Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BI7849

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
98574 FARK 08-2226
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1:397 BW; bepaling van de behoefte van een kind, waarop een coouderschapregeling van toepassing is en dat heeft samengewoond met andere (stief)kinderen waarop eveneens een coouderschapregeling van toepassing is; bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder rekening houdend met beide coouderschapregelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 98574 FARK 08-2226

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 28 april 2009

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te Lichtenvoorde,

verzoekster, verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. M.P.H. Sanders te Doetinchem,

t e g e n

[verweerder],

wonende te Lichtenvoorde,

verweerder, verder te noemen de man,

advocaat: mr. M.M.H. Ceelen te Groenlo.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 26 november 2008;

- het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 20 januari 2009;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 21 januari 2009;

- de brief met bijlagen van mr. Ceelen van 18 maart 2009;

- de brief met bijlagen van mr. Sanders van 19 maart 2009;

- de brief met bijlagen van mr. Ceelen van 20 maart 2009;

- de brief met bijlage van mr. Sanders van 23 maart 2009;

- het faxbericht met bijlage van mr. Sanders van 25 maart 2009;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 31 maart 2009.

De feiten

Tijdens de relatie van de vrouw en de man is het navolgende minderjarige kind geboren:

[kind A], geboren op 4 februari 2002 te Winterswijk.

De man heeft [kind A] erkend.

[kind A] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

Het ouderlijk gezag over [kind A] wordt door de vrouw en de man gezamenlijk uitgeoefend.

Het verzoek

De vrouw verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat de man met ingang van 1 oktober 2008, althans een zodanige datum als de rechtbank juist acht, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] een bedrag van € 350,-- per maand telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw zal voldoen, kosten rechtens.

Zij stelt dat [kind A] behoefte heeft aan en de man voldoende draagkracht heeft voor de verzochte bijdrage. Zij zelf heeft onvoldoende draagkracht om in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] te voorzien. Zij heeft een inkomen van € 1.100,-- per maand. [kind A] verblijft om de week bij de man. In de periode dat [kind A] bij de man verblijft, zijn haar twee halfbroertjes [kind B] (10 jaar) en [kind C] (12 jaar) eveneens aanwezig, zodat bij het vaststellen van de behoefte van [kind A] met deze twee kinderen rekening dient te worden gehouden. De man is bij brief van 25 september 2008 aangeschreven om financiële gegevens te overleggen, zodat hij vanaf dat moment wist dat de vrouw van hem een bijdrage wilde ontvangen.

Het verweer

De man verzoekt dat de rechtbank het verzoek van de vrouw zal afwijzen en de vrouw zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

Hij betwist dat zijn aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] een bedrag van € 350,-- per maand beloopt. Hij stelt dat bij de bepaling van de behoefte van [kind A] rekening dient te worden met zijn twee andere kinderen [kind B] en [kind C], nu [kind A] circa acht jaren met hen in gezinsverband heeft samengeleefd. Hij heeft samen met zijn ex-partner de verzorging en opvoeding van [kind B] en [kind C] gedeeld. Hij heeft – gelet op zijn verminderde inkomsten en zijn lasten – onvoldoende draagkracht voor de verzochte bijdrage. Bovendien dient de vrouw eveneens een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A], waarbij van haar mag worden verwacht dat zij haar dienstverband van 24 uur per week uitbreidt naar 36 uur per week.

De beoordeling

Behoefte [kind A]

Voor de bepaling van de behoefte van [kind A] zoekt de rechtbank aansluiting bij het rapport kosten van kinderen, laatstelijk gepubliceerd in de Tremaspecial van augustus 2008, en de daarbij behorende tabel(len) die jaarlijks wordt(worden) aangepast. Uitgangspunt is het gezinsinkomen zoals dat was tijdens de samenleving van partijen. De man heeft genoegzaam onderbouwd dat het gezins¬inkomen toen circa € 4.300,-- (inclusief vakantiegeld) bedroeg, zijnde het netto maandinkomen van de man van circa € 3.225,-- en het netto maandinkomen van de vrouw van circa € 1.075,--. De vrouw daarentegen heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat dit gezinsinkomen toen beduidend hoger was dan voormeld bedrag, zodat de rechtbank op de stelling van de vrouw daartoe geen acht zal slaan. Aan de hand van voornoemd rapport en voormeld besteedbaar maandinkomen is het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [kind A] (zonder bijtelling van de kinderbijslag) vast te stellen op € 538,-- per maand. Daarbij heeft de rechtbank in de omstandigheid dat [kind A] in de ene week één kind van één is en in de andere week één kind van drie (namelijk samen met [kind B] en [kind C]) aanleiding om het gevonden bedrag dat hoort bij de Tabel voor 1 kind (2 punten) ad € 661,-- per maand te middelen met het gevonden bedrag dat hoort bij de Tabel voor 3 kinderen (10 punten) ad € 416,-- per kind per maand.

In beginsel dienen beide ouders naar draagkracht in deze behoefte te voorzien. De rechtbank zal daarom een vergelijking van ieders draagkracht maken.

Draagkracht vrouw

Bij de beoordeling van de draagkracht van de vrouw rekent de rechtbank – op grond van de overgelegde jaaropgaaf 2008 – met een belastbaar jaarinkomen van € 18.119,-- (inclusief de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage inzake de Zorgverzekeringswet ad € 1.170,--, zoals

deze per 1 januari 2009 geldt), nu geenszins aannemelijk is geworden dat haar belastbaar jaarinkomen in 2009 wezenlijk anders zal zijn. Weliswaar mag van de vrouw verwacht en verlangd worden dat zij zich tot het uiterste (blijft) inspannen om een uitbreiding van haar huidige dienstverband van 24 uur per week te realiseren, maar gelet op de (gedeelde) zorg voor [kind A] (alsook voor [kind B] en [kind C] op gezette tijden) is niet aannemelijk te achten dat zulks spoedig zal zijn gerealiseerd.

Rekening houdend met alles op jaarbasis - het kindgebonden budget ad € 1.011,--, de algemene heffingskorting ad € 2.007,--, de arbeidskorting ad € 1.300,--, de alleenstaande ouderkorting ad € 902,--, de aanvullende alleenstaande ouderkorting ad € 779,--, de inkomensafhankelijke combinatiekorting ad € 1.283,-- en de inkomensheffing van nihil (bruto = netto), berekent de rechtbank het besteedbaar maandinkomen van de vrouw op afgerond € 1.594,--.

Bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de vrouw is de rechtbank uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 899,-- per maand (het gaat immers om de berekening van ieders aandeel in de totale kosten van [kind A]) minus de wooncomponent van € 202,-- en van de navolgende, door de man niet betwiste lasten op maandbasis:

- de huur ad € 442,--;

- de totale premie Zorgverzekeringswet ad € 112,--, zijnde de basis- en aanvullende premie van de vrouw ad € 112,-- vermeerderd met de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ad € 98,-- en het verplicht eigen risico van afgerond € 13,-- per maand, en verminderd met het in de bijstands¬norm begrepen nominaal deel premie ZVW ad € 44,-- per maand en de zorgtoeslag ad € 58,--.

Van de draagkrachtruimte is 60% (€ 329,--) beschikbaar voor alimentatie.

Draagkracht man

Vaststaat dat de man twee kinderen uit een eerdere relatie heeft en dat hij de zorg ten aanzien van deze kinderen, genaamd [kind B] en [kind C], met zijn ex-partner deelt.

In die omstandigheid, ziet de rechtbank in de hierna te maken berekening van de draagkracht van de man aanleiding de bijstandsnorm voor een alleenstaande ad € 899,-- per maand te hanteren en deze norm te vermeerderen met de helft van de kosten van [kind B] en [kind C], die de rechtbank berekent op een bedrag van € 416,-- per maand. Namelijk, zoals hiervoor reeds is overwogen is de behoefte van [kind B] en [kind C] berekend op een bedrag van € 416,-- per kind per maand. Vanwege de gedeelde zorg komt de helft daarvan, zijnde een bedrag van € 208,-- per kind per maand, voor rekening van de man, zodat om die reden een totaalbedrag van € 416,-- per maand aan zijn lastenzijde dient te worden meegenomen. Daarnaast hanteert de rechtbank een voor alimentatie beschikbaar percentage van 60%.

Ter beoordeling van de draagkracht van de man rekent de rechtbank – op grond van de overgelegde jaaropgaaf 2008 – met een belastbaar jaarinkomen van € 69.679,-- (inclusief de inkomens¬afhankelijke werkgeversbijdrage inzake de Zorgverzekeringswet ad € 2.233,--, zoals deze per 1 januari 2009 geldt), omdat niet is aangetoond noch aannemelijk is geworden dat dit belastbaar jaarinkomen in 2009 essentieel zal afwijken. Te minder, daar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de man niet van plan is om zijn huidige arbeidscontract van 40 uur per week terug te brengen naar een 32-urige of 36-urige werkweek.

Anders dan de vrouw rekent de rechtbank tot voormeld inkomen geen inkomen uit vermogen, nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet heeft aangetoond dat de man daadwerkelijk dergelijk inkomen heeft.

Rekening houdend met alles op jaarbasis - het eigenwoningforfait ad € 2.090, --, de hypotheekrente ad € 11.403,--, de algemene heffingskorting ad € 2.007,--, de arbeidskorting ad € 1.480,--, de inkomensafhankelijke combinatiekorting ad € 1.765,--, de alleenstaande ouderkorting ad € 902,--, de aanvullende alleenstaande ouderkorting ad € 1.484,-- en de inkomensheffing ad € 16.755,--, berekent de rechtbank het besteedbaar maandinkomen van de man op afgerond € 4.410,--.

Bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de man is de rechtbank uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ad € 899,-- per maand minus de wooncomponent van € 202,-- en van de navolgende, door de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwiste lasten op maandbasis:

- de hypotheekrente ad € 950,--;

- de hypothecaire aflossing/de premie levensverzekering ad € 27,--;

- het forfait overige eigenaarslasten ad € 95,--;

- de totale premie Zorgverzekeringswet ad € 247,--, zijnde de basis- en aanvullende premie van de man en zijn partner ad € 91,-- vermeerderd met de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ad € 186,-- en het verplicht eigen risico van afgerond € 13,-- per maand, en verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW ad € 44,-- per maand;

- de kosten huishoudelijke hulp ad € 180,--;

- de verzekering te behoeve van [kind B] en [kind C] ad € 45,--.

Tevens rekent de rechtbank – zoals hiervoor reeds is overwogen – met de (gedeelde) kosten van verzorging en opvoeding van [kind B] en [kind C] van in totaal € 416,-- per maand.

Geen rekening houdt de rechtbank met de extra kosten ten behoeve van [kind A] ad € 14,-- per maand, nu deze kosten door de vrouw zijn betwist en zij bovendien moeten worden geacht te zijn verdisconteerd in het bedrag van de hiervoor genoemde tabel kosten van kinderen.

Van de draagkrachtruimte is 60% (€ 1.052,-- ) beschikbaar voor alimentatie.

Vergelijking van ieders voor alimentatie beschikbare ruimte, afgezet tegen de behoefte van [kind A] ad € 538,-- per maand, leert de rechtbank dat de man en de vrouw naar rato van ieders draagkracht bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] als de man bijdraagt met een bedrag van € 410,-- per maand. In de omstandigheid dat de man al de helft van de zorg (en de kosten) ten behoeve van [kind A] ad € 269,-- per maand voor zijn rekening neemt, ziet de rechtbank aanleiding dat bedrag in mindering te brengen op zijn totale aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] ad € 410,--. Derhalve resteert een bedrag van € 141,-- per maand, welk bedrag de rechtbank in overeenstemming acht met de wettelijke maatstaven en om die reden ten laste van de man zal brengen.

ingangsdatum

De rechtbank ziet geen aanleiding om een andere ingangsdatum te bepalen dan de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het verweerschrift (tevens zelfstandig verzoek) is ingediend, in dit geval 1 december 2008. De man heeft eerst met ingang van die datum rekening kunnen en moeten houden met een eventuele bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A].

Proceskosten

In de omstandigheid dat de vrouw en de man ex-partners zijn, ziet de rechtbank aanleiding de kosten van deze procedure tussen hen te compenseren als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] met ingang van 1 december 2008 een bedrag van € 141,-- (éénhonderdéénenveertig euro) per maand, telkens bij vooruitbetaling, aan de vrouw dient te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van dit geding aldus, dat zowel de man als de vrouw met de eigen kosten belast blijft;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.H. Westhuis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.