Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BI2381

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
27-04-2009
Zaaknummer
85861 JE RK 07-380
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De SGJ heeft geen beslissing genomen op een door ouders ingediend bezwaarschrift. De SGJ heeft slechts geantwoord door middel van een brief waarin staat dat zij het bezwaarschrift retour stuurt, omdat de SGJ geen bezwaarcommissie kent. De ouders zijn daarop in beroep gegaan bij de kinderrechter.

De kinderrechter heeft zich onbevoegd verklaard en daarbij verwezen naar de bedoeling van de wetgever zoals weergegeven in de diverse kamerstukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 85861 JE RK 07-380

uitspraak van de kinderrechter d.d. 3 maart 2009

in het geschil tussen:

1. [eiseres A]

2. [eiser B]

wonende te [plaats],

verder te noemen eisers, niet ter terechtzitting verschenen,

gemachtigde: voorheen J. Hop te Ermelo, thans hebben eisers geen gemachtigde meer,

en

Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming, namens de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, gevestigd te Amersfoort, verder te noemen de SGJ,

advocaat: mr. M. Kramer te Soest,

en

Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, gevestigd te Arnhem.

1. Aanduiding bestreden besluit

Een brief van de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming van

23 augustus 2006 waarin staat dat de SGJ geen besluit kan nemen op bezwaarschriften van eisers.

2. Feiten

De procedure heeft betrekking op de dochters van eisers:

[dochter A], geboren op [1992] te [plaats] en

[dochter B], geboren op [1995] te [plaats].

Op 14 maart 2006 heeft de SGJ aan de ouders een brief gestuurd met de navolgende inhoud, voorzover hier thans relevant:

“met deze brief wil ik de voortgang van de hulpverlening met jullie kortsluiten. [dochter B] is inmiddels geaccepteerd en staat op de wachtlijst van de SGJ-pleegzorg. Als zij ‘aan de beurt is’ wil ik een machtiging uithuisplaatsing aanvragen. Ik wil met jullie graag in gesprek welke rol en verwachting jullie hebben bij de kennismaking en plaatsing.

Voor [dochter A] richt ik mij op de Ambelt als woonvoorziening, in de aanmelding is wat misgelopen en zij staat nog niet op de wachtlijst. Ook voor haar geld dezelfde vraag als bij [dochter B].

Ik begrijp dat dit uitermate dreigend klinkt voor jullie en ook voor jullie dochters. Ik wijs jullie er met nadruk op dat het niet in het belang van [dochter A] en [dochter B] is dat jullie hen bang maken voor deze dingen en ze zo met hen bespreken. De uithuisplaatsing is een gevolg van jullie weigering om samen te werken met de gezinsvoogd (over jullie opvoedingsstijl en toestemming moeten geven om met je dochters te praten).

Eisers hebben op 5 april 2006 bezwaar ingediend tegen de voormelde brief.

De dochters van eisers zijn bij beschikkingen van de kinderrechter onder toezicht gesteld van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, die daarvan de uitvoering heeft opgedragen aan de SGJ. De ondertoezichtstelling wordt feitelijk uitgevoerd door de SGJ. Deze rechtbank heeft de ondertoezichtstelling van [dochter A] en [dochter B] bij beschikking van 28 augustus 2008 laatstelijk verlengd tot 31 augustus 2009.

3. Procesverloop

Bij beroepschriften van 17 juni 2006 hebben eisers beroep aangetekend bij de rechtbank te Utrecht tegen de in een brief van 23 augustus 2006 verwoorde weigering van de SGJ om een beslissing te nemen op de bezwaarschriften van 5 april 2006. In de brief van 23 augustus 2006 staat:

“(…) Een dezer dagen ontvingen wij bezwaarschriften van u, gericht aan de leden van de bezwaarcommissie.

Genoemde stukken sturen wij u bijgaand retour. Wij hebben geen bezwaarcommissie. Wel een externe klachtencommissie. Indien u een klacht wenst in te dienen bij die commissie, kunt u dat doen op de wijze die beschreven is in artikel 3 van bijgevoegde klachtenregeling. (…)”.

De kinderrechter te Utrecht heeft de onderhavige procedures bij uitspraak van

13 december 2006 verwezen naar deze rechtbank.

Mede namens verweerder is door de SGJ op 8 juni 2007 een verweerschrift ingediend.

Bij beschikking van deze rechtbank van 15 juni 2007 heeft de kinderrechter de beroepen van eisers kennelijk gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten vernietigd en de bezwaren van 25 juni 2006 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

Namens de ouders is bij brieven van 24 juli 2007 verzet gedaan tegen de uitspraak van de kinderrechter van 15 juni 2007. Ook de SGJ en BJZ hebben tegen deze uitspraak van de kinderrechter verzet gedaan.

De rechtbank te Zutphen heeft zich bij beschikking van 2 oktober 2007 onbevoegd verklaard om van voornoemde verzetschriften kennis te nemen en de zaken in de stand waarin zij zich bevonden verwezen naar het gerechtshof te Arnhem.

Het gerechtshof te Arnhem heeft zich bij beschikking van 13 mei 2008 onbevoegd verklaard om van de zaak kennis te nemen en de zaak verwezen naar de rechtbank te Zutphen om op het verzet te beslissen.

Bij beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank te Zutphen van

18 juli 2008 is het verzet gegrond verklaard.

Op 28 november 2008 is het beroep van eisers ter terechtzitting behandeld, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

4. Motivering

De SGJ voert als meest verstrekkende verweer aan dat de kinderrechter (als bestuursrechter) onbevoegd is van de beroepschriften kennis te nemen. Hierover wordt als volgt overwogen.

De wetgever heeft in het kader van de totstandkoming van de Wet op de Jeugdzorg vooropgesteld dat bezwaar en beroep tegen besluiten die strekken tot zorg in het kader van de gezinsvoogdij onmogelijk is. Zie Derde Nota van Wijziging, Kamerstukken II 2002-2003, 28 168, nr. 10, blz. 34:

“(…) De wijziging houdt in dat wordt voorgesteld ook besluiten, die strekken tot zorg in het kader van de gezinsvoogdij op de negatieve lijst van de Algemene wet bestuursrecht te plaatsen. Daarmee is bezwaar en beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht onmogelijk. Voldoende rechtsbescherming wordt evenwel geboden, omdat de schriftelijke aanwijzing van de stichting in het kader van de ondertoezichtstelling, die een cliënt verplicht zorg te aanvaarden, kan worden getoetst door de kinderrechter. (…)”.

De wetgever heeft hiertoe in artikel 101 Wet op de Jeugdzorg bepaald dat besluiten die betrekking hebben op de uitoefening van de gezinsvoogdij als onderdeel H sub 3 zijn toegevoegd aan de in artikel 8:5 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedoelde bijlage bij die wet (hierna: de negatieve lijst).

Op grond van het bepaalde in artikel 8:5 Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen besluiten die zijn genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat in de negatieve lijst is opgenomen. De tekst van onderdeel H sub 3 van de negatieve lijst luidt:

“3. Artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Jeugdzorg, alsmede artikel 6, eerste lid, van die wet voor zover dit besluit is genomen ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van die wet of in artikel 10, eerste lid, onder c, van die wet met uitzondering van de daarin bedoelde nazorg en de daarin genoemde begeleiding, bedoeld in artikel 77hh van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 29o tot en met 29r, 29t en 29v van de Wet op de Jeugdzorg.

Wat er ook zij van de vraag of de brief van 14 maart 2006 is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb, uit het feit dat tegen besluiten die betrekking hebben op de uitoefening van de gezinsvoogdij geen bezwaar en beroep mogelijk is, volgt dat de kinderrechter (als bestuursrechter) onbevoegd is.

Op grond van het bepaalde in artikel 6:2 Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep de schriftelijke weigering een besluit te nemen en het niet-tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Uit artikel 6:2 Awb volgt echter dat onder het uitsluiten van bezwaar en beroep tegen een besluit dat betrekking heeft op de uitoefening van de gezinsvoogdij, ook begrepen is het uitsluiten van beroep tegen het niet-tijdig nemen van een beschikking op bezwaar dan wel tegen de schriftelijke weigering een beschikking op bezwaar te nemen. In deze zin ook ABRvS 7 augustus 2006 (LJN AZ6682). Voorts zou het gelijkstellen van de schriftelijke weigering te beslissen op bezwaar dan wel het niet-tijdig beslissen op het bezwaar in dit geval niet te verenigen zijn met de bedoeling van de wetgever. Vergelijk ABRvS 11 november 2002, AB 2003, 65. De omstandigheid dat de SGJ bij brief van 23 augustus 2006 heeft geweigerd beschikkingen op bezwaar te nemen, doet dus aan de slotsom dat de kinderrechter (als bestuursrechter) onbevoegd is niet af.

Ten overvloede overweegt de kinderrechter nog dat in artikel 5 lid 5 Wet op de Jeugdzorg weliswaar is bepaald dat de kinderrechter (als bestuursrechter) bevoegd is ten aanzien van beroepen tegen beschikkingen op grond van artikel 5 lid 2 of artikel 6 lid 4 Wet op de Jeugdzorg, maar dat deze bepaling slechts ziet op indicatiebesluiten voor vrijwillige jeugdzorg, terwijl een dergelijk besluit in deze kwestie niet aan de orde is.

Voorts overweegt de kinderrechter dat de brief van 14 maart 2006 niet kan worden aangemerkt als een schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 1:258 van het Burgerlijk Wetboek. De brief van 14 maart 2006 vermeldt de gezinsvoogd slechts welk traject in het kader van de ondertoezichtstelling in het belang van de kinderen gevolgd gaat worden. Het gaat derhalve in casu niet om een aanwijzing die de ouders moeten opvolgen, maar om een mededeling met betrekking tot het hulpverleningstraject.

5. De beslissing

de rechtbank:

verklaart zich onbevoegd.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.S.W. Lucassen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.