Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BI7345

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
98209 / HA RK 08-93
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet voorkeursrecht gemeenten, art.26. eigenaar en projectontwikkelaar weigeren aan hypotheekverlening ten grondslag liggende en daarop voortbouwende overeenkomsten in het geding te brengen. Rechtbank concludeert daaruit dat overeenkomsten afbreuk doen aan gemeentelijk voorkeursrecht. Ook hypotheekverlening voor vernietiging vatbaar, want onmiskenbaar verband met de overeenkomsten. Vordering ook overige rechsthandelingen te vernietigen te onbepaald om voor toewijzing vatbaar te zijn. Niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rekestnummer: 98209 / HA RK 08-93

Beschikking van 10 februari 2009

in de zaak van

DE GEMEENTE NUNSPEET,

zetelende te Nunspeet,

verzoekster,

advocaten: mr. J.F. de Groot en mr. A. de Snoo te Amsterdam,

tegen

1. [verweerder1],

2. [verweerder2],

beiden wonende te Nunspeet,

3. GLANDON B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

4. MIRTHOS PROJECTONTWIKKELING 3 B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Amersfoort,

advocaat: mr. R.J. Lucassen te Utrecht,

en

5. ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam en mede kantoorhoudende te Zwolle,

advocaat: mr. F.A. Rost Onnes te Amsterdam,

verweerders.

Verzoekster zal hierna de gemeente genoemd worden. Verweerders sub 1 en 2 zullen hierna ook samen [verweerd[verweerder1 en 2] genoemd worden. Verweerster sub 3 zal hierna Glandon genoemd worden en verweerster sub 4 Mirthos. Glandon en Mirthos samen zullen Molenbeek genoemd worden. Verweerster sub 5 zal de bank genoemd worden en alle verweerders tesamen zullen verweerders genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift van [verweerder1 en 2] en Molenbeek

- het verweerschrift strekkende tot referte van de bank

- de mondelinge behandeling.

2. De feiten

2.1. Bij besluit van 28 september 2006, op 12 oktober 2006 ingeschreven in de openbare registers, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente een voorkeursrecht als bedoeld in de wet voorkeursrecht gemeenten (WVGem) gevestigd op een aantal percelen in de gemeente Nunspeet. Bij besluit van 25 september 2008, in werking getreden op 26 september 2008, heeft de raad van de gemeente dit voorkeursrecht verlengd.

2.2. Dat voorkeursrecht is onder meer gevestigd op de percelen kadastraal bekend gemeente Nunspeet, sectie A, nummer 4099 (thans de nummers 5318, 5319 en 5320), 4100 en 4840 (thans de nummers 5323, 5324 en 5325) (hierna ook: de percelen). De percelen zijn eigendom van [verweerder1 en 2].

2.3. Glandon en Mirthos zijn de enige vennoten van de Ontwikkelingscombinatie Molenbeek V.O.F. Enig bestuurder van Glandon is Bemog Projectontwikkeling B.V. Enig aandeelhouder en bestuurder van Bemog Projectontwikkeling B.V. is Bemog Holding B.V., waarvan de bestuurder de heer [naam1] is.

Enig bestuurder van Mirthos is Lithos B&O Projectontwikkeling B.V., waarvan de enig bestuurder Mirtsjn Beheer B.V. is. Enig bestuurder en aandeelhouder van Mirtsjn Beheer B.V. is de heer [naam2].

2.4. Op 2 mei 2007 is tussen [verweerder1 en 2] als hypotheekgever enerzijds en Van Dijk, handelend in zijn hoedanigheid van middellijk bestuurder van Glandon, en Poldermans, handelend in zijn hoedanigheid van middellijk bestuurder van Mirthos, samen handelend als vennoten van Ontwikkelingscombinatie Molenbeek V.O.F., als hypotheeknemer anderzijds, een overeenkomst tot vestiging van het recht van hypotheek en pand gesloten. Daarbij is door [verweerder1 en 2] aan Molenbeek een recht van eerste hypotheek (hierna ook: de hypotheek) verleend tot een bedrag van € 25.000.000,-- op (gedeelte(n) van) de percelen, gezamenlijk in totaal groot 5 ha en 39 are en 5 centiare, en wel op die gedeelten welke te zijner tijd in het bestemmingsplan gebied Molenbeek zullen blijken te liggen dan wel zo dicht mogelijk tegen de grenzen van het plangebied aan. De hypotheekakte is op 3 mei 2007 ingeschreven in het door het kadaster gehouden register.

2.5. In de hypotheekakte is onder meer het volgende bepaald:

"(...)

C. Hypotheekgever en hypotheeknemer hechten er aan hierbij, ieder voor zich en gezamenlijk, uitdrukkelijk te verklaren:

1. dat zij met de vestiging van vorenbedoelde hypotheek geenszins de bedoeling hebben om voormelde onroerende zaken door de hypotheeknemer te laten/doen executeren zoals bedoeld in artikel 3:268 van het Burgerlijk Wetboek om daardoor te bewerkstelligen dat die onroerende zaken kunnen worden verkocht met voorbijgaan aan het wettelijk voorkeursrecht van de gemeente zoals bedoeld in artikel 10 lid 2 sub e van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna aangeduid als: "Wvg");

2. dat zij in samenhang met het vooraanstaande uitdrukkelijk zijn overeengekomen:

a. dat de hypotheeknemer, zo lang op het vastgoed de Wvg-aanwijzing van kracht is, geen gebruik zal (kunnen) maken van het hem als hypotheeknemer toekomende recht van parate executie van voormelde onroerende zaken, behoudens ingeval:

i) de hypotheekgever jegens de hypotheeknemer nalatig blijft om bij de levering van voormelde onroerende zaken uit de verkoopopbrengst het door de hypotheeknemer aan de hypotheekgever betaalde bedrag zoals in de overeenkomst vermeld, (terug) te betalen;

ii) de hypotheekgever voorafgaand aan de hiervóór sub i) bedoelde (terug)betaling in staat van faillissement wordt verklaard;

iii) (een) beslaglegger(s) of (een) andere hypotheeknemer(s) op voormelde onroerende zaken dan de hypotheeknemer, tot executieverkoop van het vastgoed wil overgaan zoals bedoeld in artikel 3:268 e.v. van het Burgerlijk Wetboek;

iv) de hypotheekgever jegens hypotheeknemer toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van zijn (betalings)verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst en/of daarop mede met het oog op de in de overeenkomst bedoelde zelfrealisatie voortbouwende overeenkomsten.

b. dat de hypotheeknemer tenminste zes (6) weken vóór de datum van parate executie van het vastgoed de gemeente Nunspeet schriftelijk van dat voornemen in kennis zal stellen zodat genoemde gemeente desgewenst als (kandidaat)koper van voormelde onroerende zaken kan optreden;

c. dat zij hierbij gezamenlijk en ieder afzonderlijk uitdrukkelijk afstand doen van de mogelijkheid om - zolang op voormelde onroerende zaak de Wvg- aanwijzing van kracht is - ingeval van parate executie aan de president van de rechtbank het verzoek te doen om voormelde onroerende zaken bij onderhandse akte zoals bedoeld in artikel 3:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (executoriaal) te mogen verkopen;

3. dat de onderhavige bepaling sub C. mede bedoeld is om derdenwerking te hebben jegens de gemeente Nunspeet en derhalve - overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:253 lid 4. van het Burgerlijk Wetboek – jegens die gemeente onherroepelijk en om niet gemaakt is en door de hypotheeknemer ter kennis van genoemde gemeente kan worden gebracht. (...)"

2.6. Op 13 september 2007 is een akte inschrijving verpanding hypothecaire vordering(en) opgemaakt door mr. Arthur Tichem, notaris te Apeldoorn, in opdracht van de bank. Uit die akte blijkt dat de hypothecaire vordering van Molenbeek op [verweerder1 en 2] aan de bank is verpand (hierna ook: het pandrecht). Deze akte is op 13 september 2007 ingeschreven in het door het kadaster gehouden register.

2.7. Op 10 september 2008 is overleg geweest tussen [verweerder1 en 2] en ambtenaren van de gemeente, waarbij de gemeente gebleken is dat op de percelen een recht van hypotheek gevestigd is. De gemeente heeft op 18 september 2008 kennisgenomen van de onder 2.4. bedoelde hypotheekakte en van de onder 2.5. bedoelde akte inschrijving verpanding hypothecaire vorderingen.

2.8. Bij brief van 3 oktober 2008 is namens de gemeente aan [verweerder1 en 2] verzocht een afschrift van alle overeenkomsten die aan de hypotheek en de verpanding ten grondslag liggen, alsmede alle andere (concept) overeenkomsten die betrekking hebben op de met het voorkeursrecht belaste percelen, aan haar toe te zenden. [verweerder1 en 2] heeft niet op dat verzoek gereageerd.

3. Het verzoek en het verweer

3.1. De gemeente heeft de rechtbank verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de in het verzoekschrift gewraakte rechtshandelingen, te weten in ieder geval de hypotheek zoals gevestigd bij akte van 2 mei 2007 en de verpanding zoals ingeschreven bij akte van 13 september 2007, en voorts de eventuele onderliggende en daarop voortbouwende overeenkomsten en overige rechtshandelingen door en tussen verweerders nietig te verklaren, met veroordeling van verweerders in de kosten van deze procedure.

3.2. Zij heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat de hypotheekverlening, de verpanding en alle daaraan ten grondslag liggende en daarop voortbouwende rechtshandelingen tussen [verweerder1 en 2], Molenbeek en de bank en alle daaraan ten grondslag liggende en daarop voortbouwende overeenkomsten de kennelijke strekking hebben om afbreuk te doen aan haar in de WVGem geregelde voorkeurpositie. Ter onderbouwing daarvan heeft zij verwezen naar de inhoud van de hypotheekakte en naar de weigering van [verweerder1 en 2] om de onderliggende en op de hypotheek en verpanding betrekking hebbende overeenkomsten aan haar toe te zenden. Omdat bij transacties van onroerende zaken vaak sprake is van een samenstel van overeenkomsten, waaronder bijvoorbeeld volmacht-verleningen, overeenkomsten die zien op de gevolgen van nietigverklaringen en/of samenwerkingsovereenkomsten, verzoekt zij zekerheidshalve ook de nietigverklaring van eventuele overige aan de hypotheekverlening en verpanding ten grondslag liggende of daarop voortbouwende rechtshandelingen.

Om meer duidelijkheid te krijgen over de inhoud van de overeenkomsten die aan de hypotheekverlening en verpanding ten grondslag liggen, en over het bestaan en de inhoud van eventueel andere overeenkomsten en rechtshandelingen, verzoekt de gemeente de rechtbank toepassing te geven aan artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en verweerders te bevelen de overeenkomsten en rechtshandelingen toe te lichten en alle bestaande overeenkomsten die betrekking hebben op de percelen over te leggen.

3.3. [verweerder1 en 2] en Molenbeek hebben schriftelijk verweer gevoerd en de rechtbank verzocht de gemeente in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek als ongegrond en onbewezen af te wijzen, met veroordeling van de gemeente in de kosten.

3.4. [verweerder1 en 2] en Molenbeek stellen zich in de eerste plaats op het standpunt dat, gelet op de parlementaire geschiedenis van de wetswijziging van 1 september 2002, de hypotheekverlening niet een rechtshandelingen vormt die onder het bereik van artikel 26 WVGem valt. [verweerder1 en 2] en Molenbeek hebben voorts aangevoerd dat hypotheekverlening als zodanig niet kan worden beschouwd als een rechtshandeling in strijd met het gemeentelijk voorkeursrecht, omdat het hypotheekrecht een afhankelijk recht is en de effectiviteit ervan afhangt van de rechtsgeldigheid van de onderliggende overeenkomst(en). Het gaat hier om een krediethypotheek, waarvan de grondslag flexibel is in die zin dat de door de hypotheek gedekte vorderingen kunnen voortvloeien uit bestaande en/of in de toekomst te sluiten overeenkomsten. Zelfs als op enig moment geen concrete vordering van Molenbeek op [verweerder1 en 2] voorligt, blijft de hypotheek in stand. Ook in het geval een thans bestaande, aan de hypotheek ten grondslag liggende overeenkomst op grond van artikel 26 WVGem nietig verklaard mocht worden, blijft de hypotheek intact. Uit later gesloten overeenkomsten kunnen vorderingen voortvloeien die door deze zelfde hypotheek worden gedekt. De hypotheek kan en mag dan ook niet alleen beoordeeld worden in samenhang met een eventueel thans onderliggende overeenkomst maar heeft (ook) te gelden als zelfstandige rechtshandeling in relatie tot eventueel nog te sluiten overeenkomsten. Het is dan ook uitgesloten de hypotheek nietig te verklaren zolang er geen sprake is van executie van het hypotheekrecht. Eerst als de hypotheekhouder op enig ogenblik zou willen overgaan tot parate executie is in het kader van artikel 26 WVGem de vraag relevant ter zake van welke van de onderliggende rechtshandelingen die executie zou plaatsvinden. De gemeente heeft thans geen belang bij de verzochte nietigverklaring

Voorts hebben [verweerder1 en 2] en Molenbeek betwist dat de hypotheekverlening de kennelijke strekking heeft afbreuk te doen aan de voorkeurpositie van de gemeente. Hypotheekvestiging geschiedt om zekerheid te stellen voor bijvoorbeeld een verstrekte financiering, maar impliceert als zodanig niet dat de beslissingsmacht over en het economisch belang bij de percelen is overgedragen.

De gemeente gaat eraan voorbij dat in de hypotheekakte onder C onder meer is vastgelegd dat hypotheekgever en hypotheeknemer het belang van de gemeente bij haar voorkeurpositie ten volle respecteren en er niet op uit zijn om door middel van executoriale verkoop van de percelen het gemeentelijk voorkeursrecht te omzeilen. Voorts is daarin vastgelegd dat in het geval Molenbeek voornemens is tot parate executie over te gaan, zij zes weken voor de datum van parate executie de gemeente schriftelijk van haar voornemen in kennis zal stellen. De gemeente kan bij een eventuele executoriale verkoop meebieden.

Het bepaalde in artikel C derde lid van de hypotheekakte is een zuiver derdenbeding ten behoeve de gemeente. Omdat de gemeente moet worden geacht dit derdenbeding te hebben aanvaard, dient het verzoek tot nietigverklaring, voor zover gericht op de hypotheekverlening, daarom al te worden afgewezen.

Een eventuele nietigverklaring van de hypotheek is een ingreep van zodanig verstrekkende aard in de rechtsverhouding tussen Molenbeek en [verweerder1 en 2] dat in redelijkheid niet meer kan worden gesteld dat daarmee het belang dat artikel 26 lid 1 WVGem beoogt te dienen, nog daadwerkelijk wordt gediend. Nietigverklaring van de hypotheek leidt in beginsel nog steeds niet tot een verkoop en eigendomsoverdracht van de percelen door [verweerder1 en 2] aan de gemeente. Het gemeentelijk voorkeursrecht kan alleen geëffectueerd worden, indien [verweerder1 en 2] vrijwillig tot vervreemding besluit. Indien [verweerder1 en 2] de percelen niet aan de gemeente te koop wenst aan te bieden, kan de gemeente deze slechts verwerven door middel van een onteigening. Bij onteigening dient de gemeente aan [verweerder1 en 2] een door de rechter bepaalde schadeloosstelling te betalen. Omdat [verweerder1 en 2] op grond van de in de hypotheekakte bedoelde overeenkomst een schuld aan Molenbeek heeft, heeft Molenbeek van rechtswege een pandrecht op de vordering tot vergoeding die in de plaats komt van de percelen waarop het hypotheekrecht rust. Dit impliceert dat de gemeente de onteigenings- schadeloosstelling aan Molenbeek in plaats van aan [verweerder1 en 2] moet betalen. Het hypotheekrecht biedt Molenbeek langs die weg de zekerheid dat ingeval van onteigening de schuld van [verweerder1 en 2] (tot maximaal de onteigeningsschadeloosstelling) wordt afgelost. De gemeente heeft daar geen enkele hinder van en haar belangen uit hoofde van haar voorkeurspositie worden door deze gang van zaken niet geschaad. Daartegenover staat echter dat door de nietigverklaring van het hypotheekrecht de belangen van Molenbeek onnodig worden geschaad. Doel en strekking van de WVGem rechtvaardigen deze consequentie niet.

Van veronderstelde rechtshandelingen met de inhoud waarvan de gemeente niet bekend is, kan de gemeente niet de nietigverklaring verzoeken, althans kan de nietigverklaring niet door de rechtbank worden uitgesproken.

[verweerder1 en 2] en Molenbeek verzoeken om in het geval het verzoek van de gemeente wordt toegewezen, de beschikking met uitzondering van proceskostenveroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.5. De bank heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4. De beoordeling

4.1. De gemeente heeft tijdig op grond van artikel 26 WVGem bij de rechtbank de nietigverklaring verzocht van de betreffende rechtshandelingen en kan dan ook in zoverre ontvangen worden haar verzoek.

4.2. De rechtbank zal eerst het verzoek ex artikel 22 Rv van de gemeente behandelen.

4.3. [verweerder1 en 2] en Molenbeek hebben geconcludeerd tot afwijzing van dit verzoek. Ze hebben daarbij aangevoerd dat het aan de gemeente is om aan haar verzoek tot nietigverklaring van een rechtshandeling een voldoende concreet vermoeden ten grondslag te leggen dat die rechtshandeling valt onder het bereik van de nietigheidssanctie van artikel 26 WVGem. De gemeente dient de vereiste duidelijkheid te bieden en het zou in strijd zijn met de op de gemeente rustende stelplicht en bewijslast om Molenbeek en [verweerder1 en 2] op te dragen afschriften van niet nader genoemde rechtshandelingen in het geding te brengen, aldus Molenbeek en [verweerder1 en 2].

4.4. De rechtbank stelt voorop dat het wettelijk voorkeursrecht ertoe strekt vervreemding aan derden en -ingevolge artikel 26 WVGem- daarmee gelijk te stellen ontwijkingsconstructies hangende dat voorkeursrecht onmogelijk te maken. Bij deze ontwijkingsconstructies gaat het om rechtshandelingen die zodanig zijn opgezet dat geen vervreemding zal plaatsvinden gedurende het bestaan van het voorkeursrecht, maar waarbij wel de beschikking over en het economisch belang bij de grond in enigerlei mate worden overgedragen aan een of meer andere (rechts)personen.

4.5. Ingevolge de hypotheekakte is het recht van hypotheek verleend tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen Molenbeek van [verweerder1 en 2] te vorderen heeft of mocht hebben uit hoofde van een op 2 mei 2007 tussen hen gesloten overeenkomst in het kader van zelfrealisatie bestemmingen (hierna ook: de overeenkomst) verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, kredieten, tegenwoordige en toekomstige borgstellingen, dan wel uit welke hoofde ook.

Uit de onder 2.5. vermelde bepalingen van de hypotheekakte blijkt dat aan de hypotheek een overeenkomst tot zelfrealisatie ten grondslag ligt, terwijl voorts uit de hypotheekakte kan worden opgemaakt dat naast de overeenkomst tot zelfrealisatie tussen Molenbeek en [verweerder1 en 2] overeenkomsten zijn gesloten die voortbouwen op die overeenkomst.

De gemeente heeft onweersproken aangevoerd dat een overeenkomst tot zelfrealisatie op zijn minst de verplichting bevat voor de grondeigenaar, [verweerder1 en 2], om gezamenlijk met de ontwikkelaar, Molenbeek, de bestemmingen op de percelen te realiseren en dat daar een (financiële) tegenprestatie van de ontwikkelaar tegenover staat. Ter verzekering van de nakoming van de verplichtingen dan wel de terugbetaling van de geheel of gedeeltelijk betaalde koopsom door de grondeigenaar, wordt ten behoeve van de ontwikkelaar een hypotheek gevestigd, zoals deze ook hier ten behoeve van Molenbeek gevestigd is.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.5. is overwogen, kan niet uitgesloten worden dat de hypotheekverlening onderdeel uitmaakt van een ontwijkingsconstructie als bedoeld onder 4.4. Dit geldt temeer, nu [verweerder1 en 2] niet gereageerd heeft op het verzoek van de gemeente om onderliggende overeenkomsten en aktes met betrekking tot de percelen aan haar toe te zenden, en hij daarvoor geen deugdelijke reden heeft gegeven. Molenbeek heeft op de vraag van de rechtbank ter terechtzitting waarom zij de betreffende overeenkomst(en) niet heeft verstrekt, slechts verwezen naar de weigering van [verweerder1 en 2]. Voorts is van belang dat uit eerdere procedures tussen Molenbeek en de gemeente in het kader van artikel 26 WVGem - waarnaar de gemeente heeft verwezen - is gebleken dat Molenbeek ten aanzien van meerdere andere percelen in de gemeente waarop het voorkeursrecht van de gemeente is gevestigd, gebruik heeft gemaakt van een ontwijkingsconstructie van rechtshandelingen en overeenkomsten die de strekking had afbreuk te doen aan dat voorkeursrecht. Bij beschikkingen van deze rechtbank van 6 juni 2007 zijn de betreffende rechtshandelingen en overeenkomsten vernietigd. Bij arresten van 8 april 2008 zijn de nietigverklaring van de hypotheek en van de ‘verklaring nadere overeenkomst inzake hypotheek’ in stand gebleven.

De vrees van de gemeente voor het bestaan van een ontwijkingsconstructie tussen [verweerder1 en 2] en Molenbeek die de kennelijke strekking heeft afbreuk te doen aan de voorkeurspositie van de gemeente acht de rechtbank dan ook gegrond. Dat in de hypotheekakte enkele bepalingen zijn opgenomen die er onder meer toe strekken dat Molenbeek alleen in enkele - met name - beschreven gevallen gebruik kan maken van het recht van parate executie en dat Molenbeek afstand heeft gedaan van de mogelijkheid om in geval van parate executie de voorzieningenrechter te verzoeken de percelen bij de onderhandse akte te mogen verkopen, doet daar niet aan af.

4.7. Om te kunnen beoordelen of de aan de hypotheekverlening en verpanding ten grondslag liggende en daarop voortbouwende rechtshandelingen tussen [verweerder1 en 2], Molenbeek en de bank de kennelijke strekking hebben afbreuk te doen aan de voorkeurpositie van de gemeente, is kennisname van de inhoud van de overeenkomsten en akten waarin die rechtshandelingen zijn vervat vereist. In beginsel rusten op de gemeente de stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast ten aanzien van haar stelling dat door Molenbeek en [verweerder1 en 2] verrichtte rechtshandelingen en gesloten overeenkomsten de kennelijke strekking hebben afbreuk te doen aan haar voorkeurspositie. Nu Molenbeek en [verweerder1 en 2] echter als enige beschikken over aan de hypotheekverlening ten grondslag liggende en eventuele daarop voortbouwende overeenkomst(en) en zij geen gevolg hebben gegeven aan het verzoek van de gemeente haar afschriften te verstrekken van die overeenkomst(en), zal de rechtbank [verweerder1 en 2] en Molenbeek op de voet van artikel 22 Rv bevelen de betreffende stukken in het geding te brengen. Aldus wordt het de gemeente niet bij voorbaat onmogelijk gemaakt om aan haar stelplicht en daaruit voortvloeiende bewijslast te voldoen. [verweerder1 en 2] en Molenbeek zullen dan ook in de gelegenheid gesteld worden om bestaande overeenkomsten die betrekking hebben op de percelen in het geding te brengen. In het geval dat Molenbeek en [verweerder1 en 2] de overeenkomst(en) niet in het geding brengen, zal de rechtbank daar de conclusie uit trekken die zij geraden acht.

De gemeente zal in de gelegenheid gesteld worden om zich uit te laten over de door [verweerder1 en 2] en Molenbeek in het geding gebrachte overeenkomst(en).

4.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

5.1. beveelt [verweerder1 en 2] en Molenbeek om voor 5 maart 2009 alle op de percelen betrekking hebbende overeenkomsten in het geding te brengen en deze overeenkomsten toe te lichten;

5.2. bepaalt dat de gemeente in de gelegenheid zal worden gesteld op deze akte bij - vóór

12 april 2009 te nemen - antwoordakte te reageren;

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.B. Boorsma, mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2009.?