Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BH9276

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
92040 - HA ZA 08-303
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

niet terugkomen op een bindende eindbeslissing: verzoek om terug te komen op in het tussenvonnis gegeven eindbeslissing is in strijd met de goede procesorde. Overzicht van enige jurisprudentie, oa HR 23-11-2007, JBPr 2008, 40 en 25-4-2008, NJ 2008, 553. Feitelijk is het een verzoek om intern hoger beroep. Dit is in strijd met het systeem van de wet. Partij heeft de mogelijkheid het debat volledig te heropenen, maar dient daarvoor de in de wet voorziene procedure van hoger beroep te volgen. Alsnog hoger beroep van het tussenvonnis toegelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2009/53 met annotatie van mw. mr. K. Teuben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 92040 / HA ZA 08-303

Vonnis van 1 april 2009

in de zaak van

de stichting

ST. SCHOLENGROEP RIJK VAN NIJMEGEN,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F.B.M. van Aanhold te Zutphen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RAADGEVEND INGENIEURSBURO SCHREUDER B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.H. Elgersma te Heerenveen.

Partijen zullen hierna Scholengroep en Schreudergroep genoemd worden.

1. Het verzoek

1.1. Bij brief van 9 maart 2009 heeft mr. Elgersma namens Schreudergroep de rechtbank verzocht om terug te komen op haar in het tussenvonnis van 28 januari 2009 gegeven beslissing dat tussen partijen een mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen. Subsidiair verzoekt Schreudergroep alsnog hoger beroep toe te staan van het vonnis van 28 januari 2009.

1.2. Scholengroep heeft bij akte van 18 maart 2009 bericht tegen inwilliging van dat verzoek bezwaar te hebben. Er is, aldus Scholengroep, geen sprake van een onjuiste feitelijke grondslag en overigens geen situatie aanwezig die ertoe noopt terug te komen op een eerder beslissing omtrent de bewijslastverdeling. Ook is, in de visie van Scholengroep, de enkele onvrede van Schreudergroep onvoldoende om hoger beroep toe te staan.

2. De beoordeling

2.1. De rechtbank is van oordeel dat het primaire verzoek moeten worden afgewezen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

2.2. In het tussenvonnis is in overweging 4.1 opgenomen: “(…) Schreudergroep betwist niet dat op 10 oktober 2001 in de bouwvergadering over het door haar verrichten van de subsidieaanvraag ten behoeve van Scholengroep is gesproken. Schreudergroep betwist wel dat zij daartoe van Scholengroep opdracht heeft gekregen. Zij stelt dat zij de subsidieaanvraag in opdracht van AGS heeft verzorgd. Zij wijst op de offerte die hierboven onder 2.3 is weergegeven en stelt dat AGS deze offerte heeft aanvaard. Schreudergroep overlegt echter geen andere onderbouwing dan de onder 2.3 genoemde offerte. Een overeenkomst, dan wel enig ander stuk waaruit volgt dat AGS deze offerte heeft geaccepteerd of op andere wijze opdracht aan Schreudergroep heeft verstrekt is niet overgelegd. Het verweer van Schreudergroep is dan ook onvoldoende onderbouwd.

Scholengroep wordt gevolgd in haar stelling, zodat vast staat dat tussen partijen een mondelinge overeenkomst bestaat.”.

Hiermee is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat tussen partijen een mondelinge overeenkomst bestaat en aldus een eindbeslissing gegeven.

2.3. Schreudergroep geeft in haar brief thans een verklaring voor het feit dat zij niet heeft betwist dat op 10 okotober 2001 een bouwvergadering is geweest of wat daar besproken zou zijn.Ook geeft zij een uiteenzetting van in de procedure tot nu toe door haar ingenomen standpunten met betrekking tot het al dan niet bestaan van een overeenkomst met Scholengroep en geeft zij een nadere onderbouwing van haar standpunten, zulks in reactie op het oordeel van de rechtbank. Een en ander leidt tot een aanbod tot het leveren van (tegen)bewijs en de conclusie dat Scholengroep nader bewijs had moeten worden opgedragen van haar stelling dat op 10 oktober 2001 een overeenkomst met Schreudergroep is gesloten.

2.4. Sinds 1930 was de lijn in de jurisprudentie dat een rechter niet kon terugkomen op een in een tussenvonnis gegeven eindbeslissing. De ratio daarvoor was te vinden in de goede procesorde waaruit werd afgeleid dat na een eindbeslissing het debat van partijen over een of meer geschilpunten als beëindigd beschouwd moet worden. De betreffende geschilpunten konden slechts opnieuw worden bestreden door aanwending van een in de wet voorzien rechtsmiddel (o.a. HR 20 juni 1930, NJ 1930, p 1217 en HR 4 mei 1984, NJ 1985, 3). Slechts in uitzonderlijke gevallen was enige ruimte om terug te komen, maar de rechter diende daarbij grote terughoudendheid in acht te nemen (o.a. HR 8 april 1994, NJ 1994, 623, HR 12 mei 1995, NJ 1995, 514 en HR 5 januari 1996, NJ 1996, 597). Hierbij werd als maatstaf genomen dat van een eerder gegeven eindbeslissing in dezelfde instantie niet meer kon worden teruggekomen, behoudens indien bijzondere, door de rechter in zijn desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden. Dit laatste kon met name het geval zijn indien sprake was van een evidente feitelijke of juridische misslag van de rechter of indien de desbetreffende beslissing bleek te berusten op een, niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag.

2.5. In de uitspraken van de Hoge Raad van 23 november 2007, JBPr 2008, 40 en van 25 april 2008, NJ 2008, 553 is deze strenge maatstaf versoepeld. Thans wordt aangenomen dat voor een in een tussenvonnis gegeven eindbeslissing geldt dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Hierbij wordt geen uitzondering gemaakt voor de situatie waarin het aan een belanghebbende partij zelf te wijten is dat uitgegaan is van een onjuiste grondslag.

In de aan deze uitspraken ten grondslag liggende gevallen betrof het nieuwe inzichten die het gevolg waren van een nieuwe lijn in de jurisprudentie respectievelijk een verklaring in een getuigenverhoor. Dit betrof feiten en omstandigheden die uit het normale verloop van de (tijd gedurende de) procedure zijn gebleken, geen feiten of omstandigheden en/of daarop gebaseerde stellingen van partijen die al van meet af aan aan de orde hadden kunnen worden gesteld door de partij die zich daarop bij nader inzien wenst te beroepen.

2.6. Hetgeen thans door Schreudergroep aan de orde wordt gesteld komt neer op een intern hoger beroep, waarbij Schreudergroep ten aanzien van een (reeds beslist) geschilpunt haar standpunten aanpast en nader onderbouwt teneinde alsnog een haar meer welgevallige beslissing te verkrijgen, terwijl zij overigens haar eerdere stellingen en argumenten (uitgebreid) herhaalt. Een dergelijke wijze van procederen is in strijd met de goede procesorde. Het gaat niet aan om, in het kader van een verzoek tot heroverweging, de wederpartij te dwingen in te gaan op inhoudelijk gewijzigde of aangevulde stellingen en daarmee het debat te heropenen en de procedure te vertragen. Het oorspronkelijke uitgangspunt, als hierboven onder 2.4 genoemd, dat met de eindbeslissing een einde moet kunnen komen aan een deel van het debat in deze aanleg, staat hieraan in de weg.

Een andere opvatting zou er toe leiden dat het debat van partijen in eerste aanleg oeverloos wordt en de rechter de mogelijkheid wordt ontnomen de procedure waar mogelijk of nodig door eindbeslissingen op onderdelen te structureren. Immers, iedere partij zal dan steeds de mogelijkheid hebben een debat over - al dan niet na heroverweging - besliste onderdelen te heropenen. Waar het hier een procedure in eerste aanleg betreft, bestaat voor Schreudergroep nog alle mogelijkheid een nieuwe inhoudelijke beoordeling te krijgen en haar standpunten desgewenst te wijzigen en aan te passen. Zij dient daartoe de in de wet voorziene procedure van hoger beroep te volgen.

2.7. Daar komt nog bij dat in het wettelijk stelsel van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) is neergelegd dat partijen verplicht zijn om in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure alle voor de procedure van belang zijnde feiten, stellingen en verweren volledig aan te dragen, opdat met voortvarendheid kan worden geprocedeerd. Partijen dienen hun geschillen zoveel mogelijk pas aanhangig te maken als deze in de fase, voorafgaand aan de dagvaarding, voldoende zijn uitgekristalliseerd, zodat niet onnodig beslag wordt gelegd op de capaciteit van de gerechten.

Deze uitgangspunten komen onder meer tot uitdrukking in de artikelen 21, 111 en 128 Rv. Het is in strijd met dit wettelijk systeem om partijen in dit stadium van de procedure in eerste aanleg de gelegenheid te moeten geven de door hen aanvankelijk ingenomen stellingen en standpunten na een - hen onwelgevallige- eindbeslissing uit een tussenvonnis aan te passen, terwijl zij deze eerder hadden kunnen (en, volgens het wettelijke systeem, ook moeten) innemen. Het primaire verzoek van Schreudergroep zal dan ook worden afgewezen.

2.8. Het subsidiaire verzoek zal wel worden toegewezen. Indien in hoger beroep zou komen vast te staan dat geen sprake is van een overeenkomst tussen Scholengroep en Schreudergroep, zal de vordering van Scholengroep op de subsidiaire grondslag, onrechtmatige daad, verder ter beoordeling voorliggen. Hierbij is ook de vraag naar de verhoudingen tussen Scholengroep, Schreudergroep en AGS van belang, zodat niet vast staat dat aan de thans in het tussenvonnis gegeven bewijsopdracht zal worden toegekomen. Ter voorkoming van wellicht onnodige kosten ter uitvoering van deze bewijsopdracht, zal tussentijds hoger beroep worden toegestaan.

3. De beslissing

De rechtbank

- wijst het verzoek om terug te komen op de eerdere eindbeslissing af,

- bepaalt dat van het op 28 januari 2009 gewezen vonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en

mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2009.?