Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BI7341

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
98062 - HA ZA 08-1338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Man sluit met de bank een kredietovereenkomst. In die overeenkomst staat ook de naam van de vrouw als debiteur vermeld, met daaronder de door de man vervalste handttekening van de vrouw. De bank heeft het bedrag van het door de man opgenomen krediet overgemaakt naar een en/of rekening ten name van de man en de vrouw. De man en de vrouw zijn gescheiden. De man biedt voor het debetsaldo op de kredietrekening geen verhaal. De bank spreekt de vrouw aan tot aflossing van het krediet en aanzuivering van het negatieve saldo op de en/of rekening.

De rechtbank oordeelt dat de vrouw geen partij is geworden bij de kredietovereenkomst. De bank heeft, omdat de man en de vrouw al langer cliënten van haar waren, in afwijking van haar protocol niet verlangd dat de man en de vrouw in aanwezigheid van de bank hun handtekening plaatsten op de kredietovereenkomst.Het komt voor rekening en risico van de bank dat het vertrouwen in de man is geschonden.

Het beroep van de bank op onverschuldigde betaling aan de vrouw/ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw wordt verworpen. De vrouw dient alleen het -bescheiden- negatieve saldo van de en/of rekening te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 98062 / HA ZA 08-1338

Vonnis van 1 april 2009

in de zaak van

de naamloze vennootschap

SNS BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. C.B. Gaaf te Zutphen,

tegen

[gedaagde],

wonende te Ermelo,

gedaagde,

advocaat mr. M.Ü. Özsüren te Harderwijk.

Partijen zullen hierna SNS Bank en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 januari 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 18 februari 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 18 september 1998 is er een kredietovereenkomst/persoonlijke lening tot stand gekomen tussen SNS Bank enerzijds en [gedaagde] en haar toenmalige echtgenoot

[naam] (hierna: [naam]) anderzijds tot stand gekomen. Deze kredietovereenkomst was geadministreerd onder nummer [nummer] (productie 11 van SNS Bank). In deze overeenkomst staat als woonadres van [gedaagde] en [naam] vermeld: [adres2] te Ermelo. Het bedrag van de geldlening ad f 19.500,-- is gestort op een ten name van [gedaagde] en [naam] staande en/of rekening onder numm[nummer2], welke rekening sinds 1989 bij SNS Bank werd aangehouden.

2.2. De rekeningafschriften van de en/of rekening onder nummer [nummer2] zijn vanaf omstreeks 2002 op verzoek van [naam] verzonden naar het adres [adres] te Ermelo, op welk adres zijn moeder woonde.

2.3. Op 18 maart 2004 heeft [naam] met SNS Bank een overeenkomst van doorlopend krediet gesloten (volgens mededeling van SNS Bank ter comparitie geadministreerd onder nummer [nummer3]), met een kredietlimiet van € 7.500,--. Over het opgenomen krediet is een kredietvergoeding verschuldigd van 9,511% op jaarbasis. Als maandtermijn ter zake van aflossing van het krediet en betaling van de kredietvergoeding is een bedrag van

€ 161,70 overeengekomen. Op deze kredietovereenkomst zijn de Algemene (Bank)Voorwaarden, de Algemene Kredietvoorwaarden-particulier en het Algemeen Reglement Privérekening van toepassing (productie 1 van SNS Bank). In deze kredietovereenkomst is als tegenrekening wederom de en/of rekening onder nummer [nummer2] vermeld. In deze kredietovereenkomst staat als woonadres van [gedaagde] en [naam] vermeld: [adres] te Ermelo.

2.4. Op 22 maart 2004 heeft [naam] van evengemeld krediet een bedrag opgenomen van € 5.513,--, welk bedrag door SNS Bank is overgemaakt op de en/of rekening onder nummer [nummer2] (productie 3 van [gedaagde]).

2.5. Vanaf september 2006 heeft SNS Bank voormelde maandtermijn van € 161,70 niet meer kunnen incasseren.

2.6. Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 20 december 2006 is tussen [gedaagde] en [naam] de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 5 januari 2007 is ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers (productie 7 van SNS Bank, “subproductie1”).

2.7. Op 1 november 2007 vertoonde de kredietovereenkomst onder nummer [nummer3] een debetsaldo van € 7.402,80. Voormelde en/of rekening vertoonde per evengenoemde datum een debetsaldo van € 62,51.

2.8. Bij brief van 1 november 2007 (productie 3 van SNS Bank) heeft SNS Bank de sub 2.7. vermelde vorderingen uit handen gegeven aan het incassobureau Vesting Finance.

Vesting Finance heeft vervolgens [gedaagde] en [naam] onder meer bij brieven van 6 en 12 november 2007 gesommeerd tot betaling, zonder dat dit resultaat heeft gehad.

3. De vordering

3.1. SNS Bank vordert -na wijziging van eis- dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen om aan haar te betalen:

a. primair een bedrag van € 7.402,80, primair te vermeerderen met de contractuele rente van 8,5374% per jaar vanaf 1 november 2007 tot de dag der algehele voldoening, althans subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. subsidiair een bedrag van € 5.513,--;

c. een bedrag van € 62,51,- primair te vermeerderen met de contractuele rente van 17,5 % per jaar vanaf 1 november 2007 tot de dag der algehele voldoening, althans subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

d. de buitengerechtelijke kosten ter verkrijging van incasso ten bedrage van € 768,--,

een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. SNS Bank legt aan haar vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

De op 18 maart 2004 aangegane kredietovereenkomst is niet alleen door [naam] maar ook door [gedaagde] gesloten, onder hoofdelijke aansprakelijkheid. [naam] en [gedaagde] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun maandelijkse aflossingsverplichting uit hoofde van de kredietovereenkomst.

[gedaagde] is gehouden om het debetsaldo van de kredietovereenkomst onder nummer [nummer3] ad € 7.402,80 en het debetsaldo van de en/of rekening onder nummer [nummer2] ad € 62,51 aan haar te voldoen. Over laatstgemeld saldo is [gedaagde] een contractuele rente van 17,5% per jaar verschuldigd. Voor zover er geen kredietovereenkomst met [gedaagde] tot stand is gekomen, is [gedaagde] door overmaking van het sub 2.4. vermeld bedrag van € 5.513,-- op rekeningnummer [nummer2] ongerechtvaardigd verrijkt, zodat [gedaagde] in ieder geval dat bedrag aan SNS Bank zal dienen terug te betalen.

SNS Bank heeft buitengerechtelijke incassokosten gemaakt, die door haar op grond van rapport Voorwerk II worden begroot op € 768,--. Deze kosten komen op grond van artikel 28 van de Algemeen (Bank) Voorwaarden voor rekening van [gedaagde].

4. Het verweer

4.1. [gedaagde] concludeert dat de rechtbank SNS Bank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar deze zal ontzeggen met haar veroordeling in de kosten van deze procedure.

4.2. [gedaagde] voert de navolgende verweren aan.

De kredietovereenkomst van 18 maart 2004 (nummer [nummer3]) is niet mede door haar gesloten. De op die overeenkomst geplaatste handtekening is niet van haar afkomstig. Zij is derhalve geen contractspartij van SNS Bank. [gedaagde] heeft aan [naam] geen toestemming gegeven om deze kredietovereenkomst af te sluiten, hetgeen op grond van artikel 1:88 lid 1 BW wel was vereist. Vanaf ongeveer 2002 werden de rekeningafschriften door SNS Bank niet meer naar het adres van de toenmalige echtelijke woning gestuurd, maar naar het adres van de moeder van [naam]. [gedaagde] is pas in de loop van 2006 op de hoogte gekomen van de kredietovereenkomst van 18 maart 2004. Bij brief van 4 april 2008 (productie 8 van SNS Bank) heeft [gedaagde] jegens SNS Bank de vernietiging van voornoemde kredietovereenkomst ingeroepen. Iedere grondslag om de openstaande schuld ad € 7.402,80 van [gedaagde] in te vorderen ontbreekt. [gedaagde] heeft geen baat gehad bij het bedrag van € 5.513,--. Van ongerechtvaardigde verrijking is geen sprake.

De rekening met het nummer [nummer2] fungeerde in de praktijk als privérekening van [naam]. [gedaagde] heeft een eigen privérekening met een ander nummer. Net als het doorlopend krediet had [gedaagde] ook vanaf 2002 geen inzage meer in de bankafschriften van de rekening met het nummer [nummer2]. [naam] is tot de wettelijke schuldsanering toegelaten. Deze privérekening van [naam] fungeert thans als de WSNP rekening van [naam]. Het openstaande saldo op die rekening dient door [naam] te worden voldaan.

[gedaagde] betwist de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten.

5. De beoordeling

5.1. Anders dan SNS Bank heeft gesteld kan [gedaagde] niet worden aangemerkt als (mede) contractspartij bij de kredietovereenkomst van 18 maart 2004. [gedaagde] heeft immers gemotiveerd weersproken dat de handtekening onder deze overeenkomst van haar afkomstig is. [gedaagde] heeft voorts bij brief van 16 januari 2009 een schriftelijke verklaring van [naam] d.d. 11 januari 2009 in het geding gebracht, die zakelijk weergegeven inhoudt dat [naam] de betreffende overeenkomst op het kantoor van SNS Bank heeft ondertekend, zonder dat [gedaagde] daarbij aanwezig is geweest en dat hij, [naam], ook voor [gedaagde] een handtekening onder de overeenkomst heeft geplaatst. SNS Bank heeft de inhoud van deze verklaring niet tegengesproken. Aldus staat vast dat bedoelde handtekening niet van [gedaagde] afkomstig is. Een onderzoek door een schriftkundige is dan ook niet geïndiceerd.

5.2. Wanneer iemand door valselijk de handtekening van een ander te plaatsen iets voor die ander verklaart, kan deze ander zich in het algemeen tegen degene tot wie de verklaring is gericht, erop beroepen dat de handtekening en daarmee de verklaring niet van hem afkomstig is, ook wanneer degene tot wie de verklaring was gericht, heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat de handtekening echt was.

Uit het beginsel dat ten grondslag ligt aan de art. 3:35, 3:36, 3:61 lid 2 BW, in samenhang met art. 6:147, vloeit evenwel voort dat dit anders kan zijn onder bijzondere omstandigheden van dien aard dat zij tot de slotsom nopen dat aan degene wiens handtekening is vervalst, valt toe te rekenen dat de wederpartij de handtekening voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden (Hoge Raad 7 februari 1992, NJ 1992/809).

5.3. Door SNS Bank zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] bij SNS Bank het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de handtekening onder de kredietovereenkomst van 18 maart 2004 van [gedaagde] afkomstig was. Dat naar de mening van SNS Bank de onder de kredietovereenkomst van

18 maart 2004 geplaatste handtekening op het eerste oog grote gelijkenis vertoont met de door [gedaagde] geplaatste handtekening onder de kredietovereenkomst van 18 september 1998, is daarvoor niet genoegzaam. Niet gezegd kan worden dat het aan [gedaagde] valt toe te rekenen dat haar handtekening is vervalst en dat SNS Bank de mening koesterde dat [gedaagde] de kredietovereenkomst van 18 maart 2004 heeft ondertekend. SNS Bank heeft immers niet gesteld dat [gedaagde] er serieus rekening mee moest houden dat [naam] haar handtekening zou vervalsen en dat [gedaagde] heeft nagelaten voorzorgsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat zij tegen haar wil aan een overeenkomst als de onderhavige zou worden gebonden.

Evenmin is van belang dat [gedaagde] eerst nadat er geruime tijd was verstreken sinds het sluiten van de kredietovereenkomst aan SNS Bank heeft aangegeven dat zij zich vanwege de vervalste handtekening niet gebonden achtte aan voormelde kredietovereenkomst, omdat SNS Bank niet heeft tegengesproken dat de bankafschriften en sommaties met betrekking tot deze kredietovereenkomst alsmede de tegenrekening (de en/of rekening) door SNS Bank niet naar het woonadres van [gedaagde] zijn gezonden, zodat die stukken [gedaagde] dan ook niet rechtstreeks hebben bereikt. SNS Bank heeft voorts niet gesteld dat [gedaagde] er anderszins (ruim) voordat SNS Bank haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven van op de hoogte is geweest dat [naam] de betreffende kredietovereenkomst met gebruikmaking van haar vervalste handtekening had gesloten. Van verwijtbaar stilzitten aan de zijde van [gedaagde] (waaronder begrepen het niet voldoen aan haar verplichting -op grond van artikel 12 van de Algemene Bankvoorwaarden- om de bankafschriften van SNS Bank op hun juistheid te controleren) is dan ook geen sprake. Onder voormelde omstandigheden kan -anders dan SNS Bank ter comparitie heeft betoogd- evenmin worden gezegd dat [gedaagde] op grond van het bepaalde in artikel 13 van de Algemene Bankvoorwaarden geacht moet worden de bankafschriften te hebben goedgekeurd. Nu door toedoen van [naam] de bankafschriften door SNS Bank niet naar de voormalige echtelijke woning zijn verzonden, kan SNS Bank zich er jegens [gedaagde] in redelijkheid niet op beroepen dat op grond van artikel 2.2 sub 5 Reglement Privérekening de akkoordbevinding van de betreffende bankafschriften door [naam] ook aan haar dient te worden toegerekend. Uit het feit dat [gedaagde] en [naam] het geld (door storting op de en/of rekening) hebben ontvangen en de maandelijkse termijnen ruim twee jaar wel zijn betaald, kan dan ook niet worden afgeleid dat er tussen SNS Bank en [naam]n èn [gedaagde] een kredietovereenkomst tot stand is gekomen, op basis waarvan [gedaagde] het debetsaldo aan SNS Bank dient terug te betalen.

5.4. Opgemerkt wordt nog dat het niet geheel onbegrijpelijk is dat SNS Bank er vanwege het feit dat [naam] en [gedaagde] reeds bestaande relaties van haar waren, ervan heeft afgezien om te verlangen dat de kredietovereenkomst van 18 maart 2004 in haar tegenwoordigheid mede door [gedaagde] zou worden ondertekend. Het feit dat haar vertrouwen dat de kredietovereenkomst daadwerkelijk door [gedaagde] was mede-ondertekend is beschaamd, dient evenwel in haar relatie tot [gedaagde] voor rekening en risico van SNS Bank te komen.

5.5. Op grond van artikel 1:85 BW is de ene echtgenoot naast de andere voor het geheel aansprakelijk voor de door deze ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen. Nu gesteld noch gebleken is dat [naam] de kredietovereenkomst van 18 maart 2004 heeft gesloten ten behoeve van de gewone gang van de huishouding, is [gedaagde] niet aansprakelijk voor het debetsaldo van de kredietovereenkomst.

5.6. [gedaagde] is dan ook op generlei wijze naast [naam] hoofdelijk verbonden ten aanzien van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst van 18 maart 2004.

5.7. SNS Bank heeft op de en/of rekening met het nummer [nummer2] gelden overgemaakt uit hoofde van de met [naam] gesloten kredietovereenkomst van 18 maart 2004. Dit brengt met zich dat niet gezegd kan worden dat bedoelde bedragen (waaronder begrepen het door SNS Bank op 22 maart 2004 overgemaakte bedrag van € 5.513,--) onverschuldigd zijn betaald en [naam] door bedoelde betaling ongerechtvaardigd is verrijkt. Dat [gedaagde] jegens [naam] en SNS Bank medegerechtigd is om te beschikken over het saldo op die rekening, heeft niet tot gevolg dat SNS Bank onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald en dat [gedaagde] in haar relatie tot SNS Bank met voormeld bedrag ongerechtvaardigd is verrijkt. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] van het positieve saldo op de hoogte is geweest en/of daadwerkelijk verrijkt is met (een deel van) het door SNS Bank gestorte bedrag. Zoals hierna zal worden overwogen is [gedaagde] jegens SNS Bank slechts hoofdelijk aansprakelijk voor het debetsaldo op voormelde en/of rekening.

5.8. De vordering, strekkende tot betaling van het debetsaldo van deze kredietovereenkomst als hiervoor sub 3.1.a. is weergegeven, is dan ook niet voor toewijzing vatbaar. Hetzelfde geldt voor de vordering onder 3.1.b., die strekt tot terugbetaling van voormeld bedrag van € 5.513,--.

5.9. De rekening onder nummer [nummer2] is een en/of rekening. [gedaagde] heeft niet weersproken dat zij op grond van de algemene voorwaarden van SNS Bank naast [naam] hoofdelijk aansprakelijk is voor het debetsaldo. Aan aansprakelijkheid van [gedaagde] doet niet af dat op dit moment bedoelde rekening in feite alleen door [naam] wordt gebruikt, nu dit SNS Bank niet regardeert. Nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] door SNS Bank is ontslagen uit de hoofdelijkheid, dient [gedaagde] het debetsaldo ad

€ 62,51, vermeerderd met de contractuele rent als gevorderd aan SNS Bank te betalen, nu [gedaagde] tegen dit laatste geen verweer heeft gevoerd.

5.10. Daar waar de vordering van SNS Bank slechts voor een fractie zal worden toegewezen, is er geen deugdelijke grondslag om [gedaagde] te veroordelen om aan SNS Bank buitengerechtelijke kosten te betalen. Dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

5.11. SNS Bank zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht € 303,00

- salaris advocaat € 768,00 (2,0 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.071,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. veroordeelt [gedaagde] om aan SNS Bank te betalen een bedrag van € 62,51 (tweeënzestig euro en éénenvijftig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 17,5% per jaar over voormeld bedrag vanaf 1 november 2007 tot de dag van volledige betaling,

6.2. veroordeelt SNS Bank in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.071,00,

6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2009.?