Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BI1174

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
06/580620-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee mannen veroordeeld voor de handel van gebruikershoeveelheden cocaïne tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk en 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/580620-08

Uitspraak d.d.: 15 april 2009

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte B],

geboren te [plaats op 1981],

wonende te [plaats],

verblijvende in het huis van bewaring te Doetinchem.

Raadsman: mr. W.J. Ausma te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

1 april 2009.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008

tot en met 18 december 2008 te Zutphen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) gebruikershoeveelhe(i)d(en) cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

3. Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Standpunt van het openbaar ministerie

4.1 De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van hetgeen ten laste is gelegd, met dien verstande dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen.

B. Standpunt van de verdachte

4.2 De raadsman heeft aangevoerd dat de CIE-meldingen van 16 juli 2008 en 28 september 2008 onvoldoende aanleiding zijn geweest voor het verstrekken van de tapmachtigingen. Bovendien is er geen oordeel gegeven over de betrouwbaarheid van deze meldingen. De tapgesprekken en de daaruit volgende verklaringen dienen naar het oordeel van de raadsman uitgesloten te worden van het bewijs en derhalve dient verdachte te worden vrijgesproken.

4.3 Tevens heeft de raadsman bepleit dat de getuigenverklaring van [getuige F] dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu zijn aanhouding onrechtmatig was.

4.4 Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat bewezen kan worden dat verdachte twee weken op beperkte schaal cocaïne verkocht zou hebben aan vrienden en dat geen sprake is van medeplegen.

C. Beoordeling van het verweer

4.5 De rechtbank overweegt dat in het proces-verbaal van 16 juli 2008, inhoudende een CIE-melding, staat vermeld dat een Marokkaanse jongen genaamd [medeverdachte A] cocaïne dealt in het uitgaansleven in Zutphen en dat hij dit samen zou doen met een Nederlandse jongen die op [adres A te plaats] woont.2

4.6 In het proces-verbaal van 28 juli 2008, inhoudende een CIE-melding staat vermeld dat vanuit h[adres B] te plaats] in harddrugs wordt gedeald. De bewoner van [adres B] betreft: [verdachte B], zijnde verdachte.3

4.7 In het proces-verbaal van 29 september 2008, inhoudende een CIE-melding staat vermeld dat [medeverdachte A] en een Nederlandse jongen die ‘[verdachte B]’ wordt genoemd, en bij [medeverdachte A] woont, cocaïne dealen.4

4.8 Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel op grond van een drietal meldingen, die gedetailleerde informatie bevatten, zoals de naam en het adres van (mede)verdachte(n), dat er sprake was van een redelijk vermoeden jegens verdachte, zodat de toegepaste opsporingshandelingen niet onrechtmatig zijn. Dat in het proces-verbaal van de CIE staat dat geen oordeel over de betrouwbaarheid van de informatie kan worden gegeven, wil niet zeggen dat er sprake is of kan zijn van onbetrouwbare informatie. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer en oordeelt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging

D. Bewijsmotivering

4.10 Verschillende getuigen hebben verklaard dat zij van verdachte cocaïne hebben gekocht. Getuige [getuige D] heeft verklaard dat hij een jongen genaamd ‘[verdachte B]’ kent en dat deze jongen eigenlijk [verdachte B] heet.5 ‘[verdachte B]’ woonde aan [adres B in plaats] en is een vriend van [medeverdachte A] (zijnde medeverdachte). [getuige D] heeft verklaard dat hij niet alleen bij [medeverdachte A], maar ook bij [verdachte B] terecht kon voor cocaïne.

4.11 Getuige [getuige F] heeft verklaard dat hij regelmatig cocaïne kocht van [medeverdachte A]. [medeverdachte A] woonde aan [adres A te plaats] en daar woonde ook een jongen genaamd [verdachte B]. [getuige F] heeft [verdachte B] ook wel eens gebeld voor drugs.6

4.12 Getuige [getuige J] heeft verklaard dat hij [verdachte B], ook wel [verdachte B] genoemd, heeft opgebeld en dat hij bij [verdachte B] cocaïne wilde kopen.7 [getuige J] heeft verklaard dat hij gemiddeld twee keer per week bij verdachte cocaïne kocht en dat hij dat ongeveer al een half jaar doet.8

4.13 Voorts heeft getuige [getuige K] verklaard dat hij cocaïne van verdachte heeft gehad.9 Tevens heeft hij verklaard dat hij heeft gezien dat [verdachte B] ([verdachte B]) cocaïne heeft verkocht aan anderen.10

4.14 Verdachte heeft verklaard dat hij op het adres [adres B] heeft gewoond en dat hij rond juni-juli 2008 bij zijn vriend [medeverdachte A], aan [adres A te plaats] ging wonen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij [verdachte B] of [verdachte B] wordt genoemd en dat hij meermalen cocaïne voor vrienden heeft gekocht en verkocht in Zutphen.11 Tevens heeft hij ter terechtzitting erkend zelf ook cocaïne gebruikt te hebben.

4.15 Tijdens de aanhouding van verdachte op 18 december 2008 zijn drie pakketjes inbeslaggenomen. De narcotest met betrekking tot de onder verdachte inbeslaggenomen pakketjes geeft de indicatie dat het cocaïne betreft.12 Cocaïne staat vermeld op lijst I van de Opiumwet.13

4.16 Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de ten laste gelegde periode op meerdere tijdstippen cocaïne heeft verkocht aan meerdere gebruikers. De rechtbank is niet van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte tezamen en vereniging met (een) ander(en) cocaïne heeft verkocht. Derhalve deelt de rechtbank de opvatting van de officier van justitie en raadsman dat geen sprake is van medeplegen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

5. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 18 december 2008 te Zutphen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt gebruikershoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

6. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

9. Oplegging van straf

9.1. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot 9 (negen) maanden gevangenisstraf waarvan 3 (drie) maanden voorwaardelijk, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

9.2. De raadsman heeft bepleit een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsman bepleit, indien de rechtbank een langere periode handel in cocaïne bewezen acht, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met daarnaast een werkstraf, waarvan een deel voorwaardelijk opgelegd kan worden.

9.3. De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor verkeersdelicten, maar niet terzake de Opiumwet.

9.4. De rechtbank heeft voorts bij de strafoplegging rekening gehouden met het rapport van de reclassering (d.d. 26 januari 2009), waaruit blijkt dat verdachte het afgelopen jaar bijzonder weinig verantwoordelijkheid getoond heeft in zijn doen en laten en dat hij geen actie heeft ondernomen om de situatie rondom zijn schuldenproblematiek, wonen en werken te verbeteren. Verdachte zegt niet verslaafd te zijn aan cocaïne en niet naar de hulpverlening te willen gaan, derhalve zijn er onvoldoende gronden om een behandeling op te leggen, aldus de reclassering.

9.5. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan - kort gezegd - handel in cocaïne. Cocaïne is voor de gezondheid van gebruikers daarvan een zeer schadelijke stof en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit. Kennelijk heeft de verdachte zich laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen. De handel in harddrugs dient dan ook krachtig te worden bestreden.

9.6. Als oriëntatiepunt voor verkopen van cocaïne voor de duur van drie tot zes maanden, geldt een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte binnen de bewezenverklaarde periode ongeveer een half jaar cocaïne heeft verkocht. Dit mede omdat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij in juni-juli 2008 aan [adres A te plaats] is gaan wonen en getuigen hebben verklaard ongeveer een half jaar bij verdachte cocaïne te hebben gekocht.

9.7. De rechtbank komt op grond van het onder 9.6 genoemde tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats met daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf om verdachte te weerhouden strafbare feiten te plegen. Met het oog op het rapport van de reclassering ziet de rechtbank geen redenen tot het opleggen van verplicht reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

10. Inbeslaggenomen voorwerpen

10.1 De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verbeurdverklaring van het onder 2, 3, 4, 5, 6 en 7 genoemde op de beslaglijst en tot onttrekking aan het verkeer van het onder 1 en 8 genoemde. Op het onder 9 genoemde inbeslaggenomene ligt conservatoir beslag.

10.2 De rechtbank is van oordeel dat na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

- 1 strip Beclometason (medicijn), (nr.2);

- Medicijnendoosje, paracetamol en budeonside (nr. 3);

- Tas met camouflageprint en oranje teken aan voorzijde (nr. 5);

- Digitale weegschaal, merk Tanita, type 1479V (nr. 6);

- Bjorn Borg tasje met ondergoed met daarin drie gripzakjes (nr. 7).

10.3 Nu de in beslag genomen middelen, te weten:

- 3 wikkels met wit poeder (nr. 1);

- 1 wikkel met restanten wit poeder (nr. 8),

middelen zijn als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, dienen deze op grond van artikel 13a van de Opiumwet te worden onttrokken aan het verkeer.

10.4 Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van het na te melden voorwerp aan de veroordeelde:

- Laptop, merk Dell, type PP05XB, kleur zilver (nr. 4).

11. Toepasselijke wettelijke artikelen

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a 14b, 14c, 24, 27, 33a, 33b, 36b, 36c, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

verklaart verdachte strafbaar.

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 3 wikkels met wit poeder (nr. 1);

- 1 wikkel met restanten wit poeder (nr. 8).

verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 strip Beclometason (medicijn), (nr.2);

- Medicijnendoosje, paracetamol en budeonside (nr. 3);

- Tas met camouflageprint en oranje teken aan voorzijde (nr. 5);

- Digitale weegschaal, merk Tanita, type 1479V (nr. 6);

- Björn Borg tasje met ondergoed met daarin drie gripzakjes (nr. 7).

gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan veroordeelde, te weten:

- Laptop, merk Dell, type PP05XB, kleur zilver (nr. 4).

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Gilhuis en Tas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Soest, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 april 2009.

Mr. Tas is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam) proces-verbaal nr. PL0631/08-208890, gedateerd 23 januari 2009.

2 Proces-verbaal, ambtelijk verslag (pagina 105).

3 Proces-verbaal, ambtelijk verslag (pagina 106).

4 Proces-verbaal, ambtelijk verslag (pagina 107).

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige D] (pagina 191).

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige F] (pagina 366).

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige J] (pagina 371 en 372).

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige J] (pagina 373).

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige K] (pagina 305).

10 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige K] (pagina 306).

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

12 Proces-verbaal, ambtelijk verslag (pagina 117).

13 Proces-verbaal, ambtelijk verslag (pagina 118).