Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BI3021

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
92977 - HA ZA 08-457
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid van de assurantietussenpersoon voor onderverzekering van de bij een brand in het bedrijfspand van eiser verloren gegane inventarisgoederen. Het is primair de taak van de verzekerde zelf om een inschatting te maken van de waarde van de goederen die hij wenst te verzekeren en of hij de verzekeringsdekking voldoende vindt. Wel dient de assurantietussenpersoon met enige regelmaat, aan de hand van de door de verzekerde te verstrekken gegevens, na te gaan of er sprake is van onderverzekering en, indien dat het geval is, de verzekerde daar op te wijzen en hem de consequenties daarvan voor te houden. Eiser draagt de bewijslast van haar stelling dat de assurantietussenpersoon in deze onderzoeks- en informatieplicht is tekortgeschoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 92977 / HA ZA 08-457

Vonnis van 15 april 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] BEDRIJFSWAGEN VEENENDAAL B.V.,

gevestigd te Veenendaal,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. C.B. Gaaf,

tegen

1. de vennootschap onder firma [naam] ASSURANTIËN V.O.F.,

gevestigd te Doetinchem,

2. de commanditaire vennootschap [naam] C.V.,

gevestigd te Doetinchem,

3. [gedaagde A],

wonende te Doetinchem,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] KEIJENBORG B.V.,

gevestigd te Keijenborg,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] B.V.,

gevestigd te Doetinchem,

6. [gedaagde B],

wonende te Huissen,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. A.V.P.M. Gijselhart.

Partijen zullen hierna [eiseres] en, gedaagden gezamenlijk, [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 december 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 5 maart 2009

- de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 20 augustus 2006 heeft zich een brand voorgedaan in het bedrijfspand van [eiseres] te Veenendaal als gevolg waarvan grote schade is ontstaan aan de opstal, inventarisgoederen en overige goederen van [eiseres] Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 5 augustus 2008 is een zekere [naam] veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden wegens het - samengevat – op 20 augustus 2006 stelen van brandstof uit het bedrijf van [eiseres] te Veenendaal waarbij brand is ontstaan.

2.2. Op de schadedatum was [eiseres] bij Fortis ASR verzekerd voor schade aan de inventarisgoederen tot een bedrag van € 544.536,00, voor schade aan goederen tot een bedrag van € 680.670,00 en voor bedrijfsschade tot een bedrag van € 1.228.903,00. De door brand bij [eiseres] aan de inventarisgoederen veroorzaakte schade is vastgesteld op

€ 1.383.560,00, inclusief bereddings- en opruimingskosten. Fortis ASR heeft [eiseres] op basis van de polis voor de schade aan de inventarisgoederen een bedrag van € 540.589,71 en voor schade aan de goederen een bedrag van € 174.726,61 vergoed. Voorts heeft Fortis ASR aan [eiseres] een bedrag van € 5.515,80 vergoed voor bereddings- en opruimingskosten. Daarmee komt de totale verzekeringsuitkering aan [eiseres] voor de schade aan de inventarisgoederen en goederen op € 720.832,12.

De door [eiseres] geleden bedrijfsschade is door Fortis ASR volledig vergoed.

2.3. [gedaagden] is vanaf 2003 als assurantietussenpersoon voor [eiseres] opgetreden. De contactpersoon voor [eiseres] bij [gedaagden] was [contactpersoon]. De relatie tussen [contactpersoon] en [eiseres] strekt zich uit over vele jaren en gaat ook terug tot de tijd voordat [contactpersoon], vanaf 2003, werkzaam was bij [gedaagden]

2.4. Bij brieven van 16 juli 2003 (productie 2 bij conclusie van antwoord) en 30 september 2005 (productie 4 bij dagvaarding) heeft [eiseres] de via [gedaagden] afgesloten verzekeringen opgezegd. Beide keren werden deze opzeggingen door [eiseres] weer ingetrokken.

2.5. Bij brief van 20 april 2007 (productie 10 bij dagvaarding) heeft [eiseres] [gedaagden] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden ten gevolge van de onderverzekering van de inventarisgoederen, door haar begroot op

€ 662.728,00 en [gedaagden] gesommeerd tot vergoeding van die schade. [gedaagden] heeft iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen en voorts betoogd dat [eiseres], zo zij schade heeft, deze dient te verhalen op de WAM-verzekeraar van de bij de diefstal en brandstichting betrokken bestelbus, Delta Lloyd Schadeverzekeringen N.V.

2.6. [gedaagden] (gedaagde sub 1) is per 1 februari 2007 opgehouden te bestaan. Per die datum zijn al haar activiteiten ondergebracht in Heilbron C.V. (gedaagde sub. 2), als rechtsopvolgster van gedaagde sub. 1. Gedaagden sub. 3 tot en met 5 waren, ten tijde van de brand bij [eiseres], de firmanten van [gedaagden] Gedaagden sub. 3 en sub. 6 zijn de beherend vennoten van Heilbron C.V.

3. De vordering in conventie

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting:

I. aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 662.727,88, zulks primair te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 4 mei 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

II. primair aan [eiseres] te voldoen de buitengerechtelijke kosten groot

€ 5.300,00, subsidiair aan [eiseres] te voldoen de buitengerechtelijke kosten ad € 5.160,00, welke zijn begroot conform de bepalingen van het Rapport Voorwerk II,

III. in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiseres] legt aan haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, samengevat het navolgende ten grondslag.

Gebleken is dat de inventarisgoederen ten tijde van de brand verzekerd waren voor een bedrag van € 544.536,00 terwijl de waarde € 1.199.443,00 bedroeg. Wat betreft de inventarisgoederen is er dus sprake van grove onderverzekering. Voor wat betreft de goederen doet zich de omgekeerde situatie voor: daar blijkt juist sprake te zijn van oververzekering. Anders dan [gedaagden] [eiseres] altijd heeft voorgehouden was het verzekeringspakket dus niet in orde. [gedaagden] heeft nagelaten handelingen te verrichten teneinde zich ervan te vergewissen voor welke sommen [eiseres] verzekerd diende te zijn. Zo heeft zij de inventarisgoederen en de goederen nooit laten taxeren noch heeft zij navraag gedaan bij [eiseres] naar de waarde daarvan. [gedaagden] heeft [eiseres] er ook niet op gewezen dat zij wijzigingen in de waarde van de goederen aan [gedaagden] diende door te geven. Voorts heeft [gedaagden] nooit de beschikbare jaarrekeningen, dan wel de aankoopfacturen van de inventarisgoederen en de goederen geraadpleegd. Op basis daarvan had [gedaagden] (jaarlijks) de waarde van die goederen kunnen vaststellen en er voor kunnen zorg dragen dat [eiseres] niet onder- of oververzekerd was. Een assurantietussenpersoon dient te waken voor de belangen van de verzekeringnemer bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Of dat het geval was, kon [gedaagden] pas nagaan indien zij in kaart had gebracht wat die belangen waren. Nu zij dat heeft nagelaten is [gedaagden] tekort geschoten in de zorgplicht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht (vergelijk HR 9 juni 2000, NJ 2000, 460 en HR 10 januari 2003, NJ 2003, 375). Daardoor heeft [eiseres] schade geleden tot het bedrag van de wegens onderverzekering niet door Fortis ASR vergoede schade, groot in totaal € 662.727,88. [gedaagden] is op grond van artikel 6:74 BW verplicht die schade aan [eiseres] te vergoeden. Bij brief van 20 april 2007 heeft [eiseres] [gedaagden] aansprakelijk gesteld en tot betaling gesommeerd zodat [gedaagden] ook vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd is. Tevens dient [gedaagden] op grond van artikel 6:96 lid 2 BW de door [eiseres] gemaakte buitengerechtelijke incassokosten te vergoeden.

4. Het verweer in conventie

4.1. [gedaagden] concludeert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

4.2. [gedaagden] voert, samengevat, de volgende verweren.

Het is juist dat de schade die als gevolg van de brand aan de inventarisgoederen en/of de goederen is ontstaan een groter bedrag beloopt dan het bedrag van de terzake verzekerde som. [gedaagden] betwist dat dit een gevolg is van nalatigheid harerzijds. [eiseres] ontving jaarlijks ter gelegenheid van het onderhoudsgesprek een uitdraai van de polissen en de daaronder verzekerde bedragen. [eiseres] heeft bij die gelegenheden nimmer gesteld dat de verzekerde sommen niet juist meer zouden zijn terwijl haar dat, op basis van de kennis van het eigen bedrijf, in één oogopslag duidelijk had moeten zijn. [eiseres] was er altijd op uit om premiekorting en betere voorwaarden te bedingen. [eiseres] wilde altijd besparen op de verzekeringen; om die reden heeft zij nooit een taxatie willen laten uitvoeren van de verzekerde goederen. [gedaagden] kan als tussenpersoon niet zelfstandig een opdracht geven tot taxatie van die goederen; dat moet de verzekerde zelf doen. [gedaagden] heeft [eiseres] er diverse malen op gewezen dat hij een taxatie moest laten uitvoeren. Al in de nacht van de brand heeft [naam B] gezegd dat hij er vreselijke spijt van had dat hij geen taxatie had laten uitvoeren. Een verzekerde dient zelf de waarde van zijn inventarisgoederen en goederen te beoordelen. Hij is daar ook bij uitstek toe in staat. [eiseres] heeft een eigen zorgplicht ten aanzien van de verzekering van haar eigendomsbelangen. Het is de taak van [eiseres] om aan de assurantietussenpersoon die waarden en wijzigingen daarin door te geven. Het kan niet zo zij dat die tussenpersoon daar steeds zelf naar moet informeren of dit zelf in het bedrijf zou moeten nagaan. [eiseres] wist ook dat dit haar verantwoordelijkheid was; zij had daartoe een controller in dienst. Anders dan [eiseres] stelt had [gedaagden] uit de jaarrekeningen niets kunnen opmaken over de werkelijke waarde van de inventarisgoederen.

[eiseres] treft eigen schuld die dusdanig is dat het overgrote deel van haar schade voor haar rekening dient te blijven. [eiseres] probeerde op allerlei manieren zo weinig mogelijk aan verzekeringen uit te geven. Dat blijkt ook uit de opzeggingen van de polissen. Die waren er enkel op gericht lagere premies te bedingen.

[gedaagden] betwist dat [eiseres] de schade heeft geleden die zij vordert. [eiseres] heeft, door jarenlange onderverzekering, zeker een bedrag van € 10.000,00 aan premies bespaard. Dat moet in mindering worden gebracht op haar schade. Bovendien heeft [eiseres] anderhalve ton meer aan bedrijfsschade uitgekeerd gekregen dan zij heeft geleden. Het is niet redelijk als het totale bedrag aan schadevergoeding hierdoor de werkelijk door [eiseres] geleden schade overstijgt. [gedaagden] beroept zich in dit verband op het indemniteitsbeginsel. De buitengerechtelijke incassokosten worden betwist.

5. De vordering in voorwaardelijke reconventie

5.1. [gedaagden] vordert dat, indien en voor zover zij gehouden zou zijn tot schadevergoeding, de vorderingen van [eiseres] slechts worden toegewezen onder de voorwaarde dat [eiseres] haar rechten op de feitelijk veroorzaker van de brand en op diens verzekeraar aan [gedaagden] cedeert, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

5.2. [gedaagden] legt aan haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, het navolgende ten grondslag.

[eiseres] heeft een vordering op de veroorzaker van de brand ter grootte van het bedrag van haar onverzekerde schade. Gelet op de feiten van de zaak behoort de schade voor rekening te komen van de veroorzaker van de brand. Tegen cessie kan zijdens [eiseres] geen bezwaar bestaan.

6. Het verweer in voorwaardelijke reconventie

6.1. [eiseres] concludeert dat zij bereid is mee te werken aan cessie, mits al haar schade en kosten als gevolg van de brand aan haar is vergoed.

7. De beoordeling

in conventie

7.1. Tussen partijen staat vast dat [eiseres] nadeel heeft geleden ten gevolge van het feit dat verzekerde waarde van de inventarisgoederen, die bij de brand verloren zijn gegaan, niet overeenstemde met de werkelijke waarde. Partijen verschillen van mening over de omvang van het nadeel dat [eiseres] daardoor heeft geleden.

7.2. [eiseres] stelt dat [gedaagden], gelet op de grove onderverzekering van de inventarisgoederen en de oververzekering van de goederen, niet de zorg heeft betracht die [eiseres] van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mocht verwachten. Het is de taak van een assurantietussenpersoon om te waken voor de belangen van de verzekeringnemer over de tot diens portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak hoort in beginsel ook dat de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten kunnen hebben voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen (vergelijk HR 10 januari 2003, NJ 2003, 375). Dit brengt mee dat hij er op toe dient te zien dat de door of namens de verzekeringnemer bij de verzekeraar verzekerde goederen, zoals hier de inventarisgoederen, in voldoende mate tegen schade gedekt zijn en, indien hij constateert dat dit niet het geval is, dat hij dit onder de aandacht van de verzekerde brengt. Anders dan [eiseres] lijkt te stellen, brengt deze norm niet mee dat de assurantietussenpersoon zelf onderzoek dient in te stellen naar de waarde van de verzekerde goederen, bijvoorbeeld door het laten uitvoeren van een taxatie. Het is primair de taak van de verzekerde zelf om een inschatting te maken van de waarde van de goederen die hij wenst te verzekeren en of hij die dekking voldoende acht. Wel dient de assurantietussenpersoon met enige regelmaat, zoals hier: tijdens de jaarlijkse onderhoudsgesprekken, aan de hand van door de verzekeringnemer te verstrekken gegevens, na te gaan of er mogelijk sprake is van onderverzekering en, indien dat het geval is, dat hij de verzekerde daar op te wijzen en hem of haar de consequenties daarvan voor te houden. Het enkele feit dat bij die jaarlijkse onderhoudsgesprekken een controller van [eiseres] aanwezig was, zoals [gedaagden] heeft gesteld, ontslaat [gedaagden] niet van de op haar rustende verplichting om [eiseres] te waarschuwen voor onderverzekering indien de daartoe door [eiseres] verstrekte gegevens aanleiding geven. Op [gedaagden] rust op dit punt, als specialist op het gebied van verzekeringen, een eigen taak en zij mag niet zonder dat zelf aan de orde te stellen er van uitgaan dat haar cliënt het risico van onderverzekering, voldoende heeft onderkend.

7.3. Voorgaande norm brengt mee dat op [gedaagden] als assurantietussenpersoon van [eiseres] de verplichting rustte om tijdens het jaarlijkse onderhoudsgesprek met [eiseres] zich er van te vergewissen of het verzekeringspakket van [eiseres] voldoende dekking bood en om de voor die beoordeling noodzakelijke gegevens bij [eiseres] op te vragen en met [eiseres] door te nemen. Voorts brengt deze norm mee dat [gedaagden], voor zover uit de door [eiseres] te verstrekken gegevens kon worden afgeleid dat er sprake was van onderverzekering, dit aan de orde diende te stellen teneinde te kunnen verifiëren of [eiseres] zich daarvan bewust was. [eiseres] heeft gesteld dat [gedaagden] tijdens de onderhoudsgesprekken enkel heeft aangegeven dat [eiseres] goed was verzekerd zonder dat zij dat inhoudelijk beoordeelde. In het licht van de eisen die op dit punt aan de assurantietussenpersoon gesteld kunnen worden, zoals hiervoor genoemd, is dat onvoldoende en levert dat een toerekenbare tekortkoming van [gedaagden] in de nakoming van de overeenkomst op. [gedaagden] heeft de stelling van [eiseres] betwist en heeft, ter comparitie van partijen, expliciet aangegeven dat de verzekerde waardes door haar tijdens die onderhoudsgesprekken met [eiseres] zijn besproken. Gelet op deze betwisting zal [eiseres] moeten bewijzen dat [gedaagden] is tekort geschoten in de zorgplicht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht door na te laten zich tijdens de onderhoudsgesprekken door [eiseres] te laten informeren over de verzekerde waarde van de inventarisgoederen. [eiseres] zal tot dat bewijs worden toegelaten.

7.4. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

in voorwaardelijke reconventie

7.5. Iedere beslissing wordt aangehouden.

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1. draagt [eiseres] op te bewijzen dat [gedaagden] heeft nagelaten zich tijdens de onderhoudsgesprekken door [eiseres] te laten informeren over de verzekerde waarde van de inventarisgoederen,

8.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 april 2009 voor uitlating door [eiseres] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

8.3. bepaalt dat [eiseres], indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

8.4. bepaalt dat [eiseres], indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden mei tot en met juli 2009 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

8.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. P.F.A. Bierbooms in het gerechtsgebouw te Zutphen aan de Martinetsingel 2,

8.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

8.7. houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

8.8. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2009.