Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ1981

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
06/460277-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt een 49-jarige Apeldoorner vrij van een poging tot moord met een mes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

parketnummer: 06/460277-08

uitspraak d.d.: 8 juli 2009

tegenspraak / dip / onip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1[adres]

wonende te [adres]

raadsman: mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 september 2008, 21 april 2009 en 24 juni 2009.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij

op of omstreeks 05 juni 2008 te Apeldoorn

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer]

- meermalen, althans eenmaal, in de borst en/of buik en/of romp, althans het

lichaam, heeft geprikt en/of gestoken, althans geraakt, en/of

- in de keel en/of hals en/of nek heeft gestoken en/of geprikt, althans

geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij

op of omstreeks 05 juni 2008 te Apeldoorn

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

die [slachtoffer]

- meermalen, althans eenmaal, in de borst en/of buik en/of romp, althans het

lichaam, heeft geprikt en/of gestoken, althans geraakt, en/of

- in de keel en/of hals en/of nek heeft gestoken en/of geprikt, althans

geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Inleiding

Op 5 juni 2008 om 23.44 uur is bij de Regionale Meldkamer van een buurtbewoner een melding binnengekomen dat zijn buurman van [adres] dronken op straat liep met een mes in zijn hand. De politie is ter plaatse gegaan en heeft twee mannen, naar later bleek verdachte en [slachtoffer], aangetroffen voor de flat aan de Rijnstraat. Door politieagenten is bij [slachtoffer] een bloedende snijwond in de hals waargenomen. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem heeft gestoken. Verdachte is vervolgens aangehouden. Tijdens een veiligheidsfouillering bij verdachte is in de linker achterzak van zijn broek een mes met een groen handvat (hierna: het valmes) aangetroffen.

Op 4 juli 2008 heeft het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) gerapporteerd dat op genoemd valmes dactyloscopische fragmenten zichtbaar waren, die volgens de huidige forensisch technische normen niet geschikt waren voor identificatie.

Op 4 juli 2008 heeft het NFI verder gerapporteerd dat van de bemonstering:

- op het snijvlak van het lemmet van het valmes een onvolledig DNA-mengprofiel is verkregen en dat de DNA- profielen van verdachte en [slachtoffer] daarmee matchen.

- op het heft van het valmes een DNA-profiel is verkregen, dat matcht met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het DNA van iemand anders hiermee matcht is kleiner dan 1 op 1 miljard.

Op 21 november 2008 heeft het NFI gerapporteerd dat op grond van vergelijkend DNA-onderzoek het bloed/celmateriaal:

- van de binnenzijde van het afdekkapje en van de mechanische onderdelen van het valmes afkomstig is van een onbekende man.

- bij genoemde stoel afkomstig is van verdachte en dat de kans dat het van iemand anders afkomstig is, kleiner is dan 1 op 1 miljard.

- op genoemde slaapkamerdeur een DNA-mengprofiel bevat en dat het DNA-profiel van verdachte en van [slachtoffer] daarmee matchen.

- op de binnenzijde van genoemde toegangsdeur afkomstig is van [slachtoffer] en dat de kans dat het van iemand anders afkomstig is, kleiner is dan 1 op 1 miljard.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Daartoe heeft hij onder meer het volgende betoogd.

[slachtoffer] is uitgebreid gehoord over hetgeen op de avond van 5 juni 2008 is gebeurd. Zijn lezing van die avond wordt onderschreven door de verklaringen van onder andere de buurtbewoners [naam A], [naam B] en [naam C]. Zij bevestigen de lezing van [slachtoffer] dat eerst iets heeft plaatsgevonden op het balkon bij de woning, het conflict zich heeft voortgezet bij de voordeur, daarbij een mes in het spel is geweest, verdachte in de bosjes terecht is gekomen, verdachte en [slachtoffer] terug de woning zijn ingegaan en [slachtoffer] een snijwond in de hals heeft opgelopen. De resultaten van het technisch onderzoek ondersteunen deze lezing. Volgens de officier van justitie volgt daaruit dat verdachte op enig moment het valmes heeft vastgehad.

Verdachte is meerdere keren gehoord door de politie. Hij heeft uiteindelijk ontkend dat hij heeft gestoken. Hij heeft aanvankelijk ook gebagatelliseerd hoe goed hij [slachtoffer] kende. De vraag is waarom hij moet doen alsof [slachtoffer] een vreemde voor hem is. Verdachte heeft verder verklaard dat hij zeker weet dat niet buiten maar op het balkon of in de woning is gevochten. Deze lezing van verdachte valt niet te rijmen met de verklaringen van [naam A], [naam B] en [naam C], die duidelijk hebben verklaard dat het incident zich buiten voltrokken heeft. Die lezing valt evenmin te rijmen met de bevindingen van het sporenonderzoek. In de woning en op het balkon zijn geen sporen van een worsteling aangetroffen en op het balkon zijn geen bloedsporen aangetroffen. De vraag is bovendien hoe het bloedspoor van [slachtoffer] aan de binnenzijde van de voordeur van de woning in de lezing van verdachte past.

De verklaringen van verdachte zijn twijfelachtig en ongeloofwaardig. De lezing van [slachtoffer] is wel betrouwbaar, omdat die correspondeert met de verklaringen van buurtbewoners en past in het plaatje dat op grond van de bevindingen van het technisch onderzoek is gereconstrueerd. De officier van justitie gaat daarom uit van de lezing van [slachtoffer].

Verdachte heeft met het valmes een snijwond gemaakt van 10 tot 11 centimeter bij de hals of keel van [slachtoffer]. Hij heeft daarmee tenminste bewust de aanmerkelijke kans genomen dat hij dan de halsslagader zou raken. Er is dus sprake geweest van in elk geval voorwaardelijk opzet bij verdachte.

Standpunt van de verdediging

Door en namens verdachte is het standpunt ingenomen dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Verdachte heeft niet gestoken en de verwonding van [slachtoffer] was reeds toegebracht, toen hij bij verdachtes woning aankwam.

Voorts heeft [slachtoffer] een verklaring afgelegd in strijd met de waarheid. Daartoe is het volgende aangevoerd.

[slachtoffer] heeft verklaard dat het raam van de balkondeur kapot is gegaan, doordat hij op het raam klopte. Hij heeft ontkend dat hij dat met zijn voet heeft gedaan. Gelet op de schade aan het raam en de plaats waar dat is gebroken, is duidelijk dat dit niet met kloppen kan zijn gebeurd. [slachtoffer] heeft dus een valse verklaring afgelegd.

Op basis van de getuigenverklaringen van [naam A] en [naam B] is de conclusie dat niet verdachte maar [slachtoffer] agressief heeft opgetreden, ook naar de getuigen toe. [slachtoffer] heeft een mes in zijn handen gehad en dat onder zijn kleding weggestopt, toen hij werd gezien. [slachtoffer] heeft ook spontaan tegen [naam A] gezegd: “ik heb geen mes”. De vraag is waarom hij dat spontaan heeft ontkend als hij niet wist dat hij met een lang zilverkleurig mes is gezien.

Het is opvallend dat [slachtoffer] heeft verklaard dat hij het valmes eerst van verdachte heeft afgepakt en vervolgens weer heeft teruggegeven. De vraag is waarom hij dat zou doen, als hij naar eigen zeggen met dat mes is gestoken en het verkeerd zou zijn afgelopen als hij het niet van verdachte had afgepakt. Het heeft er de schijn van dat deze verklaring leugenachtig is.

De officier van justitie vindt steun in de bevindingen van het forensische onderzoek naar de aangetroffen bloedsporen, maar die bloedsporen zijn in zowel de lezing van [slachtoffer] als de lezing van verdachte verklaarbaar.

Uit het forensische onderzoek is gebleken dat er geen belastende sporen op het lemmet noch aan de binnenzijde van het heft van het valmes zijn aangetroffen. Het valmes, waarvan [slachtoffer] heeft gezegd dat hij daarmee gestoken is, is dus niet betrokken geweest bij het steekincident. Nu [slachtoffer] zo stellig heeft verklaard dat verdachte hem met dat valmes heeft gestoken, heeft hij aantoonbaar een onjuiste weergave van de feitelijkheden gegeven.

De beoordeling van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het primair en het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat [slachtoffer] op het balkon van verdachtes woning is geklommen en het raam van de balkondeur heeft gebroken. Verdachte stond in zijn keuken, toen hij glasgeluid hoorde. [slachtoffer] is de woning binnengegaan door de balkondeur en tussen hen is in de woonkamer een worsteling ontstaan. Hierbij is in verdachtes lezing geen mes gebruikt. Toen zij op de grond lagen, heeft verdachte gezien dat [slachtoffer] uit zijn hals bloedde. Omdat hij geen beltegoed meer had, zijn zij naar buiten gegaan om hulp te zoeken. Bij het dichtdoen van de voordeur heeft verdachte gezien dat [slachtoffer] een mes bij zich had. De buurman van verdachte heeft dat ook gezien. Verdachte heeft buiten het mes van [slachtoffer] afgepakt. Hij is daar toen ook gevallen en [slachtoffer] heeft hem overeind geholpen. Zij hebben buiten niet gevochten en ze zijn de woning niet meer binnen gegaan. Toen zij buiten waren, kwam de politie ter plaatse. De politie heeft het mes in verdachtes broekzak aangetroffen. Het was zijn mes.

Op basis van het dossier valt naar het oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten dat deze lezing van verdachte van wat zich op de avond van 5 juni 2008 in en rondom zijn woning tussen hem en [slachtoffer] heeft afgespeeld, waar is. De woning en de omgeving daarvan zijn grondig door- en onderzocht door de politie en de aangetroffen sporen zijn grondig onderzocht door het NFI. De rechtbank gaat er niet van uit dat nader onderzoek daarom enig bewijs zal opleveren dat tot een ander oordeel over de lezing van verdachte kan leiden. De rechtbank heeft dan ook niet de overtuiging dat verdachte de primair en de subsidiair ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd.

In beslag genomen voorwerpen

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast aan verdachte van de volgende voorwerpen:

- een blauwe spijkerbroek, merk Bleu Valley,

- een blauwe trui, merk Best In Town en

- een groen mes, merk Nato Military .

Vordering tot schadevergoeding

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het ten laste gelegde.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, nu verdachte is vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

• gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten:

- een blauwe spijkerbroek, merk Bleu Valley,

- een blauwe trui, merk Best In Town en

- een groen mes, merk Nato Military;

• verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

• heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Van der Hooft, voorzitter, Kleinrensink en Follender Grosfeld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Wever, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 juli 2009.