Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BH9371

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
08/338
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gemeente Putten. Vrijstelling en bouwvergunning voor de uitbreiding van een winkel en magazijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 08/338

Uitspraak in het geding tussen:

Hellenique Beheer B.V.

te Putten,

eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten

verweerder.

Derdepartij: v.o.f. [derde partij] Tabak en Kado, te Putten.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 16 januari 2008.

2. Feiten

Bij besluit van 13 december 2006 heeft verweerder aan de derdepartij reguliere bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van een winkel en magazijn op het perceel, plaatselijk bekend [adres] te Putten (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 april 2007 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit door eiseres ingestelde beroep is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij uitspraak van 27 juli 2007 (reg. nrs. 07/835 en 07/1014) gegrond verklaard en het besluit van 25 april 2007 is vernietigd. Verweerder is opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift van eiseres te nemen.

Op 18 oktober 2007 heeft verweerder vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het gebruik als magazijn van het achterste gedeelte van de eerste etage van het pand op het perceel.

Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 13 december 2006 in stand gelaten, met in achtneming van de verleende vrijstelling van 18 oktober 2007 en de op 15 augustus 2007 ingediende gewijzigde tekening van het bouwplan (No. RB/163/06).

3. Procesverloop

Namens eiseres heeft mr. G. Bosma, advocaat te Utrecht, beroep ingesteld bij de rechtbank op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden.

Bij brief van 4 juni 2008 heeft mr. H.A.M. Lamers, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, het standpunt van de derdepartij uiteengezet.

Het beroep is behandeld ter zitting van 8 januari 2009, waar [naam 1] namens eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. Bosma en vergezeld van [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Vooren en A. van den Herik. Namens de derdepartij is verschenen [naam 3], bijgestaan door mr. Lamers.

4. Motivering

4.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

4.2. De in geding zijnde gronden hebben volgens het vigerende bestemmingsplan "Centrum 1990" de bestemming "Centrumdoeleinden".

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. detailhandel, uitsluitend op de begane-grond-bouwlaag;

c. verzorgende, ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven, niet zijnde kantoren;

d. instellingen ter zake van verenigingsleven, religie, cultuur, onderwijs, recreatie, openbare en bijzondere dienstverlening;

e. horecabedrijf uitsluitend in de vorm van een restaurant en/of een koffieshop;

f. voor zover gronden op de plankaart zijn aangeduid als aangegeven in de tabel, bovendien voor de bij de respectievelijke aanduiding aangegeven doeleinden.

Volgens het derde lid, aanhef en onder a, van artikel 9 van de planvoorschriften mag het bebouwingspercentage ten hoogste zoveel bedragen als op de kaart in het desbetreffende bouwvlak is aangegeven. In dit geval is op de plankaart het percentage 100 vermeld.

Ingevolge het zesde lid, onder a, van artikel 9 van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder b, van de planvoorschriften voor het toelaten van detailhandel op boven de begane-grond-bouwlaag gelegen bouwlagen.

4.3. De derdepartij exploiteert in Putten op het adres [adres] haar winkelbedrijf.

Eiseres is eigenares van de panden aan de [adres] te Putten. De achterperceelgrens van het perceel/de percelen van eiseres is tevens deels de zijperceelgrens van het perceel van de derdepartij. Het pand aan de [adres] is tot op de perceelgrens (uit)gebouwd. In de achtermuur zijn zowel op de eerste als de tweede bouwlaag ramen aangebracht. Het bouwplan voorziet in het aan de achterzijde met twee bouwlagen uitbouwen van het pand van de derdepartij. De uitbreiding zal volgens de bouwtekening gebruikt worden als winkel en magazijn (begane-grond-bouwlaag) en magazijn (eerste

etage). Het perceel van de derdepartij zal aldus vrijwel geheel worden volgebouwd. De afstand tot de achtermuur van het pand [adres] bedraagt 0.53 meter.

4.4. Vast staat dat, zoals in de onder 1 genoemde uitspraak van 27 juli 2007 is geoordeeld, het bouwplan strijdig is met het vigerende bestemmingsplan “Centrum 1990”, omdat volgens het bestemmingsplan de functie "detailhandel" op de eerste etage niet is toegestaan, terwijl het gebruik van de eerste etage van het bouwplan als "magazijn" ten behoeve van de op de begane grond gevestigde winkel past binnen de functie "detailhandel".

In verband daarmee heeft verweerder vrijstelling verleend op de voet van artikel 9, zesde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften.

4.5. Eiseres heeft in beroep gesteld dat verweerder geen vrijstelling van het bouwplan heeft kunnen verlenen, omdat het bouwplan een onevenredige inbreuk betekent op haar belang bij voldoende daglichttoetreding in de ruimten aan de achterzijde van haar pand aan de [adres]. Volgens eiseres wordt die daglichttoetreding, ondanks de (nu) vrijgehouden ruimte van 0.53 meter en de plaatsing van zogeheten solar tubes, ontoelaatbaar beperkt.

4.6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich echter terecht op het standpunt gesteld dat het belang van eiseres bij voldoende daglichttoetreding niet wordt getroffen door de verleende vrijstelling voor het gebruik van de eerste etage als magazijn. Dat belang ziet immers niet op het gebruik maar op het bouwvolume, meer in het bijzonder op het feit dat in twee bouwlagen wordt gebouwd tot kort op de achterperceelgrens van het perceel/de percelen van eiseres. Dat bouwvolume is op grond van de bestemmingsplanbepalingen reeds mogelijk. Gelet op het bepaalde in artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften en nu de plankaart het percentage 100 vermeld, mag het perceel van de derdepartij volledig – dat wil zeggen tot op de perceelsgrenzen – worden bebouwd. De verleende gebruiksvrijstelling voegt op dit punt niets toe.

4.7. De stelling van eiseres dat aldus sprake is van een ontoelaatbare splitsing van de bouwaanvraag en dat wordt miskend dat de vrijstelling integraal onderdeel is van de bouwvergunning en onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van de toetsing van het hele bouwplan, faalt.

Indien burgemeester en wethouders bij het nemen van de beslissing op bezwaar tegen de verlening van een bouwvergunning bemerken dat zich een weigeringsgrond voordoet die bij het verlenen van de vergunning niet was onderkend, maar die door middel van een vrijstelling kan worden opgeheven, staat het hen vrij om – mits op basis van een deugdelijke belangenafweging – die vrijstelling alsnog te verlenen en de vergunning te handhaven.

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 28 mei 2003 (LJN AF9235), maar die verwijzing gaat niet op. Anders dan in die procedure, is hier geen sprake van een splitsing van de bouwaanvraag. In dit geval heeft verweerder slechts bij de belangenafweging in het kader van de vraag of de voor bouwvergunning noodzakelijke vrijstelling wordt verleend, aangegeven dat aan bepaalde belangen geen gewicht toekomt.

De stelling van eiseres dat het bouwvolume onlosmakelijk verbonden is met de vrijstelling omdat realisering van een bouwwerk als het onderhavige op de locatie in geding slechts mogelijk is bij gebruik ten behoeve van detailhandel, volgt de rechtbank niet, gezien de andere mogelijkheden (dan wonen en detailhandel) die artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften biedt binnen de bestemming "Centrumdoeleinden". De verwijzing van

eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2002 (LJN AE5961) gaat daarom evenmin op. Niet gebleken is dat een binnen het bestemmingsplan passend bouwplan met een volume als het onderhavige bouwplan geen reële mogelijkheid is.

4.8. Ook overigens heeft eiseres in beroep niets aangevoerd dat grond geeft voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot verlening van de vrijstelling heeft kunnen komen.

4.9. Voor het overige is de bouwvergunningverlening in beroep niet in geschil.

4.10. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

5. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.