Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BI7886

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
98020 FARK 08-2076
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wetsverwijzingen: BW 1:158, 1:159, 1:401

Alimentatie gewezen echtgenoten; alimentatieovereenkomst; wijziging van omstandigheden; beding van niet-wijziging?; systeem van art. 1:159 leden 1 en 2 juncto art. 1:401 BW; bewuste afwijking wettelijke maatstaven; vrijheid partijen; terughoudendheid rechter; maatstaven redelijkheid en billijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 98020 FARK 08-2076

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 28 april 2009

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te Elburg,

verzoekster, verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. C.H. Tjabringa te Hattem,

t e g e n

[verweerder],

wonende te Harderwijk,

verweerder, verder te noemen de man,

advocaat: mr. M.L.J. Wekking te Apeldoorn.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 3 november 2008;

- het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 23 december 2008;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 13 januari 2009;

- de brief met bijlagen van mr. Tjabringa van 12 februari 2009;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 24 februari 2009.

De feiten

De vrouw en de man zijn op 19 juni 1998 te Elburg met elkaar gehuwd.

Bij beschikking van deze rechtbank van 27 juli 2005 is tussen de vrouw en de man de echtscheiding uitgesproken, die op 12 augustus 2005 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Elburg.

Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld in een echtscheidingsconvenant van 21 juni 2005. In dit convenant zijn onder meer de navolgende bepalingen opgenomen:

“ …

Artikel 1 – alimentatie vrouw

1.1 De man zal met ingang van de eerste maand, volgend op de datum waarop

partijen feitelijk gescheiden van elkaar leven, maandelijks bij vooruitbetaling aan

de vrouw een bruto alimentatie van € 450,-- betalen. De man is deze

alimentatieverplichting aan de vrouw verschuldigd gedurende een periode van

drie jaren, gerekend vanaf de hiervoor beschreven ingangsdatum. Na ommekomst

van deze periode zullen partijen hun financiële situatie opnieuw beoordelen. De

dan geldende situatie is bepalend voor de alimentatieafspraken, die zullen gelden

voor de periode na de eerste van drie jaren, met dien verstande dat partijen reeds

thans overeenkomen dat de overeen te komen alimentatie nimmer hoger zal zijn

dan € 450,-- per maand.

1.2 De hierboven bepaalde partneralimentatie voor de periode van de eerste drie jaar

kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging

van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van

omstandigheden, dat de partij die de wijziging verzoekt, naar maatstaven van

redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden

gehouden, zoals bepaald in artikel 1:159 lid 3 BW. Bij de vaststelling van

bovengenoemd alimentatiebedrag is uitgegaan van de navolgende financiële

gegevens: brutoloon van de man per jaar € 35.961,--, hypotheekrente € 640,-- per

maand, polis levensverzekering/aflossing € 130,-- per maand, premie ziektekosten

€ 250,-- per maand, premie begrafenisverzekering € 13,-- per maand. De vrouw

heeft een WAO-uitkering van € 578,33 per maand bruto. Bovengenoemde

regeling is op deze wijze getroffen omdat de toekomstige situatie van de vrouw

erg ongewis is en naar verwachting over drie jaren een beter zicht op de toekomst bestaat.

… ”

Het verzoek

De vrouw verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voornoemde beschikking van 27 juli 2005, althans artikel 1.1. van het convenant van 21 juni 2005 zal wijzigen en de daarin vastgestelde bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 september 2008 zal vaststellen op € 750,-- per maand, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht.

De vrouw stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden c.q. dat de beschikking van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord c.q. dat het convenant is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Zij heeft thans geen WAO-uitkering meer en ook geen andere inkomsten, wat ten tijde van de afspraak dan wel de beschikking niet bekend was. Er werd toen vanuit gegaan dat de vrouw na drie jaren wel eigen inkomsten zou hebben. De overeengekomen beperking in de hoogte van de alimentatie is in strijd met de wettelijke maatstaven, omdat als er behoefte bestaat aan een hoger bedrag dan € 450,--, de vrouw hierop aanspraak maakt en de man volgens de wet gehouden is dit te voldoen, mits hij daarvoor draagkracht heeft.

De vrouw heeft tenminste nog steeds behoefte aan de in het convenant overeengekomen bijdrage. Zij is vanwege lichamelijke klachten niet in staat door middel van betaalde arbeid in haar huwelijksgebonden behoefte te voorzien. De vrouw stelt voorts (bij gebrek aan wetenschap) dat de man voldoende draagkracht heeft voor de verzochte bijdrage.

Het verweer

De man verzoekt dat de rechtbank de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel dat verzoek zal afwijzen.

Hij betwist dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden c.q. dat de beschikking van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord c.q. dat het convenant is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Hij stelt dat partijen destijds bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, zodat slechts tot wijziging van de overeenkomst kan worden overgegaan indien de vrouw stelt en de rechter aannemelijk oordeelt dat na de totstandkoming van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de man, in het licht van alle bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van die overeenkomst niet mag verwachten. De mediator (mr. Roossien) heeft destijds een berekening van de draagkracht van de man gemaakt, waaruit bleek dat hij een bedrag van € 463,-- per maand (exclusief fiscaal voordeel) zou kunnen betalen. Omdat beide partijen dit bedrag veel te hoog vonden, hebben zij in onderling overleg een bedrag van € 400,-- per maand voor de duur van drie jaren afgesproken. Uiteindelijk is een bedrag van € 450,-- per maand vastgelegd omdat partijen daarmee rust wilden creëren en de vrouw daarmee de beschikking had over een totaal bruto maandinkomen van circa € 1.000,-- ongeacht haar omstandigheden. De overeengekomen termijn van drie jaren betreft een afwijking van de wettelijke regeling van 12 jaren. Partijen gingen ervan uit dat de vrouw na ommekomst van een termijn van drie jaren volledig in haar eigen levenonderhoud zou kunnen voorzien. Kort na de echtscheiding wist de vrouw al dat haar WAO-uitkering zou worden ingetrokken. Omdat de keuringsinstantie van mening was dat er geen geestelijke noch fysieke beperkingen bij de vrouw aanwezig waren op grond waarvan de vrouw arbeidsongeschikt zou zijn. De man is dan ook van mening dat er geen sprake is van een huwelijksgerelateerde behoefte. Bovendien heeft de vrouw zich onvoldoende ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

De beoordeling

ontvankelijkheid

Bij eerdergenoemd convenant zijn de vrouw en de man onder andere de volgende

geschillenregeling overeengekomen:

Artikel 6 - geschillen

In geval de partijen in de toekomst van mening verschillen omtrent de

interpretatie of uitvoering van dit convenant, zullen zij trachten door middel van

onderling overleg tot een regeling te komen.

Voor het geval zij hier niet in slagen zullen zij zich wenden tot mr. Roossien

of een andere scheidingbemiddelaar teneinde te trachten de gerezen geschilpunten

door bemiddeling tot een oplossing te brengen. Pas als deze bemiddeling niet tot

resultaat leidt zullen partijen zich elk tot een eigen advocaat wenden die dan het

geschilpunt eventueel aan de rechter kan voorleggen.

… ”

Ondanks het feit dat partijen bij voormeld echtscheidingsconvenant een geschillenregeling zijn overeengekomen waarin staat te lezen dat zij bij verschillen over de interpretatie of de uitvoering van het convenant eerst via overleg dan wel bemiddeling moeten trachten om tot een regeling te komen, waarvan zij na een poging hebben afgezien, acht de rechtbank de vrouw tot zover ontvankelijk in haar verzoek. Gezien het verhandelde ter terechtzitting is onaannemelijk geworden dat de tussen partijen gerezen problemen via een bemiddelaar tot een oplossing hadden kunnen worden gebracht. Nu partijen zich inmiddels ieder tot een (andere) advocaat hebben gewend, wat als een volgende fase in het bewuste convenant wordt genoemd, acht de rechtbank het niet in belang van partijen dat een beslissing over hetgeen hen verdeeld houdt uitblijft.

De vrouw stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden c.q. dat de beschikking van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord c.q. dat het convenant is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De wijziging betreft de opheffing van de beperking van de hoogte van de alimentatie. In dit kader is het volgende van belang.

De afspraak die partijen in het echtscheidingsconvenant hebben gemaakt over de alimentatie is tweeledig. Een afspraak voor de nu verstreken periode van 3 jaar waaraan een beding van niet-wijziging is gekoppeld en een afspraak dat zij na ommekomst van de periode van 3 jaar opnieuw met elkaar afspraken zullen maken over de alimentatie, met dien verstande dat deze nooit hoger zal zijn dan € 450,-- per maand. Ten aanzien van deze laatste afspraak is niet gesteld of gebleken dat een beding van niet-wijziging is gemaakt, zodat de rechtbank dit als uitgangspunt zal nemen.

Het systeem van artikel 1:159 leden 1 en 2 BW in verbinding met artikel 1:401 lid 1 BW moet aldus worden verstaan dat, indien een beding als bedoeld in artikel 1:159 lid 1 niet is gemaakt (of een zodanig beding ingevolge lid 2 van dat artikel is vervallen ), artikel 1:401 lid 1 toepasselijk is in dier voege dat in een geval waarin partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, de rechter slechts tot een wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud zal mogen overgaan, indien de verzoeker stelt en de rechter aannemelijk oordeelt dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de wederpartij in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Gezien de aan echtgenoten toekomende vrijheid de financiële gevolgen van hun echtscheiding zelf te regelen, zal de rechter zowel bij zijn oordeel of aan deze voorwaarde is voldaan als, zo dit het geval is, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, terughoudendheid moeten betrachten. Dit brengt mee dat hij bij een eventuele wijziging van de uitkering tot levensonderhoud zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond, waarbij hij mede zal dienen te letten op het verband dat kan zijn beoogd tussen de regeling betreffende levensonderhoud en eventuele door partijen getroffen regelingen van andere aard.

Allereerst dient te worden beoordeeld of partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De man beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt het volgende: De vrouw zou hoe dan ook € 450,-- per maand krijgen, ook als zij een relatie had. Hij stelde haar in staat zich te ontwikkelen en wilde rust creëren. Een bedrag van € 400,-- per maand zou te krap zijn voor de vrouw, om welke reden een bedrag van € 450,-- per maand is afgesproken. Hij heeft deze afspraak aan het papier toevertrouwd. Bij de mediator (mr. Roossien) is een en ander vervolgens besproken en is bekeken wat de vrouw nodig had, waarbij de lasten van de vrouw zijn meegenomen. Een bedrag van € 400,-- per maand dekte de behoefte van de vrouw niet, een bedrag van € 450,-- per maand wel.

Tegenover deze gemotiveerde betwisting van de man, heeft de vrouw niet aangetoond noch anderszins aannemelijk gemaakt dat de destijds gemaakte afspraken niet bewust tot stand zijn gekomen of tot stand zijn gekomen met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Integendeel ter terechtzitting heeft de vrouw de lezing van de man niet weersproken en te kennen gegeven, dat de mediator (mr. Roossien), die partijen bij het maken van het echtscheidingsconvenant heeft bijgestaan, zei dat een hogere bijdrage mogelijk was, dat zij dit sneu vond voor de man, dat zij akkoord is gegaan met een lager bedrag dan de mediator had berekend, dat zij wilde dat de man verder kon met zijn leven, dat zij met dit bedrag ook verder kon met haar leven en dat zij wel een bedrag van € 1.000,-- per maand in haar hoofd zal hebben gehad.

Gelet op deze feiten en omstandigheden die in grote lijnen worden ondersteund door de overgelegde stukken, oordeelt de rechtbank dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst niet de bedoeling hebben gehad om de wettelijke maatstaven in acht te nemen en bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Er is dan ook geen sprake van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Zij hebben zelf een mediator ingeschakeld die op basis van de door partijen overgelegde stukken een berekening heeft gemaakt en die hun heeft voorgelicht en geadviseerd. De bedoeling van partijen was kennelijk dat de man na hun uiteengaan een nieuwe start kon maken en de vrouw de beschikking kreeg over een totaal bruto maandinkomen van

€ 1.000,-- conform haar behoefte en samengesteld uit haar eigen inkomen tot dan toe, te weten een WAO-uitkering, en de overeengekomen partneralimentatie.

De vrouw stelt dat de wijziging van omstandigheden is gelegen in het feit dat zij geen WAO-uitkering meer heeft en geen althans onvoldoende inkomsten heeft om in haar levensonderhoud te voorzien en niet in staat zal zijn om door te werken in haar huwelijksgebonden behoefte te voorzien. Ter terechtzitting is het volgende gebleken. De vrouw is inmiddels een arbeidsovereenkomst aangegaan voor 10 uur in de week en dus 40 uur in de maand en ontvangt daarvoor als tegenprestatie een inkomen van netto € 421,-- per maand. Zij werkt 5 uur tot 10 uur per dag. Zij zou maximaal 5 uur per dag kunnen werken. Zij heeft in de afgelopen periode een enkele sollicitatie gedaan. Zij heeft in de afgelopen jaren een aantal malen uitzendwerk verricht variërend van enkele uren in de week tot een voltijdse baan, waarbij opvalt dat zij zich in redelijk beperkte mate beschikbaar stelde voor de arbeidsmarkt. Zij heeft geen re-integratie traject gevolgd.

Beide partijen hebben te kennen gegeven dat partijen ervan uitgingen dat de vrouw te zijner tijd eigen inkomsten zou hebben. Partijen zijn er aldus vanuit gegaan dat de vrouw zich zou inspannen om eigen inkomsten te verwerven. De vrouw heeft thans een beperkt inkomen. De vraag doet zich voor of de man in het licht van deze en alle overige bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mag verwachten gezien het feit dat de vrouw geen WAO-uitkering meer geniet en slechts een bruto-inkomen van € 373,60 per 4 weken ontvangt. De man beantwoordt deze vraag met ja en stelt zich op het standpunt dat de vrouw onvoldoende heeft ondernomen ten einde in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien en dat zij van meet af aan in ieder geval 16-20 uur zou moeten kunnen werken, juist omdat de vrouw niet meer arbeidsongeschikt is beoordeeld. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Van de vrouw mocht en mag worden verwacht dat zij zich rekening houdend met haar beperkingen zou inspannen en inspant om (grotendeels) in haar eigen onderhoud te voorzien. In het licht van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft opgemerkt, heeft de vrouw zich naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ingespannen om zich een zodanig inkomen te verwerven dat zij (grotendeels) in haar eigen onderhoud kan voorzien.

Aldus geldt tussen partijen de afspraak: “Na ommekomst van deze periode zullen partijen hun financiële situatie opnieuw beoordelen. De dan geldende situatie is bepalend voor de alimentatieafspraken, die zullen gelden voor de periode na de eerste van drie jaren, met dien verstande dat partijen reeds thans overeenkomen dat de overeen te komen alimentatie nimmer hoger zal zijn dan € 450,-- per maand.”Aangezien partijen er niet in zijn geslaagd om zelf met deze uitgangspunten afspraken te maken, zal de rechtbank op basis van de hierboven geformuleerde uitgangspunten een berekening maken.

Behoefte en behoeftigheid vrouw

Voor de bepaling van de behoefte van de vrouw zoekt de rechtbank aansluiting bij datgene wat partijen voor ogen stond op het moment dat zij beiden eerdergenoemd echtscheidings¬convenant hebben ondertekend. Als onweersproken is komen vast te staan dat het de bedoeling van partijen was dat de vrouw na hun uiteengaan de beschikking had over een totaal bruto maandinkomen van € 1.000,-- per maand. Zoals hiervoor reeds is overwogen is er geen aanleiding om van dit bedrag af te wijken zodat de rechtbank de behoefte van de vrouw nog steeds stelt op € 1.000,-- per maand. Daarop in mindering brengt de rechtbank het inkomen dat de vrouw zich redelijkerwijs moet kunnen verwerven. Dit inkomen (inclusief vakantiegeld) stelt de rechtbank – op basis van een dienstverband van ongeveer 20 uur per week bij haar huidige werkgever – in redelijkheid op € 800,-- bruto per maand, zodat een aanvullende behoefte resteert van € 200,-- bruto per maand waarvan het redelijk is dat de man daarin voorziet. De vrouw heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet aangetoond noch anderszins aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat is om (in plaats van thans 10 uur per week) 20-uur per week te werken, zodat het ervoor gehouden worden dat zij daartoe in staat is. In deze visie wordt de rechtbank gesterkt nu uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw niet langer arbeidsongeschikt is, zij haar medische klachten op geen enkele wijze feitelijk heeft onderbouwd en van het omscholingsaanbod van het UWV geen gebruik heeft gemaakt.

Daarbij gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat intussen van de vrouw kan worden gevergd dat zij volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Enerzijds, omdat uit het bewuste echtscheidingsconvenant niet expliciet blijkt dat zulks van de vrouw mag worden verwacht en verlangd. Anderzijds, omdat uit de overgelegde stukken en met name de “rapportage algemeen bezwaar-ad” van 27 september 2004 en “verzekeringsgeneeskundige rapportage” van 31 januari 2008 voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw vanwege van psychische en fysieke beperkingen niet in staat is om iedere functie (voltijds) uit te oefenen.

Draagkracht man

Aangezien de man zijn draagkracht niet ter discussie heeft gesteld, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling daarvan en zal zij de hiervoor berekende bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw ad € 200,-- bruto per maand op leggen als na te melden.

Ingangsdatum

De rechtbank ziet geen aanleiding om een andere ingangsdatum te bepalen dan de eerste

dag van de maand volgend op de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, in dit geval 1 september 2008. De vrouw heeft eerst met ingang van die datum rekening kunnen en moeten houden met een eventuele verlaging c.q. nihilstelling van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 27 juli 2005 en de bij convenant van

21 juni 2005 bepaalde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en stelt

deze met ingang van 1 september 2008 vast op een bedrag van € 200,-- (tweehonderd euro)

per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.J. Peters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.