Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ0693

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
08/2188 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betekenis Protocol CVS voor medische beoordelingen door het UWV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 08/2188 WAJONG

Uitspraak in het geding tussen:

[eiseres]

te [plaats],

eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

(postbus 86, 7550 AB Hengelo)

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2008 heeft verweerder de uitkering van eiseres krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van 30 september 2008 beëindigd op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres minder dan 25% bedraagt.

Bij besluit van 3 november 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiseres heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat te Almelo, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 15 juni 2009, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. R.H.H. Schepers, kantoorgenoot van mr. Peper voornoemd, en haar vader. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.A.P. ter Laak.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge het arbeidsongeschiktheidscriterium in de zin van de Wajong is – kort gezegd – arbeidsongeschikt degene die als (rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen) gevolg van ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met gelijke opleiding en ervaring gewoonlijk verdienen.

Bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van de Wajong en zo ja, in welke mate, zijn dus in het bijzonder twee factoren van belang, te weten:

- of de betrokkene medische beperkingen heeft;

- of en in hoeverre hij als gevolg daarvan geheel of gedeeltelijk buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid een inkomen te verwerven.

2.2 Eiseres ontvangt sinds 17 september 2007 een Wajong-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van een professionele herbeoordeling heeft verzekeringsarts A. van Wingerden in zijn rapport van 2 juni 2008 geconcludeerd dat eiseres beperkingen heeft als gevolg van het Chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en verminderde motoriek. De verzekeringsarts heeft geconstateerd dat sprake is van een invoelbare klachtenpresentatie en een dagverhaal waarin sprake is van zeer geringe (mogelijkheden tot) activiteit. Dit laat echter onverlet dat een objectief verband tussen aandoening en klachten, en hieraan gerelateerd een onvermogen tot het verrichten van loonvormende arbeid, volgens de verzekeringsarts ontbreekt. De (kort gezegd) lichte fysieke beperkingen van eiseres zijn vervolgens weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 juni 2008.

In het kader van de bezwaarschriftprocedure is bezwaarverzekeringsarts H. Wind in zijn rapport van 23 september 2008 tot de conclusie gekomen dat er geen reden is om te twijfelen aan de opgestelde FML.

2.3 In beroep is aangevoerd dat er ten onrechte geen informatie van de behandelend artsen is opgevraagd. Voorts heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat zij verdergaand beperkt is dan door verweerder is aangenomen en er ten onrechte geen urenbeperking is gesteld. Meer in het bijzonder heeft eiseres gesteld dat het Verzekeringsgeneeskundig Protocol CVS (hierna: het Protocol) ten onrechte terzijde is geschoven door de (bezwaar)verzekeringsarts. Als gevolg van de bij haar bestaande beperkingen acht eiseres zich niet in staat de geduide functies gedurende een voltijdse werkweek te verrichten.

2.4 ten aanzien van het inwinnen informatie bij de behandelend sector

De rechtbank stelt voorop dat uit het rapport van de verzekeringsarts van 2 juni 2008 niet blijkt dat - zoals door verweerder gesteld - in overleg met eiseres en haar vader is afgezien van het opvragen van informatie met betrekking tot de medische situatie van eiseres op de thans in geding zijnde datum.

Naar vaste jurisprudentie (onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 september 2002 (USZ 2002, 293)) wordt – waar het betreft het al dan niet inwinnen van medische informatie bij behandelaars - in beginsel voldaan aan het zorgvuldigheidsvereiste dat geldt ten aanzien van het door de verzekeringsarts te verrichten onderzoek indien de Verzekeringsgeneeskundige Standaard "Communicatie met behandelaars" (hierna: de Standaard) wordt nageleefd.

Volgens de Standaard wordt - voor zover hier van belang - informatie bij de behandelaar opgevraagd indien de verzekeringsarts inhoudelijke informatie nodig heeft om de door de verzekerde verstrekte informatie aan te vullen of te toetsen, indien de verzekeringsarts de plausibiliteit betwijfelt van de informatie die de verzekerde omtrent zijn gezondheidstoestand

verstrekt en indien er een verschil is in perceptie omtrent de ernst van de problematiek tussen de verzekeringsarts en de verzekerde. Voorts geeft het Protocol onder punt 4 aan dat de verzekeringsarts zo nodig informatie inwint bij derden en dat, indien de patiënt ten tijde van de beoordeling in behandeling is, de verzekeringsarts overlegt met de behandelaar.

De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, gelet op de Standaard en het Protocol, niet onzorgvuldig hebben gehandeld door in het onderhavige geval geen informatie bij de behandelend artsen van eiseres in te winnen. Omtrent de aard van de bij eiseres bestaande aandoening en de door haar ervaren beperkingen bestond immers geen onduidelijkheid. Voorts had eiseres, mede gelet op haar verklaring ter zitting, op de thans in geding zijnde datum geen contact meer met haar internist of met Het Roessingh, centrum voor revalidatie te Enschede. Ten slotte beschikte de (bezwaar-) verzekeringsarts over een ongedateerd rapport van Het Roessingh, waarin de resultaten van het door eiseres gevolgde klinisch revalidatieprogramma stonden beschreven.

In zoverre treft het beroep geen doel.

2.5 ten aanzien van het verzekeringsgeneeskundig Protocol CVS

Volgens artikel 2 van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten (Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 januari 2006, nr. SV/AL/06/8794, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 1 mei 2007, Stcrt. 2007, 122; hierna: de Regeling), voorzover hier van belang, wordt bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de Wajong, waarbij sprake is van de in artikel 3 genoemde diagnoses, als hulpmiddel door de verzekeringsarts gebruik gemaakt van de in de bijlage bij deze regeling vastgelegde wetenschappelijke inzichten met betrekking tot die diagnoses.

Volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder i, van de Regeling wordt bij de beoordeling van het CVS met ingang van 1 januari 2008 gebruik gemaakt van bijlage 9 van de Regeling.

Gelet op voormeld artikel 3, en in aanmerking nemende dat de medische beoordeling door de primaire verzekeringsarts plaatsvond op 2 juni 2008, kan de rechtbank het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 23 september 2008, inhoudende dat niet van de verzekeringsarts verwacht kan worden dat hij bij zijn beoordeling al rekening hield met dit Protocol dan wel daarvan gemotiveerd zou afwijken, niet delen. In dat kader wijst de rechtbank bovendien op de brief van 24 juni 2008 van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer. Onder punt 2 wordt daarin gesteld: “(...) Met het oog op het serieus nemen van CVS en een eenduidige uitvoeringspraktijk heeft UWV reeds in de zomer van 2005, in vervolg op een motie van de heer Vendrik c.s. (Kamerstukken 2004-2005, 30 034, nr. 58) alle verzekeringsartsen extra geïnstrueerd over de te hanteren werkwijze bij deze aandoening.” (TK, vergaderjaar 2007-2008, Aanhangsel van de Handelingen, blz. 5753-5754)

Nu niet in geschil is dat bij eiseres sprake is van CVS, dient de beoordeling van de functionele mogelijkheden van eiseres derhalve te geschieden met gebruikmaking van het Protocol.

Aan het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 23 september 2008 ontleent de rechtbank in dit verband het volgende:

“In feite bestaat dus de situatie van conflicterende belangen. Enerzijds is er de afspraak om verzekeringsgeneeskundige protocollen bij arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen volledig te volgen, wat in het geval van het CVS-Protocol betekent dat het subjectieve klachtenpatroon van betrokkene gevolgd zou moeten worden en anderzijds is er de objectiveringseis die in het Schattingsbesluit is opgenomen. Het moge duidelijk zijn dat protocollen nooit dwingend kunnen voorschrijven hoe een verzekeringsgeneeskundige beoordeling moet verlopen. Het is een aanwijzing hoe rekening houdend met uit onderzoek gebleken bewijskracht, de beoordeling en vaststelling van de functionele mogelijkheden kan gebeuren. Zijn er redenen om hiervan af te wijken dan is dat te allen tijde mogelijk. Het probleem nu met CVS is dat de bewijskracht niet erg overtuigend is en voor zover aanwezig onderwerp is van controverse. Kortom er is alle reden om heel terughoudend te zijn met de conclusie dat bij CVS sprake is van een ernstig en invaliderend ziektebeeld zoals vaak aangehaald wordt naar aanleiding van het Gezondheidsraad rapport. Voor zover er al sprake is van een invaliderend ziektebeeld, is dat het gevolg van het subjectieve ervaren van betrokkene en is dat niet op grond van objectieve bevindingen die op een ernstig ziektebeeld duiden.”

Bovenstaande overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden begrepen dan dat in feite de uitgangspunten van het Protocol niet worden aanvaard, aangezien die uitgangspunten in de visie van de bezwaarverzekerings-arts strijdig zijn met de in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: het Schattingsbesluit) neergelegde objectiveringseis. Het Protocol gaat er onder punt 6.2. (Functionele mogelijkheden) immers vanuit dat CVS een reële, ernstig invaliderende aandoening is, die de betrokkene aanzienlijk beperkt in zijn dagelijks functioneren en functionele mogelijkheden, terwijl er geen lichamelijke of psychiatrische verklaring voor gevonden is. Blijkens het Protocol dient de verzekeringsarts zich voorts te realiseren dat het CVS weliswaar algemene kenmerken heeft, maar dat op individueel niveau sprake is van grote verschillen, in aard, ernst en beloop van de aandoening en de wijze waarop patiënten met hun klachten en beperkingen omgaan. De beperkingen zijn over het algemeen zowel fysiek als cognitief van aard. Hij betrekt zijn observaties en de visie van de cliënt in zijn beoordeling of en in hoeverre sprake is van beperkingen die passen in een consistent en plausibel geheel van stoornissen, beperkingen en participatiemogelijkheden, aldus het Protocol.

Door het Protocol terzijde te schuiven, en door evenmin inzichtelijk te maken waarom er in het individuele geval van eiseres redenen zijn om af te wijken van de algemene uitgangspunten van het Protocol, wordt naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met de in artikel 4, eerste lid en onder b, en tweede lid van het Schattingsbesluit vervatte kwaliteitseisen die aan het verzekeringsgeneeskundig onderzoek worden gesteld, te weten: het hanteren van uniforme uitgangspunten en het gebruiken van algemeen aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethoden.

Het had daarbij op de weg van de (bezwaar)verzekeringsarts gelegen om voor wat betreft de functionele mogelijkheden van eiseres te kijken naar de specifieke aandachtspunten die in het Protocol worden genoemd, daaronder begrepen: persoonlijk functioneren, fysieke belasting, werktijden en verdeling van werkzaamheden en rust.

Waar het betreft het aannemen van een eventuele urenbeperking wijst de rechtbank er voorts op dat de verzekeringsarts een dergelijke claim dient te onderzoeken en te beoordelen aan de hand van de Standaard “Verminderde Arbeidsduur”. In deze Standaard ligt besloten dat de verzekeringsarts bij de beoordeling van een eventuele duurbeperking onder meer aandacht moet besteden aan het dagverhaal, verzuimhistorie/historie van het functioneren en gewenningsaspecten, maar ook aan keuzevrijheid, herstelgedrag en verantwoordelijkheid.

Mede gelet op het rapport van Het Roessingh, waarin is aangegeven dat eiseres maximaal 20 uur per week kan werken, acht de rechtbank verweerders (impliciete) standpunt, dat een urenbeperking niet aan de orde is, niet gemotiveerd en deswege in strijd met de artikelen 3:46 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat het rapport van Het Roessingh is opgesteld door een maatschappelijk werker is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om daar zonder nadere motivering aan voorbij te gaan, te meer nu het rapport mede (voor gezien) is ondertekend door de arts G. Kortleven.

2.6 Gelet op het voorgaande komt het bestreden besluit, als strijdig met artikel 4 van het Schattingsbesluit en de artikelen 3:46 en 7:12, eerste lid, van de Awb, voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal nader op het bewaar van eiseres dienen te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

2.7 De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb. De rechtbank kent 2 punten (beroepschrift 1, zitting 1) toe met een wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht van € 39,-- aan eiseres vergoedt:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,- ter zake van verleende rechtsbijstand, welk bedrag door het UWV dient te worden betaald aan de griffier van de rechtbank door storting op bankrekeningnummer [nummer] ten name van Arrondissement 547 Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers, voorzitter, mr. Tj. Gerbranda en

mr. drs. J.H. van Breda, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2009.