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRvS) van 14 augustus 2002 met zaaknummer 200200410/1 (LJN: AE6459).

2.2. Het in geding zijnde hekwerk heeft een hoogte van 1,6 m en een lengte van 193 m aan de [adres1] en van 112 m aan de [adres2].

[eiseres] komt op tegen de verlening van vrijstelling voor dit hekwerk.

[eiser] kan zich niet verenigen met de voorwaarde tot het aanbrengen van de wildsprongen in het hekwerk.

2.3. [eiseres] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat met het aan de vrijstelling verbinden van de voorwaarde tot het aanbrengen van de wildsprongen de grondslag van de aanvraag om bouwvergunning is verlaten.

[eiser] heeft primair betoogd dat zijn beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk is, aangezien de voorwaarde tot het aanbrengen van de wildsprongen enkel aan de vrijstelling en niet ook aan de bouwvergunning is verbonden en de bouwvergunning dus voorziet in plaatsing van het hekwerk zonder wildsprongen.

2.4. De rechtbank is van oordeel dat de in het bestreden besluit opgenomen voorwaarde een beperking vormt ten opzichte van de aanvraag om bouwvergunning, waarvan de bouwtekening onderdeel uitmaakt. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de AbRvS van 25 mei 2005 met zaaknummer 200407853/1 (LJN: AT6146). Dat de voorwaarde uitdrukkelijk aan de van het bestreden besluit deel uitmakende vrijstelling is verbonden, maakt dat niet anders. De conclusie is dat de bouwvergunning voorziet in plaatsing van het hekwerk met de wildsprongen.

Uit de laatstgenoemde uitspraak kan niet worden afgeleid dat een zodanige de aanvraag om bouwvergunning beperkende voorwaarde aan de vrijstelling kan worden verbonden zonder de grondslag van de aanvraag te verlaten. In de betreffende door de AbRvS behandelde zaak stond immers niet het besluit waaraan de beperkende voorwaarde was verbonden zelf, maar een later besluit ter beoordeling.

Uit het stelsel van de Woningwet volgt dat het bevoegd gezag op de aanvraag moet beslissen zoals die is ingediend. Niet in geschil is dat de aanvraag om bouwvergunning in verband met de in de onder 1. genoemde bestemmingsplannen voorgeschreven maximale hoogte van terreinafscheidingen van 1 m, geacht wordt mede een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan in te houden. Verweerder is derhalve gehouden op grondslag van de aanvraag om bouwvergunning te beoordelen of voor het hekwerk met de in de aanvraag genoemde afmetingen vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning kan worden verleend. Nu toepassing van de aan de vrijstelling verbonden voorwaarde ertoe leidt dat in afwijking van de aanvraag om bouwvergunning de hoogte van het hekwerk op twee plaatsen over een lengte van 10 m tot maximaal 1 m moet worden teruggebracht, heeft verweerder hiermee de grondslag van de aanvraag verlaten. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met het stelsel van de Woningwet genomen.

2.5. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.

2.6. Naar aanleiding van de overige beroepsgronden en met het oog op verweerders nieuwe besluitvorming overweegt de rechtbank nog het volgende.

De vragen of voor de realisering van het hekwerk ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet of een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig zijn, en zo ja, of deze ontheffingen en vergunning kunnen worden verleend, komen aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet, respectievelijk de Natuurbeschermingswet 1998. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen vrijstelling voor het hekwerk had kunnen verlenen indien en voor zover hij op voorhand had moeten inzien dat de Flora- en Faunawet of de Natuurbeschermingswet 1998 aan de realisering van het hekwerk in de weg staat. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraken van de AbRvS van 12 mei 2004 met zaaknummer 200305190/1 (LJN: AO9200) en 17 oktober 2007 met zaaknummer 200701240/1 (LJN: BB5839). De door partijen in het geding gebrachte rapporten van B. Born, Alterra en Eelerwoude bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder op voorhand had moeten inzien dat de Flora- en faunawet of de Natuurbeschermingswet 1998 aan realisering van het hekwerk in de weg staat.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook de noodzaak en het nuttig effect van de in geding zijnde wildsprongen vooralsnog niet aannemelijk zijn gemaakt. [eiseres] en [eiser] zijn het er overigens met elkaar over eens dat de wildsprong aan de zijde van de [adres2] hoe dan ook te dicht bij de weg is gesitueerd.

2.7. Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten die [eiseres] in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.

Niet gebleken is dat [eiser] proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten van de door [eiser] ingeschakelde deskundige komen niet voor beoordeling in aanmerking, omdat opgave ervan niet overeenkomstig de bijlage bij de kennisgeving voor de zitting uiterlijk ter zitting is gedaan, maar eerst na afloop daarvan.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder de betaalde griffierechten van € 145,- aan [eiser] en [eiseres] vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van [eiseres] tot een bedrag van € 644,- ter zake van verleende rechtsbijstand.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van Duyvendijk, voorzitter, en mr. A.A.J. de Gier en mr. L.J. Bosch, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2009.