Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ1476

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
03-07-2009
Zaaknummer
06-580039-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt drie verdachten van een bedrieglijke bankbreuk, gepleegd in Polen en in Nederland, vrij. Door de officier van justitie was ten aanzien van de verdachten werkstraffen en een geldboetes geeist.

Betrokkenen werden er onder meer van verdacht dat zij ten tijde van een tweetal faillissementen onder meer rekening-courant verhoudingen ten nadele van de schuldeisers in het faillissement hebben geherstructureerd. Naar oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat deze herstructureringen hebben geleid tot de benadeling van de schuldeisers in het faillissement.

Zie ook uitspraken BJ1485 en BJ1467.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/580039-05

Uitspraak d.d. 3 juli 2009

Tegenspraak / dnip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte C],

geboren te [plaats, 1968],

wonende te [adres],

raadsman: mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 en 4 juni 2009.

De tenlastelegging

Nadat de dagvaarding ter terechtzitting is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 06 november 2001 tot en met 06 mei 2003 te

Ulft en/of Zelhem en/of Terborg en/of Eibergen en/of Duiven en/of Lochem en/of

gemeente Gendringen, in elk geval in Nederland en/of in Polen

tezamen en in vereniging met [verdachte A] en/of [verdachte D] en/of [verdachte B] en/of

met een ander en/of andere (rechts)perso(o)nen, althans alleen,

als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [verdacht bedrijf B] BV, welke besloten vennootschap bij vonnis van de Regionale Rechtbank

te Krakow van 06 juni 2002 in staat van faillissement was verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die

rechtspersoon ([verdacht bedrijf B]), lasten heeft verdicht en/of (een) bate(n)

niet heeft verantwoord en/of enig goed aan de boedel heeft onttrokken en/of

ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij,

verdachte, wist dat het faillissement niet meer kon worden voorkomen meerdere,

althans een van de schuldeisers op enige wijze heeft bevoordeeld of

bevoordeelt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) in genoemde

periode,

de rekening-courant verhoudingen, althans de intercompany-vorderingen en/of

intercompany-schulden van [verdacht bedrijf B] met [dochteronderneming A] BV

en/of met [dochteronderneming C] BV en/of met [dochteronderneming I] BV en/of met

[dochteronderneming H] BV en/of met [dochteronderneming B] Enschede BV geherstructureerd en/of

verrekend en/of gecompenseerd, althans meerdere, althans een van de gelieerde

en/of hiervoor genoemde (rechts)perso(o)n(en) bevoordeeld door de

vordering(en) van [verdacht bedrijf B] op de meerdere, althans een gelieerde en/of

hiervoor genoemde (rechts)perso(o)n(en) (boekhoudkundig) af te boeken op de

schulden van [verdacht bedrijf B] aan meerdere, althans een van deze gelieerde

en/of hiervoor genoemde (rechts)perso(o)n(en);

343 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

343 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 343 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

[verdacht bedrijf B] in of omstreeks de periode van 06 november 2001 tot en met 06

mei 2003 te Ulft en/of Zelhem en/of Terborg en/of Eibergen en/of Duiven en/of

Lochem en/of gemeente Gendringen, in elk geval in Nederland en/of Polen,

terwijl die vennootschap bij vonnis van de Regionale Rechtbank te Krakow van

06 juni 2002, in staat van faillissement is verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s), lasten

heeft verdicht en/of (een) bate(n) niet heeft verantwoord en/of enig goed aan

de boedel heeft onttrokken en/of ter gelegenheid van [verdacht bedrijf B]

faillissement of op een tijdstip waarop [verdacht bedrijf B], althans verdachte

wist dat het faillissement niet meer kon worden voorkomen meerdere, althans

een van zijn schuldeisers op enige wijze heeft bevoordeeld of bevoordeelt,

immers heeft [verdacht bedrijf B], althans verdachte toen in genoemde periode

de rekening-courant verhoudingen, althans de intercompany-vorderingen en/of

intercompany-schulden van [verdacht bedrijf B] met [dochteronderneming A] BV

en/of met [dochteronderneming C] BV en/of met [dochteronderneming I] BV en/of met

[dochteronderneming H] BV en/of met [dochteronderneming B] Enschede BV geherstructureerd en/of

verrekend en/of gecompenseerd, althans meerdere, althans een van de gelieerde

en hiervoor genoemde (rechts)perso(o)n(en) bevoordeeld door de vordering(en)

van [verdacht bedrijf B] op meerder althans een van de gelieerde en/of hiervoor

genoemde (rechts)perso(o)n(en) (boekhoudkundig) af te boeken op de schulden

van [verdacht bedrijf B] aan meerder, althans een van deze gelieerde en/of hiervoor

genoemde (rechts)perso(o)n(en)

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, te weten [verdachte A] en/of [verdachte D] en/of [verdachte B] feitelijk leiding gegeven aan die

verboden gedragingen;

341 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

341 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 341 ahf/ond a ahf/sub 3° Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 17 juni 2002 tot en met 02 september 2002

te Ulft en/of Zelhem en/of Terborg en/of Eibergen en/of Duiven en/of Lochem

en/of gemeente Gendringen, in elk geval in Nederland en/of in Polen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met [verdachte A] en/of [verdachte D] en/of [verdachte B] en/of een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van

een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door

een samenweefsel van verdichtsels [curator] en/of de/een

beheerder(s)/bewindvoerder(s) van de failliete boedel van [verdacht bedrijf B],

althans een (rechts)perso(o)n(en) te bewegen tot de afgifte van een

hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld,

met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid met een of meer

van zijn mededader(s), althans alleen, een reclamatie d.d. 19-06-2002 inzake

slechte kwaliteit artikelen & te late leveranties voor een totaalbedrag van

117.500 Euro op te stellen en/of te maken en/of (vervolgens) deze reclamatie

aan die [curator] te overleggen en/of (daarbij) een "Konditionsbestätiging" d.d.

04-05-2001 ten bedrage van 60.000,- DM te overleggen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2003 tot en met 18 mei 2004 te Ulft

en/of Zelhem en/of Terborg en/of Eibergen en/of Duiven en/of Lochem en/of

gemeente Gendringen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met [verdacht bedrijf A] B.V. en/of [verdachte A] en/of [verdachte D] en/of [verdachte B] en/of met een ander en/of andere (rechts)perso(o)nen,

althans alleen, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten

vennootschap [dochteronderneming A] B.V., welke besloten vennootschap bij

vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen op 27 januari 2004 in staat

van faillissement was verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die

rechtspersoon ([dochteronderneming A] BV), lasten heeft verdicht en/of

(een) bate(n) niet heeft verantwoord en/of enig goed aan de boedel heeft

onttrokken en/of ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip

waarop hij, verdachte, wist dat het faillissement niet meer kon worden

voorkomen meerdere, althans een van de schuldeisers op enige wijze heeft

bevoordeeld of bevoordeelt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s) in genoemde periode:

- de rekening-courant verhoudingen, althans de intercompany-vorderingen en/of

intercompany-schulden van [dochteronderneming A] BV met [verdacht bedrijf A]

B.V. en/of [dochteronderneming B] Enschede B.V.en/of [dochteronderneming C] BV en/of [verdachte A] Vastgoed BV en/of [dochteronderneming E] BV

geherstructureerd en/of verrekend en/of gecompenseerd, althans meerdere,

althans een van de gelieerde en hiervoor genoemde (rechts)perso(o)n(en)

bevoordeeld door de vordering(en) van [dochteronderneming A] BV op

meerdere, althans een van de gelieerde en/of hiervoor genoemde

(rechts)perso(o)nen (boekhoudkundig) af te boeken op de schulden van [dochteronderneming A] BV aan meerdere, althans een van deze gelieerde en/of

hiervoor genoemde (rechts)perso(o)n(en) en/of

- meerdere, althans een crediteur(en) (de zogenaamde meeverhuizers) van [dochteronderneming A] BV, waaronder [crediteur A] BV en/of [crediteur B] en/of [crediteur C] en/of [crediteur D] en/of [crediteur E] BV

drukkerij en/of [crediteur F] en/of [crediteur G] en/of [crediteur H] en/of

[crediteur I] en/of [crediteur J] en/of [crediteur K], bij

voorrang betaald en/of buiten medeweten van de curator en/of buiten de

boedel om na faillissement betaald

en/of dit telkens ten nadele van de overige crediteur(en) (de zogenaamde

pechhebbers) van [dochteronderneming A] BV en/of

- aangegeven, althans bewerkstelligd dat meerdere, althans een crediteur(en)

(waaronder [crediteur L] en/of [crediteur M] en/of [crediteur N] en/of R[crediteur O] BV en/of Burgerlijk Maatschap [crediteur P]) van [dochteronderneming A] BV hun facturen (bevattende gemaakte kosten ten faveure

van [dochteronderneming A] BV) op naam van een andere/gelieerde

rechtsperso(o)n(en) van de [verzamelnaam bedrijven verdachte A] (waaronder [verdachte A] Vastgoed BV

en/of [dochteronderneming F] BV en/of [verdac[verdacht bedrijf A] BV)

hebben/heeft gezet en/of (vervolgens) deze andere/gelieerde

rechtsperso(o)n(en) deze facturen laten betalen en/of

- in of omstreeks de maand oktober 2003 alle debiteuren en/of intercompany

vorderingen en/of rekeningcourant-vorderingen van [dochteronderneming A]

BV door middel van een akte van verpanding in pand gegeven aan de [bank]

en/of

- een tweede pandrecht gevestigd door pandgever [dochteronderneming A] BV

op de uitkeringen krachtens de bedrijfsongevallenverzekering en

brandverzekering ten gunste van de pandnemers Burgelijk maatschap [crediteur P] en/of [crediteur O] BV en/of

- een hoeveelheid goederen vallende in de (failliete) boedel van [dochteronderneming A] BV vanuit Nederland naar de Oekraine laten vervoeren en/of

verkocht en/of goederen vallend in de (failliete) boedel in het buitenland

(waaronder Roemenië) gehouden en/of laten staan, althans uit de boedel

onttrokken zonder dit aan de curator in voornoemd faillissement te melden;

343 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

343 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 343 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

[dochteronderneming A] BV in of omstreeks de periode van 01 juni 2003 tot

en met 18 mei 2004 te Ulft en/of Zelhem en/of Terborg en/of Eibergen en/of

Duiven en/of Lochem en/of gemeente Gendringen, in elk geval in Nederland,

terwijl die vennootschap bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te

Zutphen van 27 januari 2004, in staat van faillissement is verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s), lasten

heeft verdicht en/of (een) bate(n) niet heeft verantwoord en/of enig goed aan

de boedel heeft onttrokken en/of ter gelegenheid van [dochteronderneming A] BV faillissement of op een tijdstip waarop [dochteronderneming A] BV, althans verdachte wist dat het faillissement niet meer kon

worden voorkomen meerdere, althans een van zijn schuldeisers op enige wijze

heeft bevoordeeld of bevoordeelt, immers heeft [dochteronderneming A] BV,

althans verdachte toen in genoemde periode:

- de rekening-courant verhoudingen, althans de intercompany-vorderingen en/of

intercompany-schulden van [dochteronderneming A] BV met [verdacht bedrijf A] B.V.

en/of [dochteronderneming B] Enschede B.V.en/of [dochteronderneming C] BV

en/of [verdachte A] Vastgoed BV en/of [dochteronderneming E] BV geherstructureerd en/of

verrekend en/of gecompenseerd, althans meerdere, althans een van de gelieerde

en/of hiervoor genoemde (rechts)perso(o)n(en) bevoordeeld door de

vordering(en) van [dochteronderneming A] BV op meerdere, althans een van

de gelieerde en/of hiervoor genoemde (rechts)perso(o)nen (boekhoudkundig) af

te boeken op de schulden van [dochteronderneming A] Bv aan meerdere,

althans een van deze gelieerde en/of hiervoor genoemde (rechts)perso(o)n(en)

en/of

- meerdere, althans een crediteur(en) (de zogenaamde meeverhuizers) van [dochteronderneming A] BV, waaronder [crediteur A] BV en/of [crediteur B] en/of [crediteur C] en/of [crediteur D] en/of [crediteur E] BV

drukkerij en/of [crediteur F] en/of [crediteur G] en/of [crediteur H] en/of

[crediteur I] en/of [crediteur J] en/of [crediteur K], bij

voorrang betaald en/of buiten medeweten van de curator en/of buiten de boedel

om na faillissement betaald

en/of dit telkens ten nadele van de overige crediteur(en) (de zogenaamde

pechhebbers) van [dochteronderneming A] BV en/of

- aangegeven, althans bewerkstelligd dat meerdere, althans een crediteur(en)

(waaronder [crediteur L] en/of [crediteur M] en/of [crediteur N] en/of Ros

managementregie BV en/of Burgerlijk Maatschap [crediteur P]) van [dochteronderneming A] BV hun facturen (bevattende gemaakte kosten ten faveure

van [dochteronderneming A] BV) op naam van een andere/gelieerde

rechtsperso(o)n(en) van de [verzamelnaam bedrijven verdachte A] (waaronder [verdachte A] Vastgoed BV

en/of [dochteronderneming F] BV en/of [verdac[verdacht bedrijf A] BV)

hebben/heeft gezet en/of (vervolgens) deze andere/gelieerde

rechtsperso(o)n(en) deze facturen laten betalen en/of

- in of omstreeks de maand oktober 2003 alle debiteuren en/of intercompany

vorderingen en/of rekeningcourant-vorderingen van [dochteronderneming A]

BV door middel van een akte van verpanding in pand gegeven aan de [bank]

en/of

- een tweede pandrecht gevestigd door pandgever [dochteronderneming A] BV

op de uitkeringen krachtens de bedrijfsongevallenverzekering en

brandverzekering ten gunste van de pandnemers Burgelijk maatschap [crediteur P] en/of [crediteur O] BV en/of

- een hoeveelheid goederen vallende in de (failliete) boedel van [dochteronderneming A] BV vanuit Nederland naar de Oekraine laten vervoeren en/of

verkocht en/of goederen vallend in de (failliete) boedel in het buitenland

(waaronder Roemenië) gehouden en/of laten staan, althans uit de boedel

onttrokken zonder dit aan de curator in voornoemd faillissement te melden,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, te weten [verdachte A] en/of [verdachte D] en/of [verdachte B] feitelijk leiding gegeven aan die

verboden gedragingen;

341 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

341 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 341 ahf/ond a ahf/sub 3° Wetboek van Strafrecht

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Dubbele strafbaarheid

A. Standpunt verdachte

Door de raadsman is ter terechtzitting aangevoerd dat uit de in het dossier aanwezige vertaalde Poolse strafbepalingen niet kan volgen dat de onder feit 1 primair en subsidiair en 2 ten laste gelegde gedragingen naar Pools recht strafbaar zijn. Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat uit de Poolse strafbepalingen niet blijkt dat het bevoordelen van (een van de) schuldeisers door middel van verrekeningen/compensaties in Polen strafbaar is gesteld. Daarnaast lijkt artikel 308 van de Kodeks Karny de vervolging van rechtspersonen uit te sluiten.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat zich enkel Poolse wetsartikelen voor valsheid in geschrift en bedrog in het dossier bevinden.

Nu niet is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, dient het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair, en 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus de raadsman.

B. Standpunt van het Openbaar Ministerie

Door de officier van justitie is ter terechtzitting gesteld dat is voldaan aan het criterium van dubbele strafbaarheid. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het voor de dubbele strafbaarheid bepalend is of de buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. De Poolse strafbepalingen, in het bijzonder de artikelen 300, 301 en 302 van de Kodeks Karny, zien op de bescherming van het zelfde rechtsgoed, onder meer het vermogensbelang van de schuldeisers, als de Nederlandse strafbepalingen. Uit de tekst van artikel 308 van de Kodeks Karny valt niet af te leiden dat een rechtspersoon niet vervolgd kan worden ter zake van deze strafbepalingen. Tenslotte is dit artikel is haar visie niet relevant, nu geen rechtspersonen maar natuurlijke personen worden vervolgd.

C. Beoordeling door de rechtbank

Bij de vraag naar de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient onder meer beoordeeld te worden of de Nederlandse strafwet van toepassing is op de ten laste gelegde gedragingen. Voor de vraag naar rechtsmacht dient de locus delicti als uitgangspunt te worden genomen. Afhankelijk van de locus delicti kan rechtsmacht aanwezig zijn op grond van onder meer artikel 2 dan wel artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht. Indien in de onderhavige zaak Nederland als locus delicti zou worden aangemerkt, is op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht de Nederlandse strafwet van toepassing. Bij rechtsmacht op grond van artikel 5, eerste lid, onder 2º van het Wetboek van Strafrecht dient er sprake te zijn van dubbele strafbaarheid.

Het gevoerde verweer met betrekking tot de dubbele strafbaarheid kan niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De toetsing van de dubbele strafbaarheid, vereist om eventueel rechtsmacht op grond van artikel 5 eerste lid, onder 2º van het Wetboek van Strafrecht aan te kunnen nemen, is blijkens vaste jurisprudentie een abstracte toetsing. Bepalend voor de dubbele strafbaarheid is het criterium of de buitenlandse strafbaarstelling hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling.

Ten aanzien van de dubbele strafbaarheid van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat uit de - vertaalde - Poolse strafbepalingen blijkt, dat het beschermde belang, te weten het vermogensbelang van de schuldeisers in een faillissement, gelijk is aan het in de Nederlandse strafbepalingen beschermde belang. Dat de Poolse bepalingen niet gelijkluidend zijn aan de Nederlandse, doet aan de dubbele strafbaarheid niet af. Op grond van constante jurisprudentie van de Hoge Raad is voor dubbele strafbaarheid niet vereist dat het ten laste gelegde feit op dezelfde wijze in beide landen strafbaar is gesteld.

Daarnaast blijkt uit vaste jurisprudentie, waaronder HR 18 oktober 1988 (NJ 1989, 496) en HR 12 februari 1991 (NJ 1991, 528), dat artikel 5, eerste lid, onder 2º van het Wetboek van Strafrecht vereist dat op de aan verdachte verweten gedraging door de wet van het land waarin die werd begaan straf is gesteld, maar niet dat die gedraging door die wet op dezelfde wijze als naar Nederlands recht strafbaar is gesteld. Derhalve is het in de onderhavige zaak voor het aannemen van de dubbele strafbaarheid evenmin vereist dat de Poolse wetgeving rechtspersonen c.q. het feitelijk leiding geven aan verboden gedragingen strafbaar stelt.

Ten aanzien van de dubbele strafbaarheid van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Uit artikel 286 van de Kodeks Karny blijkt dat er sprake is van dubbele strafbaarheid ter zake van oplichting. De genoemde Poolse strafbaarstelling beschermt hetzelfde rechtsbelang als de Nederlandse oplichtingsbepaling, te weten artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Dat het Poolse wetsartikel niet woordelijk overeenkomt met de Nederlandse wetsbepaling doet hier, zoals hiervoor overwogen, niet aan af.

De rechtbank heeft echter geconstateerd dat er in het dossier geen (specifiek) Pools wetsartikel voor de pogingsvariant van het onder 2 ten laste gelegde delict aanwezig is. Ook na het door de rechtbank op 27 oktober 2008 gegeven bevel om wetsbepalingen toe te voegen, heeft de officier van justitie een dergelijk artikel niet aan het dossier doen toevoegen. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de hiervoor aangenomen dubbele strafbaarheid van het gronddelict van oplichting, het aannemelijk is dat de pogingsvariant daarvan, in het licht van het gronddelict immers een minder strafwaardig delict, ook naar Pools recht strafbaar is.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van dubbele strafbaarheid van de ten laste gelegde gedragingen, zowel voor het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde delict. Nu de Nederlandse wet van toepassing is op de verboden gedragingen, daargelaten of de rechtsmacht dient te worden gebaseerd op artikel 2, dan wel artikel 5 eerste lid, onder 2º van het Wetboek van Strafrecht, verwerpt de rechtbank de op dit punt gevoerde verweren.

Vervolgingsbeslissing Openbaar Ministerie

A. Standpunt verdachte

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie, door het niet vervolgen van medeverdachte [verdachte B] ter zake van de bij verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. De beslissing om [verdachte B] voor die feiten niet te vervolgen, is enkel gelegen in praktische redenen. Nu [verdachte B] voor alle ten laste gelegde feiten als medeverdachte dient te worden beschouwd en gelet op diens aanzienlijke rol in deze feiten, is het wel vervolgen van verdachte in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en/of het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, aldus de raadsman.

B. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie medeverdachte [verdachte B] inderdaad niet voor de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft vervolgd. Ten tijde van het onderzoek is [verdachte B] als getuige aangemerkt. Pas na de beoordeling van het dossier heeft het Openbaar Ministerie besloten om [verdachte B] (alsnog) als verdachte aan te merken. De beslissing om [verdachte B] niet te vervolgen voor de voornoemde delicten is gelegen in efficiencyredenen en vanwege de beperktere rol van die [verdachte B] bij de aan verdachte onder de 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

.C. Beoordeling door de rechtbank

Krachtens het in artikel 167 lid 2, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het Openbaar Ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt en wat het onderwerp van het geding zal zijn. Bij zijn vervolgingsbeslissing heeft het Openbaar Ministerie een ruime mate van beleidsvrijheid. De rechtbank dient die beslissing dan ook slechts marginaal te toetsen.

Door de officier van justitie is aangevoerd dat de vervolgingsbeslissing in de zaak [verdachte B] mede is ingegeven door de verschillende rol van [verdachte B] ten opzichte van zijn medeverdachten met betrekking tot de ten laste gelegde delicten. Uit hetgeen door de raadsman en door de officier ter zitting is medegedeeld, blijkt dat [verdachte B] uitsluitend terecht staat voor betrokkenheid bij louter in Nederland gepleegde feiten.

Het is de rechtbank gebleken dat verdachte en [verdachte B] binnen de [verzamelnaam bedrijven verdachte A] verschillende functies vervulden, te weten verdachte die van interim-manager terwijl [verdachte B] boekhouder/uitvoerder was. Dit verschil in positie kan naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de beleidsvrijheid van het Openbaar Ministerie terzake, reeds een verschil in het kader van een vervolging billijken.

De officier van justitie heeft daarnaast nog aangevoerd dat er efficiencyredenen zijn geweest om de feiten gerelateerd aan de Poolse vennootschap niet aan [verdachte B] ten laste te leggen. Zij heeft gesteld dat de door haar wenselijk geachte gelijktijdige behandeling van de zaak tegen [verdachte B] en diens medeverdachten en het (ruime) tijdsverloop dat met aanvullend onderzoek gepaard zou zijn gegaan, bij deze afweging een rol heeft gespeeld. Bij het (alsnog) ten laste leggen van de Poolse delicten aan [verdachte B] zouden de Poolse onderzoekshandelingen in zijn zaak immers mogelijk opnieuw moeten worden verricht. Hierdoor zou de behandeling van de zaken tegen verdachte en daarmee die tegen de andere medeverdachten (verdere) vertraging oplopen, wat het OM onwenselijk achtte.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel het mogelijk was geweest om de zaak tegen [verdachte B] af te splitsen en derhalve niet meer gelijktijdig met de zaken van de medeverdachten te behandelen, het het Openbaar Ministerie vrij stond ervoor te kiezen om af te zien van het ten laste leggen van de aan Polen gerelateerde feiten.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het al dan niet afsplitsen van zaken, gelet op het opportuniteitsbeginsel, een beslissing is die is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie en dat een beslissing ten voordele van [verdachte B] in de zaak tegen verdachte niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De door het OM genoemde efficiencyredenen doen aan die beleidsvrijheid van het Openbaar Ministerie op dit punt niet af.

De rechtbank acht de vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie om bovenvermelde redenen niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel en/of het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Het verweer wordt daarom verworpen.

De rechtbank acht de officier van justitie derhalve ontvankelijk in haar vervolging.

Aanleiding onderzoek1

Op 13 januari 2004 werd een brand gemeld in perceel [adres] te Ulft. Hierin was [dochteronderneming A] B.V. (verder: [dochteronderneming A]) gevestigd. Naar aanleiding van het bij de politie na enig onderzoek gerezen vermoeden van brandstichting en van een financieel motief daarvoor, werd het vervolgens in het leven geroepen onderzoeksteam "Flits" van de politie opgedragen om:

A. de bedrijfsinrichting en bedrijfsvoering van de [verzamelnaam bedrijven verdachte A] in beeld te brengen;

B. te onderzoeken of er sprake zou kunnen zijn van bedrijfseconomische motieven voor de vermoedelijk opzettelijke brandstichting;

C. te onderzoeken of verdachte [verdachte A] zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan andere commune strafbare feiten.

In het kader van vorenbedoelde opdracht zijn bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet, waaronder het opnemen van telefoongesprekken. Uit afgeluisterde telefoongesprekken, gevoerde gesprekken met verdachte [verdachte A], zijn personeelsleden en zakenrelaties ontstond de verdenking bij het onderzoeksteam dat de brand van 13 januari 2004 wel zou kunnen passen in een fraudestructuur. In het bijzonder werd uit telefoontaps van (onder meer) gesprekken tussen [verdachte A] en verdachte de verdenking van het plegen van bedrieglijke bankbreuk afgeleid. Voorts kwam door die taps verdachte [verdachte D] in beeld.

Er bleek dat de verdachte en [verdachte D] erg veel samen overlegden over de zakelijke beslissingen van verdachte [verdachte A].

Op 4 mei 2004 verleende de rechter-commissaris machtiging tot het instellen van een SFO (strafrechtelijk financieel onderzoek). Dit onderzoek richtte zich, voor zover hier van belang, in het bijzonder op het faillissement van [verdacht bedrijf B] Sp. Z.OO (verder: [verdacht bedrijf B]) en van [dochteronderneming A], omdat beide faillissementen op eigen aangifte zijn uitgesproken.2

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Onrechtmatig gegeven tapbevelen

A. Standpunt verdachte

Ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd dat de tapbevelen ten laste van verdachte onrechtmatig zijn gegeven. Hiertoe is gesteld dat de tapbevelen in eerste instantie werden gegeven op grond van een onderzoek naar mogelijke brandstichting op 13 januari 2004 in het perceel [adres] te Ulft. Pas later is een financieel onderzoek gestart. Hierbij werd [verdachte A] als verdachte aangemerkt. De telefoon van verdachte werd afgeluisterd, omdat hij als interim-manager voor het bedrijf van [verdachte A] werkte.

Het enkele feit dat verdachte invloed heeft gehad op de zakelijke beslissingen van [verdachte A] levert geen aanwijzing op dat verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan brandstichting of bedrieglijke bankbreuk. Er waren geen bruikbare aanwijzingen dat verdachte betrokken zou zijn bij strafbare feiten. De inzet van het opsporingsmiddel werd derhalve niet dringend gevorderd door het (brand)onderzoek. Het afluisteren is daarom onrechtmatig geschied en de resultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

B. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de tapbevelen wel degelijk rechtmatig zijn gegeven en dat derhalve de resultaten hiervan gebruikt kunnen worden voor het bewijs. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de het financiële onderzoek gelijktijdig met het onderzoek naar de brand heeft gelopen. Voor het tappen van een persoon is niet vereist dat deze persoon een verdachte is. Gezien de prominente rol van verdachte in [dochteronderneming A] kon het afluisteren van verdachte een belangrijke bijdrage aan het opsporingsonderzoek leveren. Derhalve zijn de tapbevelen rechtmatig gegeven.

C. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal op dit punt hierna voor zoveel nodig terugkomen.

Bespreking feit 1

A. Vaststaande feiten

Op 4 november 1999 is de onderneming [verdacht bedrijf B] opgericht. [verdachte A] staat als een van de bestuurders van deze vennootschap ingeschreven bij de Poolse Kamer van Koophandel. De aandelen van de vennootschap worden gehouden door [dochteronderneming B] Enschede B.V. (verder: K&N).3

De activiteiten van [verdacht bedrijf B] zijn op 6 november 2001 overgenomen door [dochteronderneming H] Sp. Z.OO (verder: [dochteronderneming H]).4 Op 26 november 2001 is bij de regionale rechtbank Krakow-centrum een faillissementsaanvraag voor [verdacht bedrijf B] ingediend.5 Deze faillissementsaanvraag heeft geen vervolg gehad. Op 6 juni 2002 werd [verdacht bedrijf B] naar aanleiding van een tweede, hernieuwde aanvraag, door de regionale rechtbank failliet verklaard. De heer [curator] werd tot curator benoemd.6 7 Het faillissement werd op 6 mei 2003 opgeheven.8

B. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Er is in haar visie onvoldoende bewijs is om verdachte als bestuurder van de failliete onderneming aan te merken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie geconcludeerd tot een bewezenverklaring. Hiertoe heeft zij het volgende aangevoerd.

Uit de fax afkomstig van [crediteur P], het bedrijf van de externe accountant van [dochteronderneming A], de heer [verdachte D], d.d. 20 februari 2002 blijkt dat de hernieuwde aanvraag van het faillissement van [verdacht bedrijf B] pas zou worden ingediend na de financiële herstructurering.9 Door verrekening van de onderlinge rekening-courantverhoudingen zou [verdacht bedrijf B] geen vordering meer hebben op [dochteronderneming A].

In of omstreeks april 2002 werd een overeenkomst tot herstructurering opgesteld.10 Hieruit blijkt dat de vordering van [verdacht bedrijf B] op [dochteronderneming A] wordt betwist. In de overeenkomst werd bepaald dat [dochteronderneming A] de huurschuld van [verdacht bedrijf B] aan [dochteronderneming I] Sp. Z.OO. (verder: [dochteronderneming I]) overneemt en dat vervolgens [verdacht bedrijf B] en [dochteronderneming A] de nog openstaande, door [dochteronderneming A] betwiste vordering van [verdacht bedrijf B] op [dochteronderneming A] verrekenen met de door [dochteronderneming A] van [verdacht bedrijf B] overgenomen huurschuld aan [dochteronderneming I].

Door deze herstructurering en de betwisting van de vordering ontvangt [verdacht bedrijf B] geen geld meer van [dochteronderneming A]. [dochteronderneming I] heeft door de verrekening de hele huurschuld voldaan zien worden in plaats van een onzeker deel als concurrent schuldeiser. De crediteuren van [verdacht bedrijf B] zijn door de herstructurering dan ook benadeeld. [dochteronderneming A], zijnde schuldenaar van [verdacht bedrijf B], en [dochteronderneming I], zijnde schuldeiser van [verdacht bedrijf B], zijn door deze herstructurering bevoordeeld.

C. Standpunt verdachte

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de raadsman onder meer gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte bestuurder van de failliete onderneming is geweest. Verdachte dient hiervan in zijn visie dan ook te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is de raadsman van mening dat dat feit evenmin bewezen kan worden geacht. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken. Hiertoe is onder meer het volgende aangevoerd.

Het herstructureren van rekening-courantverhoudingen in concernverband is een normale handelwijze. Er kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de ten laste gelegde herstructurering heeft geleid tot benadeling dan wel bevoordeling van schuldeisers. Hiertoe heeft de raadsman onder meer verwezen naar het rapport van de ter zitting gehoorde deskundigen.

Evenmin kan bewezen worden geacht dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Niet bewezen kan worden dat verdachte persoonlijk opzet op de verboden gedraging heeft gehad. De wetenschap en intenties van medeverdachten kunnen hiertoe niet aan verdachte worden toegerekend. Er is onvoldoende bewijs dat verdachte op het moment van het onafwendbaar worden van het faillissement specifieke wetenschap had over de verrekeningen.

D. Beoordeling door de rechtbank

Het primaire onderdeel van dit feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen worden verklaard. In navolging van de vordering van de officier van justitie zal de rechtbank verdachte daar dan ook van vrijspreken.

In het bijzonder is niet komen vast te staan dat verdachte, zoals de steller van de tenlastelegging blijkens de tekst daarvan op het oog heeft gehad, zelf handelde in de kwaliteit van bestuurder van een rechtspersoon, in dit geval [verdacht bedrijf B]. Hij is immers nooit als bestuurder van de rechtspersoon benoemd. Als interim-manager werkte hij onder alle omstandigheden in opdracht en onder verantwoordelijkheid van [verdachte A]. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank van verdachte feitelijk niet worden gezegd dat hij bestuurder van de rechtspersoon was.11

Daar doet niet aan af dat verdachte zich bij zijn werkzaamheden voor [dochteronderneming A] op enig moment heeft bediend van een visitekaartje waarop als zijn functie "Directeur"stond vermeld. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich op die wijze naar buiten toe in het contact met zakenrelaties wat meer gewicht heeft willen verschaffen en niet meer dan dat. De rechtbank acht dat aannemelijk, mede omdat van het tegendeel niet is gebleken.

Ook het medeplegen van dit kwaliteitsdelict kan ten aanzien van verdachte niet bewezen worden geacht, gelet op de bewoordingen van de tenlastelegging. Verdachte is blijkens de tekst van de tenlastelegging immers zelf aangeduid als bestuurder.

Aangaande het subsidiaire onderdeel van feit 1 overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank dient ten aanzien van dit feit allereerst te beoordelen of, zoals kwalificatief is ten laste gelegd, kortweg gezegd bewezen kan worden geacht dat:

in het zicht van het faillissement van [verdacht bedrijf B],

de rechten van schuldeisers van [verdacht bedrijf B] bedrieglijk zijn verkort,

door een of meer van de schuldeisers van [verdacht bedrijf B] op enige wijze te bevoordelen.

Voor die beoordeling zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

[verdacht bedrijf B] is op 6 juni 2002 in staat van faillissement verklaard.12 Dat faillissement is op 6 mei 2003 opgeheven.13 [verdacht bedrijf B] had eind 2001, dus voor datum faillissement, een vordering op [dochteronderneming A] van f 451.348, tegenwaarde ruim zeven ton Poolse zlotys.

Daarnaast had [verdacht bedrijf B] te zelfder tijd een huurschuld van f 313.692,-, tegenwaarde ruim vijf ton Poolse zlotys, aan [dochteronderneming I].14

De officier van justitie is er in haar requisitoir (pagina 10) van uit gegaan dat [dochteronderneming I] en [dochteronderneming A] de bevoordeelde schuldeisers zijn. Op basis van de stukken kan echter niet worden vastgesteld dat [dochteronderneming A] een vordering op [verdacht bedrijf B] had. Immers, nu de reclamatie-claim15 van [dochteronderneming A] op [verdacht bedrijf B] door de curator [curator] is betwist, staat het crediteurschap van [dochteronderneming A] niet vast.16 Wel blijkt uit de stukken, zoals hiervoor genoemd, dat [verdacht bedrijf B] juist een vordering van ruim zeven ton zlotys op [dochteronderneming A] had.

Uit het verslag van curator [curator] blijkt, dat in het faillissement van [verdacht bedrijf B] sprake is van een tweetal schuldeisers, te weten [dochteronderneming I] voornoemd en de gezamenlijke werknemers van [verdacht bedrijf B].17 Van andere schuldeisers is de rechtbank uit het dossier niet gebleken.

In het dossier bevindt zich een overeenkomst, getekend door de medeverdachte [verdachte A], met betrekking tot verrekeningen tussen de diverse Nederlandse en Poolse B.V.'s van het concern van [verdachte A]. Dat stuk houdt voor zover hier van belang in, dat de huurschuld van ruim vijf ton zlotys die [verdacht bedrijf B] aan [dochteronderneming I] had, wordt overgenomen door [dochteronderneming A]. Het gevolg daarvan was, dat [dochteronderneming A] (in plaats van [verdacht bedrijf B]) een schuld van vijf ton zlotys aan [dochteronderneming I] zou hebben.18

Feitelijk betekent dit, dat de schuld van [verdacht bedrijf B] aan [dochteronderneming I] als gevolg van deze overneming (door [dochteronderneming A]) uit de boeken van [verdacht bedrijf B] is verdwenen. Dat zou kunnen worden gezien als bevoordeling van [dochteronderneming I], in die zin dat die BV niet meer als (concurrente) crediteur in de boedel van [verdacht bedrijf B] behoeft op te komen.

Het enkele feit echter, dat [verdacht bedrijf B] niet meer door [dochteronderneming I] kan worden aangesproken, dwingt niet tot de conclusie dat daardoor de rechten van de overige crediteuren bedrieglijk worden verkort. Dat is echter wel de tekst en strekking van de tenlastelegging op dat punt.

Slotsom is derhalve dat op basis van het voorgaande weliswaar kan worden aangenomen dat [dochteronderneming I], doordat zij een andere schuldenaar kreeg, mogelijk is bevoordeeld, namelijk doordat zij niet langer als (concurrent) schuldeiser in de boedel van [verdacht bedrijf B] behoefde op te komen, maar niet dat er bewijs bestaat dat deze (mogelijke) bevoordeling leidt tot bedrieglijke verkorting van de rechten van de (overige) schuldeiser(s) in de boedel van [verdacht bedrijf B], te weten de gezamenlijke werknemers.

Evenmin is er bewijs in de stukken te vinden dat sprake is van de ten laste gelegde lastenverdichting en/of van het niet verantwoorden van baten en/of van het onttrekken van goederen aan de boedel.

Met de hiervoor weergegeven vaststelling is verdere bespreking van het ten laste gelegde niet langer noodzakelijk.

Verdachte zal ook van het subsidiaire onderdeel van feit 1 worden vrijgesproken.

Bespreking feit 2

A. Standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie geconcludeerd tot bewezenverklaring. Hiertoe heeft zij het volgende aangevoerd.

De productie van [verdacht bedrijf B] is op 6 november 2001 overgegaan naar [dochteronderneming H]. Opgevoerde kosten van na deze datum kunnen derhalve niet meer worden gereclameerd bij [verdacht bedrijf B], maar behoren toe aan [dochteronderneming H]. Ook alle posten die zien op houtwerk in plaats van metaalwerk behoren toe aan [dochteronderneming H]. Diverse andere posten behoren toe aan andere vennootschappen dan aan [verdacht bedrijf B], waaronder onder meer de kosten voor de werkzaamheden van verdachte en de diverse vliegreizen. De boete van OBI ter waarde van DM 60.000,- is al in 2001 door [dochteronderneming A] in de boeken als kosten opgenomen.

Onder meer getuigen [getuige A], [getuige B] en [getuige C] hebben verklaringen afgelegd over diverse posten van de reclamatie. Uit deze verklaringen volgt dat de reclamatie op meerdere onderdelen niet juist is.

In de visie van de officier van justitie bestaat de reclamatie voor een deel uit posten en bedragen die niet ten laste van [verdacht bedrijf B] horen te komen, die al eerder zijn afgeboekt of onjuist of onvolledig zijn. Dit alles slechts met het doel om een gelegenheid te scheppen om de restantvordering van [verdacht bedrijf B] op [dochteronderneming A] alsnog te kunnen verrekenen.

B. Standpunt verdachte

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de reclamatie vals is opgesteld. Uit diverse getuigenverklaringen blijkt dat de OBI-boete betrekking had op [verdacht bedrijf B]. Hoewel er een behoorlijke tijd zat tussen de ontvangst van deze boete en het verleggen van de boete naar [verdacht bedrijf B], is deze handelwijze niet in strijd met de wet. Dat is ter zitting door de deskundigen bevestigd. Daarnaast ontrbreekt de bij de reclamatie behorende onderbouwing in het dossier, zodat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de reclamatie niet in overeenstemming zou zijn met de werkelijkheid. Verdachte dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken.

C. Beoordeling door de rechtbank

Aan de voet van de reclamatie zoals deze zich in het dossier bevindt, staat dat er met de reclamatie een groot aantal kopieën als bijlage zijn meegezonden.19 Het staat vast dat niet al die bijlagen zich bij het dossier hebben bevonden. Uit het requisitoir en de repliek van de officier van justitie is de rechtbank gebleken dat de officier van justitie zich bij het opstellen van de tenlastelegging heeft gebaseerd op de toentertijd in haar bezit zijnde stukken

Over de bewuste reclamatie zijn diverse getuigen gehoord. Hun verklaringen zijn op onderdelen verschillend en tegenstrijdig. Uit alle verklaringen tezamen komt, naar oordeel van de rechtbank, wel duidelijk naar voren dat er sprake was van diverse geschilpunten met betrekking tot de kwaliteit van de producten van [verdacht bedrijf B].

Naar oordeel van de rechtbank is echter, vanwege de tegenstrijdige verklaringen en het in het dossier ontbreken van de voornoemde bijlagen, niet ondubbelzinnig vast te stellen welke delen van de reclamatie vals waren of zouden zijn.

Ten aanzien van de OBI-claim overweegt de rechtbank het volgende.

De OBI-boete van DM 60.000,- is gedateerd op 4 mei 2001.20 Uit de stempel op dit document blijkt dat deze boete in de boekhouding is opgenomen op 9 mei 2001. Op basis van de ongeconsolideerde balans van [dochteronderneming A] d.d. 20 juli 2001 concludeert de rechtbank dat deze boeking ziet op de boeking van deze claim in de administratie van [dochteronderneming A].21 Het is de rechtbank niet gebleken dat deze claim nadien is verrekend tussen [dochteronderneming A] en [verdacht bedrijf B].

Ter zitting hebben de deskundigen, dhr. Ten Wolde RA en drs. Lammers RA RFA, verklaard dat het doorboeken van deze claim nog mogelijk was, omdat de jaarrekening voor 2001 niet was vastgesteld. Hoewel de reclamatie meer dan een jaar na ontvangst van de OBI-claim werd opgesteld, was het doorboeken van de claim op deze latere datum volgens deze deskundigen boekhoudkundig dus nog mogelijk. Hiermee komt het fundament onder dit verwijt te vervallen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank het niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Zij zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Bespreking feit 3

A. Vaststaande feiten

De onderneming [dochteronderneming A] is een groothandel in houten en metalen (tuin)meubelen en accessoires voor binnen en buiten. De goederen worden onder meer verkocht aan Duitse bouwmarkten.

[dochteronderneming A] is een dochtervennootschap van [verdacht bedrijf A]. [verdachte A] is directeur en enig aandeelhouder van [verdacht bedrijf A].22 Medeverdachte [verdachte B] was bij [dochteronderneming A] in dienst als boekhouder. Medeverdachte [verdachte D] was via het bedrijf [crediteur P] als extern accountant voor [dochteronderneming A] werkzaam.23 Verdachte zelf is op 29 september 2001 als interim-manager van [dochteronderneming A] benoemd.24

Op 27 januari 2004 werd [dochteronderneming A] door de rechtbank Zutphen failliet verklaard met benoeming van mr. Jongerius tot curator.25

B. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 3 primair ten laste gelegde. Er is in haar visie onvoldoende bewijs om verdachte als bestuurder van de failliete onderneming [dochteronderneming A] aan te merken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd.

Op 31 oktober 2003 was het voor verdachte duidelijk dat een faillissement niet langer kon worden voorkomen, hetgeen blijkt uit de vele documenten waarin een mogelijk faillissement van [dochteronderneming A] werd besproken. Bepalend voor laatstgenoemde datum is, dat op dit tijdstip een aangevraagd faillissement zou worden toegewezen.

Ten aanzien van de verrekeningen heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit het overzicht herstructurering d.d. 31 oktober 2003 blijkt dat de schuld van [dochteronderneming A] aan [verdacht bedrijf A] B.V. van bijna 1,5 miljoen wordt weggestreept tegen de vordering van [dochteronderneming A] op K&N van ruim zeven ton. Uit diverse balansen en herstructureringsoverzichten is gebleken dat de verrekeningen van de rekeningen-courantschulden en vorderingen zijn uitgevoerd in het boekjaar 2002.

Ten aanzien van het bij voorrang betalen van crediteuren voorafgaand aan het faillissement en betalingen buiten de boedel om tijdens het faillissement heeft zij aangevoerd dat uit de lijst die is opgesteld door de politie blijkt, dat in het zicht van het faillissement crediteuren zijn betaald. Deze betalingen komen overeen met de crediteuren die zijn aangeduid als meeverhuizende crediteuren op de lijst met zgn. meeverhuizers en pechhebbers. Op basis van de ouderdomsanalyses die zich in het dossier bevinden, is volgens de officier vast te stellen wanneer deze crediteuren zijn betaald. Uit afgelegde verklaringen en tapgesprekken is verder af te leiden, dat tijdens het faillissement crediteuren zijn doorbetaald vanuit een andere B.V.

Ten aanzien van de tenaamstelling van de facturen heeft de officier van justitie aangevoerd dat [crediteur P] en [crediteur O] hun facturen op naam van [verdacht bedrijf A] hebben gesteld in plaats van dat zij aan [dochteronderneming A] hebben gefactureerd. Ook blijkt, onder meer uit de opdrachtbevestiging van [crediteur O], dat verdachte was ingehuurd door [dochteronderneming A] en dus niet door [verdacht bedrijf A]. De kosten die door verdachte zijn gemaakt, behoorden dan ook aan [dochteronderneming A] in rekening gebracht te worden. Daarnaast zijn de facturen op naam van een andere vennootschap, maar met voor werkzaamheden voor [dochteronderneming A] gemaakte kosten, in rekening-courant verrekend.

Ten aanzien van het tweede pandrecht van [crediteur P] en [crediteur O] heeft de officier van justitie aangevoerd dat de vestiging van dat recht blijkt uit de akte van pandrecht van 16 januari 2004. Het pandrecht is gevestigd op de verzekeringsuitkeringen die eventueel naar aanleiding van de brand zouden worden gedaan. Uit de stukken van de verzekeraar blijkt dat ondermeer de bedrijfsvoorraad en inventaris van [dochteronderneming A] waren verzekerd. Het pandrecht ziet dan ook niet enkel op de uitkeringen ten behoeve van de schade aan het opstal, maar tevens op mogelijke uitkeringen aan [dochteronderneming A].

Ten aanzien van het gevestigde pandrecht van de [bank] en het laten staan van goederen in het buitenland heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

C. Standpunt verdachte

Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde heeft de raadsman onder meer gesteld dat niet bewezen kan worden geacht dat verdachte bestuurder van de failliete onderneming is geweest. Verdachte dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman gesteld dat verdachte ook hiervan dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd.

Er kan niet bewezen worden geacht dat de verrekeningen tot benadeling hebben geleid. Dat is door de deskundigen ter terechtzitting bevestigd. Daarnaast zijn de verrekeningen transparant verwerkt en niet uitgevoerd op een moment dat het faillissement niet meer kon worden voorkomen.

Ten aanzien van de betalingen aan de crediteuren is niet bewezen dat dit is gebeurd ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers. Ten aanzien van de betalingen is zorgvuldig gehandeld. Er zijn crediteuren betaald om het bedrijfsproces gaande te houden. Er is niet bewust een onderscheid gemaakt tussen de crediteuren. Daarnaast dient het moment waarop een faillissement niet meer kon worden voorkomen, te worden gesitueerd in december 2003. Bovendien is niet vast te stellen wanneer welke betalingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat verdachte geen bemoeienis heeft gehad met andere facturen dan die van zijn eigen bedrijf, [crediteur O]. Ten aanzien van deze facturen is aangevoerd dat deze altijd al aan [verdacht bedrijf A] waren gericht. Ten bewijze daarvan heeft de raadsman ter zitting een aanzienlijk aantal van die facturen overgelegd.

Ten aanzien van de ten laste gelegde pandakte van de [bank], het vestigen van het tweede pandrecht en het laten staan van de goederen in het buitenland acht de raadsman geen belastende omstandigheden aanwezig.

Evenmin is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen, aldus de raadsman.

D. Beoordeling door de rechtbank

Het primaire onderdeel van dit feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen worden verklaard.

In het bijzonder is niet komen vast te staan dat verdachte, zoals de steller van de tenlastelegging blijkens de tekst daarvan op het oog heeft gehad, zelf handelde in de kwaliteit van bestuurder van een rechtspersoon, in dit geval [dochteronderneming A]. Hij is immers nooit als bestuurder van de rechtspersoon benoemd. Verdachte werkte als interim manager onder alle omstandigheden in opdracht en onder verantwoordelijkheid van [verdachte A]. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank van verdachte ook feitelijk niet worden gezegd dat hij bestuurder van de rechtspersoon was.26 De rechtbank verwijst in dit verband naar haar overweging met betrekking tot feit 1 primair, aangaande het door verdachte op enig moment gebruikte visitekaartje met de vermelding "Directeur"erop.

Ook het medeplegen van dit kwaliteitsdelict kan ten aanzien van verdachte niet bewezen worden geacht, gelet op de wijze waarop is ten laste gelegd. Verdachte is blijkens de bewoordingen van de tenlastelegging immers zelf aangeduid als bestuurder.

In navolging van de vordering van de officier van justitie zal de rechtbank verdachte van feit 3 primair vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Wetenschap faillissement

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de datum waarop een aanvraag tot faillissement zou zijn gehonoreerd als uitgangspunt dient te worden genomen voor het tijdstip waarop [dochteronderneming A], althans verdachte, wist dat een faillissement niet meer kon worden voorkomen.

De rechtbank deelt die interpretatie op dat punt niet. De wetenschap dat een faillissement niet meer kan worden voorkomen, is niet hetzelfde als de wetenschap dat het faillissement, indien aangevraagd, zal volgen. Of een faillissement daadwerkelijk plaats zal grijpen kan immers afhangen van de crediteuren, van alsnog betalende debiteuren, of van de vennootschap zelf, aan wie beschikking tot faillietverklaring is overgelaten. In strafrechtelijke zin dient, naar het oordeel van de rechtbank, de wetenschap zoals ten laste gelegd daarom te worden bepaald naar het moment waarop een faillissement, indien het wordt aangevraagd, daadwerkelijk zal moeten volgen.

De officier van justitie gaat in dit verband uit van de datum 31 oktober 2003. Zij wijst hierbij op verschillende documenten van voor die datum, waarin gewag wordt gemaakt van (een) faillissement(scenario). Ook wijst zij op verschillende verklaringen waaruit blijkt dat in de maanden september/oktober zo'n scenario op tafel lag.

Door de raadsman is betoogd dat de hier relevante datum (eerst) in december moet worden gesitueerd, gelet op de notitie van [verdachte D] van het gesprek met de bank op 8 december 2003.27 Tot die datum werden nog andere scenario's besproken en uitgewerkt, aldus de raadsman.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit diverse zich in het dossier bevindende stukken, dat in de periode september-november 2003 voortdurend meerdere scenario's naast elkaar bestonden en zijn besproken. De rechtbank wijst hierbij onder meer op de volgende documenten.

Op 27 oktober 2003 schrijft verdachte aan [verdachte D] dat, naast een afbouwscenario, een faillissement de enige andere optie is.28 Dat dit genoemde afbouwscenario als serieuze optie dient te worden beschouwd, wordt ondersteund door de toelichting op de financieringsaanvraag van de bank. Uit deze toelichting blijkt dat er daadwerkelijk uitvoering werd gegeven aan de plannen voor afbouw van de onderneming.29 Ook uit een memo van [verdachte D] aan de advocaat Baks blijkt, dat de mogelijkheid van een faillissement zal worden besproken. Echter: ook in deze memo wordt (nog steeds) deze optie naast de mogelijkheid van een splitsing van de activiteiten van [dochteronderneming A] uitgewerkt.30

Daar doet niet aan af de zogenaamde lijst van meeverhuizers en pechhebbers, die door medeverdachte [verdachte B] is gemaakt en op 13 november 2003 blijkens hetzelfde stuk met medeverdachte [verdachte D] is besproken.31 Immers niet alleen is daarna ook nog over een afbouw/splitsingsscenario naast een faillissementsscenario gesproken, maar een dergelijke lijst kan (ook) wel degelijk passen in eerstbedoeld scenario: in een dergelijk scenario worden bepaalde activiteiten immers met de daarbij behorende crediteuren ("meeverhuizers") gecontinueerd en andere activiteiten met de daarbij behorende crediteuren ("blijvers/pechhebbers") afgebouwd/afgestoten. Dit blijkt eens temeer uit het memo van [naam A] van 13 november 2003, inhoudende een verslag van een bespreking met [verdachte B]. Dit memo opent met: "Activiteiten Antiek splitsen". En: "Crediteuren die van belang zijn voor de cash en Carry beleveringen laten overnemen door de Rieze".32

Naar het oordeel van de rechtbank is (eerst) 1 december 2003 het tijdstip waarop verdachte (en medeverdachten) wist(en) dat het faillissement niet meer kon worden voorkomen.

Immers, uit de brief van [verdachte D] aan [naam B] van de [bank] Gaanderen-Silvolde van 1 december 2003 blijkt dat, gelet op de financiële positie van [dochteronderneming A], een faillissement niet meer kon worden voorkomen. In deze brief wordt door medeverdachte [verdachte D] uiteengezet waarom een splitsing van de activiteiten van de vennootschap niet meer tot de mogelijkheden behoort. De conclusie die uit de brief voortvloeit is, dat een splitsing van die activiteiten geen oplossing voor de problemen van de vennootschap kan bieden en dat op een gunstig moment een surséance van betaling of faillissement voor [dochteronderneming A] aangevraagd dient te worden. Tevens blijkt uit de brief dat de ontstane situatie reeds met de directie van de [verzamelnaam bedrijven verdachte A] is geanalyseerd.33

Uit de notitie van [verdachte D] van de bespreking op 8 december 2003 tussen de [bank] en verdachte en diens medeverdachten [verdachte D] en [verdachte A] blijkt verder dat het faillissement, dat met de brief van 1 december 2003 als enige scenario was overgebleven, nader geconcretiseerd wordt, immers, zo staat vermeld: "1e/2e week faillissement".

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande de datum waarop verdachte (en medeverdachten) wist(en) dat een faillissement niet meer kon worden voorkomen op 1 december 2003.

Eerste gedachtestreepje: intercompany-verrekeningen

Met betrekking tot het onder het eerste streepje ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat zich in het dossier bevindt een stuk getiteld "herstructurering van de rekening-courant verhoudingen" en waarop de datum van 31 oktober 2002 is vermeld.34 .

Uit de memo van [naam A] van 13 november 2003, inhoudende een verslag van een bespreking met medeverdachte [verdachte B], blijkt dat de rekening-courant verhoudingen per 31 december en 31 oktober moeten zijn geherstructureerd.35 Dit wordt ondersteund door de agenda van de bespreking van 19 november 2003. Deze luidt onder meer: "Jaarrekening 31 december 2002 - herstructurering van rekening courant verhoudingen verwerken". En: "Cijfers 31 oktober 2003 () Herstructurering [dochteronderneming A]".36

Uit de bijlage bij de brief aan de [bank] van 1 december 2003 blijkt dat geschoonde overzichten, gedateerd op 15 november 2003, aan de bank zijn overhandigd.37 Hieruit is af te leiden dat aan de bank cijfers, inclusief geherstructureerde rekening-courantverhouding(en), zijn gepresenteerd.

Uit het overwogene blijkt dat de ten laste gelegde herstructureringen c.q. verrekeningen hebben plaatsgevonden voor 1 december 2003.

Uitgaande van de vaststelling dat verdachte (pas) vanaf 1 december 2003 wist dat een faillissement niet meer kon worden voorkomen, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden geacht dat deze herstructureringen zijn verricht ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waar verdachte wist dat het faillissement niet meer kon worden voorkomen.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Tweede gedachtestreepje: betalingen aan crediteuren voorafgaande aan en tijdens het faillissement

Ten aanzien van het onder het tweede streepje ten laste gelegde dient naar oordeel van de rechtbank een onderscheid gemaakt te worden tussen betalingen verricht in het zicht van het faillissement, te weten het met voorrang betalen van de genoemde crediteuren, en betalingen verricht na datum faillissement, te weten de betalingen buiten medeweten van de curator of buiten de boedel om.

Zoals reeds eerder overwogen acht de rechtbank bewezen dat verdachte (en diens medeverdachten) vanaf 1 december 2003 wist(en) dat een faillissement niet te voorkomen was. Derhalve kunnen slechts betalingen verricht in de periode van 1 december 2003 tot 27 januari 2004 worden gezien als betalingen in het zicht van het faillissement. Betalingen eerder dan 1 december 2003,kunnen niet leiden tot een bewezenverklaring. Daarom zal de rechtbank deze verder buiten beschouwing laten.

Uit de crediteurenlijst, opgesteld door de politie, zoals die zich bij de stukken bevindt38 valt af te leiden dat diverse vorderingen van met naam genoemde crediteuren in de periode van 30 september 2003 tot 26 januari 2004 zijn afgenomen. Uit deze lijst valt echter niet af te leiden op welke data die crediteuren zijn betaald. Op grond van deze lijst valt dan ook al niet vast te stellen welke crediteuren in het zicht van het faillissement, namelijk in de periode van 1 december 2003 tot 27 januari 2004, zijn betaald.

Relevant voor een bewezenverklaring is niet alleen dat komt vast te staan dat en welke crediteuren in de periode 1 december 2003 tot en met 26 januari 2004 bij voorrang zijn betaald, maar ook door wie. Immers alleen wanneer deze in die periode door [dochteronderneming A] zijn betaald, kan er van bedrieglijke bankbreuk sprake zijn.

In het dossier bevinden zich weliswaar diverse overzichten van crediteurenposities, maar een overzicht en/of bankafschriften, waaruit uit vorenstaande kan blijken, ontbreken.

De officier van justitie heeft - na een daartoe strekkende vraag van de rechtbank - voor het vaststellen van het tijdstip van betaling van crediteuren volstaan met de rechtbank te verwijzen naar de (verkorte) ouderdomsanalyse crediteuren, zonder enige verdere specificatie.39 Daargelaten of het op de weg van de rechtbank ligt om daar de door de officier bedoelde relevante betalingstijdstipgegevens uit te destilleren, geldt dat zelfs al zou daaruit een vermindering van de vordering van een crediteur in de hier relevante periode blijken, niet zonder meer kan worden gezegd, dat door [dochteronderneming A] in bedoelde periode die crediteur ook daadwerkelijk betaald is. Dit is een relevant punt, nu het feit dat crediteuren in het zicht van een faillissement door een andere vennootschap, in het bijzonder van de [verzamelnaam bedrijven verdachte A] of door een privépersoon zijn betaald, een bevoordeling ten opzichte van andere crediteuren, die met hun vordering blijven zitten, zou kunnen worden genoemd, maar dat betekent nog niet dat daarmee ook sprake is van een (bedrieglijke) verkorting van hun rechten: het boedelactief is door een dergelijke betaling immers niet verminderd.

Dit betekent dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat crediteuren in het zicht van het faillissement bij voorrang zijn betaald ter bedrieglijke verkorting van de rechten van andere schuldeisers van [dochteronderneming A], zodat verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

Naar oordeel van de rechtbank kan evenmin wettig en overtuigend bewezen worden dat betalingen na datum faillissement zijn verricht uit de boedel van [dochteronderneming A]. Er kan immers niet uitgesloten worden dat betalingen aan de bedoelde crediteuren zijn verricht door andere vennootschappen binnen de [verzamelnaam bedrijven verdachte A], dan wel door de heer [verdachte A] als privépersoon.

Nu niet vast is te stellen dat de ten laste gelegde betalingen ten laste van de boedel van [dochteronderneming A] zijn gekomen, kan niet bewezen worden dat het betalen van de bedoelde crediteuren heeft geleid tot bedrieglijke verkorting van de rechten van de andere schuldeisers van [dochteronderneming A]. De rechtbank zal verdachte derhalve ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Derde gedachtestreepje: facturering op naam andere rechtspersoon

Onder het derde gedachtestreepje is verdachte ten laste gelegd dat hij zou hebben aangegeven, althans bewerkstelligd, dat in het zicht van het faillissement crediteuren hun facturen voor [dochteronderneming A] op naam van andere/gelieerde rechtspersonen van de [verzamelnaam bedrijven verdachte A] zetten en/of (vervolgens) deze facturen door andere rechtspersonen dan [dochteronderneming A] zouden zijn betaald.

Naar oordeel van de rechtbank is allereerst geen bewijs voorhanden dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de facturering van andere bedrijven dan van zijn eigen bedrijf, [crediteur O].

Ten aanzien van de facturering door [crediteur O] heeft verdachte, door middel van de ter zitting overhandigde facturen aangetoond, dat die facturen reeds voor 1 december 2003, zijnde de datum waarop verdachte wist dat faillissement van [dochteronderneming A] niet meer kon worden voorkomen, op naam waren gesteld van [verdacht bedrijf A]. Uit het dossier blijkt niet dat deze facturen, al dan niet voor 1 december 2003, gericht waren aan [dochteronderneming A]. Derhalve kan niet bewezen worden dat verdachte, ter gelegenheid van het faillissement of terwijl hij wist dat een faillissement niet meer kon worden voorkomen, zijn facturen bevattende kosten gemaakt voor [dochteronderneming A], op naam van een andere rechtspersoon heeft gezet.

Verdachte dient derhalve reeds om deze redenen van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Overigens acht de rechtbank evenmin wettig en overtuigend bewezen dat het factureren, van ten faveure van [dochteronderneming A] gemaakte kosten, aan [verdacht bedrijf A] heeft geleid tot de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [dochteronderneming A].

Hoewel indertijd de opdracht aan verdachte is verstrekt door [dochteronderneming A], vloeit hieruit niet de verplichting voort om te factureren aan [dochteronderneming A].40 Het is mogelijk om deze kosten door een ander dan de opdrachtgevende rechtspersoon te laten betalen. In concern-verhoudingen, zoals in het onderhavige geval aan de orde is, is het, zoals ook uit de verklaring van verdachte blijkt, zelfs niet ongebruikelijk om gemaakte kosten aan de beheersvennootschap te factureren. Maar dat betekent niet dat daarmee de rechten van andere schuldeisers (bedrieglijk) worden verkort, zoals hiervoor ook al is overwogen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting nog aangevoerd dat verdachtes kosten door [verdacht bedrijf A] in rekening-courant werden doorberekend aan [dochteronderneming A] en dat daarmee de strafwaardigheid zou zijn gegeven, zo begrijpt de rechtbank. Daargelaten of de kosten daadwerkelijk intern zijn doorberekend, schuift de rechtbank dit standpunt ter zijde, alleen al omdat deze doorberekening als zodanig niet aan verdachte is ten laste gelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor overwogen is, zal de rechtbank verdachte dus vrijspreken van dit ten laste gelegde onderdeel.

Vierde gedachtestreepje: verpanding debiteuren

Op 9 oktober 2003 heeft [dochteronderneming A] de [bank] door middel van een pandlijst een overzicht van alle vorderingen op debiteuren gegeven.41 De verplichting van [dochteronderneming A] om periodiek een dergelijk overzicht te verstrekken, vloeit voort uit een op 30 november 2001 mede door [dochteronderneming A] ondertekende financieringsovereenkomst.42 Uit deze overeenkomst blijkt dat [dochteronderneming A] als zekerheid voor de verstrekte financiering haar huidige en toekomstige bedrijfsvorderingen op derden aan de [bank] verpandt. De pandlijst van 9 oktober 2003 dient naar het oordeel van de rechtbank dus uitsluitend om de bank op de hoogte te stellen van de actuele situatie ten aanzien van de per 30 november 2001 verpande vorderingen.

Om die reden kan niet bewezen worden verklaard dat in of omstreeks de maand oktober 2003 alle debiteuren en/of intercompany vorderingen en/of rekeningcourant-vorderingen van [dochteronderneming A] door middel van een akte van verpanding in pand zijn gegeven aan de [bank]. De rechtbank wijst er overigens op dat de datum van 9 oktober 2003 zelfs voor de door de officier van justitie gehanteerde 'wetenschaps"datum van 31 oktober 2003 ligt. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Vijfde gedachtestreepje: tweede pandrecht ten gunste van [crediteur P] en [crediteur O]

Op 16 februari 2004 is een akte van pandrecht ondertekend door pandgever [dochteronderneming A] en pandnemers [crediteur P] en [crediteur O] BV.43

Op grond van artikel 35 van de Faillissementswet is de gefailleerde na het faillissement beschikkingsonbevoegd om handelingen te verrichten ten laste van de boedel. Voor het rechtsgeldig vestigen van een pandrecht is, op grond van de artikelen 3:84 en 3:98 van het Burgerlijk Wetboek, onder meer beschikkingsbevoegdheid vereist. Nu deze bij de gefailleerde, te weten [dochteronderneming A], ontbrak, is het pandrecht niet rechtsgeldig gevestigd. Derhalve kan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat een tweede pandrecht is gevestigd door pandgever [dochteronderneming A] op de uitkeringen krachtens de bedrijfsongevallenverzekering en brandverzekering ten gunste van de pandnemers Burgerlijk maatschap [crediteur P] en/of [crediteur O] BV.

Zesde gedachtestreepje: onttrekking van goederen aan de boedel

Naar oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de beslissing, en/of de uitvoering van de ten laste gelegde gedragingen. Nu er geen sprake is van betrokkenheid zal de rechtbank verdachte, zoals door zowel de officier van justitie als de raadsman verzocht, van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Gelet op al het hiervoor overwogene is niet wettig en overtuigend bewezen dat een van de ten laste gelegde handelingen heeft geleid tot de bedrieglijke verkorting van de rechten van (een van de) schuldeisers. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde.

Vrijspraak

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank verdachte van alle ten laste gelegde feiten vrijspreken. De overige, door de officier van justitie en raadsman ingenomen standpunten en verweren behoeven hierdoor geen nadere bespreking en motivering.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder

1, primair en subsidiair,

2 en

3, primair en subsidiair

ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

- heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Roessingh-Bakels, voorzitter, Van der Hooft en Feunekes, in tegenwoordigheid van mr. Demmers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 juli 2009.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0600:RRT:03:26, Politie Regio Noord- en Oost Gelderland, Team Regionale Recherche, gesloten en ondertekend op 14 juli 2005 door verbalisanten [verbalisanten].

2 (Stam)proces-verbaal, algemeen overzicht van het opsporingsonderzoek, pagina 4

3 Volledig afschrift van het register van ondernemers, pagina 195

4 Memo van [verdachte C] EN [verdachte B] aan [naam C] d.d. 6 november 2001, pagina 257

5 Directieverslag [verdacht bedrijf B], pagina 255

6 Fax van [crediteur P] d.d. 20 februari 2002, pagina 259

7 Besluit van de regionale rechtbank voor Krakow-centrum d.d. 6 juni 2002, pagina 65

8 Besluit van de regionale rechtbank voor Krakow-centrum d.d. 6 mei 2003, pagina 67

9 Fax van [crediteur P] d.d. 20 februari 2002, pagina 259

10 Overeenkomst verrekening en compensatie van intercompany vorderingen en schulden, bijlage bij brief d.d. 5 april 2002 van [verdachte D] aam [verdachte B], pagina 2577

11 Opdrachtbevestiging [crediteur O] d.d. 29 september 2001, pagina 275.

12 Besluit van de regionale rechtbank voor Krakow-centrum d.d. 6 juni 2002, pagina 65

13 Besluit van de regionale rechtbank voor Krakow-centrum d.d. 6 mei 2003, pagina 67

14 Overeenkomst verrekening en compensatie van intercompany vorderingen en schulden, pagina 2577

15 Reklamatie Polen d.d. 19 juni 2002, pagina 2623

16 Brief van curator [curator] d.d. 2 september 2002, pagina 2648

17 Besluit van de regionale rechtbank voor Krakow-centrum d.d. 6 mei 2003, pagina 2654

18 Overeenkomst verrekening en compensatie van intercompany vorderingen en schulden, pagina 2583

19 Reklamatie Polen d.d. 19 juni 2002, pagina 2623

20 Konditionsbestätigung d.d. 4 mei 2001, pagina 2625

21 Balans d.d. 20 juli 2001, pagina 2628

22 Schema [verzamelnaam bedrijven verdachte A], pagina 57

23 Beschrijving administratieve organisatie [verdachte A]-Groep d.d. 15 oktober 2003, pagina 119

24 Structuur, afspraken en verantwoordelijkheden [dochteronderneming A] d.d. augustus 2003, pagina 135

25 Mededelingen inzake faillissementen, surséances van betaling en schuldsanering d.d. 27 januari 2004, pagina 58

26 Opdrachtbevestiging [crediteur O] d.d. 29 september 2001, pagina 275.

27 Notitie bespreking [bank] d.d. 8 december 2003, pagina 3612.

28 Memo van [verdachte C] aan [verdachte D] d.d. 27 oktober 2003, pagina 3519

29 Toelichting financieringsaanvraag d.d. 10 november 2003, pagina 3556

30 Memo van [verdachte D] aan [naam B] d.d. 21 november 2003, pagina 3583

31 Overzicht stand per heden: [dochteronderneming A] B.V., pagina 3561

32 Memo van [naam A] d.d. 13 november 2003, pagina 3559

33 Brief van [verdachte D] aan [bank] Gaanderen-Silvolde d.d. 1 december 2003, pagina 3597

34 Herstructurering rekening-courant verhoudingen d.d. 31 oktober 2003, pagina 3526

35 Memo van [naam A] d.d. 13 november 2003, pagina 3559

36 Agenda bespreking 19 november 2003, pagina 3581

37 [verdachte A]-Groep, splitsing activiteiten [dochteronderneming A] B.V., pagina 3601

38 Crediteurenlijst, pagina 3749

39 Verkorte ouderdomsanalyse crediteuren d.d. 27 januari 2004, pagina 3733

40 Opdrachtbevestiging [crediteur O] d.d. 29 september 2001, pagina 275.

41 Pandlijst, pagina 3506

42 Financieringsvoorstel d.d. 28 november 2001, pagina 3588

43 Akte van pandrecht ondertekend d.d. 16 februari 2004, pagina 3778