Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ2677

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
08/1368
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM8813, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan voor realisatie van de eerste fase woningen op de uitbreidingslocatie Elzenbos.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 08/1368

Uitspraak in het geding tussen:

[eisers]

te [plaats],

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2008 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan zijn gemeente vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de inmiddels vervallen Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend van de geldende bestemmingsplannen “Buitengebied 1982” en “Rhienderen Noord 1990” voor de realisatie van de eerste fase woningen, met rotonde op de Zutphensestraat, op de uitbreidingslocatie “Elzenbos” te Brummen, globaal begrensd door Zutphensestraat, Elzenbosweg, N348, Meengatstraat en Veldweide.

Namens eisers heeft mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 mei 2009, waar voor eisers mr. Kobossen is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door O.G. Sprikkelman en

P.B. Zwiers.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt ingevolge het eerste lid, bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Het in geding zijnde project voorziet in de realisatie van maximaal 133 woningen, een rotonde als aansluiting op de Zutphensestraat en aanverwante voorzieningen als wegen, paden, groen en water. Het project is onderdeel van de ontwikkeling van “Elzenbos” voor de bouw van circa 730 woningen, waarvoor een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding is.

Op de gronden waarop het in geding zijnde besluit betrekking heeft, rust ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied 1982” de bestemming “Agrarisch gebied met beperkte bebouwing”. Het uiterste westelijke deel van het projectgebied valt in het bestemmingsplan “Rhienderen Noord 1990”. Op deze gronden rust de bestemming “Openbare ruimten”. Een gering deel van het projectgebied valt ingevolge laatstgenoemd bestemmingsplan binnen de bestemming “Bedrijventerrein”.

Niet in geschil is dat het project waarop het vrijstellingsbesluit betrekking heeft, in strijd is met de geldende bestemmingsplannen.

Het moet ervoor worden gehouden dat de aanvraag om vrijstelling vóór 1 juli 2008 is ingediend, nu het ontwerpbesluit vóór die datum ter inzage heeft gelegen en het bestreden besluit op 1 juli 2008 is genomen.

De ruimtelijke keuzes van het project liggen besloten in de ruimtelijke onderbouwing. De grondophoging is voor woningbouw nodig in verband met de hoge grondwaterstand. In wat eisers hebben aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om de ruimtelijke onderbouwing in zoverre ontoereikend te achten.

Voorts is het de rechtbank niet gebleken dat stedenbouwkundige opzet en verkavelingsplan van het in geding zijnde project afwijken van de op 25 januari 2007 door de raad van verweerders gemeente vastgestelde “Nota van Uitgangspunten Elzenbos”.

Verweerder heeft kunnen vaststellen dat de vrees van eisers voor het ontstaan van een stadse woonwijk niet gegrond is, nu de woningdichtheid in het projectgebied beduidend minder zal blijven dan 30 tot 35 woningen per hectare.

Het staat verweerder voorts in beginsel vrij te kiezen voor het verlenen van de in geding zijnde vrijstelling, vooruitlopend op het bestemmingsplan voor de woningbouwlocatie “Elzenbos”.

De waterberging voor de gehele woningbouwlocatie “Elzenbos” is voorzien in het projectgebied, met de aan te leggen groenzone en het IT-riool. Er is sprake van een afgeronde watertoets. De op termijn te realiseren extra waterberging ten noorden van de Elzenbosweg hangt samen met de wens tot verplaatsing van de bestaande overstort op de bergingsvijver “De Zomp” naar de noordzijde van het plangebied, onafhankelijk van het in geding zijnde woningbouwproject. De gestelde dreiging van vernatting van percelen ten noorden van de Elzenbosweg door het project is onder 4.3.7 van de ruimtelijke onderbouwing en met de notitie van 9 januari 2008 van TAUW bv uit Deventer in voldoende mate weerlegd.

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat van een onaanvaardbare aantasting van de bestaande groenstructuur niet kan worden gesproken. Verweerder heeft in dit verband gewezen op de in het stedenbouwkundig ontwerp en de projectkaart bij de ruimtelijke onderbouwing ingetekende te behouden en toe te voegen groenstructuren.

De stelling van eisers dat in het projectgebied ijsvogels en steenuilen aanwezig zijn en dat de aanwezigheid van deze beschermde diersoorten onvoldoende is betrokken in de bestreden besluitvorming, is onder 4.3.1 van de ruimtelijke onderbouwing in voldoende mate weerlegd. Voor de aanwezigheid van ijsvogels in het projectgebied is geen begin van bewijs geleverd. Voor wat betreft de uilen kan niet worden gezegd dat verweerder op voorhand heeft moeten inzien dat een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is vereist die niet kan worden verleend.

Dat in de publicatie van de vrijstelling is vermeld dat de vrijstelling ook betrekking heeft op “aanverwante voorzieningen als wegen, paden, groen, oeververbindingen en water” brengt niet met zich dat vrijstelling en publicatie niet op elkaar passen. Uit de ruimtelijke onderbouwing van het besluit is af te leiden dat het vrijstelling mede betrekking heeft op de desbetreffende aanverwante voorzieningen.

Tegen het vrijstellingsbesluit kan zelfstandig beroep worden ingesteld, voor zover de vrijstelling geen betrekking heeft op bouwen in de zin van de Woningwet. In zoverre hoeft en kan met het instellen van beroep niet (te) worden gewacht op verlening van een bouwvergunning.

Voor zover al een aanlegvergunning voor de aanleg van de rotonde was vereist op grond van de geldende bestemmingsplannen, is dat met de thans verleende vrijstelling van die bestemmingsplannen niet meer aan de orde.

Daargelaten of de rotonde zelfstandige betekenis heeft in verband met het al gerealiseerde complex “Buiten de Veste”, zijn de bouwplannen waarmee de aanleg van de rotonde (mede) verband houdt, naar het oordeel van de rechtbank met het bestreden besluit in voldoende mate geconcretiseerd.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat, voor zover eisers hebben volstaan met een verwijzing naar tegen het ontwerpbesluit ingediende zienswijzen, deze gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de tijdens de ontwerpfase ingekomen zienswijzen door verweerder bij het bestreden besluit zijn beoordeeld en beantwoord en eisers niet hebben betoogd waarom verweerders standpunt daaromtrent niet kan worden gevolgd. Enkele verwijzing naar gronden van beroep van eventuele andere eisers (waaronder de bewoners van de Rhienderensestraat) met betrekking tot dezelfde besluitvorming is onvoldoende voor beoordeling als beroepsgrond in de onderhavige procedure.

De conclusie is dat verweerder bevoegd is om voor het in geding zijnde project vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen en in dit geval in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, voorzitter, en mrs. A.A.J. de Gier en L.J. Bosch, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2009.