Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BI7344

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
15-06-2009
Zaaknummer
97796 - HA ZA 08-1296
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Particuliere aanbesteding. Is er een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen? Hoedanigheid van partijen. Niet is aangetoond dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van aanbestedingrecht en/of de precontractuele goede trouw.

Eiseres vordert vergoeding van de schade die zij lijdt doordat gedaagden niet meer willen meewerken aan de uitvoering van een opdracht tot de bouw van hun woning.

Voor de vraag of tussen partijen een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen is in dit geval, gelet op de hoedanigheid van partijen, onvoldoende dat gedaagden hebben gezwegen toen hun architect, in het bijzijn van de aannemer (eisende partij), sprak van een mondelinge opdracht, vergelijkbaar met een officiële opdracht. Nu gedaagden op het gebied van aanbesteding en bouwen als particulieren te beschouwen zijn, diende eiseres er voor te waken dat zij de bedoelingen van gedaagden op juiste waarde heeft geschat.

De subsidiaire grondslag van eiseres, inhoudende dat er sprake is van schending van "algemene beginselen van aanbestedingsrecht", is onvoldoende uitgewerkt. Eiseres geeft niet aan welke beginselen zij daarbij op het oog heeft. Het betreft hier bovendien geen verplichte aanbesteding bij overheidsopdrachten, doch een particuliere aanbesteding waarbij niet op voorhand duidelijk is welke rol de "algemene beginselen van aanbestedingsrecht" daarbij spelen. Geen schending van de precontractuele goede trouw door het niet gunnen van de opdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2009/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 97796 / HA ZA 08-1296

Vonnis van 8 april 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GOLDEWIJK DOETINCHEM B.V.,

gevestigd te Doetinchem,

eiseres,

advocaat mr. C.B. Gaaf te Zutphen,

tegen

1. [gedaagde1],

2. [gedaagde2],

beiden wonende te Wehl,

gedaagden,

advocaat mr. S.J.J. Meulensteen te Zevenaar.

Partijen zullen hierna Goldewijk Doetinchem B.V. en [gedaagde] c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 januari 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 19 maart 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] c.s. heeft in 2007 architectenbureau WZH+ opdracht gegeven om een voor [gedaagde] c.s. nieuw te bouwen woning te ontwerpen en de bouwbegeleiding te verzorgen. De contactpersoon van [gedaagde] c.s. bij WZH+ was de heer [naam], hierna: [naam]. Bij brief van 28 maart 2008 (productie 1 bij dagvaarding) heeft WZH+ onder meer Goldewijk Doetinchem B.V. uitgenodigd een vrijblijvende prijsopgave te doen inzake de bouw van de woning van [gedaagde] c.s. WZH+ schrijft in deze brief onder meer:

“(…)

Het werk wordt gegund aan de laagste aanbieder onder volgende voorwaarden.

1. de aanbiedingsprijs dient lager te zijn dan de richtprijs.

(…)

5. Indien de laagste aanbiedingsprijs hoger ligt dan de richtprijs, behoudt de opdrachtgever zich het recht voor, het werk niet te gunnen, doch tenminste met de aanbieder van de laagste aanbiedingsprijs in onderhandeling te treden.

(…)”

2.2. Goldewijk Doetinchem B.V. heeft een prijsaanbieding gedaan die voor de bouw van de woning uitkwam op € 459.125,00 en voor het buitenwerk op € 33.228,00, een en ander inclusief 19% BTW. Op 25 april 2008 heeft WZH+ mondeling aan Goldewijk Doetinchem B.V. bekend gemaakt dat zij van de vier aangeschreven aannemers als laagste aanbieder uit de bus was gekomen. WZH+ heeft dit bij brief van 8 mei 2008 (productie 2 bij dagvaarding) schriftelijk aan Goldewijk Doetinchem B.V. bevestigd.

2.3. Op 6 mei 2008 heeft [gedaagde] c.s. op het kantoor van WZH+ met Goldewijk Doetinchem B.V. een bespreking gevoerd over de te bouwen woning. Namens Goldewijk Doetinchem B.V. was de heer [naam2] bij die bespreking aanwezig. Na die bespreking heeft WZH+ een concept aannemingsovereenkomst opgesteld en aan partijen toegestuurd. Dit concept is door geen van de partijen ondertekend.

2.4. Bij brief van 29 mei 2008 (productie 4 bij dagvaarding) heeft Goldewijk Doetinchem B.V. aan [gedaagde] c.s. geschreven:

“(…)

In deze gesprekken werd duidelijk dat u uw woning en garage niet door Goldewijk wilt laten bouwen maar door een andere partij, die niet aan de uitgeschreven offerte aanvraag heeft meegedaan.

(…)

Op dinsdagavond 6 mei 2008 heeft er ter kantore van WZH+ een eerste bespreking plaatsgevonden waarbij zowel u beiden als ondergetekende aanwezig waren.

Op die avond heeft u op grond van de diverse prijsaanbiedingen Goldewijk mondeling opdracht verstrekt en WZH+ de opdracht gegeven om de contractstukken in concept klaar te maken. Tevens is er een datum afgesproken voor het ondertekenen van de contractstukken.

Het bovenstaande in acht nemend zijn wij van mening dat Goldewijk met u beiden een overeenkomst heeft voor het bouwen van een woning en garage.

(….)”

2.5. Bij brief van 7 juli 2008 (productie 6 bij dagvaarding) heeft de raadsman van Goldewijk Doetinchem B.V. [gedaagde] c.s. gesommeerd om binnen vijf dagen schriftelijk te bevestigen dat [gedaagde] c.s. de met Goldewijk Doetinchem B.V. gesloten aannemingsovereenkomst zal nakomen, bij gebreke waarvan Goldewijk Doetinchem B.V. [gedaagde] c.s. tot schadevergoeding zal aanspreken. Bij brief van 9 juli 2008 (productie 7 bij dagvaarding) betwist de rechtsbijstandverzekeraar van [gedaagde] c.s. namens haar dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en biedt zij aan, teneinde de zaak onderling op te lossen, eventuele kosten van Goldewijk Doetinchem B.V. te vergoeden.

2.6. Op verzoek van Goldewijk Doetinchem B.V. heeft [naam] van WZH+ bij brief van 15 juli 2008 (productie 10 bij dagvaarding) verslag gedaan van de tussen partijen op 6 mei 2008 gevoerde bespreking. [naam] schrijft onder meer:

“(…)

De eerste enveloppe, welke werd geopend was de enveloppe van Goldewijk Doetinchem B.V. De opdrachtgever vond de prijs wel erg hoog.

(…)

[gedaagden] hebben dhr. [naam] opdracht gegeven, een afspraak te maken met dhr. [naam2] (zo spoedig mogelijk) om kennis te maken, om de offerte te bespreken en zo spoedig mogelijk te starten met de bouw.

(…)

Na de kennismaking heeft dhr. [naam] aan [gedaagden] gevraagd, of ze hebben nagedacht over de prijsaanbieding van Goldewijk Doetinchem B.V.

(…)

Het verzoek van de opdrachtgever voor de prijsopgaaf, om nog voor de bouwvakvakantie 2008, de kelder met bronbemaling aan te brengen. (…)Dhr. [naam2] zag dit niet zitten, hij stelde een goede werkvoorbereiding voor en de start van de bouw na de bouwvakvakantie (…) [gedaagden] gingen hiermee aakkoord. (…) Door dhr. [naam] is gesproken over een mondelinge opdracht, welke vergelijkbaar is met een officiële opdracht, hierop is door [gedaagden] echter niet gereageerd. (…)

Dhr. [naam] stelde voor om dezelfde week nog (week nr. 19) een concept-aannemingsovereenkomst samen te stellen, hiermee gingen de betrokken partijen akkoord. Verder is een afspraak gemaakt, om woensdag d.d. 21 mei 2008, de aannemingsovereenkomst te ondertekenen, (…).”

2.7. Bij brief van 18 september 2008 (productie 8 bij dagvaarding) heeft de raadsman van Goldewijk Doetinchem B.V. de aannemingsovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en namens zijn cliënte aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van € 33.300,32 inclusief BTW. Bij brief van 24 september 2008 (productie 12 bij conclusie van antwoord) heeft de rechtsbijstandverzekeraar van [gedaagde] c.s. voorgesteld de zaak tegen finale kwijting te regelen tegen betaling van een bedrag van € 2.500,00 door [gedaagde] c.s. aan Goldewijk Doetinchem B.V.

3. De vordering

3.1. Goldewijk Doetinchem B.V. vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a. voor recht zal verklaren dat tussen Goldewijk Doetinchem B.V. en [gedaagde] c.s. een overeenkomst tot aanneming van werk tot stand is gekomen,

b. [gedaagde] c.s. zal veroordelen tot betaling van € 33.300,32 aan Goldewijk Doetinchem B.V.

c. [gedaagde] c.s. zal veroordelen tot betaling aan Goldewijk Doetinchem B.V. van de wettelijke rente over € 33.300,32 vanaf 27 mei 2008 tot en met 17 oktober 2008 berekend op een bedrag van € 786,11 en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening,

d. [gedaagde] c.s. zal veroordelen om aan Goldewijk Doetinchem B.V. te betalen de buitengerechtelijke kosten ad € 1.158,00 exclusief BTW, althans zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren,

e. [gedaagde] c.s. zal veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder vastrecht en salaris gemachtigde en een bedrag van € 131,00 ter zake van nasalaris, in geval van betekening van het veroordelend vonnis een bedrag ter zake van nasalaris ad € 199,00.

3.2. Goldewijk Doetinchem B.V. legt aan haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, onder meer het navolgende ten grondslag.

Ondanks het feit dat de overeenkomst van aanneming van werk niet is ondertekend, meent Goldewijk Doetinchem B.V. dat er tussen partijen, door het mondelinge aanbod en aanvaarding, een geldige overeenkomst tot stand is gekomen. [gedaagde] c.s. is door het werk aan een andere partij te gunnen en Goldewijk Doetinchem B.V. niet in staat te stellen de overeenkomst na te komen, toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen. Na de sommaties van Goldewijk Doetinchem B.V. is [gedaagde] c.s. ook in verzuim. Goldewijk Doetinchem B.V. heeft de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en [gedaagde] c.s. gesommeerd haar schade te vergoeden. [gedaagde] c.s. weigert daaraan gehoor te geven.

Indien de rechtbank oordeelt dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen geldt dat [gedaagde] c.s. onrechtmatig jegens Goldewijk Doetinchem B.V. heeft gehandeld door de algemene beginselen van aanbestedingsrecht en de precontractuele goede trouw te schenden. [gedaagde] c.s. heeft hangende de aanbestedingsprocedure kennelijk bij een derde een prijs opgevraagd en het werk buiten deze aanbestedingsprocedure om aan deze derde opgedragen. Aangezien Goldewijk Doetinchem B.V. aan alle gunningscriteria had voldaan had het werk aan haar gegund moeten worden. Tijdens de onderhandelingen heeft [gedaagde] c.s. er nimmer aan gerefereerd dat de bieding van Goldewijk Doetinchem B.V. boven haar richtprijs zou zijn uitgekomen. Het stond [gedaagde] c.s. bovendien niet vrij om de onderhandelingen met Goldewijk Doetinchem B.V., gelet op het stadium waarin die verkeerden, af te breken. Door dat te doen heeft [gedaagde] c.s. de precontractuele goede trouw geschonden en derhalve onrechtmatig gehandeld. Voor het berekenen van de daaruit voortkomende schade dient aansluiting gezocht te worden bij artikel 7:764 lid 1 BW, hetgeen leidt tot een schadevergoedingsplicht van € 33.300,32.

Goldewijk Doetinchem B.V. maakt aanspraak op wettelijke rente over het door [gedaagde] c.s. verschuldigde bedrag alsmede de buitengerechtelijke incassokosten, op grond van het rapport Voorwerk II berekend op € 1.158,00.

4. Het verweer

4.1. [gedaagde] c.s. concludeert dat de rechtbank Goldewijk Doetinchem B.V. in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze vordering zal afwijzen, met veroordeling van Goldewijk Doetinchem B.V., uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure.

4.2. [gedaagde] c.s. voert, samengevat weergegeven, de navolgende verweren aan.

Er is tussen partijen geen overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen. Uit het verslag van [naam] van de bespreking van 6 mei 2008 blijkt dat [gedaagde] c.s. juist niet heeft gereageerd op de opmerking van [naam] dat er sprake zou zijn van een mondelinge overeenkomst. Uit dit zwijgen van [gedaagde] c.s., die geen enkele ervaring heeft met het tot stand brengen van nieuwbouw, mocht Goldewijk Doetinchem B.V. niet gerechtvaardigd vertrouwen dat er sprake was van overeenstemming. Dat was ook niet het geval omdat [gedaagde] c.s. tijdens die bespreking juist uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de prijs van Goldewijk Doetinchem B.V. te hoog was, boven haar richtprijs lag en heeft gevraagd of die prijs nog omlaag kon. Het antwoord daarop van Goldewijk Doetinchem B.V. was negatief. Ook de duur van de bespreking, ruim drie uur, waarbij intensief is gesproken en onderhandeld over de offerte van Goldewijk Doetinchem B.V., brengt mee dat van een overeenkomst op dat moment geen sprake was. Het concept van de overeenkomst is pas na de bespreking van 6 mei 2008 op tafel gekomen en was dus ook niet eens onderwerp van gesprek. Nu er geen overeenkomst tot stand is gekomen, kan er ook geen sprake zijn van een buitengerechtelijke ontbinding door Goldewijk Doetinchem B.V. die haar recht geeft op enige vorm van schadevergoeding. Overigens was er op 18 september 2008 nog in het geheel geen sprake van gunning van de opdracht aan een ander zodat het argument dat Goldewijk Doetinchem B.V. aanvoert voor ontbinding van de veronderstelde overeenkomst niet opgaat.

Door in onderhandelingen te treden met Goldewijk Doetinchem B.V. was het duidelijk dat de aanbestedingprocedure was afgerond en dat [gedaagde] c.s. niet tot gunning zou overgaan. Daarmee heeft Goldewijk Doetinchem B.V. de mogelijkheid prijsgegeven zich te kunnen beroepen op schending van het aanbestedingsrecht. Het stond [gedaagde] c.s. ook vrij om niet te gunnen aangezien de aanbieding van Goldewijk Doetinchem B.V. ruim boven haar richtprijs van € 430.000,00 lag. Die richtprijs was Goldewijk Doetinchem B.V. bekend, althans had haar bekend kunnen zijn. Gelet op het Grossman-arrest mocht van Goldewijk Doetinchem B.V. verlangd worden dat zij zich in het aanbestedingsdocument zou verdiepen en naar die richtprijs had geïnformeerd. Door dat niet te doen heeft Goldewijk Doetinchem B.V. haar recht verwerkt zich thans nog te beroepen op onbekendheid met de richtprijs. Gelet op het Alcatel-arrest is het beroep op inbreuk op het aanbestedingsrecht tardief.

[gedaagde] c.s. was in de gegeven omstandigheden niet verplicht om het werk aan Goldewijk Doetinchem B.V. te gunnen.

Goldewijk Doetinchem B.V. was ook niet bereid om haar bieding naar beneden bij te stellen en hield vast aan de door haar geoffreerde prijs van € 459.125,00. Onder die omstandigheden stond het [gedaagde] c.s. vrij geen overeenkomst met Goldewijk Doetinchem B.V. aan te gaan. Niet valt in te zien waarom dit strijd oplevert met de precontractuele goede trouw. Het beginsel van contracteervrijheid brengt mee dat niet snel geconcludeerd mag worden dat er sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen in de totstandkoming van een overeenkomst. Er is ook geen sprake van opgewekt vertrouwen door [gedaagde] c.s. dat er overeenstemming was tijdens de bespreking op 6 mei 2008. Juist niet, nu [gedaagde] c.s. niet is ingegaan op de suggestie van [naam] dat er sprake was van mondelinge overeenstemming. Uit niets volgt dat Goldewijk Doetinchem B.V. mocht aannemen dat zij wat betreft de onderhandelingen met [gedaagde] c.s. exclusiviteit had verworven. Dat volgt al uit de gunningscriteria, waarmee [gedaagde] c.s. zich expliciet het recht heeft voorbehouden het werk niet te gunnen indien de laagste aanbiedingsprijs boven de richtprijs lag.

Goldewijk Doetinchem B.V. heeft niet aangetoond dat zij schade heeft geleden. De overgelegde schadebegroting vormt geen bewijs van de schade. Voorts kan [gedaagde] c.s. niets worden toegerekend en ontbreekt het causaal verband tussen de door Goldewijk Doetinchem B.V. gepretendeerde schade en de aanbesteding. In de aanbestedingscriteria is een kostenvergoeding uitdrukkelijk uitgesloten. De door Goldewijk Doetinchem B.V. gevorderde BTW is geen schade en dient te worden afgewezen. [gedaagde] c.s. betwist dat zij wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.

5. De beoordeling

5.1. Goldewijk Doetinchem B.V. legt primair aan haar vordering ten grondslag de stelling dat partijen mondeling tot overeenstemming zijn gekomen dat Goldewijk Doetinchem B.V. de nieuwbouwwoning voor [gedaagde] c.s. zou bouwen. Goldewijk Doetinchem B.V. heeft daarbij met name gewezen op het verslag van de bespreking tussen partijen op

6 mei 2008, welk verslag op haar verzoek is opgesteld door de door [gedaagde] c.s. voor het ontwerp en de bouwbegeleiding ingeschakelde architect, [naam] van WZH+. [gedaagde] c.s. heeft gemotiveerd onderbouwd bestreden dat er sprake was van overeenstemming tussen partijen op alle essentiële punten en heeft gesteld dat zij met name de prijs van Goldewijk Doetinchem B.V. te hoog vond.

5.2. Naar het oordeel van de rechtbank is vooralsnog, gelet ook op het vereer van [gedaagde] c.s., onvoldoende komen vast te staan dat tussen partijen tijdens de bespreking op 6 mei 2008 of op enig ander moment overeenstemming is bereikt over het sluiten van een overeenkomst tot het bouwen van de woning van [gedaagde] c.s. Weliswaar blijkt uit het besprekingsverslag van [naam] (productie 10 bij dagvaarding) dat partijen op diverse punten al in hoge mate concreet spraken over bouwplanning en de door Goldewijk Doetinchem B.V. uit te voeren werkzaamheden, doch dat op zich brengt nog niet mee dat er sprake is van wilsovereenstemming. Immers, ook in de fase van onderhandelingen over het tot stand brengen van een overeenkomst zullen in het algemeen dat soort aspecten van de uit te voeren bouwwerkzaamheden aan de orde moeten worden gesteld zonder dat daaruit noodzakelijkerwijs zou moeten volgen dat een opdrachtgever dan gehouden is om de overeenkomst aan te gaan met de aannemer waarmee hij dit bespreekt. Concrete werkafspraken kunnen voor een opdrachtgever relevant zijn voor de vraag of hij met een aannemer wenst te contracteren. Uit het besprekingsverslag blijkt bovendien dat de bedoeling van de bijeenkomst onder meer was om de offerte van Goldewijk Doetinchem B.V. te bespreken en dat [gedaagde] c.s. diverse kanttekeningen plaatste bij de prijsaanbieding van Goldewijk Doetinchem B.V. Voorts blijkt uit het besprekingsverslag dat [gedaagde] c.s. niet reageerde toen [naam] suggereerde dat gesproken kon worden van “een mondelinge opdracht, welke vergelijkbaar was met een officiële opdracht”. Dit had voor Goldewijk Doetinchem B.V. op zijn minst aanleiding moeten zijn om, zo zij in de veronderstelling heeft kunnen verkeren dat partijen tot overeenstemming waren gekomen, [gedaagde] c.s. om een bevestiging te vragen van die veronderstelling. Daarbij speelt mee dat Goldewijk Doetinchem B.V. een professioneel aannemersbedrijf is waartegenover [gedaagde] c.s., op het gebied van aanbesteding en bouwen, als particulier te beschouwen is zodat Goldewijk Doetinchem B.V. er extra voor diende te waken dat zij de bedoelingen van [gedaagde] c.s. op juiste waarde heeft geschat. Het zwijgen van [gedaagde] c.s., naar aanleiding van de opmerking over de mondelinge overeenstemming, had Goldewijk Doetinchem B.V. dan ook niet mogen opvatten als instemming met het tot stand komen van de overeenkomst, mede gezien het feit dat [gedaagde] c.s., zo blijkt uit het verslag van [naam], klaarblijkelijk moeite had met de door Goldewijk Doetinchem B.V. geoffreerde prijs.

5.3. Nu Goldewijk Doetinchem B.V. zich beroept op de rechtsgevolgen van een met [gedaagde] c.s. mondeling gesloten aannemingsovereenkomst rust op haar, gelet op het bepaalde in artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), de bewijslast van haar stellingen op dit punt. Goldewijk Doetinchem B.V. zal, gelet op haar bewijsaanbod, tot dat bewijs worden toegelaten.

5.4. Aan haar vordering heeft Goldewijk Doetinchem B.V. subsidiair ten grondslag gelegd schending van de algemene beginselen van aanbestedingsrecht en de precontractuele goede trouw. Voor het geval Goldewijk Doetinchem B.V. niet mocht slagen in het ten aanzien van de primaire vordering opgedragen bewijs, oordeelt de rechtbank ten aanzien van haar subsidiaire vorderingen reeds het volgende.

5.5. Goldewijk Doetinchem B.V. geeft niet aan welke algemene beginselen van het aanbestedingsrecht [gedaagde] c.s. zou hebben geschonden. In de stellingen van Goldewijk Doetinchem B.V. is slechts te lezen dat het [gedaagde] c.s. hangende de aanbestedingsprocedure niet vrij zou hebben gestaan bij een derde een prijs op te vragen en het werk buiten de aanbestedingsprocedure om aan deze derde op te dragen. Goldewijk Doetinchem B.V. heeft deze stellingen onvoldoende feitelijk ingekleed. Immers, door haar is niet gesteld dat de aanbestedingsprocedure op 27 mei 2008, toen zij, naar zij stelt, van [gedaagde] c.s. telefonisch te horen kreeg dat [gedaagde] c.s. het werk door een andere aannemer wilde laten uitvoeren, nog liep. Voor zover al gezegd zou moeten worden dat het [gedaagde] c.s. niet vrij stond om hangende de aanbestedingsprocedure bij een derde een prijs op te vragen, is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat [gedaagde] c.s. al tijdens die aanbestedingsprocedure bij een derde een prijs heeft opgevraagd.

Voorts is niet gebleken dat [gedaagde] c.s. het werk in die periode al aan een derde heeft gegund. Integendeel, [gedaagde] c.s. heeft onbetwist gesteld dat zij het werk zelfs op het moment dat Goldewijk Doetinchem B.V. de gepretendeerde overeenkomst heeft ontbonden, op 18 september 2008, nog niet aan een derde had opgedragen.

Daar komt bij dat de onderhavige aanbestedingsprocedure een heel ander karakter draagt dan de verplichte aanbesteding bij overheidsopdrachten in welk kader de algemene beginselen zijn ontwikkeld en worden toegepast waarop Goldewijk Doetinchem B.V. hier mogelijk doelt. Waar partijen spreken van “aanbesteding” betreft het in wezen een verzoek namens [gedaagde] c.s. aan vier aannemers om een vrijblijvende prijsopgave te verstrekken, waarbij [gedaagde] c.s. zich onder voorwaarden heeft vastgelegd om het werk aan de laagste aanbieder te gunnen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk wat in dit kader de betekenis is van de algemene beginselen van aanbestedingsrecht, welke beginselen het betreft en of deze aanbesteding is onderworpen aan die beginselen.

5.6. Goldewijk Doetinchem B.V. heeft voorts aan haar subsidiaire vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door schending van de precontractuele goede trouw. De rechtbank leest deze stelling van Goldewijk Doetinchem B.V. aldus dat zij die ten dele eveneens baseert op de gestelde schending van algemene beginselen van aanbestedingsrecht. Zoals hiervoor is overwogen gaan die stellingen niet op. Voorts stelt Goldewijk Doetinchem B.V. dat het [gedaagde] c.s. niet vrij stond de onderhandelingen met Goldewijk Doetinchem B.V. af te breken aangezien er immers op alle punten overeenstemming bestond. Aan deze stelling komt naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandige betekenis toe naast de primaire stelling van Goldewijk Doetinchem B.V. dat partijen een overeenkomst zijn aangegaan. Immers, indien partijen op alle punten overeenstemming hadden bereikt is er sprake van een overeenkomst en stond het [gedaagde] c.s. in dat geval in beginsel niet vrij om daaraan geen uitvoering te geven. Derhalve valt deze stelling samen met de primair door Goldewijk Doetinchem B.V. aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten.

5.7. Daarnaast heeft Goldewijk Doetinchem B.V. in dit verband nog gesteld dat [gedaagde] c.s. nimmer aan haar heeft aangegeven dat de aanbiedingsprijs van Goldewijk Doetinchem B.V. boven de richtprijs lag. Door dat niet te doen heeft [gedaagde] c.s., aldus Goldewijk Doetinchem B.V., haar de kans heeft ontnomen om hierover te onderhandelen. Deze stelling gaat al niet op nu gesteld noch gebleken is dat Goldewijk Doetinchem B.V. op enig moment [gedaagde] c.s. gevraagd heeft naar de richtprijs. Uit de voorwaarden die [gedaagde] c.s. aan gunning van de opdracht had verbonden had het voor Goldewijk Doetinchem B.V. zonder meer duidelijk moeten zijn dat [gedaagde] c.s. een richtprijs hanteerde. In de vijfde voorwaarde die [gedaagde] c.s. in haar brief van 28 maart 2008 (productie 1 bij dagvaarding) aan de gunning verbond, was expliciet opgenomen dat [gedaagde] c.s. zich het recht voorbehield om het werk niet te gunnen indien de aanbiedingsprijs hoger ligt dan de richtprijs. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] c.s. weigerde duidelijkheid te verschaffen over haar richtprijs. Indien Goldewijk Doetinchem B.V. dit derhalve tot een punt van de onderhandelingen had willen maken, was het haar belang en had het ook op haar weg gelegen om daarover bij [gedaagde] c.s. dan wel bij WZH+ informatie in te winnen. Van strijd met de precontractuele goede trouw doordat [gedaagde] c.s. nimmer zou hebben aangegeven dat de prijs van Goldewijk Doetinchem B.V. boven de richtprijs lag, kan dan ook geen sprake zijn. Voor zover Goldewijk Doetinchem B.V. met deze stelling heeft bedoeld dat zij, gelet op de houding van [gedaagde] c.s., er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de prijs tussen partijen geen punt van onderhandelingen meer was, valt ook die stelling samen met hetgeen zij aan haar primaire vordering ten grondslag heeft gelegd en hoeft die stelling hier geen afzonderlijke bespreking.

5.8. De stelling van Goldewijk Doetinchem B.V. dat [gedaagde] c.s. haar de opdracht had moeten gunnen omdat Goldewijk Doetinchem B.V. aan alle gunningscriteria had voldaan gaat, gelet op het voorgaande, eveneens niet op. [gedaagde] c.s. heeft immers gesteld dat haar richtprijs € 430.000,00 was en vast staat dat de door Goldewijk Doetinchem B.V. geoffreerde prijs daar boven lag. Derhalve doet zich de situatie voor zoals beschreven in de vijfde voorwaarde in de brief van 28 maart 2008 en stond het [gedaagde] c.s. vrij het werk niet te gunnen.

5.9. Het voorgaande brengt mee dat Goldewijk Doetinchem B.V. haar subsidiaire vorderingen in onvoldoende mate heeft onderbouwd zodat deze zullen worden afgewezen.

5.10. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. draagt Goldewijk Doetinchem B.V. op te bewijzen dat er sprake was van overeenstemming tussen partijen over de door Goldewijk Doetinchem B.V. voor [gedaagde] c.s. te bouwen woning,

6.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 april 2009 voor uitlating door Goldewijk Doetinchem B.V. of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

6.3. bepaalt dat Goldewijk Doetinchem B.V., indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

6.4. bepaalt dat Goldewijk Doetinchem B.V., indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden mei tot en met juli 2009 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. P.F.A. Bierbooms in het gerechtsgebouw te Zutphen aan de Martinetsingel 2,

6.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

6.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op

8 april 2009.?