Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BI2524

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
89876 FA RK 07-2099
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moeder, die in Zweden woont, verzoekt wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen, die bij hun vader in Nederland wonen. Na onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (zowel in Nederland als in Zweden) wijst de rechtbank het verzoek af. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats betekent een grote omschakeling voor de kinderen. De zorgen die de moeder uit worden niet ondersteund door het raadsonderzoek of signalen vanuit de school of verdere omgeving. De rechtbank benadrukt de inzet en mogelijkheden van de moeder, maar het enkele feit dat de verzorging en opvoeding van de kinderen bij de moeder mogelijk beter zou zijn, levert geen grond voor wijziging van de hoofdverblijfplaats op gelet op de ingrijpende gevolgen voor de kinderen en het feit dat het met de kinderen goed gaat bij de vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 89876 FA RK 07-2099

(tussen)beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 16 januari 2008

in de zaak tussen:

[verzoekster],

verder mede te noemen de moeder,

wonende te Hörby, Zweden,

advocaat: mr. F.E. van Nisselrooij te Zutphen,

e n

[verweerder],

verder mede te noemen de vader,

wonende te Lochem,

advocaat: mr. J.S. Staijen te Deventer.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 16 november 2007;

- de brief met bijlagen van 6 december 2007 van mr. Van Nisselrooij;

- het aanvullend verzoekschrift, ingekomen op 27 december 2007;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 9 januari 2008.

De feiten

Bij beschikking van deze rechtbank van 12 mei 2004 werd tussen de moeder en de vader de

echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 19 mei 2004 ingeschreven in de

desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand van de gemeente Lochem.

Na ontbinding van hun huwelijk zijn de moeder en de vader van rechtswege gezamenlijk

belast gebleven met het ouderlijke gezag over de navolgende minderjarige kinderen:

[kind1], geboren op [2001] te Lochem en,

[kind2], geboren op [2002] te Lochem.

Bij voornoemde beschikking van 12 mei 2004 is bepaald dat de minderjarigen hun feitelijke

verblijf zullen hebben bij de vader en is het recht van omgang tussen de moeder en de

minderjarigen aldus bepaald, dat zij omgang zal hebben met de kinderen vier dagdelen in de

week, welke dagdelen in onderling overleg tussen partijen zullen worden vastgesteld.

Nadien zijn partijen in onderling overleg overeengekomen dat de moeder gedurende de

vakanties en feestdagen omgang zal hebben met de minderjarigen in Zweden, waar de

moeder inmiddels woont.

Het verzoek en het aanvullend verzoek

De moeder verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen

- dat het hoofdverblijf/de gewone verblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn;

- dat de vader omgang zal hebben met de minderjarigen gedurende minimaal drie maal per jaar, waarbij de minderjarigen zullen afreizen naar Nederland en zij in de zomervakantie minimaal vijf weken bij de vader zullen verblijven en gedurende de kerstvakantie het ene jaar bij de vader en het volgende jaar bij de moeder, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen regeling zal treffen;

- subsidiair dat de rechtbank aan de Raad voor de Kinderbescherming zal gelasten een onderzoek in te stellen welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang van de minderjarigen is;

- aanvullend subsidiair dat zij omgang zal hebben met de minderjarigen gedurende een weekend per maand, alsmede dat de kinderen minimaal drie maal per jaar zullen afreizen naar Zweden, waarbij zij in de zomervakantie minimaal vijf weken bij de moeder zullen verblijven en gedurende de kerstvakantie het ene jaar bij de vader en het volgende jaar bij de moeder, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen regeling te treffen.

Zij stelt dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen in hun belang is en

voert daartoe het navolgende aan. De moeder heeft gemerkt dat de vader zich de afgelopen

jaren steeds vaker schuldig maakt aan excessief alcohol- en drugsgebruik. De vader en zijn

vrienden zouden zich hieraan ook schuldig maken in het bijzijn van de kinderen. De vader

gedraagt zich daarnaast hoe langer hoe agressiever naar de moeder. Nadat de moeder

schriftelijk haar zorgen uitsprak en vroeg of zij daarbij konden afspreken dat de kinderen bij

haar zouden komen wonen, heeft de vader, toen de moeder de kinderen op 27 oktober

jongstleden kwam terugbrengen, al scheldend en tierend kenbaar gemaakt dat hij hieraan

geen medewerking zou verlenen. Hij heeft haar vervolgens hardhandig de deur uit geduwd

en schold haar in het bijzijn van de kinderen uit.

De zorgen van de moeder zijn nog vergroot nadat zij heeft vernomen dat de vader om

financiële redenen een hennepkwekerij in zijn schuur had. Deze schuur is afgebrand. De

moeder is van mening dat de vader geen goed voorbeeld voor de kinderen is, hoewel de

school van de kinderen (nog) geen signalen heeft opgepakt.

De moeder heeft inmiddels een stabiele relatie. Zij beschikt over een woning in Zweden met

voldoende ruimte voor de kinderen. Zij heeft een vaste baan. De moeder is voornemens,

indien de hoofdverblijfplaats van de kinderen voortaan bij haar zou zijn, de kinderen naar

een school in de buurt te brengen waar de kinderen een middag per week onderwijs in de

Nederlandse taal en cultuur wordt gegeven. Zij zal voorts ouderschapsverlof opnemen om

de kinderen te laten wennen in hun nieuwe omgeving en vervolgens minder gaan werken

opdat zij zoveel mogelijk na schooltijd bij de kinderen kan zijn.

De moeder acht het van belang dat de kinderen een goede band met hun vader blijven

behouden. Zij wenst dat de vader evenveel omgang met de kinderen heeft als zij thans heeft.

Concreet betekent dit dat de kinderen minimaal drie maal per jaar zullen afreizen naar

Nederland.

Het verweer

De vader concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de moeder, behoudens de

subsidiair verzochte uitbreiding van de omgangsregeling van haar met de kinderen.

Hij betwist dat het verzoek in het belang van de kinderen is en dat hij niet in staat zou zijn

naar behoren voor de kinderen te zorgen. Voorts betwist hij alle aantijgingen van de moeder

aan zijn adres. Het had in de rede gelegen als de moeder in ieder geval had gesteld dat er

problemen zijn met betrekking tot de ontwikkeling van de minderjarigen. Dat is niet gesteld.

En er zijn ook helemaal geen problemen. Niet op school, niet privé en de kinderen worden

op geen enkele wijze in hun ontwikkeling bedreigd. Enkel resteert wat de moeder stelt zelf

waargenomen te hebben. Over de thuissituatie van de moeder heeft de vader geen mening.

Hij heeft daar geen zicht op. Zonder nader onderzoek naar de situatie van de moeder in

Zweden kan van een toewijzing van het verzoek überhaupt geen sprake zijn. De vader heeft

daarentegen bewezen en bewijst nog iedere dag, dat hij zeer goed in staat is om de zorg voor

de twee jonge kinderen op zich te nemen. Het steekt de vader vooral dat hij als een slechte

vader wordt afgeschilderd.

Het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming

De Raad voor de Kinderbescherming is van mening dat onvoldoende gegevens voor handen

zijn om op het onderhavige verzoek een standpunt/advies te kunnen formuleren. De moeder

kan haar zorgen niet concreet maken. De school heeft geen zorgen geuit. Toch is de raad,

gelet op de ernst van de door de moeder geuite zorgen, bereid een onderzoek te verrichten.

In het geval het tot een verhuizing van de kinderen naar Zweden zou komen, dan gaat de

raad er niet van uit dat de kinderen niet zouden kunnen aarden. Hoewel zo een verhuizing

ingrijpend zou zijn, hoeft dat, mede gelet op de leeftijd van de kinderen en de flexibiliteit

van kinderen op die leeftijd, geen problemen op te leveren, waarbij het help indien de

verhuizing gelegitimeerd wordt door beide ouders.

De beoordeling

Ingevolge de artikelen 8 en 20 van de EG Verordening 2201/2003 van 27 november 2003,

althans artikel 4 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt aan de Nederlandse

rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek van de moeder ter zake de verblijfplaats

om de minderjarige kinderen van partijen, nu deze minderjarigen in Nederland hun gewone

verblijf hebben.

Ingevolge de artikelen 1 en 2 Haags Kinderbeschermingsverdrag van 5 oktober 1961, Trb

1963, 29 wordt met toepassing van Nederlands recht voorzien in voormeld verzoek, omdat

deze minderjarigen – zoals reeds overwogen – hier te lande hun gewone verblijfplaats

hebben.

De rechtbank acht zich thans onvoldoende ingelicht om definitief te kunnen beslissen over

het onderhavige verzoek. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat op dit moment onvoldoende feitelijk door de moeder is onderbouwd dat er sprake is van een onverantwoorde opvoedingssituatie bij de vader, acht de rechtbank de door de moeder geuite zorgen zodanig ernstig dat een onderzoek van de raad noodzakelijk is. De nadruk ligt wat de rechtbank betreft vooralsnog niet zozeer op de opvoedingssituatie bij de vader voor zover het gaat om lichamelijke verzorging (eten, op tijd naar bed, et cetera), maar op de zorg van de moeder voor zover het gaat over de emotionele ontwikkeling van de kinderen, het door haar gestelde dat de vader daarin ernstig en voor de kinderen schadelijk tekortschiet en dat zij hen die emotionele zorg wel kan bieden. Zelfs indien de situatie bij de vader wellicht niet direct schadelijk is, is de rechtbank toch geïnteresseerd in de situatie bij de moeder.

Mede gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank daarom de raad verzoeken een

onderzoek in te stellen, waarbij de volgende vragen aan de orde dienen te komen:

- hoe ziet de raad de opvoedkundige en affectieve mogelijkheden van de vader in zijn relatie met de kinderen?

- hoe ziet de raad de opvoedkundige en affectieve mogelijkheden van de moeder in haar relatie met de kinderen?

- welke opvoedingsplek is het meest geëigend voor de kinderen, die bij de vader of die bij de moeder?

- welke andere feiten en/of omstandigheden zijn vanuit het onderzoek naar voren gekomen die van belang kunnen zijn voor de door de rechtbank te nemen beslissing?

Ter zitting is komen vast te staan dat partijen er zich van bewust zijn dat het onderzoek in

verband met de woonstede van de moeder in Zweden deels over de grens zal dienen plaats

te vinden. De raad heeft verklaard dat hij dan de situatie bij de moeder zal onderzoeken door

middel van de (tussen)instantie ISS (International Social Service), hetgeen met zich brengt

dat het onderzoek een wat langere duur dan gebruikelijk zal hebben. De ouders zijn in dat

licht eenstemmig dat voor de duur van het raadsonderzoek de door de moeder verzochte

uitbreiding van de omgangsregeling als een voorlopige regeling voor de duur van de

procedure, zolang er nog geen beslissing is genomen op het verzoek van de moeder, kan

worden vastgesteld. Voorts zal de rechtbank de status quo van de kinderen, waarbij zij de

verblijfplaats bij hun vader hebben, voor de duur van het raadsonderzoek handhaven.

De rechtbank beslist als volgt.

De beslissing

De rechtbank:

alvorens verder te beslissen:

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Gelderland, locatie Zutphen, een

onderzoek in te stellen en uiterlijk een week voor de hierna te melden zittingsdatum te

rapporteren en de rechtbank te adviseren over de verblijfplaats van de minderjarigen;

houdt de behandeling ten aanzien van het onderhavige verzoek aan tot de pro forma zitting

van 25 juni 2008;

bepaalt voor de periode tijdens het geding gedurende welke de rechtbank nog geen

definitieve beslissing heeft gegeven dat de minderjarigen

- met ingang van 19 en 20 januari 2008, een weekend per maand, in onderling overleg te bepalen

- van 25 april tot en met 11 mei 2008

- de zomervakantie van 31 juli tot en met 29 augustus 2008

- de kerstvakantie van 19 december 2008 tot en met 4 januari 2009

bij de moeder zullen verblijven;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van 16 januari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 89876 FA RK 07-2099

(eind)beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 1 april 2009

in de zaak tussen:

[verzoekster],

verder mede te noemen de moeder,

wonende te Hörby, Zweden,

advocaat: mr. F.E. van Nisselrooij te Zutphen,

e n

[verweerder],

verder mede te noemen de vader,

wonende te Lochem,

advocaat: mr. J.S. Staijen te Deventer.

Het verdere procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 16 januari 2009;

- de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming met bijlagen, van 18 februari 2009;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 18 maart 2009.

De verdere beoordeling

De rechtbank neemt over hetgeen bij de genoemde tussenbeschikking is overwogen en

beslist. In deze beschikking is aangehouden de beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats van

de minderjarige kinderen van partijen. De Raad voor de Kinderbescherming is verzocht, in

samenwerking met de ISS, te onderzoeken en aan de rechtbank te rapporteren en adviseren

welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang van de kinderen dient te worden geacht.

In zijn rapportage concludeert de Raad dat het niet in het belang van [kind2] en [kind1] is om

hun hoofdverblijfplaats te wijzigen. Hun huidige opvoedingssituatie biedt hiertoe geen

aanleiding en een wijziging zou bovendien een ingrijpende gebeurtenis voor de kinderen in

gang zetten. Zij zouden immers moeten emigreren en alles wat zij tot nu toe hebben

opgebouwd achter zich moeten laten, hetgeen mogelijk hun gevoel voor veiligheid zal

aantasten. Voorts overweegt de Raad dat, hoewel hij niet van mening is dat uitgebreidere

hulpverlening, dan wel een gedwongen kinderbeschermende maatregel noodzakelijk is, van

de huidige gezinsvoogd van [kind3] verwacht wordt dat deze een signalerende functie heeft

ten aanzien van de ontwikkeling van alle kinderen in het gezin, dus ook ten aanzien van

[kind2] en [kind1].

Partijen hebben hun eerdere standpunten gehandhaafd.

Gebleken is dat beide ouders de intentie hebben de belangen van de kinderen voorop te

stellen. Dat de conclusies van hen beiden lijnrecht tegenover elkaar staan, is mede te wijten

aan het feit dat zij het moeilijk is voor beiden hun persoonlijke belangen hierin niet - al is dit

onbedoeld - te laten meewegen. Hoewel de rechtbank hiervoor begrip heeft, kan het niet zo

zijn dat de ouders op die gronden kunnen beslissen wat het beste voor de kinderen is.

Beoordeeld dient te worden met welke beslissing de belangen van de kinderen het meest

gediend worden, wat er ook zij van de persoonlijke wens van de beide ouders. Hierbij zal de

rechtbank zich baseren op feitelijke situaties en omstandigheden.

Om een gefundeerde beslissing te kunnen nemen, heeft de rechtbank de Raad voor de

Kinderbescherming verzocht onderzoek te doen. De door de Raad te beantwoorden vragen

zijn hierbij expliciet geformuleerd. Beide partijen hebben ter terechtzitting aangegeven het

te betreuren dat de in het kader van dit onderzoek door de kinderen geuite zorgsignalen niet

door de Raad met de ouders zijn besproken. Deze kritiek onderschrijft de rechtbank, zoals

zij ook van oordeel is dat een aantal zorgen uit het verleden uitputtender aan de orde had

kunnen komen in de rapportage, niet alleen vanwege de noodzaak tot een grondige

onderbouwing van het advies, maar ook om daarmee ten aanzien van de uitkomsten een zo

groot mogelijk draagvlak bij de ouders te creëren. Zo heeft de moeder ter zitting naar voren

gebracht geen vertrouwen in de uitkomst van de rapportage te hebben, omdat zij van mening

is dat er niet voldoende onderzoek bij haar thuis heeft plaatsgehad, maar bovenal omdat zij

in het kader van het onderzoek benaderd is als “iemand die de kinderen uit hun omgeving

wil halen”en niet als moeder.

In casu hebben de kinderen de afgelopen vier jaar bij de vader verbleven. De moeder woont

in Zweden. Wat daarvan ook de reden is geweest, de moeder heeft het destijds kennelijk

voldoende verantwoord geoordeeld om de kinderen bij de vader te laten. Een wijziging van

de hoofdverblijfplaats zou een verhuizing voor de kinderen met zich brengen en derhalve

voor hen een grote omschakeling betekenen. Zij zullen moeten wennen aan onder meer een

nieuwe omgeving, een nieuwe taal en een nieuw schoolsysteem, en ze zullen nieuwe

vriendjes moeten maken. Dit is een aspect dat mee dient te wegen bij de beslissing op het

verzoek van de moeder. De eerste vraag dient daarom te zijn of er aanleiding is de kinderen

uit de huidge situatie te halen.

Het enkele feit dat de moeder zorgen heeft ten aanzien van de ontwikkeling van de kinderen

vormt in niet voldoende aanleiding om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen.

De door de moeder geuite zorgen zijn tot op zekere hoogte begrijpelijk, maar deze zorgen

worden door de vader weerlegd. Hij heeft ter zitting verklaard dat de financiële situatie

thans op orde is, nu hij en zijn nieuwe partner over voldoende inkomsten beschikken. Zij

hebben grond in Polen verkocht en zij hebben beiden een uitkering. Voor de kinderen

sparen zij geld uit de inkomsten die zij genereren met de verhuur van appartementen. Ten

aanzien van de zorgen omtrent zijn drankgebruik stelt de vader dat dit met vijf rum-cola

(met heel weinig rum) per dag binnen de perken blijft.

Hoewel financiële zorgen en bovenmatig drankgebruik onder omstandigheden kunnen

bijdragen aan de conclusie dat het wenselijk is de hoofdverblijfplaats van kinderen te

wijzigen, ziet de rechtbank daartoe in dit geval geen aanleiding, ondanks het feit dat de

verklaringen van de vader door de raad niet nader zijn onderzocht en niet nader zijn

onderbouwd met stukken. Ten aanzien van beide zorgen geldt dat deze niet door concrete

signalen vanuit de school, dan wel vanuit de omgeving, onderbouwd worden.

De stelling van de moeder dat de vader geen rol heeft binnen het gezin, heeft hij betwist en

naar de rechtbank oordeelt terecht. Dat zijn nieuwe partner een groot deel van de praktische

invulling van de opvoeding voor haar rekening neemt, betekent niet dat de vader niet

betrokken is of geen rol heeft. Hij is in de afgelopen jaren juist een constante factor voor de

kinderen geweest en heeft reeds om die reden een belangrijke rol in hun leven. Hij en zijn

partner overleggen over de opvoeding en zij bewaken beiden de regels en structuur binnen

het gezin. De moeder mag uiteraard een mening hebben over de taakverdeling tussen de

vader en zijn nieuwe partner. De rechtbank benadrukt echter dat deze taakverdeling pas dan

ter discussie kan komen te staan, als de belangen van de kinderen in het geding zijn. Vanaf

het moment van uiteengaan van partijen worden zij geacht zich, in kwesties die de belangen

van de kinderen niet raken, niet meer in te mengen in elkaars persoonlijke wijze van leven.

De rechtbank zal dan ook niet meegaan in de stelling van de vrouw dat de situatie zoals zij

die voor ogen heeft, waarin de biologische moeder de grootste taak in de opvoeding voor

haar rekening neemt, te prefereren valt boven de situatie zoals die thans bij de vader is.

De rechtbank twijfelt niet aan de inzet en de mogelijkheden die de moeder heeft om de

kinderen op te voeden. De rechtbank heeft waardering voor de mate waarin zij in de

thuissituatie in Zweden onderzoek heeft verricht en voorbereidingen heeft getroffen om

ideale leefomstandigheden te creëren voor de kinderen. Echter, aan het enkele feit dat de

verzorging en opvoeding van de kinderen mogelijk beter zou zijn bij de moeder, kan geen

grond voor wijziging van de hoofdverblijfplaats ontleend worden, te meer gelet op de

ingrijpende gevolgen die dit voor de kinderen zal hebben.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen concludeert de rechtbank, met de Raad, dat er

geen contra-indicaties zijn tegen het verblijf van de kinderen bij de vader. Het gaat goed met

de kinderen en er zijn geen gronden om wijziging te brengen in hun verblijfplaats. De offers

die van de kinderen gevraagd worden in geval van een verhuizing naar Zweden staan in

geen verhouding staan met een eventueel te verwachten verbetering in hun thuissituatie.

Met name tijdens de behandeling ter zitting is naar voren gekomen dat de zorgen van de

moeder voor een deel samenhangen met de moeizame communicatie tussen partijen. Het is

van belang dat de moeder zich geen zorgen behoeft te maken over het welzijn van de

kinderen bij de vader. De rechtbank geeft partijen in overweging om onder begeleiding van

een onafhankelijke derde mediationgesprekken te voeren om in het belang van de kinderen

de communicatie te verbeteren en te leren als voormalig partners afstand van elkaar te

nemen, om als ouders van hun kinderen nu en in de toekomst hun verantwoordelijkheid te

kunnen nemen en de belangen van de kinderen zeker te stellen, waarbij zij met respect voor

elkaar als ouders, ieder met hun eigen rol, elkaar tegemoet treden.

Ten aanzien van de door de moeder subsidiair verzochte omgangsregeling oordeelt de

rechtbank dat de omgangsregeling zoals die in de tussenbeschikking was vastgesteld in de

praktijk goed blijkt te werken. Vanwege de reisafstand is er sprake van een regeling van een

weekeinde per maand. Nu het van belang voor de kinderen is om een goede band met hun

moeder te onderhouden, zal bepaald worden dat de kinderen in de zomervakantie vier

weken bij haar zullen verblijven. De vader heeft dan nog twee weken over om met de

kinderen desgewenst op vakantie te gaan.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de moeder af aangaande de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:

[kind1], geboren op [datum] te Lochem, en

[kind2], geboren op [2002] te Lochem;

stelt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarigen aldus vast, dat de

minderjarigen en de moeder gedurende een weekeinde per maand omgang met elkaar

hebben, alsmede dat de minderjarigen ten minste drie maal per jaar afreizen naar Zweden,

waarbij zij in ieder geval in de zomervakantie gedurende vier weken bij de moeder zullen

verblijven, alsmede om het andere jaar gedurende de kerstvakantie;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van 1 april 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.