Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ3219

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
06/923559-06, 06/925364-07 en 06/925164-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat een Larense rundveehouder in strijd met de wet heeft gehandeld door het niet emissiearm uitrijden van mest, maar legt hem geen straf op.

De rechtbank concludeert dat verdachte niet heeft gehandeld vanwege persoonlijk gewin, maar uit de overtuiging dat zijn manier van uitrijden van mest beter zou zijn. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte een aanzienlijk bedrag aan subsidie misloopt door op haar wijze het rundveebedrijf uit te oefenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2009, 75

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige economische kamer

Parketnummer: 06/923559-06

Gevoegde zaken: 06/925364-07 en 06/925164-08

Uitspraak d.d. 21 juli 2009

Tegenspraak/ oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

gevestigd te [adres].

Raadsman: mr. R. Polderman te Alkmaar.

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 juni 2008, 3 februari 2009 en 7 juli 2009.

Ter terechtzitting van 24 juni 2008 heeft de rechtbank de voeging bevolen van de bij

afzonderlijke dagvaardingen onder de parketnummers 06/923559-06 (waarbij al ter

berechting was gevoegd de zaak met parketnummer 06/925364-07) en 06/925164-08

aangebrachte zaken.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is - na vernummering van de achtereenvolgende dagvaardingen - ten laste

gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 19 mei 2006 te Laren, gemeente Lochem, al dan niet

opzettelijk, dierlijke meststoffen heeft gebruikt op een perceel grasland,

gelegen aan of nabij de Rengersweg, terwijl die dierlijke meststoffen niet

emissiearm werden aangewend;

art 5 lid 1 Besluit gebruik meststoffen

2.

zij op of omstreeks 8 mei 2007 te Laren, gemeente Lochem, al dan niet

opzettelijk, dierlijke meststoffen heeft gebruikt op een perceel grasland,

gelegen aan of nabij de Nengersteeg, terwijl die dierlijke meststoffen niet

emissiearm werden aangewend;

art 5 lid 1 Besluit gebruik meststoffen

3.

zij op of omstreeks 1 april 2008 te Laren, gemeente Lochem, al dan niet

opzettelijk, dierlijke meststoffen heeft gebruikt op een perceel grasland,

gelegen aan of nabij de Nengersteeg, terwijl die dierlijke meststoffen niet

emissiearm werden aangewend;

art 5 lid 1 Besluit gebruik meststoffen.

3. Inleiding

De maatschap [verdachte] is gedagvaard om terecht te staan terzake van overtreding van artikel 5, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen. De maatschap zou dierlijke meststoffen niet emissie-arm hebben aangewend.

De maatschap heeft dit betwist. Weliswaar brengt zij de meststoffen niet op het grasland op de voorgeschreven wijze (met behulp van een mestinjecteur) (bijlage II bij het besluit), maar dat wil niet zeggen dat zij, door de mest uit te rijden met een giertank, de meststoffen niet emissie-arm aanwendt. De maatschap bedient zich van een methode, welke, beter zelfs dan op de voorgeschreven wijze, de ammoniakemissie beperkt. Bedoelde methode is de FIR. methode. FIR is de afkorting van Fysische Ionen Regulatie. Deze methode komt erop neer, dat, door toevoeging van koolstof aan de mest in het proces waarbij de ammoniak zich vormt, de hoeveelheid in de mest voorkomende ammoniak minder is dan het geval is bij de voorgeschreven wijze van emissie-arm aanwenden. De toevoeging van de koolstof begint bij het diervoer. De getuigen-deskundigen Kroon en Kleine hebben de methode verder toegelicht. De economische politierechter heeft daarop een schouw bevolen en is ter plaatse gegaan. De economische politierechter heeft vervolgens de zaak ter verdere behandeling en afdoening verwezen naar de meervoudige economische strafkamer van de rechtbank

4. Ambtshalve onderzoek van de ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank zal ambtshalve onderzoeken of de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging, aangezien de minister van Landbouw te kennen heeft gegeven andere methoden dan de voorgeschrevene van emissiearm uitrijden in overweging zal nemen. Een dergelijke herbeschouwing kan het vervolgingsrecht van de officier van justitie raken. Het volgende is namelijk het geval.

Door druk uit de praktijk maakt het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op beperkte schaal openingen voor onderzoek naar alternatieven ter beteugeling van de ammoniakemissie bij het gebruik van natuurlijke meststoffen. Ook de politiek is aandacht gaan besteden aan dit onderwerp. Zo stelt Van der Ham, lid van de Tweede Kamer, over bemesting via de FIRmethode een aantal schriftelijke vragen, die door de toenmalige minister van landbouw, Veerman, in een aan de Kamer gericht schrijven (d.d. 16 mei 2006; kenmerk: DL. 2006/1072) beantwoord worden. Verslag wordt gedaan van ‘onderzoek’ naar de werkzaamheid van de methode. Het onderzoek beperkte zich aanvankelijk tot het bedrijf van één FIR-boer, Spruit. Later is dit onderzoek aangevuld met nog 29 andere bedrijven in de Noordelijke Friese Wouden. Het entameren van aanvullend onderzoek vond zijn aanleiding in de volgende overweging van de minister: “De onderzoeksresultaten op het bedrijf van de familie Spruit boden zodanig perspectief dat ik het wenselijk oordeelde daaraan een vervolg te geven.”

Voor de economische strafkamer van de rechtbank was deze beweeglijke situatie aanleiding af te wachten of de minister tot zodanig nieuw beleid zou besluiten, dat daardoor de

ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging in het geding zou zijn voor de als strafbaar aangemerkte feiten welke zijn ontstaan in een periode van heroverweging van het bestaande beleid. Onder omstandigheden kan dan, door toch voor die feiten te vervolgen, de officier van justitie een verkeerde toepassing geven aan hetgeen in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering bepaald is. Indien een orgaan van de Rijksoverheid doende is met een beleidsevaluatie, welke kan resulteren in een ander zicht op de strafwaardigheid van gedragingen van vermeende verdachte, zodanig dat daardoor verdachtes gedraging in het

geheel geen strafbaar feit meer is, dan wel een strafbaar feit van aanzienlijk mindere ernst is, hetwelk tot uitdrukking komt in het dreigen met een lagere straf, naar soort en/of maat, dan kan het, waar het de toepassing van economisch strafrecht betreft, opportuun zijn dat de officier van justitie, totdat het resultaat van de beleidsevaluatie bekend is, (nog) niet overgaat tot vervolging, danwel aan een reeds aangevangen vervolging (voorlopig) geen verder vervolg geeft.

De getuige-deskundige Soons, senior ambtenaar op het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en uit hoofde van zijn functie goed bekend met het beleid van het ministerie aangaande het emissiearm gebruik van dierlijke meststoffen, heeft, gevraagd naar de uitkomst van de beleidsevaluatie voor zover van belang voor degenen die de FIR methode toepassen, op de terechtzitting van 3 februari 2009 verklaard: “Het is bijna 100% zeker dat er geen algemene vrijstelling voor FIR gegeven zal worden. Het probleem van andere toepassingen dan de huidig toegestane is dat nieuwe methoden slechter handhaafbaar zijn. Er moet dan bijvoorbeeld veel meer AID ingezet worden om naleving van de wetgeving te controleren. Bij nieuw uit te voeren onderzoeken zou de controleerbaarheid van naleving van de wetgeving een onderdeel van het onderzoek moeten zijn.” Voorts verklaarde Soons: “Ik acht uitgesloten dat de minister zal besluiten tot het doen van nieuwe onderzoeken met betrekking tot de FIR-methode. Als het gaat om de FIR-methode, dan heeft het geen zin om de publicatie van de door mij genoemde rapporten af te wachten. Daar is geen aanleiding voor.” Op de terechtzitting van 7 juli 2009, heeft de getuige-deskundige Soons vorenstaande herhaald. Inmiddels heeft de huidige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Verburg, in de brief aan de Tweede Kamer d.d. 15 april 2009 (kenmerk: DL. 2009/480) bericht, over de resultaten van voornoemd (en ander) onderzoek. Zij laat weten dat die grond geven voor een praktijkproef. De minister schrijft: “De evaluatie van het Planbureau (voor de Leefomgeving) bevestigt dat de emissie van ammoniak uit mest effectief kan worden beperkt door drijfmest op emissiearme wijze toe te dienen. Het Planbureau wijst erop dat onderzoek heeft laten zien dat de mate waarin ammoniak bij het uitrijden van mest vrij komt ook dan kan worden beperkt met andere maatregelen, zoals stikstofarm voederregime, door bij het uitrijden rekening te houden met weersomstandigheden of door mest na uitrijden in te regenen. Het Planbureau signaleert dat aan toevoeging van FIR-preparaten (fysische ionenregulatie), een koolstofhoudende reststof uit de voedingsindustrie, geen duidelijk positief effect kon worden verbonden. Het onderzoek laat echter ook zien dat de alternatieve maatregelen de emissie in de praktijk veelal minder beperken dan bij emissiearm uitrijden..” Na een aantal onzekerheden te hebben genoemd, die zich voordoen bij bemesting volgens alternatieve methoden, schrijft de minister nog: “Gezien die onzekerheden, acht ik het nu niet verantwoord ten algemene uitzonderingen toe te staan op de bestaande voorschriften. Wel ben ik bereid om in het kader van een praktijkproef, op beperkte schaal (maximaal 2.500 hectare landbouwgrond in het Noorden en Westen van het land) en onder nader te stellen voorwaarden, te onderzoeken of het mogelijk is die onzekerheden weg te nemen. Ik verwijs u hiervoor naar het vierde actieprogramma betreffende de Nitraatrichtlijn dat ik u onlangs heb aangeboden. In het kader van deze praktijkproef bied ik samenwerkingsverbanden van melkveehouders de mogelijkheid een voorstel te doen voor uitvoering van een pakket van emissiereducerende maatregelen. Indien een dergelijk pakket, mede op basis van een beoordeling die ik laat uitvoeren door de Commissie van deskundigen meststoffen, mij het vertrouwen geeft dat daarmee de emissie van ammoniak in voldoende mate kan worden beperkt en de naleving voldoende controleerbaar is, ben ik bereid aan de melkveehouders ontheffing te verlenen van de verplichting in het Besluit gebruik meststoffen om drijfmest op

emissiearme wijze toe te dienen..” En voegt daar aan toe: ”Mede gelet op de bevindingen van het Planbureau zal ik geen emissiebeperkende waarde toekennen aan de toepassing van FIR.”

Uit de opmerking van de minister, dat zij geen emissiebeperkende waarde zal toekennen aan de toepassing van FIR, en de toelichting daarop van Soons dat het beleid ten aanzien van de FIR methode niet zal veranderen, concludeert de rechtbank dat er geen sprake is van een situatie van beleidsevaluatie, waarvan de te verwachten uitkomst zodanig zal zijn dat zij kan resulteren in een ander zicht op de strafwaardigheid van gedragingen van vermeende verdachte.

In dat geval kan niet gezegd worden dat de officier van justitie een verkeerde toepassing heeft gegeven aan het bij artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde. De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in zijn vervolging.

5. Overwegingen ten aanzien van het bewijs (1)

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Hij baseert dit op de processen-verbaal die zijn opgemaakt en de bekennende verklaring die de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting over deze feiten heeft afgelegd.

Standpunt van de verdachte, de verdediging

De vertegenwoordiger van verdachte heeft erkend dat verdachte op 19 mei 2006, 8 mei 2007 en 1 april 2008 telkens drijfmest oppervlakkig heeft aangewend en dus niet conform de definitie van “emissiearm aanwenden” als genoemd in het Besluit gebruik meststoffen.

Beoordeling door de rechtbank

De vertegenwoordiger van verdachte heeft erkend dat er namens de maatschap op 19 mei 2006, 8 mei 2007 en 1 april 2008 telkens drijfmest oppervlakkig is aangewend.

Voorts is de bewezenverklaring gebaseerd op:

- het relaas (2) van de verbalisant [verbalisant] die op 19 mei 2006 heeft geconstateerd dat mest op een perceel grasland aan de Rengersweg te Laren, gemeente Lochem, niet emissiearm werd aangewend;

- het relaas (3) van de verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] die op 8 mei 2007 hebben geconstateerd dat mest op een perceel grasland aan de Nengerssteeg te Laren, gemeente Lochem, niet emissiearm werd aangewend;

- het relaas (4) van de verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] die op 1 april 2008 hebben geconstateerd dat mest op een perceel Nengerssteeg te Laren, gemeente Lochem, niet emissiearm werd aangewend.

6. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij op 19 mei 2006 te Laren, gemeente Lochem, opzettelijk dierlijke meststoffen heeft gebruikt op een perceel grasland, gelegen aan de Rengersweg, terwijl die dierlijke meststoffen niet emissiearm werden aangewend;

2.

zij op 8 mei 2007 te Laren, gemeente Lochem, opzettelijk dierlijke meststoffen heeft gebruikt op een perceel grasland, gelegen aan de Nengersteeg, terwijl die dierlijke meststoffen niet emissiearm werden aangewend;

3.

zij op 1 april 2008 te Laren, gemeente Lochem, opzettelijk dierlijke meststoffen heeft gebruikt op een perceel grasland, gelegen aan de Nengersteeg, terwijl die dierlijke meststoffen niet emissiearm werden aangewend.

7. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Beroep op de afwezigheid van de materiele wederrechtelijkheid

De raadsman heeft nog aangevoerd dat verdachte geheel te goeder trouw heeft gehandeld in de overtuiging dat het doel van de regeling, namelijk terugdringing van ammoniak-emissie, met de door hem toegepaste FIR-methode, beter gediend is. Hij beroept zich op afwezigheid van de materiele wederrechtelijkheid.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte wellicht in de geest van de regelgeving heeft willen handelen, maar dat de regelgeving wel is overtreden. Een vergelijking met de casus van Huizense veearts gaat niet op, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt dat met het begrip materiële wederrechtelijkheid bedoeld wordt dat het voor de strafbaarheid van een gedraging nodig is dat de gedraging wederrechtelijk is, maar dat zulks niet expliciet tot uitdrukking is gebracht in de delictsomschrijving. Indien een feit bewezen is, dan moet vervolgens de vraag beantwoord worden of het feit een strafbaar feit is, dat wil zeggen of het feit formeel of materieel wederrechtelijk is. Dat en onder welke voorwaarden beroep gedaan kan worden op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid was aan de orde in HR 20 februari 1933, NJ 1933, 918 (Huizense veearts). De veearts werd verweten dat hij – in de prevaccinatie tijd – gezond vee in aanraking bracht met vee dat leed aan mond- en klauwzeer door ze bij elkaar op stal te zetten. Dat was verboden bij de Veewet, welke de bevordering van de gezondheid van het vee tot doel had. De Hoge Raad overwoog “dat niet kan worden aangenomen, dat volgens genoemd artikel (82 van de Veewet) zoude kunnen worden gestraft de veearts, die, bij het toepassen van een zekere behandeling van het aan zijne zorg toevertrouwde vee - hier dus het brengen van gezonde koeien in een besmette stal - handelt niet slechts volgens hetgeen naar eigen inzicht geoorloofd en wetenschappelijk

aangewezen is, doch ook volgens in zijn wetenschap algemeen als juist erkende richtsnoeren, en die daarbij, ook alweder volgens algemeen erkend deskundig inzicht, door voorkoming van ernstig lijden, het heil van het in verdachten toestand gebracht vee bevordert”.

Uit de overweging van de Hoge Raad volgt dat de criteria die aangelegd dienen te worden bij de beoordeling van een beroep op de afwezigheid van materiële wederrechtelijkheid onder meer in houden dat de handelwijze van verdachte algemeen wetenschappelijk als juist erkend wordt. Uit het ter zitting verhandelde en uit de overgelegde stukken, waaronder de rapporten van deskundigen, kan blijken dat de door verdachte aangewende methode controversieel is. Zij voldoet daarmee niet aan genoemd criterium. Om die reden kan een beroep op de afwezigheid van de materiële wederrechtelijkheid niet slagen.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1, 2 en 3 telkens:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, driemaal gepleegd.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

9. Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete van € 2.400,-- waarvan € 800,-- voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Ter toelichting heeft de officier van justitie aangevoerd dat hij rekening heeft gehouden met de manier van werken van de verdachte, waarbij deze oog heeft voor het terugdringen van schade voor het milieu. Ook heeft hij er rekening mee gehouden dat verdachte door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekort op bedrijfstoeslagen.

Ook namens verdachte is verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit opgelegde korting op bedrijfstoeslagen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht verdachte schuldig verklaren zonder oplegging van straf. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte niet heeft gehandeld vanwege persoonlijk gewin, maar uit de overtuiging dat door te handelen zoals zij gedaan heeft het doel van de wettelijke regeling, te weten het emissiearm gebruik van dierlijke meststoffen, beter gediend was met haar handelwijze, terwijl dusdoende bovendien de bijwerkingen van de voorgeschreven methode beperkt werden. De rechtbank houdt er tevens rekening mee dat verdachte, naar is gebleken een aanzienlijk bedrag aan subsidie misloopt door op haar wijze het rundveebedijf uit te oefenen. In dit kader worden met het opleggen van straf geen strafdoelen gediend.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen:

- 9a, 51, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 7 van de Wet bodembescherming;

- 5 van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of ander is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

1, 2 en 3 telkens: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

• verklaart verdachte strafbaar;

• bepaalt, dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Aldus gewezen door mrs. Brouns, voorzitter, Van de Wetering en Draisma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juli 2009.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal:

- parketnummer 06/923559-06: nummer 34445, gesloten en ondertekend op 7 juni 2006;

- parketnummer 06/925364-07: nummer 42736, gesloten en ondertekend op 11 mei 2007;

- parketnummer 06/925164-08: nummer 48481, gesloten en ondertekend op 29 april 2008.

2 Proces-verbaal nummer 34445, pag. 3

3 Proces-verbaal nummer 46736, pag. 4

4 Proces-verbaal nummer 48481, pag. 3