Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BI7728

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
15-06-2009
Zaaknummer
93232 - HA ZA 08-492
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak; schadebeperkingsplicht; schade door missen van fiscaal voordeel;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 93232 / HA ZA 08-492

Vonnis van 29 april 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te Harderwijk,

eiser,

advocaat mr. M.J. de Witte te Amersfoort,

tegen

de naamloze vennootschap

UNIVE SCHADE N.V.,

gevestigd te Assen,

gedaagde,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiser] en Univé genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 augustus 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 10 november 2008

- de aantekening dat [eiser] niet in staat is tot concluderen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] - geboren op 17 maart 1952 - heeft vanaf 1986 een huisartsenpraktijk te Hierden gevoerd, waar hij als enige huisarts werkzaam was. Zijn echtgenote werkte als assistente in de praktijk.

2.2. Op 9 mei 1997 is hem een ongeval overkomen, waarbij hij als voetganger werd aangereden door een personenauto. Het ongeval werd veroorzaakt door een in het kader van de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen verzekerde van Univé. Univé heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.3. [eiser] liep bij de aanrijding een ernstig gecompliceerde fractuur van het rechter onderbeen, een kneuzing van de hersenen, lever en nieren en drie gebroken ribben op.

2.4. In de periode tussen mei 1997 en oktober 1998 is [eiser] vijf maal geopereerd aan zijn rechter onderbeen. Gedurende deze periode was hij niet in staat zijn werkzaamheden als huisarts te verrichten.

2.5. Het UWV Cadans heeft [eiser] op 8 mei 1998 voor 80-100% arbeidsongeschikt geacht. Desondanks heeft [eiser] medio 1998 zijn werkzaamheden als huisarts gedeeltelijk hervat. Aanvankelijk werkte hij 50% van de normale tijd en vanaf 2000 60%. Op 21 mei 2001 heeft hij zijn werkzaamheden op advies van zijn huisarts gestaakt. Sindsdien heeft hij niet meer als huisarts gewerkt.

2.6. In 2001 is de praktijk overgedragen. In 2002 is de huisartsenwoning verkocht, waarna [eiser] met zijn gezin is verhuisd naar een nieuw appartement in Harderwijk.

2.7. Partijen hebben in overleg orthopedisch chirurg R. van Dijk opdracht gegeven onderzoek te doen naar de aard en de ernst van het door [eiser] opgelopen letsel. In zijn rapport van 12 september 2002 (productie 1 bij dagvaarding) heeft Van Dijk onder meer het volgende vermeld:

“(...) SAMENVATTING:

(…) Betrokkene heeft daarbij een aantal letsels opgelopen die vlot zijn genezen. Vermeld moet worden een commotio cerebri, ribfracturen rechts, een contusie van de rechter nier en van de lever. Deze letsels hebben geen ernstige restverschijnselen gegeven. Het belangrijkste letsel was de fractuur van het rechter onderbeen, in de proximale helft. Er bleken twee fracturen te zijn met een tussen fragment van ongeveer 7 cm. Om de restverschijnselen van deze fractuur handelt het zich in deze expertise. (…) Uiteindelijk is een goede consolidatie opgetreden van de beide fracturen van de proximale tibia. De fibula fractuur is niet geconsolideerd. Echter betrokkene heeft pijnklachten gehouden in het rechter onderbeen. De pijnklachten zijn soms ook in de rechter knie en in de rechter enkel na inspanning aanwezig. Het voornaamste probleem echter is dat betrokkene na het lopen van enige afstand pijn krijgt in het rechter onderbeen en dat er zelfs een spierzwakte ontstaat waardoor een klapvoet lijkt te ontstaan. Dit is een duidelijke functionele klacht na een geconsolideerde onderbeen fractuur. (…)

Wanneer betrokkene loopt treedt er met name pijn op in het rechter onderbeen, voornamelijk in het extensoren compartiment van het onderbeen. Er treedt krachtsverlies op waardoor de dorsie flexie van de enkel minder krachtig is. Verder pijnklachten. Na een 5 tal operaties is er waarschijnlijk toch bindweefselvorming opgetreden. De klachten lijken enigszins op claudicatio intermittens. Het beeld kan het beste passen bij een soort compartiment syndroom. Bij inspanning ontstaat er toch pijn en krachtsvermindering door verminderde doorbloeding. De restverschijnselen zijn niet af te leiden uit de gefractureerde tibia. Het zijn met name functionele klachten die bij langer lopen ontstaan.

(…)

Ad 2.

Er zijn op mijn vakgebied duidelijk restklachten van het rechter onderbeen. Betrokkene klaagt vooral na lopen en belasting over pijn in het onderbeen en ook ontstaat er krachtsvermindering vooral van de dorsi flexie. Daarnaast zijn er in mindere mate klachten in de rechter knie en in de rechter enkel. Wanneer betrokkene een stukje gelopen heeft dan komt de pijn opzetten, hij wordt dan gedwongen rust te nemen. Dit belemmert de praktijkvoering ernstig. Op mijn vakgebied heb ik geen ernstige klachten in de rechter knie vastgesteld. Ook het rechter onderbeen heeft een goed aspect, geen ernstige deviatie van het been. Er was neurologisch een niet radiculaire hypaesthesie van het onderbeen. Ook was de dorsi flexie van de rechter enkel iets beperkt. Voor de beoordeling was echter de functionele klacht van betrokkene zelf het belangrijkste.

Ad 3.

Naar mijn mening zijn de klachten van betrokkene en de door mij waargenomen afwijkingen een rechtstreeks en uitsluitend ongeval gevolg. Andere ziekelijke factoren hebben geen rol gespeeld. Met name de subjectieve klachten van betrokkene dat na enig lopen pijn en spierzwakte optreedt is van groot belang. De ontstaanswijze heb ik trachten te begrijpen. Na 5 operaties is er in het extensorencompartiment van het rechter onderbeen duidelijk fibrosis opgetreden. Bij inspanning ontstaat enige inschaemie als bij een compartiment syndroom. Deze klachten zijn moeilijk in maat en getal weer te geven en toch zijn zij zeer reëel.

(…)

Ad 7.

Op dit moment kan men spreken van een eindtoestand. Het is niet mijn verwachting dat er nog grote verbeteringen zullen optreden in de toekomst. (…) Vooralsnog zou ik willen voorstellen het percentage blijvende invaliditeit te stellen op 10% van de gehele persoon ten gevolge van dit letsel van het rechter onderbeen.

(…)

Ad 8a.

Ten aanzien van arbeid in het algemeen zijn er wel beperkingen. Arbeid waarbij veel en langdurig gelopen moet worden zijn voor betrokkene ongeschikt. (…)”

2.8. In een aanvullende rapportage van 11 november 2002 (productie 1 bij dagvaarding) heeft Van Dijk onder meer opgenomen:

“(…) De klachten van betrokkene zijn dus ernstiger dan aanvankelijk in mijn rapportage vermeld, zij zijn niet alleen bij zwaardere belasting en langer lopen aanwezig, echter ook wanneer betrokkene regelmatig moet opstaan en gaan zitten. Het lopen van korte afstanden tijdens het spreekuur is uiteraard onvermijdelijk. De klachten zijn het minst ernstig wanneer betrokkene een vrijwel zittend bestaan voert. (…)

Blijft tenslotte over de vraag in hoeverre betrokkene beperkt is bij het uitvoeren van zijn dagelijks werk als huisarts. Het voeren van een huisartsenpraktijk houdt in dat in de eerste plaats een spreekuur gedaan moet worden. Tijdens een dergelijk spreekuur moet zeer veel worden opgestaan en over een korte afstand gelopen. In het bovenstaande is reeds gebleken dat dit eigenlijk voor betrokkene onmogelijk is. Verder moet een huisarts visites rijden. Hij moet in en uit zijn auto stappen. Korte afstanden lopen, en tenslotte vaak een trap beklimmen om zijn patiënten te kunnen bezoeken. Ook dit brengt toch een flinke activiteit van de benen met zich mee. Wanneer ik mij de activiteiten van een huisarts voor ogen stel dan kan ik eigenlijk geen andere conclusie trekken dan dat deze activiteiten een te zware belasting zijn voor betrokkene. De noodzakelijke activiteiten zullen zoveel pijnklachten in het onderbeen veroorzaken dat betrokkene op een gegeven moment niet verder kan. Ik zou dan ook uit mijn expertise de conclusie willen trekken dat betrokkene niet in staat geacht moet worden een huisartsenpraktijk te runnen. (…)”

2.9. Op verzoek van beide partijen heeft drs. M.J. van der Eijk het netto nadeel berekend dat [eiser] ondervindt door het beëindigen van zijn huisartsenpraktijk per 21 mei 2001. In zijn rapport van 18 juni 2003 (productie 2 bij dagvaarding, productie 1 bij conclusie van antwoord) heeft Van der Eijk dit netto nadeel becijferd op een bedrag van € 666.022,- bij volledig doorwerken tot de leeftijd van 65 jaar en op een bedrag van € 536.668,- bij parttime (80%) werken na het behalen van de leeftijd van 58 jaar.

Van der Eijk heeft tussentijdse rapportages uitgebracht op 2 februari 2006, 31 maart 2006 en 7 juli 2006 (productie 3 bij dagvaarding).

2.10. In 2004 is [eiser] behandeld voor een schildklieraandoening.

2.11. Per 1 maart 2004 is de registratie als huisarts van [eiser] verlopen omdat hij niet had voldaan aan het vereiste van het draaien van avond-, nacht- en weekenddiensten in de achterliggende jaren.

2.12. In opdracht van Movir N.V., de verzekeringsmaatschappij waarbij [eiser] een arbeidsongeschiktheidsverzekering had afgesloten, heeft de heer J. Lanting van Terzet B.V. de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] onderzocht. Hij is daarbij uitgegaan van het rapport van verzekeringsgeneeskundige drs. H.F.I. Van Waart en het daarbij gevoegde belastbaarheidspatroon (productie 2 bij conclusie van antwoord). Uit zijn rapport van 3 maart 2004 (productie 3 bij conclusie van antwoord) blijkt dat Lanting er bij het onderzoek van is uitgegaan dat [eiser] dient te worden beoordeeld op de reguliere werkzaamheden als huisarts. In de tabel ter bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft Lanting de uitval voor het rijden van visites en het verrichten van avond-, nacht- en weekenddiensten voor [eiser] op 100% bepaald. Lanting heeft in zijn conclusie de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 49%, hetgeen valt in de klasse 45-55%.

2.13. In reactie op de rapportages van Van der Eijk heeft heeft Univé de heer K.W. de Geus van GAB Robins Takkenberg B.V. (hierna ook: GAB) ingeschakeld. In zijn rapportage van 9 november 2006 (productie 4 bij dagvaarding) heeft De Geus het verlies aan verdienvermogen van [eiser] op een bedrag van ruim € 200.000,- becijfert.

2.14. [eiser] is op 1 januari 2007 voor 15 uren per week in loondienst gaan werken bij het St. Jansdal ziekenhuis te Harderwijk.

2.15. In zijn rapport van 17 januari 2007 (productie 5 bij dagvaarding) heeft Van der Eijk gereageerd op het rapport van GAB van 9 november 2006. Hij heeft daarbij onder meer het volgende gesteld:

“(…) De heer [eiser] startte zijn praktijk pas rond zijn 35-jarige leeftijd. Voor zijn pensioenopbouw zou hij, als hij rond zijn 60e alweer zou stoppen met werken, slechts aan 25 dienstjaren komen, waarmee hij minder dan 50% van de pensioengrondslag zou hebben opgebouwd. Aangezien hij dan nog 5 jaar zou moeten overbruggen tot aan de AOW, zou hij enkele jaren van een zeer laag inkomen moeten rondkomen. Ook vanuit de pensioenregeling geredeneerd is het aannemelijk dat de heer [eiser] tot zijn 65e zou moeten doorwerken. (…)”

2.16. Naar aanleiding van een vonnis van 4 april 2007 van de rechtbank Utrecht (productie 6 bij dagvaarding) werd duidelijk dat [eiser] alsnog uitkeringen van zijn arbeidsongeschiktheidsverzekeraars diende te krijgen op basis van volledige in plaats van op basis van 50% arbeidsongeschiktheid.

2.17. Het laatste rapport van Van der Eijk is uitgebracht op 21 september 2007 (productie 7 bij dagvaarding). Daarbij is hij het totale netto nadeel bij volledig doorwerken tot 62 jaar berekend op een bedrag van € 649.675,- en bij volledig doorwerken tot 65 jaar op een bedrag van € 926.481,- .

2.18. Bij brief van 3 oktober 2007 heeft de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) [eiser] onder meer het volgende meegedeeld (productie 8 bij dagvaarding):

“(…) Wat de LHV waarneemt is dat huisartsen niet vaak voor het vijfenzestigste jaar met pensioen gaan. Het komt wel voor dat huisartsen met een drukke praktijk aan een jongere collega overdragen, maar bedingen dat zij als HIDHA respectievelijk freelancer in hun eigen praktijk hun werkzaamheden als huisarts kunnen voortzetten. Er is ook een toenemende tendens waar te nemen dat deze ex-praktijkhouders als waarnemer hun werkzaamheden in diverse huisartsenpraktijken voortzetten. Het komt nauwelijks voor dat huisartsen hun werkzaamheden voor hun 65ste beëindigen. Wanneer dat gebeurt dan heeft dat doorgaans een medische achtergrond.

De trend van de laatste jaren is dat steeds meer huisartsen ook na hun 65ste blijven doorwerken. Er zijn steeds meer collega’s die na hun vijfenzestigste nog (parttime) doorwerken met veel plezier.

In uw geval van een rustige plattelandspraktijk in Hierden met een goede waarneemregeling in het aanliggende Harderwijk en één vrije middag in de week, is er geen enkele reden om aan te nemen dat de pensioendatum eerder dan 65 jarige leeftijd is. Het zou mij niet verbazen indien u daarna nog parttime in uw praktijk doorwerkt met een opvolger. (…)”

2.19. In opdracht van Univé heeft drs. N. Pott van Cordaet Personenschade B.V. gereageerd op de rapportages van Van der Eijk. Hij heeft dat gedaan in zijn rapportage van 24 juni 2008 (productie 4 bij conclusie van antwoord). In de berekening van Pott sluit de totale schade wegens verlies van arbeidsvermogen van [eiser] op een bedrag van € 313.965,-.

2.20. In een brief van 25 september 2008 (productie, overgelegd ter gelegenheid van de comparitie van partijen) heeft dr. D.G.A. Quaedvlieg, KNO-arts, ten aanzien van het gehoor van [eiser] onder meer het volgende vermeld:

“(…) Hij is bekend met perceptieve hoge tonen verliezen op basis van familiair bepaalde vroeg optredende presbyacusis. De laatste jaren lijkt het gehoor stabiel. Dit wordt bevestigd middels audiometrie. (...)

Aldus slechts een zeer geringe achteruitgang van het gehoor in de laatste 13 jaar. Het vermoeden is dan ook dat het gehoor het komende decennium niet sterk zal verslechteren dit inclusief het spraakverstaan. De verwachting is ook dat het gehoor middels adequate versterking middels hoortoestel dan wel andere elektrisch randapparatuur ruim voldoende zal blijven. (…)”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, voor recht zal verklaren:

primair:

- dat Univé bij de bepaling van de omvang van het door [eiser] als gevolg van het ongeval van 9 mei 1997 geleden en te lijden verlies aan verdienvermogen, zal zijn gehouden aan de conclusies van de deskundige Van der Eijk, in het bijzonder de conclusies van zijn rapport van 21 september 2007;

- dat bij de bepaling van de omvang van het door [eiser] als gevolg van het ongeval van 9 mei 1997 te lijden verlies aan verdienvermogen als uitgangspunt heeft te gelden dat [eiser] in de hypothetische situatie zonder ongeval tot zijn 65e zou hebben doorgewerkt als huisarts;

subsidiair:

- dat Univé, bij de bepaling van de omvang van het door [eiser] als gevolg van het ongeval van 9 mei geleden en te lijden verlies aan verdienvermogen, zal zijn gehouden aan de door de rechtbank in goede justitie te bepalen uitgangspunten,

met veroordeling van Univé in de kosten van de procedure.

3.2. Univé concludeert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [eiser] in zijn vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren, althans deze vorderingen aan hem zal ontzeggen, met zijn veroordeling in de kosten van de procedure.

3.3. Op het verweer van Univé zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In verband met een herverdeling van werkzaamheden wordt dit vonnis door een andere rechter geschreven dan door degene die de comparitie heeft gehouden.

4.2. Partijen zijn het eens over de toedracht van het ongeval, alsook over het feit dat de verzekerde van Univé aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Partijen verschillen van mening over de wijze waarop de omvang van de schade dient te worden vastgesteld. In onderhavige procedure gaat het uitsluitend om de schadepost verlies aan verdienvermogen.

4.3. [eiser] vordert primair een verklaring voor recht dat Univé bij de bepaling van de omvang van het verlies aan verdienvermogen is gehouden aan de conclusies die Van der Eijk heeft getrokken, in het bijzonder in zijn rapport van 21 september 2007 (productie 7 bij dagvaarding). [eiser] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat Van der Eijk op gezamenlijk verzoek van partijen is aangezocht, de vraagstelling in goed overleg is geschied, Univé ruimschoots de gelegenheid heeft gekregen om haar zienswijze kenbaar te maken en Van der Eijk heeft beschikt over alle informatie om zijn opdracht als deskundige te kunnen uitvoeren.

[eiser] kan hierin niet worden gevolgd. Weliswaar is Van der Eijk op verzoek van beide partijen ingeschakeld om in kaart te brengen welk netto nadeel [eiser] ondervindt door het beëindigen van zijn huisartsenpraktijk per 21 mei 2001, doch dit brengt in het onderhavige geval niet met zich dat Univé bij de schaderegeling gebonden is aan de conclusies die Van der Eijk getrokken heeft. Hiervoor is van belang dat Univé gemotiveerd heeft aangevoerd dat zij het niet eens is met diverse uitgangspunten die Van der Eijk bij de berekening van de schade heeft gebruikt en dat zij dit ook al in een eerder stadium te kennen heeft gegeven. Het gaat om uitgangspunten die niet op basis van (alleen) economische argumenten kunnen worden vastgesteld, zoals de eindleeftijd voor de schadebepaling, de kosten die samenhangen met de verhuizing naar een nieuwe woning en de doorlopende kosten na de praktijkbeëindiging. Van der Eijk heeft partijen in de gelegenheid gesteld om hierover hun standpunt naar voren te brengen, maar partijen zijn het op een aantal punten niet met elkaar eens geworden. Univé is op deze punten niet gebonden aan de inhoud van de rapporten van Van der Eijk en mag dus een daarvan afwijkend standpunt innemen. De primaire vordering zal dus worden afgewezen.

4.4. [eiser] heeft primair ten tweede gevorderd dat bij de bepaling van de omvang van het door hem als gevolg van het ongeval te lijden verlies aan verdienvermogen als uitgangspunt heeft te gelden dat hij zonder ongeval tot zijn 65e zou hebben doorgewerkt als huisarts. De rechtbank begrijpt dat deze vordering onlosmakelijk is verbonden met de eerste primaire vordering. De tweede primaire vordering heeft alleen betrekking op de looptijd van de schade, zodat toewijzing daarvan geen complete oplossing voor de tussen partijen bestaande geschilpunten met zich zou brengen. De rechtbank begrijpt dat [eiser] deze vordering heeft ingesteld omdat Van der Eijk in zijn rapport van 21 september 2007 in het midden heeft gelaten tot welke leeftijd [eiser] zonder ongeval zou zijn blijven doorwerken. Omdat de eerste primaire vordering is afgewezen, zal de daarmee onlosmakelijk verbonden tweede primaire vordering eveneens worden afgewezen.

4.5. Ter beoordeling van de subsidiaire vordering, wordt thans ingegaan op de geschilpunten die tussen partijen bestaan ten aanzien van de berekening van het verlies aan verdienvermogen. [eiser] heeft aan haar vordering de schadeberekening van Van der Eijk van 2 september 2007 (productie 7 bij dagvaarding) ten grondslag gelegd. Univé gaat uit van het rapport van Pott van 24 juni 2008 (productie 4 bij conclusie van antwoord).

4.6. De vraag of een door een ongeval getroffene als gevolg van het ongeval schade heeft geleden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid, moet worden beantwoord aan de hand van een vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Bij zulk een vergelijking komt het aan op de redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen. Het gaat om een inschatting van goede en kwade kansen.

4.7. De schadeberekeningen die in de procedure zijn overgelegd hanteren als aanvangsdatum mei 2001, het moment dat [eiser] de huisartsenpraktijk heeft beëindigd. Univé heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitkeringen uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering na datum ongeval tot het beëindigen van de huisartsenpraktijk in de berekening als voordeel moeten worden meegenomen. [eiser] betwist dat deze uitkeringen een voordeel hebben opgeleverd.

De rechtbank overweegt het volgende. Of er sprake is van een voordeel, kan slechts worden beoordeeld als er een volledig beeld is van het feitelijke inkomen met ongeval en het hypothetisch inkomen zonder ongeval. Dit betekent dat over de periode vanaf datum ongeval tot beëindiging van de huisartsenpraktijk – te weten mei 1997 tot mei 2001 de schade moet worden berekend.

Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten of zij over deze periode alsnog een deskundigenrapport willen laten opstellen of ervan uitgaan dat over deze periode geen noemenswaardige schade is geleden omdat de uitkeringen gelijke tred hebben gehouden met het verlies van verdienvermogen in die periode. Zo nodig geeft de rechtbank partijen in overweging om tevoren met elkaar in overleg te gaan welke persoon als deskundige dit onderzoek zou kunnen uitvoeren, alsmede welke vragen zullen worden voorgelegd.

4.8. Partijen zijn het erover eens dat de rekenrente gesteld dient te worden op 3% (bruto kapitalisatierente 6% en inflatiecorrectie 3%).

Niet-ongevalgerelateerde (al dan niet pre-existente) klachten

4.9. Univé heeft aangevoerd dat er sprake is van niet-ongevalgerelateerde (al dan niet pre-existente) klachten bij [eiser] die ertoe zouden moeten leiden dat de looptijd van de schade wordt bekort of dat bepaalde ongevalsgevolgen niet aan Univé worden toegerekend. De door Univé genoemde, niet-ongevalgerelateerde (al dan niet pre-existente) klachten zullen hierna worden behandeld.

4.10. Univé heeft onvoldoende onderbouwd dat er bij [eiser] sprake is van een gehoorproblematiek die consequenties zal hebben voor de uitoefening van het beroep van huisarts. Niet gebleken is dat de gehoorproblemen van [eiser] vóór het ongeval tot uitval of relevante beperkingen hebben geleid. Univé heeft dat ook niet gesteld. Het is dan ook niet zonder meer aannemelijk dat [eiser], het ongeval weggedacht, door deze klachten arbeidsongeschikt zou zijn geworden.

Univé heeft onvoldoende duidelijk gesteld dat in redelijkheid is te verwachten dat deze klachten op enig moment dermate zouden zijn verslechterd, dat [eiser] daardoor (definitief) zou zijn uitgevallen. De brief van KNO-arts dr. Engelen van 12 juli 2001 waarnaar Univé heeft verwezen en waarin vermeld zou zijn dat het gehoor van [eiser] alleen maar slechter kan worden, is niet overgelegd en het belastbaarheidsprofiel van 3 november 2003 (productie 2 bij conclusie van antwoord) biedt onvoldoende ondersteuning voor het betoog van Univé.

Bovendien heeft [eiser] gemotiveerd uiteengezet dat er geen sprake is (en in de toekomst ook niet zal zijn) van dusdanige gehoorproblemen die het hem onmogelijk zouden maken om als huisarts te blijven functioneren. Hij heeft erop gewezen dat uit het feit dat hij thans kan functioneren als zaalarts al blijkt dat hij goed hoort. Hij heeft voorts betoogd dat technische hulpmiddelen zijn gehoorproblemen kunnen compenseren. Dit betoog wordt ondersteund door de brief van 25 september 2008 van dr. Quaedvlieg, KNO-arts, waaruit moet worden afgeleid dat er momenteel sprake is van een min of meer stabiele situatie en waarin de verwachting wordt uitgesproken dat het gehoor van [eiser] in de komende tien jaren door een hoortoestel of andere apparatuur ruim voldoende zal blijven. Het enkele feit dat dr. Quaedvlieg bij hetzelfde ziekenhuis als [eiser] werkt, zoals door Univé in haar reactie is aangevoerd, kan er niet toe leiden dat aan de inhoud van deze brief geen betekenis mag worden toegekend.

Gelet op de onvoldoende onderbouwing bestaat geen aanleiding om, zoals Univé heeft voorgesteld, onderzoek te laten verrichten naar de huidige en verwachte gehoorproblemen van [eiser]. Aangenomen moet dus worden dat de gehoorproblemen ook in de toekomst voor [eiser] geen beletsel zouden zijn geweest voor zijn functioneren als huisarts.

4.11. Univé heeft voorts aangevoerd dat uit het belastbaarheidprofiel (productie 2 bij conclusie van antwoord) blijkt dat er bepaalde beperkingen bij [eiser] bestaan die niet voortvloeien uit de resterende klachten ten aanzien van het rechterbeen van [eiser] en (dus) niet ongevalsgerelateerd zijn. Het gaat om beperkingen ten aanzien van gebogen werken, kort cyclisch buigen en torderen, reiken, bovenhands werken en temperatuurwisselingen. Volgens Univé dient een arbeidsdeskundige onderzoek te doen naar de invloed van deze beperkingen op de wijze waarop het beroep van huisarts kan worden uitgeoefend.

[eiser] heeft niet betwist dat er bij hem sprake is van genoemde beperkingen. Volgens hem staan die beperkingen echter de uitoefening van het beroep van huisarts niet in de weg. [eiser] heeft ter onderbouwing hiervan ter gelegenheid van de comparitie van partijen een brief van 14 oktober 2008 van R. Westerweel, medisch adviseur bij Westerweel Intermediair, overgelegd. Westerweel heeft er in deze brief op gewezen dat de beperkingen in het belastbaarheidsprofiel in het oude FIS-systeem zijn aangegeven en dat dit systeem een maximale, “ongestoorde” belastbaarheid kent, die dusdanig extreem is dat die nogal eens door niemand op te brengen was, met name niet door iemand van een jaar of vijftig. In het nu gangbare “Functionele Mogelijkheden Lijst” wordt volgens Westerweel van een veel lager minimum uitgegaan. Westerweel concludeert dat de in het beperkingenprofiel genoemde beperkingen van [eiser] voor alle niet heel jonge mannen gelden en de uitoefening van het beroep van huisarts absoluut niet in de weg staan.

Univé is nog onvoldoende in de gelegenheid geweest om op deze uitlatingen van Westerweel te reageren en zal daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld, zoals hierna in het dictum is bepaald.

4.12. De stelling van Univé dat de schildklieraandoening van [eiser] kan leiden tot tijdelijke arbeidsongeschiktheid kan niet worden gevolgd, nu [eiser] gemotiveerd heeft aangevoerd dat deze aandoening kan worden behandeld. Bovendien heeft [eiser] ter gelegenheid van de comparitie van partijen een brief van 24 september 2008 overgelegd, waarin de behandelend internist P.J.C. Zoon heeft vermeld dat de schildklierproblematiek niet zal leiden tot blijvende arbeidsongeschiktheid tot het 65ste levensjaar.

Univé is ook schadeplichtig over de periode dat [eiser] in 2004 en/of 2005 wegens (onder meer) de schildklierproblematiek is uitgevallen voor de huisartsenpraktijk. Hiervoor is van belang dat [eiser] in de situatie zonder ongeval gebruik zou hebben kunnen maken van een regeling op basis waarvan collega-huisartsen gedurende de eerste drie maanden van arbeidsongeschiktheid voor vervanging zorgen. Daarna zou [eiser] bij voortdurende arbeidsongeschiktheid gedurende maximaal een jaar van de uitkering uit de arbeidsongeschiktheidverzekering een waarnemer de praktijk kunnen laten overnemen. Hierdoor zou geen inkomensdaling hebben plaatsgevonden, omdat via deze waarnemer inkomsten zouden zijn gegenereerd. In de situatie met ongeval is geen sprake meer van de betreffende regeling en verzekering. Univé is aansprakelijk voor de inkomensschade die [eiser] hierdoor lijdt. Univé stelt dat deze periode 18 maanden heeft geduurd. Omdat de regeling maar gedurende 15 maanden aan [eiser] inkomen garandeert, dient hij inzicht te geven in de periode dat de schildklierproblematiek aan de orde is geweest. [eiser] dient zich hierover bij akte uit te laten. Indien voor deze periode het verlies van verdienvermogen wordt gerelateerd aan de inkomsten uit de praktijk ingeval van waarneming, dient het feit dat geen premie is betaald omdat er geen arbeidsongeschiktheidsverzekering meer was, bij de berekening in aanmerking te worden genomen.

4.13. Univé heeft haar betoog dat er sprake zou van psychosociale problematiek in het gezin van [eiser] die stress bij [eiser] zou veroorzaken, onvoldoende onderbouwd. Zij heeft hierbij immers slechts verwezen naar de overgelegde stukken, zonder daarbij specifiek te wijzen op de passages in die stukken die haar betoog zouden kunnen ondersteunen. Bovendien blijkt uit het rapport van mevrouw H.C. Grimm van Heling & Partners van 25 mei 2005 (overgelegd ter gelegenheid van de comparitie van partijen) dat de depressie waaraan [eiser] heeft geleden verband hield met het feit dat hij de huisartsenpraktijk niet meer kon uitoefenen. Aan het betoog van Univé dat er in verband met psychosociale problematiek sprake zou zijn van een niet-ongevalgerelateerde klacht bij [eiser], wordt dus voorbijgegaan.

Het hypothetische inkomen zonder ongeval

4.14. Aan een benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen mogen geen strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van (schade wegens het derven van) arbeidsinkomsten die de benadeelde in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgehad. Reden hiervoor is dat het de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval is die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen over hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied.

4.15. Het betoog van Univé dat er sprake is van niet-ongevalgerelateerde klachten bij [eiser] die ertoe zouden moeten leiden dat de looptijd van de schade wordt bekort, is reeds gedeeltelijk beoordeeld onder 4.9 en volgende. Zoals daar is overwogen, zal Univé nog in de gelegenheid worden gesteld om te reageren voor wat betreft de in het belastbaarheidsprofiel genoemde beperkingen die niet-ongevalgerelateerd zouden zijn. [eiser] dient zich uit te laten over het begin van de schildklierklachten. Op deze punten zou er nog sprake kunnen zijn van een bekorting van de looptijd van de schade. Onder dit voorbehoud wordt reeds thans ingegaan op de te verwachten pensioenleeftijd van [eiser] in geval het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden.

4.16. Partijen zijn het erover eens dat [eiser], indien het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, zijn carrière als huisarts in zijn eigen praktijk zou hebben voortgezet. Daarbij heeft [eiser] aangevoerd dat hij tot zijn 65e jaar fulltime zou hebben doorgewerkt. Hij heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar de brief van de LVH van 3 oktober 2007 (productie 8 bij dagvaarding), waarin is verwoord dat het nauwelijks tot niet voorkomt dat huisartsen hun werkzaamheden voor hun 65ste beëindigen, en naar het rapport van Van der Eijk van 17 januari 2007 (productie 5 bij dagvaarding), waarin met name is gewezen op de omstandigheid dat [eiser] pas omstreeks zijn 35-jarige leeftijd is gestart met de praktijk en dientengevolge minder dan 50% van de pensioengrondslag zou hebben opgebouwd als hij rond zijn 60ste zou stoppen met werken.

Univé heeft het standpunt van [eiser] bestreden. Zij gaat ervan uit dat [eiser] tot zestigjarige leeftijd zou hebben gewerkt, waarbij hij vanaf het 57ste levensjaar voor 80% zou hebben gewerkt. Volgens haar was het voor [eiser] financieel niet noodzakelijk om in de situatie zonder ongeval de huisartsenpraktijk tot zijn vijfenzestigste voort te zetten. Zij heeft hierbij aangevoerd dat [eiser] in ruime mate lijfrentes had aangekocht, binnen zijn onderneming vermogen had opgebouwd en over een substantieel privévermogen beschikte. Univé heeft ter onderbouwing van haar standpunt verder verwezen naar statistische gegevens van de LHV die zijn verwerkt in het rapport van Pott van 24 juni 2008 (productie 4 bij conclusie van antwoord, pagina 15). Uit deze gegevens blijkt volgens Univé dat er in 2007 nog slechts zeventien huisartsen na hun 64ste werkten, dat de arbeidsparticipatie na het 54ste levensjaar nadrukkelijk afneemt en er ook boven de zestig nog relatief weinig huisartsen actief zijn, terwijl er in 2007 nog slechts 58,9% van de mannelijke huisartsen fulltime werkt.

4.17. Bij de beoordeling van de vraag wat een redelijke verwachting omtrent de pensioenleeftijd van [eiser] is, is onder meer van belang dat [eiser] zijn huisartsenpraktijk pas op latere leeftijd is gestart, hetgeen gevolgen heeft voor zijn pensioenopbouw. Univé heeft niet gemotiveerd betwist dat [eiser] hierdoor rond zijn 60ste minder dan 50% van de pensioengrondslag zou hebben opgebouwd, waardoor hij - indien hij al op zijn 60ste zou stoppen met werken - gedurende de vijf jaren tot aan zijn 65ste van een zeer laag inkomen zou moeten rondkomen. Univé heeft onvoldoende onderbouwd dat [eiser] over voldoende financiële middelen zou beschikken om deze vijf jaar te overbruggen op een manier die in overeenstemming is met de hogere levensstandaard van [eiser] en zijn gezin. Expiratiedata van lijfrente- en andere verzekeringen geven geen duidelijke indicatie over het moment waarop [eiser] waarschijnlijk met pensioen zou gaan. Hiervoor is van belang dat deze verzekeringen doorgaans worden afgesloten aan het begin van de werkzame periode, op welk moment nog niet voorzien kan worden wanneer men daadwerkelijk met pensioen wil gaan. In de loop van de werkzame periode en bij het aflopen van een dergelijke verzekering heeft men nog steeds de keuzemogelijkheid om te beslissen door te gaan met werken. Zeker in het huidige financiële klimaat, waarin de mogelijkheid bestaat dat verzekeringen lang niet het geprognosticeerde rendement zullen halen, kan aan de expiratiedata geen doorslaggevend argument worden ontleend.

Mede gelet op het feit dat het ging om een rustige en goed renderende plattelandspraktijk en [eiser], zoals hij heeft aangevoerd, met veel plezier en toewijding zijn werkzaamheden als huisarts heeft verricht, is het een redelijke verwachting ervan uit gegaan dat hij, had het ongeval niet plaatsgevonden, tot zijn 65ste zou hebben doorgewerkt. De informatie van de LHV die is overgelegd, is hiermee niet in strijd. De tabel van de LHV met daarin de leeftijdsopbouw van huisartsen in 2007, die door Pott in zijn rapport is overgenomen, zegt niet dat huisartsen van de leeftijd van [eiser] niet tot hun 65ste levensjaar zouden doorwerken.

Dat [eiser] tot aan zijn 65ste fulltime zou hebben gewerkt, is echter niet aannemelijk geworden. Het ligt in de lijn der verwachtingen te veronderstellen dat de avond-, nacht- en weekenddiensten een huisarts na het bereiken van het 60ste jaar fysiek en mentaal steeds zwaarder zullen vallen, terwijl de algemene trend ook is dat mensen na hun 60ste minder gaan werken. Een redelijke verwachting brengt met zich dat [eiser] vanaf zijn 62ste jaar slechts voor 60% werkzaam zou zijn geweest. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat het praktisch gezien moeilijk zou zijn geweest om parttime te gaan werken omdat het een solopraktijk betrof, maar dat het onmogelijk zou zijn is niet gebleken. [eiser] had bijvoorbeeld de praktijk aan een andere collega kunnen overdragen en zelf als freelancer in de praktijk kunnen gaan werken. [eiser] heeft voorts onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat parttime werken vanaf zijn 62ste jaar voor hem en zijn gezin financieel niet haalbaar zou zijn geweest.

4.18. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een redelijke verwachting met zich brengt dat er vooralsnog van uitgegaan moet worden dat [eiser] vanaf zijn 62ste levensjaar voor 60% als huisarts werkzaam zou zijn geweest en bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zijn werkzaamheden zou hebben beëindigd.

De feitelijke inkomsten na ongeval

De inkomsten

4.19. [eiser] werkt vanaf 1 januari 2007 gedurende 15 uur per week als zaalarts bij het St. Jansdal ziekenhuis in Harderwijk. Hij verdient daarmee een salaris van € 19.000 bruto per jaar. [eiser] heeft ter gelegenheid van de comparitie gemotiveerd aangegeven dat hij niet verwacht dat hij in de toekomst meer uren zal werken. Hij is 25 uur op het werk aanwezig, omdat hij tussendoor moet rusten. Als hij thuis komt, moet hij ook uitrusten. Hij heeft verder aangegeven dat hij geen promotie meer zal maken en geen schaal omhoog zal gaan, omdat hij vanwege leeftijd en ervaring al in de hoogste trede zit. Dat [eiser] in zijn huidige functie meer uren zou kunnen draaien en daardoor meer zou kunnen verdienen, is door Univé niet gesteld.

4.20. Aan het betoog van Univé dat het voor [eiser] wellicht mogelijk was geweest om zich te laten herregistreren als huisarts, wordt voorbijgegaan. Van [eiser] kon redelijkerwijs niet gevergd worden dat hij zijn werk als huisarts na het ongeval zou voortzetten. Hiervoor is van belang dat [eiser] door Lanting in zijn rapport van 3 maart 2004 (productie 3 bij conclusie van antwoord) voor 49% arbeidsongeschikt is verklaard voor zijn werkzaamheden als huisarts, waarbij hem volledige uitval is toegekend voor het uitoefenen van diensten en het rijden van visites. Verwezen wordt voorts naar het rapport van mevrouw M.C. Grimm van Heling & Partners van 25 mei 2005 (overgelegd ter gelegenheid van de comparitie van partijen), waaruit blijkt dat de functie van zelfstandig huisarts voor [eiser] niet meer realistisch en geschikt lijkt. Daarbij is onder meer vermeld:

“(…) Registratie is alleen mogelijk als er weer 48-uurs diensten worden gedraaid en dit is gezien de onvoorspelbaarheid van zulke diensten niet passend voor betrokkene. Een baan waarbij er voldoende regelmogelijkheden zijn om afwisseling aan te brengen in lopen, staan en zitten en er regelmogelijkheden zijn wat betreft planning lijkt het meest geschikt. (…)”

4.21. Univé heeft verder, onder verwijzing naar voornoemd rapport van mevrouw Grimm, gesuggereerd dat [eiser] met zijn huidige baan niet zijn volledige belastbaarheid zou aanwenden. Volgens Univé zou [eiser] andere functies kunnen vervullen die niet beenbelastend zijn. Kennelijk omdat [eiser] in het bijzonder hecht aan het hebben van contact met mensen in zijn baan - zoals ook blijkt uit het rapport van Grimm - heeft Univé hierbij gewezen op een combinatiefunctie van medisch adviseur en een functie waarin meer contact met patiënten bestaat. Volgens Univé is wellicht een arbeidsdeskundig onderzoek op dit punt nodig. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

4.22. In de situatie, zoals in het onderhavige geval, waarin iemand door toedoen van een ander letsel oploopt en hij als gevolg daarvan niet meer met de werkzaamheden, die hij voor het oplopen van het letsel verrichtte, in dezelfde omvang inkomsten kan verdienen maar wel met andere werkzaamheden, dan rijst de vraag of hij, om te voorkomen dat de mindere inkomsten voor zijn rekening komen, gehouden is om tot het verrichten van die andere werkzaamheden over te gaan. De beantwoording van deze vraag dient te geschieden op de grondslag van de redelijkheid en de billijkheid. Bij wat de redelijkheid en de billijkheid meebrengen, spelen de omstandigheden van het geval een belangrijke rol, in het bijzonder de leeftijd, de genoten opleiding, de aard en duur van de werkzaamheden die vóór het letsel werden verricht en de aard en haalbaarheid van andere werkzaamheden. Bij de weging van de omstandigheden zijn verder de volgende gezichtspunten in aanmerking te nemen. In de eerste plaats geldt dat de benadeelde tegen zijn wil in de hem nadeel berokkenende positie wordt gebracht door een gebeuren, waarvoor een ander aansprakelijk is te houden. Daar komt verder nog bij dat, zoals aan een ieder, ook aan de benadeelde in beginsel de vrijheid toekomt om zijn leven naar eigen inzicht en wens in te richten. Genoemde gezichtspunten brengen mee dat een zekere mate van terughoudendheid is te betrachten met het trekken van de conclusie dat een benadeelde moet overgaan tot het verrichten van andere werkzaamheden teneinde schade ten behoeve van de aansprakelijke persoon zoveel mogelijk te beperken.

4.23. In het onderhavige geval is het volgende van belang. De voorkeur van [eiser] gaat uit naar mensgerichte activiteiten en het “echte” praktijkwerk. Bij deze voorkeur passen de werkzaamheden in zijn huidige baan als zaalarts prima. Mede gelet op zijn leeftijd, alsmede het feit dat hij ten gevolge van de praktijkbeëindiging gedurende geruime tijd in een depressie is geraakt, kan van hem niet gevergd worden dat hij in de door Univé bedoelde combinatiefunctie zou gaan werken. Overigens blijkt nergens uit dat [eiser] daadwerkelijk in een dergelijke functie aangenomen had kunnen worden en in deze functie bovendien meer zou hebben verdiend dan hij in zijn huidige baan doet. [eiser] heeft in dit verband gemotiveerd aangevoerd dat hij twee jaar bezig is geweest met het zoeken van een baan, maar dat het niet wilde lukken en dat functies als medisch adviseur niet voorhanden waren.

Opgemerkt wordt voorts dat - zo is onbetwist gesteld - [eiser] het re-integratietraject bij Heling & Partners in overleg met Univé heeft gevolgd en Univé niet eerder twijfel over dit traject heeft geuit. Het gaat niet aan eerst nu bezwaar te maken tegen de baan waarvoor [eiser], mede naar aanleiding van dit re-integratietraject, heeft gekozen. Gelet op het voorgaande bestaat geen reden voor het door Univé gewenste arbeidsdeskundig onderzoek.

Doorlopende privékosten na ongeval

4.24. Partijen verschillen voorts van mening over de door [eiser] aan de orde gestelde, doorlopende privékosten. Het gaat volgens [eiser] om kosten met een privékarakter die eerder aftrekbaar waren voor de winst voor belasting en na beëindiging van de praktijk gedeeltelijk nog bestaan maar nu voor rekening van [eiser] in privé zijn. Hij heeft deze kosten afgeleid uit de balans van de praktijk. Het gaat om de volgende kostenposten (rapport Van der Eijk van 31 maart 2006, pagina 5; productie 3 bij dagvaarding):

rapport Van der Eijk van 31 maart 2006, pagina 5; productie 3 bij dagvaarding

Van der Eijk is er in zijn schadebegroting van uitgegaan dat er na de praktijkbeëindiging een bedrag van € 10.000,- per jaar aan kosten doorloopt.

Volgens Univé maken deze kosten geen onderdeel uit van de berekening van het verloren arbeidsvermogen, omdat de situatie voor en na de praktijkbeëindiging niet is veranderd en hoogstens gesteld kan worden dat [eiser] voor de praktijkbeëindiging illegaal zijn belastingdruk verlaagde door ten onrechte privékosten op zijn bedrijfsresultaat in mindering te brengen. Univé gaat er verder van uit dat het praktijkkosten betreft die na beëindiging van de huisartsenpraktijk niet meer worden gemaakt dan wel kosten die voor beëindiging van de praktijk ook privé waren en door [eiser] in strijd met de belastingwetgeving in mindering zijn gebracht op het bedrijfsresultaat.

4.25. De door [eiser] opgevoerde kosten kunnen niet voor rekening van Univé worden gebracht. Afgezien van het feit dat het slechts zou kunnen gaan om het fiscale nadeel dat [eiser] lijdt doordat hij bepaalde privékosten niet meer kan aftrekken van het bedrijfsresultaat van het bedrijf en niet om de volledige kostenposten, geldt dat het nadeel dat [eiser] in dit verband lijdt, in redelijkheid niet aan Univé kan worden toegerekend. Immers, het betreft hier de zogenoemde gemengde kosten, die de belastingdienst als aftrekpost accepteert zolang een bepaalde hoogte van deze kosten in relatie tot het inkomen niet wordt overschreden. Doorgaans toetst de belastingdienst niet in hoeverre de opgevoerde kosten een privékarakter dragen en daarom strikt genomen niet aftrekbaar zijn. Het fiscale voordeel van [eiser] om met de gemengde kosten tevens privékosten af te trekken hangt samen met het beleid van de belastingdienst ten aanzien van aftrekposten in het kader van een onderneming. Het is evident dat [eiser] door het staken van de onderneming dit voordeel mist en daardoor schade lijdt. Echter de aard van de schade en het verwijderde verband met de schadeveroorzakende gebeurtenis brengen mee dat ten aanzien van deze schadepost niet is voldaan aan het vereiste causale verband. Daarbij merkt de rechtbank op dat voor een aantal kosten ook voor privépersonen een aftrekfaciliteit bestaat, zoals voor kosten die voor het behoud van de beroepspositie moeten worden gemaakt, zodat op dat punt geen of minder schade wordt geleden dan [eiser] stelt.

Kosten in verband met verhuizing

4.26. Overwogen is reeds dat van [eiser] redelijkerwijs niet gevergd kon worden dat hij zijn werk als huisarts na het ongeval zou voortzetten. De beëindiging van de huisartsenpraktijk dient dan ook als ongevalsgevolg aangemerkt te worden. Vervolgens is de vraag of de kosten die samenhangen met de verhuizing van [eiser] als een gevolg van het ongeval aan Univé kunnen worden toegerekend. Hij heeft de praktijkwoning verkocht en daarvoor in de plaats een nieuw appartement gekocht, waarin hij door middel van verbouwingen heeft geïnvesteerd.

4.27. Univé kan niet worden gevolgd in haar stellingname dat de verkoop van het praktijkpand een eigen keuze van [eiser] is geweest. Univé heeft niet gemotiveerd bestreden dat het [eiser] vanwege de door hem ten gevolge van het ongeval opgelopen beperkingen niet meer zou lukken de hoge onderhoudskosten van de praktijkwoning te betalen en het onderhoud van de daarbij behorende grote tuin zelf te verrichten. Zij heeft weliswaar aangevoerd dat het aanpassen van de woning en het uitbesteden van het tuinonderhoud een alternatief zou zijn geweest, maar dat het zou gaan om een goedkoper alternatief heeft zij niet gemotiveerd gesteld. Op grond van het voorgaande moet worden aangenomen dat [eiser] door de beperkingen die hij aan het ongeval heeft overgehouden, werd genoodzaakt de praktijkwoning te verkopen.

4.28. Het betoog van Univé dat de verhuiskosten niet voor haar rekening kunnen worden gebracht omdat [eiser] bij het ophouden met de praktijk op enig moment ook zou zijn verhuisd, kan niet worden gevolgd, nu [eiser] gemotiveerd heeft aangevoerd dat hij vanwege het ongeval weer zal moeten verhuizen op het moment dat de kinderen het huis uit gaan.

4.29. Dat [eiser] het nieuwe, casco opgeleverde appartement heeft aangekocht, moet in de gegeven omstandigheden worden aangemerkt als een redelijke keuze. Gelet op de lichamelijke beperkingen van [eiser] die het gevolg zijn van het ongeval, ligt de keuze voor een (gelijkvloers) appartement voor de hand. Dat het aankoopbedrag van het appartement onredelijk zou zijn geweest, is door Univé niet (gemotiveerd) gesteld.

Univé heeft weliswaar gesteld dat [eiser] had moeten kiezen voor een huurwoning of -appartement, maar heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat een voor [eiser] – gelet op zijn levensstandaard en gezinssituatie – geschikte huurwoning- of appartement ten tijde van de verhuizing in Harderwijk of omstreken voorhanden was.

4.30. [eiser] heeft aangevoerd dat hij in het appartement heeft geïnvesteerd en het op een niveau vergelijkbaar met de praktijkwoning heeft gebracht. In dit verband heeft Van der Eijk over de jaren 2002 tot en met 2005 een bedrag van € 105.392,- aan kosten voor groot onderhoud opgevoerd (zie zijn rapport van 17 januari 2007, pagina’s 15 en 16, productie 5 bij dagvaarding), hierna ook genoemd: de onrendabele top. Daarbij is gesteld dat het door [eiser] in deze periode aan de nieuwe woning bestede bedrag van € 231.978,- voor een keuken, schilder- en timmerwerk etc. heeft geleid tot een waardevermeerdering van de cascowaarde van zijn woning van € 483.414,- naar een vrije verkoopwaarde van € 610.000,-, zodat van het bestede bedrag slechts € 126.586,- terugkomt in waardevermeerdering van de woning; het resterende bedrag van € 105.392,- doet dat niet. In de schadeberekening is in dit verband uitgegaan van een gemiddeld bedrag aan onderhoudskosten van € 26.348,- gedurende de jaren 2002 tot en met 2005. Met optelling van de kosten van gas, water, licht en de servicekosten komen de huisvestingskosten gedurende deze jaren volgens het rapport neer op respectievelijk € 36.248,-, € 44.693,-, € 27.939,- en € 27.987,-.

Univé heeft deze stellingen van [eiser] gemotiveerd bestreden. Zij heeft daarbij onder meer aangevoerd dat het aan de verbouwing van de woning bestede bedrag, evenals de onrendabele top waarvan vergoeding wordt gevorderd, exorbitant hoog zijn en dat nergens uit blijkt dat het nodig was om een dermate hoge investering te doen.

Nu Univé de stellingen van [eiser] gemotiveerd heeft betwist, rust op [eiser] de bewijslast van zijn stellingen. Hem zal in dit verband worden opgedragen te bewijzen dat hij het gestelde bedrag van € 231.978,- in het appartement heeft geïnvesteerd, dat hij dit bedrag - gelet op zijn levensstandaard en gezinssituatie - in redelijkheid in het appartement heeft mogen investeren en dat deze investering heeft geleid tot de door haar gestelde onrendabele top van € 105.392,- . Alvorens aan [eiser] bewijs wordt opgedragen, zal hij in de gelegenheid worden gesteld om bij akte aan te geven of hij dit bewijs door overlegging van stukken, door het horen van getuigen en/of door het inschakelen van een deskundige denkt te gaan leveren.

4.31. In voornoemd rapport van Van der Eijk is voor het jaar 2006 uitgegaan van € 10.000,- aan onderhoudskosten per jaar (pagina 16). Met gas, water, licht en servicekosten bedragen de huisvestingskosten over dit jaar volgens het rapport in totaal € 15.411,-.

Nu in het rapport van Pott van 24 juni 2008 (productie 4 bij conclusie van antwoord, zie bijlage) wordt uitgegaan van een bedrag van dezelfde hoogte, dient bij de schadeberekening uitgegaan te worden van genoemd bedrag aan huisvestingskosten over het jaar 2006.

4.32. Van der Eijk heeft over de jaren vanaf 2007 rekening gehouden met een totaalbedrag van € 15.874,- aan huisvestingskosten (rapport van 21 september 2007, p. 6, productie 7 bij dagvaarding). Daarbij is uitgegaan van een bedrag aan onderhoudskosten van € 10.000,- per jaar (pagina 4 van het rapport). Nu Pott in zijn rapport van 24 juni 2008 is uitgegaan van een hoger bedrag aan onderhoudskosten vanaf 2007, geldt dat de juistheid van de door [eiser] opgevoerde bedragen aan huisvestingskosten over de jaren vanaf 2007 onvoldoende is betwist, zodat met deze bedragen rekening dient te worden gehouden in de schadeberekening.

4.33. [eiser] stelt zich verder op het standpunt dat hij door de verhuizing naar het appartement schade heeft geleden doordat huisvestingskosten, die voorheen ten laste van het resultaat werden gebracht en dus als fiscale aftrekpost fungeerden, na de beëindiging van de praktijk niet meer als zodanig kunnen worden opgevoerd.

Hiervoor geldt hetzelfde als hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.25. De betreffende kosten, althans het fiscale nadeel dat [eiser] lijdt doordat hij deze kosten niet meer kan aftrekken van het bedrijfsresultaat, komen dus niet voor vergoeding in aanmerking.

4.34. Er kan geen sprake zijn van vergoeding van fiscaal nadeel door de vervroegde verkoop van het praktijkpand en van de lagere waarde van het appartement (als gevolg van niet rendabele investeringen), nu Van der Eijk deze posten niet heeft meegenomen in de schadeberekening, zodat vergoeding van genoemde schadeposten niet in de vordering van [eiser] is begrepen.

Reeds betaalde voorschotten

4.35. Volgens Univé heeft zij voor deze procedure reeds een bedrag van € 338.941,09 als voorschot betaald, waarvan € 5.672,25 een voorschot op smartengeld betreft. [eiser] heeft aangevoerd dat de betaalde voorschotten ook betrekking hebben op andere schadeposten. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich over de reeds betaalde voorschotten en de schadeposten waarop die voorschotten betrekking hebben, uit te laten.

4.36. Op de voet van artikel 337 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden bepaald dat tegen dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [eiser] op zich bij akte uit te laten omtrent hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 4.12. en 4.30.,

5.2. draagt Univé op zich bij akte uit te laten omtrent hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 4.11.,

5.3. draagt zowel [eiser] als Univé op zich uit te laten omtrent hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.7. en 4.35.,

5.4. verwijst de zaak hiertoe naar de rol van 27 mei 2009, ambtshalve peremptoir,

5.5. bepaalt dat partijen in de gelegenheid zal worden gesteld bij antwoordakte te reageren op de akte van de wederpartij,

5.6. bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2009.?