Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BI0638

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
100315 KG RK 09-93
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tweede wrakingsverzoek in Puttense zaak afgewezen. De wrakingskamer verklaart het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. De verdachte in de Puttense zaak is niet in zijn tweede wrakingsverzoek ontvangen nu niet is gebleken van relevante feiten en omstandigheden die pas na het eerste verzoek bekend zijn geworden, zodat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 513, vierde lid, Wetboek van Strafvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

rekestnummer: 100315 KG RK 09-93

Beschikking van 9 april 2009 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in het Pieter Baan Centrum te Utrecht,

verzoeker,

advocaat mr. R.D.A. van Boom te Utrecht

strekkende tot wraking van:

mr. R. KRIJGER, mr. M.C. VAN DER MEI en mr. C.E. HEMRICA,

rechters in de meervoudige strafkamer in deze rechtbank,

verweerders.

Verzoeker zal worden aangeduid met [verzoeker]. Verweerders zullen ook worden aangeduid met Krijger c.s.

1. Het verloop van de procedure

Dit blijkt - voorzover van belang - uit:

-het op 10 maart 2009 ontvangen verzoek van [verzoeker] strekkende tot wraking van de rechtbank Zutphen

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van dit wrakingsverzoek op 26 maart 2009

- de pleitaantekeningen van Krijger c.s.

- de pleitaantekeningen van de officier van justitie, mr. J.M. Froberg.

2. Het wrakingsverzoek en het verweer.

2.1 Hoewel [verzoeker] in zijn wrakingsverzoek niet nader aangeeft welke rechters hij wraakt, vat de wrakingskamer in deze rechtbank het verzoek in die zin op dat hij de rechters wraakt die zitting hebben in de meervoudige stafkamer, belast met het onderzoek ter terechtzitting in de tegen hem lopende strafzaak.

2.2 In november 2008 heeft de verdediging van [verzoeker] het definitieve proces-verbaal van justitie ontvangen waarin justitie heeft gesteld dat in het dossier alle stukken zijn gevoegd die relevant kunnen zijn voor de in de tegen [verzoeker] gevoerde strafzaak te nemen beslissing.

2.3 Bij beslissing van deze rechtbank van 4 december 2008 in de strafzaak heeft de rechtbank onder meer het verzoek van de verdediging afgewezen om oude onderzoekdossiers die betrekking hebben op de vervolging van [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B], (hierna: [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B]) voorheen verdachten in een strafzaak terzake van het misdrijf waarvan [verzoeker] thans verdacht wordt, te voegen in de strafzaak. Een van de dragende overwegingen van de rechtbank in haar beslissing van 4 december 2008, luidt, voor zover relevant:

"Op het voorgaande dient één nuancering te worden aangebracht met betrekking tot het scenario dat de destijds aangehouden [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B] verantwoordelijk zouden zijn voor het feit. Dit scenario zou verdachte immers wel kunnen ontlasten. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B] bij arrest van 24 april 2002 vrijgesproken. Gelet op de inhoud van het arrest is er, zonder nieuwe feiten en omstandigheden dan wel zonder nadere specifieke motivering, geen aanleiding om meer stukken, dan welke al in het dossier aanwezig zijn met betrekking tot dit scenario, aan het dossier in deze zaak toe te voegen. De rechtbank wijst derhalve het verzoek van de raadsman dienaangaande thans af."

2.4 Bij fax van 8 januari 2009 heeft de rechtbank voormeld proces-verbaal als volgt aangevuld:

"Het verzoek van de raadsman om de oude onderzoekdossiers tegen [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B]

volledig te betrekken in deze zaak wordt afgewezen. Daarbij is van belang dat [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B] door het Gerechtshof te Leeuwarden definitief zijn vrijgesproken, dat er geen nieuwe feiten zijn aangevoerd, alsmede dat zich in het nieuwe dossier stukken uit die oude onderzoeken bevinden. Verder wordt de raadsman door de officier van justitie in de gelegenheid gesteld de oude dossiers in te zien. De raadsman kan na inzage verzoeken om stukken uit de oude onderzoeken aan het huidige dossier toe te voegen."

2.5 Op 4 februari 2009 heeft [verzoeker] verzocht de rechtbank te Zutphen te wraken. Bij beschikking van de wrakingskamer in deze rechtbank is [verzoeker] op 6 februari 2009 in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

2.6 Op 12 februari 2009 heeft de verdediging van [verzoeker] wederom een verzoek gedaan om voeging van stukken aan het dossier van [verzoeker]. De verdediging heeft onder meer gevraagd om voeging van alle verklaringen c.q. bekentenissen van [ex-veroordeelde B] en [ex-veroordeelde A], nu hun verklaringen de verklaring van [verzoeker] ondersteunen, dat niet hij maar anderen, namelijk [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B], het misdrijf hebben gepleegd waarvan hij thans verdacht wordt. De verdediging heeft in dit verband de rechtbank op een getuigenverklaring gewezen van [getuige] van 16 juli 2003 welke verklaring in november 2008 aan het dossier is gevoegd. Uit deze verklaring blijkt dat reeds de dag na de moord een getuige in de richting wijst van - onder meer - [ex-veroordeelde B] en [ex-veroordeelde A], terwijl - voor zover bekend - [ex-veroordeelde B] en [ex-veroordeelde A] pas na enkele weken in beeld kwamen, aldus de verdediging.

2.7 Bij beslissing van deze rechtbank van 5 maart 2009 in de strafzaak heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen. De dragende overwegingen van de rechtbank in haar beslissing van 5 maart 2009 luiden:

"De rechtbank heeft ter zitting van 4 december 2008 uitgebreid beslist op het verzoek van de raadsman om stukken die zien op het scenario [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B] aan het dossier toe te voegen. Hier wordt volstaan met een verwijzing naar haar eerdere beslissing en motivering daarvan. Onder verwijzing naar haar motivering in het procesverbaal van 4 december 2008 ( overweging 11) wijst de rechtbank het herhaalde verzoek van de raadsman af."

2.8 Voormelde beslissing van de rechtbank is niet alleen ongeloofwaardig, maar ook onhoudbaar terwijl de beslissing bovendien onmiskenbaar ingegeven is door het feit dat [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B] zijn vrijgesproken door Hof Leeuwarden, hetgeen er kennelijk op duidt dat de rechtbank, wat betreft zijn verzoek tot voegen van stukken, vooringenomen is, aldus [verzoeker].

2.9 Krijger c.s. hebben zich tegen het verzoek verweerd, op welk verweer zo nodig zal worden ingegaan.

2.10 De officier van justitie heeft primair geadviseerd het verzoek niet in behandeling te nemen, subsidiair het verzoek af te wijzen en te bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling zal worden genomen.

3. De beoordeling

3.1 Het proces-verbaal van 5 maart 2009 van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank, luidt voor zover relevant:

"(...)

14. De rechtbank heeft ter terechtzitting van 4 december 2008 uitgebreid beslist op het verzoek van de raadsman om stukken die zien op het scenario [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B] aan het dossier toe te voegen. Hier wordt volstaan met een verwijzing naar haar eerdere beslissing en motivering daarvan. Onder verwijzing naar haar motivering in het proces-verbaal van 4 december 2008 (overweging 11) wijst de rechtbank het herhaalde verzoek van raadsman af.

(...)".

3.2 Op de voet van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan op verzoek - hierna te noemen het wrakingsverzoek - van een verdachte een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt - op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.3 Artikel 513 Sv bevat voorschriften van formele aard die van toepassing zijn op een dergelijk, hiervoor vermeld, verzoek. Ingevolge lid 4 van dit artikel is het mogelijk dat een verdachte een herhaald verzoek doet tot wraking van de behandelend rechter mits hij feiten of omstandigheden voordraagt die hem pas na het eerdere verzoek bekend zijn geworden.

3.4 [verzoeker] heeft ter motivering van zijn stelling dat er sprake is van zulke feiten en omstandigheden aangevoerd dat hij zijn tweede verzoek om stukken aan het strafdossier toe te voegen heeft gemotiveerd in die zin dat hij heeft verwezen naar de verklaring van [getuige] en in dit licht verzocht heeft om voeging van specifieke stukken, namelijk alle verklaringen van [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B]. De meervoudige strafkamer heeft dit verzoek wederom niet ingewilligd onder verwijzing naar haar eerdere beslissing van 4 december 2008 hetgeen aan te merken valt als een nieuw feit in de zin van artikel 513 lid 4 Sv, aldus [verzoeker].

3.5 De wrakingskamer oordeelt als volgt.

Vooropgesteld dient te worden dat gezien de plaats in het wetboek van artikel 513 lid 4 Sv, het niet anders kan zijn dan dat de wetgever met "feiten of omstandigheden", in dit artikel niet bedoeld heeft dat er louter sprake moet zijn van nieuwe feiten en omstandigheden maar bedoeld heeft dat er sprake moet zijn van een nieuw feit dat of een nieuwe omstandigheid die het oordeel rechtvaardigt dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Tegen deze achtergrond dient dus beoordeeld te worden of het afwijzen van voeging van stukken uit de dossiers van [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B] in het licht van de verklaring van [getuige], en het gegeven dat de stukken waarvan voeging wordt gevraagd in zoverre zijn gespecificeerd dat deze bepaalbaar zijn, zo'n (nieuw) feit of (nieuwe) omstandigheid is.

3.6 Naar het oordeel van de wrakingskamer is van een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 513 lid 4 Sv geen sprake. Daartoe overweegt de wrakingskamer dat het enige verschil tussen het verzoek van [verzoeker] dat heeft geleid tot de beslissing van 4 december 2008 van de meervoudige strafkamer en het verzoek van [verzoeker] dat heeft geleid tot de beslissing van 5 maart 2009 van de meervoudige strafkamer is dat [verzoeker] in zijn tweede verzoek naar de verklaring van [getuige] verwijst en dat het verzoek betrekking heeft op specifieke stukken uit de dossiers van [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B]. In beide gevallen heeft de meervoudige strafkamer echter kennelijk aanleiding gehad om de verzoeken - na het maken van dezelfde afweging - af te wijzen. Zowel het eerste als het tweede wrakingsverzoek vinden hun grondslag in de afwijzing van het verzoek om stukken aan het strafdossier toe te voegen en de (gelijkluidende) wijze waarop die afwijzing is gemotiveerd. Anders dan verzoeker kan de wrakingskamer in een en ander geen nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van voormeld artikel ontwaren.

3.7 Onder verwijzing naar de beschikking van de wrakingskamer van 6 februari 2009 overweegt de wrakingskamer ten overvloede dat uit de afwijzende beschikking van de meervoudige strafkamer geenszins volgt dat zij geen oog heeft voor het voor [verzoeker] ontlastende scenario waarin bijvoorbeeld [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B] betrokken zouden zijn, hetgeen de meervoudige strafkamer overigens door in haar beslissing van 5 maart 2009 te verwijzen naar de voor de eerdere afwijzing gegeven motivering, wederom heeft benadrukt. Dat de meervoudige strafkamer in deze motivering er onder meer gewag van heeft gemaakt dat [ex-veroordeelde A] en [ex-veroordeelde B] in 2002 door het Hof te Leeuwarden zijn vrijgesproken doet hier naar het oordeel van de wrakingskamer niets aan af.

Voorts overweegt de wrakingskamer nog dat de inhoud van de door de meervoudige strafkamer gegeven beslissing om de verzochte stukken niet aan het strafdossier van [verzoeker] toe te voegen in hoger beroep aan de orde kan worden gesteld. Het is niet aan de wrakingskamer om een oordeel te hebben over de juistheid van deze beslissing.

3.8 Nu niet gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden die een herhaald wrakingsverzoek rechtvaardigen zal [verzoeker] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek.

3.9 Het verzoek van de officier van justitie om te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van [verzoeker] in de strafzaak niet in behandeling zal worden genomen zal niet worden gehonoreerd aangezien tot nu toe niet is gebleken dat [verzoeker] misbruik van deze bevoegdheid maakt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1 verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van mr. R. Krijger,

mr. M.C. van der Mei en mr. C.E. Hemrica,

4.2 bepaalt dat de procedure, bij de rechtbank bekend onder parketnummer 06/580197-08 wordt voortgezet in de stand waarin deze procedure zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.G. de Jong, mr. W.H. Westhuis en mr. R. Feunekes,

allen vice-president en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2009 in aanwezigheid van

mr. H.C. Wichers Hoeth, griffier.