Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ3127

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-07-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
06/800006-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, geheel voorwaardelijk met daarnaast een werkstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis, met een proeftijd vna twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/800006-08

Uitspraak d.d.: 20 juli 2009

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1930,

wonende te [adres] te [woonplaats]

Raadsman: mr. M. van Kan te Zutphen

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 maart 2009 en 6 juli 2009.

2. De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de zitting van 25 maart 2009 is gewijzigd is aan verdachte ten

laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks tussen 01 januari 2007 en 29 augustus 2007 te Doetinchem en/of te Zelhem, althans in het arrondissement Zutphen (telkens ) met [slachtoffer 1], van wie hij verdachte, wist dat die [slachtoffer 1] aan en zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer 1] niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd die(mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], immers heeft verdachte toen aldaar zijn tong in de mond en/of de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd en/of gestoken en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of gestoken en/of van/over de vagina en/of de clitoris en/of de borsten van die [slachtoffer 1] betast en/of gestreeld en/of gelikt en/of gekust;

art 243 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat,

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks tussen 01 januari 2007 en 29 augustus 2007, te Doetinchem en/of te Zelhem, althans in het arrondissement Zutphen (telkens) met [slachtoffer 1], van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 1] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer 1] onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd bestaande uit het betasten en/of strelen en/of likken en/of kussen van/over de vagina en/of de clitoris en/of borsten van die [slachtoffer 1];

art 247 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdtippen in of omstreeks tussen 01 januari 2007 en 29 augustus 2007 te Doetinchem (telkens) door geweld of (een)andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het (telkens) betasten en/of aanraken en/of vastpakken van de borst(en) van die [slachtoffer 2] en/of het kussen op de mond, althans zijn tong op de lippen van die [slachtoffer 2] heeft geduwd en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds en onverwachts, zonder dat die [slachtoffer 2] er erg in had en/of zich kon verweren, de borsten heeft gepakt en/of betast en/of zijn mond op die van [slachtoffer 2] gebracht;

art 246 Wetboek van Strafrecht

3. Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs (1)

A. Vaststaande feiten

Op 7 september 2007 doet [naam broer] (hierna “de broer”) aangifte (2) namens zijn zus [slachtoffer 1] (hierna “[slachtoffer 1]”). [slachtoffer 1] is een verstandelijk beperkte vrouw van 29 jaar en lijdt aan het syndroom van Down. De broer doet aangifte terzake seksueel misbruik van zijn zus. Dit misbruik zou zijn gepleegd door een kennis van zijn moeder, te weten verdachte. [slachtoffer 1] is op 12 oktober 2007 in een studio verhoord (13) . Hier verklaart zij dat verdachte haar op meerdere momenten heeft betast en ook bij haar is binnengedrongen. Dit zou zijn gebeurd in haar woning en in verdachtes auto.

Op 4 december 2007 doet [slachtoffer 2] (hierna moeder) aangifte (4) van aanranding gepleegd door verdachte. Verdachte zou moeder meermalen in de borsten hebben geknepen en met zijn tong in haar mond zijn binnengedrongen.

Verdachte is op 3 en 4 december 2007 over de aangiften gehoord (5) .

B. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde. Hij acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1] en dat hij moeder heeft aangerand. Hij heeft zich gebaseerd op de verklaringen van [slachtoffer 1] en moeder en de deels bekennende verklaring van verdachte.

C. Standpunt van de verdachte, de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden aangezien verdachte voorafgaand aan en tijdens het verhoor bij de politie geen bijstand heeft gehad van een raadsman en dat hierdoor het elementaire recht van verdachte op een eerlijk proces dermate ernstig is geschonden dat dit in strijd is met de goede procesorde.

De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat indien het OM ontvankelijk is in zijn vervolging verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 is ten laste gelegd. Hij voert daartoe aan dat de verklaring van [slachtoffer 1] met voorzichtigheid gehanteerd dient te worden aangezien deze verklaring zou zijn gestuurd door de politie en voorafgaand aan het verhoor, ook door anderen. Hij voert tevens aan dat haar verklaring innerlijk tegenstrijdig is en dat, daar waar de verklaring van [slachtoffer 1] overeenkomt met de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, de betrouwbaarheid ervan buiten redelijke twijfel staat. Daarbij blijft verdachte het binnendringen van het lichaam pertinent ontkennen.

Ook betwist de raadsman namens verdachte dat [slachtoffer 1] een ten dezen relevant wilsgebrek had. Hij voert aan dat het bij beide ten laste gelegde varianten de vraag is of de stoornis van haar geestvermogens waaraan [slachtoffer 1] leed, tot gevolg had dat zij niet of onvoldoende in staat was haar wil kenbaar te maken of zich desgewenst te verweren tegen de gewraakte handelingen. De raadsman voert daartoe aan dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat [slachtoffer 1] bijdehand genoeg was om te weten wat ze wilde zodat verdachte zo gezien dan ook geen verwijt kan worden gemaakt van zijn eventuele dwaling op dit punt en hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde bepleit de raadsman eveneens vrijspraak aangezien verdachte toen en nu pertinent alle aantijgingen van het slachtoffer, mevrouw [slachtoffer 1], ontkent en verdachte ervan overtuigd is dat de beweerde aanrakingen, voor zover ze hebben plaatsgevonden, hooguit onopzettelijk kunnen hebben plaatsgevonden. Daarnaast voert de raadsman nog aan dat het in dit verband opmerkelijk is dat het volgens de zoon van het slachtoffer een maand na het overlijden van zijn vader (dat was in december, pag. 22/23) zou zijn gebeurd, terwijl er in januari geen gladiolen zijn en het slachtoffer daarnaast zelf heeft verklaard dat het in de zomer gebeurd zou zijn omdat verdachte gladiolen bracht.

D. Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Verdachte is drie keer door de politie verhoord. Na het tweede verhoor is verdachte bezocht door zijn raadsman. Er is geen rechtsregel die maakt dat verdachte recht heeft op bijstand tijdens het verhoor. Het ontbreken van rechtsbijstand voorafgaand aan het verhoor kan consequenties hebben voor de bruikbaarheid van de verklaringen van verdachte. Daarover hieronder meer.

Ten aanzien van de feiten

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank het volgende.

[slachtoffer 1] heeft in de studio verklaard over wat er is gebeurd in de auto evenals in haar woning. Over het auto-incident heeft ze verklaard (6) dat verdachte op een gegeven moment met haar naar het bos is gereden en dat ze daar gekomen achterin de auto moest gaan liggen omdat verdachte had gezegd dat hij met haar wilde spelen. Dat verdachte vervolgens haar broek en onderbroek naar beneden heeft gedaan en ze haar benen wijd moest houden, waarna verdachte haar met zijn tong tussen de benen heeft gekust. Dat hij vervolgens spul uit zijn broekzak haalt en wat met zijn vinger in haar kontje (lees: vagina) doet en dat verdachte dan met zijn mond naar haar kontje (lees: vagina) gaat. Dat verdachte daarna ook nog aan haar borsten en benen zit en hij haar daarna ook nog heeft gekust.

Ze heeft tevens verklaard dat ze gezegd heeft dat ze het niet wil en dat verdachte daarop gezegd zou hebben dat hij haar niet aardig vond en boos werd op haar.

In de auto is het één keer gebeurd. In de woning is het twee keer gebeurd.

[slachtoffer 1] heeft over de flatsituatie verklaard (7) dat toen Baantjer afgelopen was, verdachte haar de broek wilde uittrekken. Dat verdachte haar ondergoed naar beneden heeft getrokken en dat ze haar benen wijd moest houden. Dat hij de haartjes aan de kant heeft gedaan en haar vervolgens daar met de tong heeft gekust. Dat zij probeerde dit tegen te houden door haar hand voor haar kruis te houden, maar dat zij haar hand weg moest doen van verdachte en hij haar vervolgens bij haar borsten pakte. Dat verdachte toen nog wel zijn kleren aanhad. Dat ze vervolgens naar haar slaapkamer zijn gegaan omdat twee medebewoners het gebeuren op de bank zouden hebben gezien, het gordijn dicht is gedaan en dat verdachte heeft gezegd dat hij daar verder met haar wilde spelen. Verdachte heeft haar daar weer uitgekleed en heeft haar met zijn tong, ook binnenin, gekust. Het slachtoffer heeft hierover verklaard dat ze het niet prettig heeft gevonden en dat ze dit duidelijk meermalen heeft aangegeven door dit te zeggen en door haar hand voor haar vagina te houden.

Drs. M.M.A. de Rooijen-Koperdraat, orthopedagoog/psycholoog gezondheidszorg, heeft een verslag (8) gemaakt van het studioverhoor van [slachtoffer 1]. In dit verslag staat in de conclusie op pagina 5, dat [slachtoffer 1] enigszins emotieloos heeft verteld waarvoor ze is gekomen. Ze heeft het niet prettig gevonden wat er gebeurd is. [slachtoffer 1] kent haar lichaamsfuncties niet goed en heeft geen besef van seksualiteit. [slachtoffer 1] kan een verhaal niet in volgorde vertellen en ook als er naar details wordt gevraagd is dat moeilijk voor haar, maar ze blijft consequent.

In het dossier zit een brief (9) d.d. 30 augustus 2007, van drs. W.F.D.A. van Roodenburg, orthopedagoog/gz psycholoog. Hierin staat dat het verstandelijke niveau van [slachtoffer 1] in 1995 is geschat op een IQ. van 40-50. In 2003 is vastgesteld dat de ontwikkelingsleeftijd van [slachtoffer 1] op het gebied van de sociale redzaamheid ligt tussen de 2 jaar en 11 maanden en 6 jaar en 2 maanden.

Verdachte heeft bij de politie verklaard (10) , dat er iets is voorgevallen tussen hem en [slachtoffer 1]. Er zijn twee voorvallen geweest in de zomer van 2007. Deze voorvallen vonden plaats in de woning. [slachtoffer 1] en verdachte zaten samen televisie te kijken. Zij kriebelde aan zijn haren. Als hij langs liep gaf ze wel eens een duwtje zodat hij op de bank viel. Een beetje ondeugend gedrag. Op een gegeven moment greep hij haar bij de “borstjes”. Hij zei toen “dan zal ik jou wel eens iets lager pakken, zo bij de buik en bij het kruis”. Verdachte noemde dat “spelen”. De tweede keer was op de slaapkamer. Verdachte heeft haar eerst bij de borsten gepakt over de kleding. Verdachte pakte haar iets lager en pakte haar bij het kruis. [slachtoffer 1] had een dikke broek aan en verdachte zei dat ze die wel uit mocht doen. De onderbroek hield ze aan. Toen mocht hij met haar spelen. Hij deed zijn hand door haar pijp van de broek naar “het bekende warme plaatsje’. Hij zei toen tegen [slachtoffer 1]”nou je bent nog wel aardig droog”. Verdachte voelde dat toen hij over haar vagina streek. [slachtoffer 1] deed haar onderbroek uit en verdachte ging met zijn tong over haar clitoris vervolgens ging hij er met zijn vinger overheen. Verdachte verklaart in zijn derde verhoor dat hij vaseline over haar clitoris streek. Verdachte ontkent hetgeen er in de auto is gebeurd. Ter terechtzitting ontkent verdachte de ten laste gelegde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde kan worden bewezen verklaard. De rechtbank volgt het standpunt van de raadsman dat de verklaringen van verdachte niet kunnen worden gebruikt, niet, en overweegt daarover het volgende: Verdachte is voorafgaand aan zijn eerste en tweede verhoor niet bezocht door zijn raadsman. Dit kan consequenties hebben voor de bruikbaarheid van deze verklaringen. De rechtbank is echter van oordeel dat in deze zaak de consequentie van uitsluiting van het bewijs van deze verklaringen niet gerechtvaardigd is. Verdachte heeft na het bezoek van zijn raadsman de eerste deels bekennende verklaringen niet ingetrokken. Zijn derde verklaring ligt in de lijn van de eerste twee. De procespositie van verdachte is gedurende zijn oponthoud op het politiebureau niet gewijzigd. Evenmin heeft hij na de verhoren toen hij weer in vrijheid was gesteld, aangegeven dat datgene wat hij bij de politie had verklaard niet juist was. Eerst ter zitting wordt dit naar voren gebracht. Op belangrijke onderdelen stemmen de verklaringen van [slachtoffer 1] en van verdachte overeen. De rechtbank volgt de raadsman niet als hij zegt dat de verklaring van [slachtoffer 1] gestuurd zou zijn. Dit volgt niet uit de inhoud van de verklaring.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank het volgende.

Aangeefster heeft verklaard (11) dat verdachte haar meermalen op de mond heeft gekust waarbij hij zijn tong in haar mond heeft gebracht en dat hij haar verder onverhoeds bij de borsten heeft gegrepen. Aangeefster kent verdachte 10 jaar. Hij brengt haar wel eens gladiolen. In de zomer van 2007 heeft verdachte haar ook gladiolen gebracht. Verdachte heeft over haar borsten gestreken, een knijpbeweging gemaakt en daarbij gezegd: “jouw man is overleden. Die kan het niet meer doen”. Aangeefster was helemaal overdonderd. Dit zou twee keer zijn gebeurd. Ook heeft aangeefster verklaard dat verdachte meerdere malen heeft geprobeerd om zijn tong in de mond van aangeefster te steken en dat aangeefster daarbij duidelijk de tong van verdachte in haar mond heeft gevoeld.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting ontkend dat hij aangeefster bij de borsten heeft gegrepen en met zijn tong in haar mond is geweest. Hij bracht wel eens gladiolen naar aangeefster en het kan wel zijn zegt verdachte dat hij aangeefster meteen heeft omhelsd waarbij hij met zijn handen tegen haar borsten is gekomen. Aangeefster zoende altijd recht op de mond. Het kan zijn dat zijn tong vooraan heeft gezeten waarbij hij met zijn tong tegen de lippen van aangeefster heeft gestoten. Ter terechtzitting verklaart verdachte dat aangeefster hem met geweld op de mond zoende waardoor zijn kunstgebit loskwam en hij met zijn tong zijn gebit terug moest duwen.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verdachte ontkent ten stelligste de gebeurtenissen zoals door aangeefster omschreven. Bovendien heeft de rechtbank in het dossier geen aanknopingspunten gevonden voor de bewezenverklaring en is ook verder niet helemaal duidelijk wanneer de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden.

5. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op meer tijdstippen tussen 01 januari 2007 en 29 augustus 2007 te Doetinchem en te Zelhem, althans in het arrondissement Zutphen telkens met [slachtoffer 1], van wie hij verdachte, wist dat die [slachtoffer 1] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer 1] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], immers heeft verdachte toen aldaar zijn tong in de mond en de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd en gestoken en zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en gestoken en over de vagina en de clitoris en de borsten van die [slachtoffer 1] betast en gestreeld en gelikt en gekust.

6. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

7. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

- met iemand die aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens lijdt

dat zij niet in staat is haar wil voldoende kenbaar te maken, handelingen plegen die mede

bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van de raadsman dat verdachte zou hebben gedwaald ten aanzien van de wilbekwaamheid en de gebrekkige ontwikkeling van aangeefster. Verdachte wist dat zij leed aan het syndroom van Down.

9. Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Door de raadsman is ten aanzien van de strafmaat geen verweer gevoerd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van iemand die lijdt aan het syndroom van Down. Verdachte had kunnen en moeten weten dat [slachtoffer 1] onvoldoende in staat was om aan te geven wat ze wel en niet wilde. Verdachte, die ruim 45 jaar ouder is dan [slachtoffer 1], heeft zich laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en heeft geen rekening gehouden met de kwetsbare positie van [slachtoffer 1]. Verder heeft hij het vertrouwen dat [slachtoffer 1] in hem had, ernstig geschaad. De rechtbank rekent het verdacht verder zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van [slachtoffer 1] in haar vertrouwde omgeving, te weten haar woning. Verdachte geeft in zijn verhoren bij de politie niet aan besef te hebben van het kwalijke van zijn handelen. Hij bagatelliseert het en wekt de indruk dat [slachtoffer 1] er zelf om vroeg. Hij gaat daarbij voorbij aan de hiervoor genoemde kwetsbare positie van [slachtoffer 1] en haar verstandelijke beperking

Ten voordele van verdachte spreekt zijn strafblad, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Voorts houdt de rechtbank rekening met zijn leeftijd (77 jaar ten tijde van het plegen van het delict) en met het tijdsverloop in deze zaak.

De rechtbank heeft ook rekening gehouden met het rapport van de Reclassering d.d. 28 april 2008 en met het psychiatrisch advies van S. de Jong, psychiater, dd. 18 maart 2008, waarin hij meldt dat bij het oriënterend psychiatrisch onderzoek geen psychiatrische stoornissen zijn gevonden en dat er met name geen aanwijzingen zijn voor leeftijdsgerelateerde cerebrale stoornissen of beperkingen in de oordeels- of kritiekzin of hogere psychische functies.

Gelet op vorenoverwogene, alsmede op de persoon en de omstandigheden van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie is gevorderd, niet moet worden gekozen, maar dat een voorwaardelijke gevangenisstraf, als stok achter de deur, met daarnaast een forse werkstraf, meer op zijn plaats is.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10,14a, 14b, 14c, 27, 22m, 22n, 57 en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan;

• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als: met iemand die aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens lijdt dat zij niet in staat is haar wil voldoende kenbaar te maken, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

• verklaart verdachte strafbaar;

• veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

• bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

• veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

- een werkstraf gedurende 100 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

• Beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Prisse en Feraaune, rechters, in tegenwoordigheid van Vriezekolk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 juli 2009.

Eindnoten

1 wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (Stam)proces-verbaal nr. PL0640/07-220845

2 Proces-verbaal van aangifte door [naam broer], namens zijn (verstandelijk gehandicapte) zusje [slachtoffer 1] , pag. 19-24

3 Proces-verbaal van studioverhoor van [slachtoffer 1], pag. 27-57

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], pag. 83-85

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 87-91

6 Proces-verbaal van een studioverhoor van het slachtoffer [slachtoffer 1], pag. 27-57

7 Proces-verbaal van een studioverhoor van het slachtoffer [slachtoffer 1], pag. 27-57

8 Verslag van het verhoor van [slachtoffer 1], opgemaakt door Drs. M.M.A. Den Rooijen-Koperdraat, orthopedagoog/psycholoog gezondsheidszorg, pag. 57-61

9 brief van drs. W.F.D.A. van Roodenburg, pag. 63

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 67-81

11 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], pag. 83-8