Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ2223

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
10-07-2009
Zaaknummer
97822 - HA ZA 08-1302
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BW0581, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdwangbesluit na gegrond bezwaar niet ingetrokken dus onaantastbaar maar aanzeggen bestuursdwang kan niettemin onrechtmatig handelen opleveren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 437
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 97822 / HA ZA 08-1302

Vonnis van 27 mei 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. R. van Eck te Groenlo,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VOORST,

zetelend te Twello,

gedaagde,

advocaat mr. A.A. Dooijeweerd te Zutphen.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente Voorst genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 januari 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 15 april 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij besluit van 21 december 1993 is krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning (hierna: de vergunning) verleend voor de inrichting van [eiser] en zijn broer aan [adres en plaats] (gemeente Voorst), een agrarisch hulpbedrijf met opslag van mest. In de aanvraag voor deze vergunning is over de aard van de inrichting vermeld dat het gaat om een bestaand mechanisatie- /loonbedrijf en om opslag van mest in een loods en twee silo's. [eiser] en zijn broer hadden hun onderneming eind 1992 gesplitst. [eiser]'s bedrijf is een loonbedrijf dat zich hoofdzakelijk bezig met mestbe- en -verwerking. De bewerking van dikke mest gebeurde gezamenlijk in een vennootschap onder firma.

2.2. In maart 2001 is de MKZ-crisis uitgebroken. Op 20 maart 2001 is een algeheel vervoersverbod afgekondigd in een straal van 10 kilometer rond een bedrijf in Oene. Het bedrijf van [eiser] en zijn broer bevond zich binnen deze cirkel. Op 28 maart 2001 heeft de Algemene Inspectiedienst (AID) een controle uitgevoerd op het terrein van het bedrijf van [eiser] en zijn broer. Daarbij was ook een ambtenaar van de Gemeente Voorst, [ambtenaar] (hierna: [ambtenaar]), aanwezig.

2.3. Bij brief van (donderdag) 29 maart 2001 (productie 2 bij dagvaarding; hierna: het bestuursdwangbesluit) heeft het college van burgemeester en wethouders (het college) van de Gemeente Voorst aan [eiser] meegedeeld dat daags tevoren was geconstateerd dat hij bouwgrondstoffen voor de champignonteelt, te weten: champignonsubstraat onder meer bestaande uit een mengsel van kippenmest en andere mestsoorten, gips, water en stro, produceert en afvoert, en voorts dat dit materiaal een composteringsproces heeft ondergaan. Deze werkwijze is niet vergund en het is verboden om andere activiteiten en processen dan de vergunde mestopslag te laten plaatsvinden op het bedrijf, aldus het college. In verband hiermee is [eiser] bij diezelfde brief gesommeerd om voor 2 april 2001 deze grondstoffen ten behoeve van de champignonteelt niet meer op zijn bedrijf te produceren, aan- dan wel af te voeren.

Uit deze brief wordt hier aangehaald:

“(…)

Als u na 3 april 2001 deze overtreding voortzet of herhaalt zullen wij overgaan tot gedeeltelijke sluiting van uw bedrijf."

(…)

"Er is gekozen om een bestuursdwangbeschikking af te geven omdat eind 2000 op basis van door u verstrekte gegevens toestemming is verleend om naast de vergunde mestopslag in uw bedrijf deze mest te mengen met stro. Deze mest vermengd met stro zou worden aangewend voor de biologische tuinbouw. Nadrukkelijke vragen onzerzijds omtrent de toepassing in de champignonteelt danwel het hiervoor noodzakelijke productieproces waaronder compostering zijn door u tot 2 keer toe ten stelligste ontkent.

(…)"

2.4. De activiteiten in het gedeelte van het bedrijf waarvoor [eiser] verantwoordelijk was, zijn op 2 april 2001 stopgezet.

2.5. De vennootschap onder firma [naam] heeft op 10 april 2001 tegen het bestuursdwangbesluit bezwaar gemaakt en verzocht dit besluit in te trekken. Bij brief van 8 mei 2001 heeft zij aan de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Voorzitter) verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft bij uitspraak van 15 juni 2001 (productie 6 bij dagvaarding) dit verzoek toegewezen en het bestuursdwangbesluit geschorst tot zes weken na de beslissing op het bezwaar. Uit deze uitspraak wordt hier aangehaald:

"(…)

2.3. Verzoekster stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van het vervaardigen van champignonsubstraat. Zij handelt haars inziens niet in strijd met de vergunning nu het opslaan, bewerken en transporteren van mest volgens de vergunning is toegestaan.

2.4. De Voorzitter overweegt dat paragraaf A van de bij de vergunning behorende voorschriften betrekking heeft op transport, behandeling en opslag van vaste mest. Ingevolge voorschrift A.1. moet vaste mest in steekvaste vorm worden getransporteerd. Ter zitting is naar voren gekomen dat het steekvast maken van vaste mest kan gebeuren door laten uitlekken van de mest maar doorgaans gebeurt door het mengen met stro. Blijkens het bestreden besluit is verzoekster eind 2000 toestemming verleend om naast de vergunde mestopslag in haar bedrijf deze mest te mengen met stro, ter aanwending voor de biologische landbouw. De Voorzitter overweegt tevens dat in het kader van de bestuursdwangaanschrijving geen doorslaggevende rol kan spelen voor welk doel de afnemer van de mest de door verzoekster aangeboden mest gebruikt. Verder valt op grond van het verhandelde ter zitting niet uit te sluiten dat in de periode dat in Nederland mond- en klauwzeer heerste, verzoekster de mesttransporten onder een andere naam heeft doen plaatsvinden.

2.5. Gelet op het voorgaande is de Voorzitter er niet van overtuigd dat sprake is van handelen in strijd met de vergunning. Daarom staat evenmin vast dat verweerders bevoegd zijn tot het nemen van het bestreden besluit.

(…)"

2.6. Na de schorsing van het bestuursdwangbesluit heeft [eiser] zijn bedrijfsmatige activiteiten aan [adres en plaats] hervat.

2.7. Het bezwaar van de firma [naam] is door het college bij besluit van 21 februari 2002 gegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen: "(…) Wij hebben geconstateerd dat wij op dit moment niet over doorslaggevend bewijsmateriaal beschikken omtrent de aard van het getransporteerde en opgeslagen materiaal, zodat niet is komen vast te staan dat er sprake is van handelen in strijd met de milieuvergunning."

2.8. Bij brief van 8 november 2002 heeft [eiser] de Gemeente Voorst bericht dat de stillegging van zijn werkzaamheden tot aanzienlijke schade had geleid en de Gemeente Voorste aansprakelijk gesteld voor deze schade. De Gemeente Voorst heeft de aansprakelijkheid bij brief van 16 oktober 2003 van de hand gewezen. Bij brief van 5 september 2005 is de verjaring van de vordering tot schadevergoeding gestuit.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis,

1. voor recht zal verklaren dat de Gemeente Voorst onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het besluit tot het opleggen van bestuursdwang d.d. 29 maart 2001;

2. de Gemeente Voorst zal veroordelen deze schade aan hem te voldoen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. de Gemeente Voorst zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te voldoen een bedrag van EUR 5.600,36 terzake van de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente vanaf 23 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, althans zulke bedragen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

4. de Gemeente Voorst zal veroordelen in de kosten van het geding en daarbij op voorhand het nasalaris zal begroten op een bedrag van EUR 131,00 zonder betekening en op

EUR 199,00 bij betekening van het vonnis, het totale bedrag aan proceskosten vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis indien en voor zover deze niet binnen de termijn zijn voldaan.

3.2. Aan deze vorderingen legt [eiser] tegen de achtergrond van de feiten die onder 2 zijn vermeld de navolgende stellingen ten grondslag.

[opdrachtgever], in wiens opdracht [eiser] in maart 2001 als loonwerker een mengsel van kippenmest, stro, gips en water produceerde, heeft na overleg met de AID om de controles door deze dienst gemakkelijker te laten verlopen, [eiser] laten weten dat dit mengsel voortaan vervoerd moest worden onder de naam 'champignonsubstraat'. Als zodanig is het ook opgenomen in vervoersdocumenten. Tijdens de onder 2.2 vermelde controle op 28 maart 2001 is een chauffeur die een hoeveelheid van dit mengsel naar het bedrijf van [opdrachtgever] wilde brengen, door medewerkers van de AID staande gehouden op het bedrijf van [eiser]. Deze heeft hen toen in het bijzijn van [ambtenaar] meegedeeld dat er een instructie was om het mengsel onder de naam 'champignonsubstraat' te vervoeren. De AID-controleur heeft de mededeling van [eiser] geverifieerd, waarna [eiser] de controlepost mocht verlaten en het transport kon worden hervat. [ambtenaar] heeft deze navraag niet afgewacht en is eerder vertrokken.

Het bestuursdwangbesluit is na bezwaar geschorst en vervolgens herroepen. Pas na de schorsing kon [eiser] zijn werkzaamheden weer op zijn eigen bedrijf hervatten. Dit besluit is onrechtmatig genomen omdat de Gemeente Voorst wist dat van een overtreding van de vergunning geen sprake kon zijn. De productie en het vervoer van kippenmest, stro, gips en water was niet in strijd met de vergunning en niet met de MKZ-regelgeving. Dit laatste niet omdat het ging om vervoer van mest van andere dieren dan van evenhoevige. [ambtenaar] kende de instructie tot het hanteren van de benaming en wist welk product er daadwerkelijk werd vervoerd. Niettemin heeft de Gemeente Voorst vervolgens bestuursdwang aangezegd zonder nader onderzoek te doen of zelfs maar het onderzoek door de AID af te wachten. Door onder deze omstandigheden over te gaan tot stillegging heeft de Gemeente Voorst gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met artikel 5:21 van de Awb. Tussen de mededeling van het bestuursdwangbesluit en de aangekondigde sluiting lagen maar een paar dagen, zodat [eiser] zich niet op de sluiting heeft kunnen voorbereiden en de schade heeft kunnen beperken. De Gemeente Voorst heeft verzuimd de gevolgen van de stillegging bij haar besluitvorming te betrekken en dat is in strijd met artikel 3:4 van de Awb en met ongeschreven zorgvuldigheidsnormen. De schade die [eiser] heeft geleden bestaat uit omzetderving en kosten van het verplaatsen van de productie naar elders en uit de gemaakte buitengerechtelijke kosten in verband met de procedures die hij heeft moeten voeren. Hij heeft kosten moeten maken om het loonbedrijf van een collega, waarnaar hij is uitgeweken, aan te passen zodat er weer geproduceerd kon worden. Ter plekke heeft hij minder kunnen produceren omdat het beschikbare terrein kleiner was. De geschonden normen strekken ter bescherming van het belang van burgers zoals [eiser]. Tussen het bestuursdwangbesluit en de schade bestaat een direct verband. Als gevolg van de stillegging werd [eiser] gedwongen zijn activiteiten elders voort te zetten. Daar moest hij een omzetderving incasseren. [eiser] heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht door niet de beslissing op het bezwaar af te wachten, maar tevens een voorlopige voorziening te vragen.

De stilgelegde werkzaamheden vormden de kernactiviteit van het bedrijf. [eiser] had ten tijde van de MKZ-crisis net een nieuwe opdrachtgever binnengehaald, waardoor de omvang van deze activiteiten nog hoger lag dan gemiddeld. De schade is niet te wijten aan de MKZ-crisis, omdat het product dat [eiser] produceerde en afvoerde niet door de MKZ-regelgeving werd getroffen. Dat de benaming 'champignonsubstraat' moest worden gehanteerd heeft [eiser] niet zelf besloten maar dat gebeurde op instructie van de AID.

4. Het verweer

4.1. De Gemeente Voorst heeft geconcludeerd dat de rechtbank bij, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, vonnis de vorderingen van [eiser] zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding, daaronder begrepen de nakosten van de advocaat, onder bepaling dat [eiser] wettelijke rente over deze kosten is verschuldigd wanneer hij deze kosten niet binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis zal hebben voldaan.

4.2. Aan deze conclusie legt de Gemeente Voorst de navolgende feiten en stellingen ten grondslag.

In december 2000 en in januari 2001 heeft [eiser] aan de Gemeente Voorst meegedeeld dat hij geen bouwgrondstoffen produceerde en aan- en afvoerde ten behoeve van de champignonteelt. Tijdens de controle vermeld onder 2.2. heeft [eiser] aan de AID en aan [ambtenaar] meegedeeld dat sprake was van productie en vervoer van champignonsubstraat. Op grond van deze laatste mededeling en gezien de vermelding van deze naam op vervoers-documenten heeft de Gemeente Voorst geconstateerd dat [eiser] champignonsubstraat, onder meer bestaande uit een mengsel van kippenmest en andere mestsoorten, gips, water en stro produceert en afvoert. Dat is in strijd met de vergunning. Daarop is hij bij het bestuursdwangbesluit gesommeerd deze grondstoffen niet meer te produceren en aan- en af te voeren.

Tijdens de hoorzitting naar aanleiding van het bezwaar van [eiser] heeft diens toenmalige raadsman verklaard dat hij zich kon voorstellen dat er verwarring was ontstaan rond de substraattransporten. [eiser] had de opslag champignonsubstraat genoemd en daarna getransporteerd op aanraden van [opdrachtgever] van de AID.

De Gemeente Voorst heeft geen bestuursdwang toegepast en is niet overgegaan tot stillegging van het bedrijf. Het bestuursdwangbesluit behelsde een sommatie tot het staken van de activiteiten in strijd met de vergunning. [eiser] is zelf overgegaan tot tijdelijke stillegging en verplaatsing van zijn bedrijfsactiviteiten.

De burgerlijke rechter dient uit te gaan van de gronden van de beslissing op het bezwaar om te beoordelen of het primaire besluit waartegen het bezwaar was gericht, onrechtmatig is. Hij mag dit besluit niet zelf beoordelen. De Gemeente Voorst heeft het bezwaar van [eiser] gegrond verklaard maar het bestuursdwangbesluit niet ingetrokken. Zolang dit besluit in stand blijft moet de burgerlijke rechter ervan uitgaan dat dit besluit rechtmatig is.

Een vordering op grond van onrechtmatige daad kan niet worden gebaseerd op een rechtmatige daad. Als [eiser] van mening is dat het primaire besluit onrechtmatig was dan had hij beroep moeten instellen tegen het besluit van 21 februari 2002.

Mocht de rechtbank oordelen dat aan het bestuursdwangbesluit een gebrek kleeft, dan staat de onrechtmatigheid van dit besluit vast als de gegrondverklaring van het bezwaar van [eiser] het gevolg is van het gebrek. Het is dus afhankelijk van de reden voor de gegrondverklaring of de Gemeente Voorst onrechtmatig heeft gehandeld. Het bestuursdwangbesluit berust op de veronderstelling dat [eiser] champignonsubstraat produceerde dan wel afvoerde, en daaraan lag de mededeling van [eiser] zelf ten grondslag. In bezwaar heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van opslag van mest en vermenging met stro en dat is toegestaan. De Gemeente Voorst heeft niet kunnen aantonen dat er sprake was van champignonsubstraat dat een composterings- proces had ondergaan. Daarom was het college gehouden het bezwaar gegrond te verklaren. Uit het besluit van 21 februari 2002 blijkt niet dat het bestuursdwangbesluit niet had mogen worden afgegeven. Het werkelijke verhaal over het gebruik van de benaming is pas in de bezwaarfase aan de Gemeente Voorst bekend geworden. Dat het feitelijke uitgangspunt voor het bestuursdwangbesluit achteraf onjuist is gebleken kan niet aan de Gemeente Voorst worden toegerekend. Zij betwist dat zij en [ambtenaar] al tijdens de controle op 28 maart 2001 en ten tijde van het nemen van het bestuursdwangbesluit op de hoogte was van het product dat werd vervoerd.

De Gemeente Voorst kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de schade eerder samenhangt met de MKZ-crisis. Het bedrijf van [eiser] lag ten tijde van deze crisis in een getroffen gebied en daar gold een algeheel vervoersverbod voor mest. Dus had [eiser] zijn activiteiten toch al moeten staken. [eiser] heeft zelf schuld aan zijn schade doordat hij zelfstandig zijn activiteiten heeft stilgelegd en tijdelijk verplaatst terwijl hij wist dat het bestuursdwangbesluit niet zag op zijn bedrijfsactiviteiten. Het behelsde een sommatie om te stoppen met het vervaardigen van champignonsubstraat en niet om de productie en de aan- en afvoer van mest te staken. Dit laatste leverde geen overtreding van de vergunning op en daarmee had hij dus kunnen doorgaan.

Mocht het bestuursdwangbesluit onrechtmatig zijn dan heeft de Gemeente Voorst onrechtmatig gehandeld ten opzichte van degene die tijdig rechtsmiddelen heeft aangewend tegen dit besluit en dat is de vennootschap onder firma [naam] en.niet [eiser].

Als [eiser] na 3 april 2001 zou zijn doorgegaan met het vervaardigen van champignonsubstraat was het college bevoegd geweest dat gedeelte van het bedrijf stil te leggen waarin deze productie plaatsvond. Een gedeeltelijke stillegging van de productie van champignonsubstraat was niet mogelijk omdat er in het geheel geen champignonsubstraat werd geproduceerd. Dan was het bestuursdwangbesluit zonder effect gebleven en had [eiser] geen schade geleden. [eiser] heeft pas op 10 april 2001 een bezwaarschrift ingediend en op 9 mei 2001 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. Dat is twee maanden na het eindigen van de begunstigingstermijn. Door zo veel tijd te laten verstrijken heeft [eiser] niet voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht.

[eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de toekomst nog schade zal lijden.

5. De beoordeling

5.1. Het verweer van de Gemeente Voorst dat zij, als het bestuursdwangbesluit onrechtmatig zou zijn, niet jegens [eiser] maar jegens de vennootschap onder firma [naam] onrechtmatig heeft gehandeld omdat niet hij maar de vennootschap onder firma gebroeders [eiser] bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit wordt gepasseerd. Daarbij wordt miskend dat [eiser] een van de twee vennoten was van deze vennootschap en dat het bezwaar dus mede door of namens hem is gemaakt.

5.2. De Gemeente Voorst heeft terecht naar voren gebracht dat het van de redenen waarom een bezwaar tegen een primair besluit gegrond is verklaard afhangt of (het nemen van) dit primaire besluit in een procedure voor de burgerlijke rechter als onrechtmatig heeft te gelden. Het bezwaar tegen het bestuursdwangbesluit is gehonoreerd omdat er te weinig bewijsmateriaal was over de aard van het in de inrichting aan [adres en plaats] getransporteerde en opgeslagen materiaal, zodat niet was komen vast te staan dat er is gehandeld in strijd met de vergunning. Dat betekent dat het college niet bevoegd was tot het aanzeggen van bestuursdwang. Als dit is gebeurd tegen beter weten in, zoals [eiser] stelt, heeft de Gemeente Voorst bewust in strijd gehandeld met het wettelijke voorschrift waarbij haar deze bevoegdheid is toegekend en dat is onrechtmatig.

Dat het college (in strijd met het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb) volstaan heeft met gegrondverklaring van het bezwaar en niet tevens het bestuursdwangbesluit heeft herroepen of ingetrokken, maakt het vorenstaande niet anders. Van [eiser] kon en kan niet verlangd worden om zijn gestelde schade vergoed te krijgen dat hij beroep had ingesteld tegen het besluit op bezwaar of het college alsnog verzoekt om het bestuursdwangbesluit in te trekken of te herroepen.

5.3. De Gemeente Voorst betwist voorts dat (zij in het voetspoor van) [ambtenaar] wist dat er op 28 maart 2001 in werkelijkheid kippenmest werd vervoerd en dat [eiser] tijdens de AID-controle op diezelfde dag tegen [ambtenaar] en de controleurs van de AID heeft gezegd dat de benaming champignonsubstraat werd gebruikt en was ingevuld op het vervoersdocument van de chauffeur na overleg met en op instructie van de AID. Volgens de Gemeente Voorts heeft [eiser] alleen gezegd dat er sprake was van productie en vervoer van champignonsubstraat. Bij deze stand van zaken zal [eiser] zijn stellingen dienen te bewijzen.

5.4. De rechtbank zal uit een oogpunt van proceseconomie nu de overige verweren van de Gemeente Voorst bespreken.

5.5. [eiser] heeft uitdrukkelijk gesteld dat het vervoer van mest afkomstig van andere dieren dan van evenhoevige tijdens de MKZ-crisis niet was verboden. De Gemeente Voorst kan in reactie daarop niet volstaan met de enkele stelling dat er een algeheel vervoersverbod gold en dus ook voor het vervoer van mest. De rechtbank zal dan ook voorbijgaan aan het verweer van de Gemeente Voorst dat de MKZ-crisis en niet het bestuursdwangbesluit de oorzaak is van de schade van [eiser].

5.6. De Gemeente Voorst heeft niet genoegzaam betwist dat de activiteiten, die [eiser] op grond van het bestuursdwangbesluit binnen hooguit twee werkdagen diende te staken, de kern van zijn bedrijf uitmaakten. Daarvan uitgaande is het alleszins voorstelbaar dat [eiser] zich genoodzaakt zag om zijn bedrijf aan [adres en plaats] tijdelijk stil te leggen. Niet gezegd kan dan ook worden dat hij zelf schuld had aan het stilleggen. De omstandigheid dat [eiser] meende dat zijn handelen geen strijd opleverde met de vergunning, maakt niet dat hem nu kan worden tegengeworpen dat hij het bestuursdwangbesluit niet heeft genegeerd en zijn activiteiten niet heeft voortgezet.

5.7. Het verweer van de Gemeente Voorst dat [eiser] zijn verplichting om de schade te beperken heeft verzaakt, treft wel doel. Van [eiser] had verlangd kunnen worden dat hij veel eerder dan bij brief van 8 mei 2001 zich tot de Voorzitter had gewend met een verzoek om het bestuursdwangbesluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Ter zitting is gesteld dat hij binnen een gerede termijn dit verzoek heeft gedaan. [eiser] zelf heeft verklaard dat zijn toenmalige advocaat tijd nodig had om de zaak goed voor te bereiden. Deze verklaring overtuigt niet. Een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kan onmiddellijk na ontvangst van het bestuursdwangbesluit worden ingediend, zelfs per fax en op nader aan te voeren gronden, zeker als het verband houdt met een besluit, waarin wordt gevergd om op zeer korte termijn een bepaalde activiteit te staken. In dit soort situaties is het ook gebruikelijk om aan het bestuursorgaan dat het bestuursdwangbesluit heeft genomen, te vragen of de begunstigingstermijn kan worden verlengd hangende het bezwaar of in afwachting van de uitspraak van de Voorzitter. [eiser] heeft beide nagelaten. Dat kan meebrengen dat slechts een deel van zijn schade voor vergoeding in aanmerking komt. Aan [eiser] zal, als hij slaagt in het aan hem opgedragen bewijs, de gelegenheid worden geboden zich over dit aspect bij akte nader uit te laten.

5.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5.9. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. draagt [eiser] op te bewijzen dat [ambtenaar] wist dat er op 28 maart 2001 in werkelijkheid kippenmest werd vervoerd en dat [eiser] tijdens de AID-controle op diezelfde dag tegen [ambtenaar] en de controleurs van de AID heeft gezegd dat de benaming champignonsubstraat werd gebruikt en was ingevuld op het vervoersdocument van de chauffeur na overleg met en op instructie van de AID,

6.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 juni 2009 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

6.3. bepaalt dat [eiser], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

6.4. bepaalt dat [eiser], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juli tot en met september 2009 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.J. van Lee in het gerechtsgebouw te Zutphen aan de Martinetsingel 2,

6.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

6.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2009.