Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ3840

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-07-2009
Datum publicatie
27-07-2009
Zaaknummer
06-460018-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

15 maanden gevangenisstraf waarvan 5 maanden voorwaardelijk voor een overval in vereniging op een tankstation in Groenlo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460018-09

Uitspraak d.d.: 27 juli 2009

Tegenspraak / dip, oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte C],

geboren te [plaats, 1984],

wonende te Winterswijk,

thans verblijvende in het huis van bewaring te Arnhem-Zuid.

Raadsman: mr. M.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 april 2009 en 13 juli 2009.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 november 2008 te Groenlo, gemeente Oost Gelre tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 2.632,47 euro, althans een geldbedrag en/of sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Totaltankstation [slachtoffer B] aan de [adres], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een medewerker(s) van voornoemd Tankstation, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of één of meer van zijn medeverdachte(n)

- de shop van het tankstation is/zijn binnengelopen en/of de medewerker(s) de woorden "Handen omhoog!" en/of "Niet op het knopje drukken" heeft/hebben toegevoegd en/of

- de medewerker(s) van het tankstation heeft gezegd de kassa te openen en/of

- de medewerker(s) van het tankstation heeft/hebben bedreigd met een mes en/of

- de medewerker(s) van het tankstation naar beneden heeft/hebben gedrukt en/of

- de medewerker heeft/hebben gevraagd naar de kluis

en/of

hij op of omstreeks 22 november 2008 te Groenlo, gemeente Oost Gelre tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld (een) medewerker(s) van het Totaltankstation [slachtoffer B] aan de [adres] heeft gedwongen tot de afgifte van 2.632,47 euro, althans enig geldbedrag en/of sigaretten, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B] VOF, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld

en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of één of meer van zijn medeverdachte(n)

- de shop van het tankstation is/zijn binnengelopen en/of de medewerker(s) de woorden "Handen omhoog!" en/of "Niet op het knopje drukken heeft/hebben toegevoegd en/of

- de medewerker(s) van het tankstation heeft gezegd de kassa te openen en/of

- de medewerker(s) van het tankstation heeft/hebben bedreigd met een mes en/of

- de medewerker(s) van het tankstation naar beneden heeft/hebben gedrukt en/of

- de medewerker(s) heeft/hebben gevraagd naar de kluis;

(incident 2)

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Vaststaande feiten

Op 16 november 2008 is Totaltankstation [slachtoffer B] overvallen, waarbij ongeveer € 2.632,47 is buit gemaakt.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen verklaard kan worden.

C. Standpunt van de verdachte

Door en namens verdachte is aangevoerd dat het ten laste gelegde, voor zover inhoudende de gekwalificeerde diefstal, bewezen kan worden verklaard, nu hij erkent dat hij samen met zijn twee medeverdachten het tankstation heeft overvallen. Voor zover hem eveneens verweten wordt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van afpersing, is aangevoerd dat het (voorwaardelijk) opzet gericht op de afpersing ontbreekt bij verdachte. Daartoe is aangevoerd dat de afpersing vooraf niet was gepland. Door een verspreking van een medeverdachte is naar de kluis gevraagd, waarna het slachtoffer uit de kluis een envelop aan een medeverdachte heeft overhandigd.

D. Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank is van oordeel dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich hierbij op de volgende bewijsmiddelen:

- de aangifte van [slachtoffer B]2;

- de verklaring van getuige [getuige A]3;

- de verklaring van medeverdachten [verdachte B]4 en [verdachte A]5; en

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie6, welke hij ter terechtzitting van 13 juli 2009 heeft bevestigd.

2. Verdachte heeft - kort samengevat - aangevoerd dat bij hem geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de afpersing.

3. De rechtbank oordeelt ter zake als volgt. Verdachte is samen met medeverdachten [verdachten A en B] naar het tankstation gegaan om daar een overval te plegen. Afgesproken was dat verdachte buiten op de uitkijk zou blijven staan. Medeverdachten [verdachten A en B] zijn het tankstation binnen gegaan met een mes en een stok.7 Nu verdachte bekend was met de omstandigheid dat zijn twee medeverdachten het tankstation naar binnen gingen met een mes en een stok om aldaar onder geweld en/of bedreiging met geweld geld te verkrijgen, heeft hij daarmee ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer onder bedreiging met geweld en/of geweld geld af zou geven. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten:

hij op 22 november 2008 te Groenlo, gemeente Oost Gelre tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan Totaltankstation [slachtoffer B] aan de [adres], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen een medewerker van voornoemd Tankstation, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn medeverdachten

- de shop van het tankstation zijn binnengelopen en de medewerker de woorden "Handen omhoog!" en "Niet op het knopje drukken" hebben toegevoegd en

- de medewerker van het tankstation hebben gezegd de kassa te openen en

- de medewerker van het tankstation hebben bedreigd met een mes en

- de medewerker van het tankstation naar beneden hebben gedrukt en

- de medewerker hebben gevraagd naar de kluis;

en

hij op 22 november 2008 te Groenlo, gemeente Oost Gelre tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld een medewerker van het Totaltankstation [slachtoffer B] aan de [adres] heeft gedwongen tot de afgifte van enig geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer B] VOF, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn medeverdachten

- de shop van het tankstation zijn binnengelopen en de medewerker de woorden "Handen omhoog!" en "Niet op het knopje drukken" hebben toegevoegd en

- de medewerker van het tankstation hebben gezegd de kassa te openen en

- de medewerker van het tankstation hebben bedreigd met een mes en

- de medewerker van het tankstation naar beneden hebben gedrukt en

- de medewerker hebben gevraagd naar de kluis.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en medeplegen van afpersing.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf

1. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden, waarvan 5 (vijf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest.

2. Door en namens verdachte is bepleit een kortere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie geëist, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden met daarnaast een voorwaardelijke straf. Daartoe is aangevoerd dat verdachte bij de overval een ondergeschikte rol had bij en bij de overige (zeven) door zijn medeverdachten gepleegde overvallen niet meer betrokken is geweest. Van de zijde van de verdediging is voorts gewezen op de inhoud van het reclasseringsrapport van 4 maart 2009 en het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) van 27 januari 2009. Door de reclassering wordt geadviseerd verdachte in ieder geval te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke vrijheidsstraf met daarbij de bijzondere voorwaarde van reclasseringscontact, ook indien dit inhoudt dat hij zal meewerken aan een CoVa-training. Volgens de raadsman bedoelt de reclassering waarschijnlijk dat naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, een voorwaardelijk strafdeel afdoende is.

3. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

4. De rechtbank heeft bij haar straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte betrokken is geweest bij één van een serie overvallen die zich in een korte periode in Groenlo heeft voltrokken. Verdachte en zijn medeverdachten hebben hun eigen financiële motieven voorop laten staan en hebben geen enkel oog gehad voor de ellende die zij bij de (nog jeugdige) medewerker van het betreffende tankstation aanrichtten. Bekend is dat slachtoffers van dergelijke overvallen veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen daarvan ondervinden. Deze traumatische ervaring zal, naar de ervaring leert, het leven van het slachtoffer langdurig beïnvloeden. Daarnaast brengen dergelijke overvallen ook maatschappelijke gevoelens van onveiligheid en onrust met zich mee.

5. De rechtbank houdt tevens rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

6. Uit de consultbrief van het NIFP van 27 januari 2009 komt naar voren dat een psychiatrische stoornis in engere zin niet aantoonbaar is, maar mogelijk wel sprake is van enige persoonlijkheids-/agressieregulatieproblematiek. Verdachte staat vooralsnog niet open voor enige behandeling in deze, maar toont zich bereid tot toezicht en begeleiding door de reclassering, ook met het oog op gewenste veranderingen in wonen, werken, relaties en financiën ter vermindering van het recidiverisico.

7. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking het reclasseringsrapport van 4 maart 2009, waarin onder meer het volgende is vermeld. Verdachte lijkt zich enerzijds te hebben laten meeslepen door de medeverdachten en anderzijds lijkt het idee van "snel geld willen maken" hem ook over de streep te hebben getrokken om mee te doen.

De inschatting is dat de kans op herhaling niet uit te sluiten is, wanneer verdachte op dezelfde manier zijn leven blijft leven zoals hij dat de laatste tijd heeft gedaan. Het huidige voorarrest lijkt wel enigszins corrigerend te werken. Op zich lijkt hij goed "te voelen" hoe ver hij met deelname aan een overval grenzen is overgegaan en dit vindt hij zelf ook onacceptabel. Op basis van eerdere ervaringen is het echter de vraag in hoeverre dit alles beklijft wanneer hij weer enige tijd vrij zal zijn. Hij is vol goede voornemens om zijn leven anders in te richten in de toekomst, maar de vraag is in hoeverre hij in staat zal zijn dit zelf vorm te geven en te blijven continueren. Reclasseringstoezicht is derhalve geïndiceerd. Geadviseerd wordt dan ook om aan verdachte in ieder geval een voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarde van reclasseringscontact ook indien dit inhoudt dat verdachte zal meewerken aan een CoVa-training.

8. Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting zijn spijt heeft betuigd van het door hem gepleegde feit en hetgeen hij het slachtoffer daarmee heeft aangedaan.

9. Het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, zoals door de officier van justitie geëist, passend en geboden is, waarbij de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij eerdere uitspraken in vergelijkbare zaken. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden, waarvan

5 (vijf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zal daaraan - zoals door de reclassering is voorgesteld en door verdachte is onderschreven - de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht koppelen, ook indien dit inhoudt dat hij zal deelnemen aan een CoVa-training. Zij acht een deels voorwaardelijke straf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

In beslag genomen voorwerpen

10. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel, dat, nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, de in beslag genomen voorwerpen terug kunnen naar veroordeelde. De rechtbank gelast dan ook de teruggave van na te melden voorwerpen aan veroordeelde:

- 7 zwarte mutsen (nrs. 1, 2, 3, 4, 5, 8);

- 2 grijze mutsen (nrs. 6 en 7);

- gebruikt paar werkschoenen (merk Double Force, nr. 9);

- zwarte jas (merk The North Face, nr. 10)

- telefoontoestel Samsung (nr. 11).

Vordering benadeelde partij

11. De benadeelde partij [slachtoffer B] p/a Garage [slachtoffer B], gevestigd aan de [adres] te Groenlo (bankrekeningnummer: [nummer]) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van

€ 370,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het schadeveroorzakend feit, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het ten laste gelegde.

Standpunt van de officier van justitie

12. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij

[slachtoffer B] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, nu de vordering niet nader onderbouwd is.

Standpunt van de verdediging

13. Door en namens verdachte is ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij aangevoerd dat de vordering niet duidelijk is, om welke reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

14. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de door [slachtoffer B] ingediende vordering is gebleken, komen vast te staan dat hij schade heeft geleden.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer B] voornoemd, een bedrag van € 2.632,- vordert voor de op 29 december 2008 gepleegde overval en € 370,- voor de op

22 november 2008 gepleegde overval. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een kennelijke verschrijving door [slachtoffer B] voornoemd, nu uit de aangiftes van [slachtoffer B] blijkt dat bij de overval op 29 december 2008 een bedrag van rond de € 350,- is weggenomen en op 22 november 2008 een bedrag van € 2.632,-. Door het openbaar ministerie is vervolgens een verkeerd parketnummer bovenaan de vordering vermeld, waardoor in de strafzaak tegen verdachte enkel de vordering ten bedrage van € 370,- voorligt. Een dergelijke verschrijving c.q. vergissing staat naar het oordeel van de rechtbank aan toewijzing van de vordering niet in de weg. Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden door het bewezen verklaarde handelen, komt de vordering voor toewijzing in aanmerking.

Het gevorderde bedrag van € 370,- zal de rechtbank matigen tot een bedrag van € 350,-. De rechtbank acht de vordering - anders dan de officier van justitie en de verdediging - voldoende onderbouwd. Verdachte is voor de schade - naar burgerlijk recht - hoofdelijk aansprakelijk. De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer B] voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

15. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 47, 57, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en medeplegen van afpersing;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

- bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook indien dit inhoudt dat veroordeelde zal deelnemen aan een CoVa-training;

- geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde(n) hulp en steun te verlenen;

- beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten:

- 7 zwarte mutsen (nrs. 1, 2, 3, 4, 5, 8);

- 2 grijze mutsen (nrs. 6 en 7);

- gebruikt paar werkschoenen (merk Double Force, nr. 9);

- zwarte jas (merk The North Face, nr. 10);

- telefoontoestel Samsung (nr. 11);

- veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer B], p/a Garage [slachtoffer B], gevestigd [adres] te Groenlo (bankrekeningnummer: [nummer]), van een bedrag van € 350,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2008 en vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer B] voornoemd voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

- legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B], voornoemd een bedrag te betalen van € 116,67, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 2 (twee) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

- bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Kleinrensink en Aufderhaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 juli 2009.

Eindnoten

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0640/09-200709, gedateerd 17 februari 2009.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B] (p.249-250)

3 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A] (p.255-258)

4 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [verdachte B] (p.323-327)

5 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [verdachte A] (p.336-337 (p.298-301)

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.298-301)

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.298), proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [verdachte B] (p.324) en proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [verdachte A] (p.337)