Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BH8612

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
06/460453-08 en 06/800038-08 en 06/552431-06 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling, overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet, poging tot zware mishandeling en mishandeling. Veroordeelde is verminderd toerekeningsvatbaar. De vordering tenuitvoerlegging is afgewezen en de proeftijd is verlengd met één jaar. Opgelegde straf is een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, een werkstraf voor de duur van 200 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 7
Wegenverkeerswet 1994 179
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 10
Wetboek van Strafrecht 14a
Wetboek van Strafrecht 14f
Wetboek van Strafrecht 14g
Wetboek van Strafrecht 22c
Wetboek van Strafrecht 22d
Wetboek van Strafrecht 27
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 91
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummers: 06/460453-08 en 06/800038-08 en 06/552431-06 (tul)

Uitspraak d.d.: 27 maart 2009

Tegenspraak / dip – oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1972],

wonende te [adres].

Raadsman mr. P.P. Verdoorn te Apeldoorn.

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

13 maart 2009.

2. De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

parketnummer 06/460453-08:

1.

hij op of omstreeks 11 september 2008 te Eerbeek, gemeente Brummen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer A], hulpofficier van politie (district IJsselstreek), van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem bestuurde auto, met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur, althans met een aanzienlijke snelheid, op die [slachtoffer A] is afgereden/ingereden en/of is blijven rijden in de richting van die [slachtoffer A], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 11 september 2008 te Eerbeek, gemeente Brummen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer A], hulpofficier van politie (district IJsselstreek), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem bestuurde auto met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur, althans met een aanzienlijke snelheid, op die [slachtoffer A] is afgereden/ingereden en/of is blijven rijden in de richting van die [slachtoffer A], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 11 september 2008 te Eerbeek, gemeente Brummen, [slachtoffer A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem bestuurde auto met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur, althans met een aanzienlijke snelheid, op die [slachtoffer A]

afgereden/ingereden en/of blijven rijden in de richting van die [slachtoffer A];

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 11 september 2008 te Eerbeek, gemeente Brummen, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Harderwijkerweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer B]) letsel en/of schade was toegebracht;

(gevoegde zaak, Parketnr 550553/08)

art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

parketnummer 06/800038-08:

1.

hij op of omstreeks 20 september 2007 te Eerbeek, althans in gemeente Brummen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer C] van het leven te beroven, met dat opzet

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, met een of beide hand(en) (om) haar keel/nek heeft gegrepen/gepakt en/of (daarbij) de keel, althans de luchtweg(en), heeft (dicht)geknepen en/of

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, (met zijn vingers) op/tegen/onder het/de o(o)g(en) en/of op/tegen de sla(a)p(en) en/of op/tegen/achter het/de o(o)r(en) heeft gedrukt en/of geduwd en/of

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, zijn knie in/tegen/op de rug heeft geplaats en/of geduwd en/of (daarbij) de nek en/of het hoofd heeft (beet)gepakt en/of heeft (om)gedraaid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en/of, dat

hij op of omstreeks 20 september 2007 te Eerbeek, althans in de gemeente Brummen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer C], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, met een (hand)doek op/tegen de rug, althans op/tegen het lichaam, heeft geslagen en/of

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, met een of beide hand(en) (om) haar keel/nek heeft gegrepen/gepakt en/of (daarbij) de keel, althans de luchtweg(en), heeft (dicht)geknepen en/of

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, het lichaam op/tegen/naar de grond en/of op/tegen de deur heeft gewerkt en/of gegooid en/of

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, op/tegen de borst (ribbenkast en/of hartstreek), althans op/tegen het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, (met zijn vingers) op/tegen/onder het/de o(o)g(en) en/of op/tegen de sla(a)p(en) en/of op/tegen/achter het/de o(o)r(en) heeft gedrukt en/of geduwd en/of

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, zijn knie in/tegen/op de rug heeft geplaats en/of geduwd en/of (daarbij) de nek en/of het hoofd heeft (beet)gepakt en/of heeft (om)gedraaid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en/of, dat

hij op of omstreeks 20 september 2007 te Eerbeek, althans in de gemeente Brummen, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten te weten [slachtoffer C]

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, met een (hand)doek op/tegen de rug, althans op/tegen het lichaam, heeft geslagen en/of

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, met een of beide hand(en) (om) haar keel/nek heeft gegrepen/gepakt en/of (daarbij) de keel, althans de luchtweg(en), heeft (dicht)geknepen en/of

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, het lichaam op/tegen/naar de grond en/of op/tegen de deur heeft gewerkt en/of gegooid en/of

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, op/tegen de borst (ribbenkast en/of hartstreek), althans op/tegen het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, (met zijn vingers) op/tegen/onder het/de o(o)g(en) en/of op/tegen de sla(a)p(en) en/of op/tegen/achter het/de o(o)r(en) heeft gedrukt en/of geduwd en/of

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, zijn knie in/tegen/op de rug heeft geplaats en/of geduwd en/of (daarbij) de nek en/of het hoofd heeft (beet)gepakt en/of heeft (om)gedraaid,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 16 november 2007 te Eerbeek, althans in de gemeente Brummen, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer C], (met kracht) meermalen, althans eenmaal, met een of beide hand(en) (om) haar keel/nek heeft gegrepen/gepakt en/of (daarbij) op/tegen de keel, althans op/tegen het lichaam, heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3. Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs (eindnoot 1)

A. Vaststaande feiten

parketnummer 06/460453-08:

4.1 Op 11 september 2008 gaf de dienstdoende centralist van de regionale meldkamer te Apeldoorn een melding door, dat er op de kruising Harderwijkerweg/Karel van Gelreweg te Eerbeek een aanrijding had plaatsgevonden (eindnoot 2) . Verbalisant [slachtoffer A] ging ter plaatse en trof op voornoemde kruising een hoeveelheid scherven welke mogelijk afkomstig zouden zijn van een mistlamp van de voorzijde van een voertuig. De veroorzaker van de aanrijding was ter plaatse niet aangetroffen (eindnoot 3) .

parketnummer 06/800038-08:

4.2 Op 15 november 2007 heeft [slachto[slachtoffer C] een verklaring (eindnoot 4) afgelegd, dat zij op 20 september 2007 slachtoffer is geworden van geweld in de huiselijke sfeer aan de [adres] te Eerbeek, gepleegd door verdachte. Op 21 september 2007 is met betrekking tot [slachtoffer C] een medische verklaring opgesteld, waarin is beschreven dat zij contusies en hematomen aan de armen en rug, een ribcontusie en paravertebrale pijn aan haar nek heeft opgelopen.

Op 17 november 2007 heeft [slachtoffer C] wederom verklaard dat zij was mishandeld door verdachte (eindnoot 5) .

B. Standpunt van het openbaar ministerie

4.3 De officier van justitie heeft met betrekking tot de dagvaarding met parketnummer 06/800038-08 geconcludeerd tot een bewezenverklaring voor feit 1 meer subsidiair en feit 2. De bewezenverklaring van feit 1 meer subsidiair heeft zij gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer C], de getuigenverklaringen van [getuige A] en [getuige B] en de verklaring van verdachte. Er zijn twee getuigen, te weten [getuige A] en [getuige B], die bij [slachtoffer C] blauwe plekken op onder meer armen, nek en borstkas hebben gezien en van [slachtoffer C] hebben gehoord wat er is voorgevallen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij [slachtoffer C] heeft geslagen, maar dat hij zich de rest niet meer kan herinneren. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de tenlastegelegde gewelddadige handelingen hebben plaatsgevonden. Het was naar haar mening niet verdachtes bedoeling dat [slachtoffer C] zou overlijden, dus de officier van justitie komt niet tot een bewezenverklaring voor poging doodslag. Subsidiair is poging tot zware mishandeling ten laste gelegd. Ten aanzien van het opzet op het zwaar lichamelijk letsel, is naar de mening van de officier van justitie onvoldoende duidelijk dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde. Zij acht tot slot het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, te weten alle geweldshandelingen zoals in de tenlastelegging opgenomen, en [slachtoffer C] heeft pijn en letsel opgelopen.

Ten aanzien van feit 2 heeft [slachtoffer C] aangifte gedaan. De aangifte is niet ondertekend, maar [slachtoffer C] heeft wel melding gedaan bij de politie en er is van haar melding een verklaring opgesteld. Het lijkt erop dat verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer C] wilde afweren. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn woorden kracht bij wilde zetten. Juist uit die opmerking, heeft de officier van justitie afgeleid dat het om mishandeling gaat en niet om het afweren van [slachtoffer C]. e officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer C] p 20 september 2007 heeft mishandeld. Zij heeft pijn en rode striemen opgelopen.

4.4 Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 06/460453-08 heeft zij geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 subsidiair en 2. [slachtoffer A] heeft verdachte een stopteken gegeven. Hij stond met een reflecterend hesje en een lamp in zijn hand op de linkerrijbaan. Verdachte zou hier niets van hebben gezien. Het staat wel in zijn verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd, maar mogelijk dat de politie het hem in de mond heeft gelegd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij de politie het verhaal zelf is gaan invullen, maar de officier van justitie kan zich dat niet voorstellen. Zij acht de poging tot doodslag op de agent niet bewezen, gebaseerd op de getuigenverklaringen. Getuigen hebben gezien dat verdachte met een snelheid van 20 tot 30 kilometer per uur heeft gereden en na het stopteken is blijven rijden. De officier van justitie acht dit onvoldoende voor de bewezenverklaring van poging tot doodslag. Zij acht de poging tot zware mishandeling wel wettig en overtuigend bewezen. Verdachte is op de agent ingereden en heeft gezien dat er een bijzondere situatie was. Hij heeft het risico genomen dan wel voor lief genomen dat er iemand voor zijn auto stond. Hij is bewust de linkerrijbaan op gereden en doorgereden. Daarin zit een afweging dat hij weg wil en ook dat hij zich niet om die persoon heeft bekommerd, zodat hij bewust de kans heeft aanvaard dat er iets ergs gaat gebeuren.

Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2, heeft [slachtoffer B] aangifte gedaan van een aanrijding, als gevolg waarvan aan zijn auto schade is ontstaan. Verdachte is doorgereden. Getuige [getuige C] heeft aan de auto van verdachte schade geconstateerd. Verdachte heeft verklaard, dat hij in een toestand van woede en buiten zichzelf in de auto is gestapt. Hij hoorde piepende banden en heeft later naar de schade aan zijn auto gekeken. Dat zijn omstandigheden die erop duiden dat er iets is gebeurd, namelijk de aanrijding, en dat verdachte dat op een later moment ging checken. Hij is teruggereden, maar hij heeft zich niet gemeld als veroorzaker van het ongeval. Hij had moeten vermoeden dat er schade was ontstaan, zeker nu hij dat aan zijn eigen auto heeft gezien. Hij heeft er geen gevolg aan gegeven door zich te melden.

C. Standpunt van de verdediging

4.5 De raadsman heeft met betrekking tot de dagvaarding met parketnummer 06/460453-08 aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Uit het rapport van de VOA is naar voren gekomen dat [slachtoffer A] goed zichtbaar moet zijn geweest, en hij heeft verklaard dat hij oogcontact heeft gehad met verdachte, maar dat die geen aanstalten leek te maken om te stoppen. Gezien de psychische staat waarin verdachte verkeerde, een emotioneel labiele, paniekerige toestand (eindnoot 6) en het gegeven dat hij zich van die avond maar flarden kan herinneren, acht de raadsman het enkele feit dát hij doorreed niet voldoende om bewezen te achten dat hij opzet had. Uit de getuigenverklaringen van [slachtoffer B] en [getuige D] is gebleken dat verdachte niet hard reed. De aangever heeft niet vermeld dat verdachte reageerde op het stopteken door het maken van handgebaren, schreeuwen of uit enige gezichtsmimiek, hoofdschudden of wat dan ook. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat verdachte de aangever daadwerkelijk en bewust zag en zich realiseerde wat hij aan het doen was. Ook in het rapport van Kobussen, voornoemd, is vermeld dat verdachte mogelijk de hulpofficier niet heeft gezien. Gezien die situatie en mede gelet op het rapport van Kobussen, is niet bewezen dat verdachte het opzet had om aangever van het leven te beroven, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen of zelfs maar daarmee te dreigen. Hij was zich er niet van bewust wat hij deed, dan kan hij ook niet willens en wetens het risico op de koop toenemen dat één van de gevolgen zich zal verwezenlijken.

4.6 De raadsman heeft met betrekking tot parketnummer 06/800038-08 aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot doodslag en de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit het bewezenverklaarde kan niet worden gedestilleerd dat verdachte getracht heeft [slachtoffer C] om het leven te brengen. Allereerst blijkt dat niet uit de verklaringen van verdachte, maar ook [slachtoffer C] zelf geeft aan dat bij verdachte de wil daartoe heeft ontbroken. Zij heeft verklaard dat verdachte stopte met het dichtdrukken van haar keel, omdat het toen duidelijk was dat hij de macht over haar had. Hieruit blijkt dat zijn wil kennelijk niet gericht was op het ombrengen van [slachtoffer C], en er was dus geen sprake van een van buiten komende oorzaak die voltooiing verhinderde, maar van een kennelijk uit zichzelf voortgekomen besluit dat het genoeg was (eindnoot 7) . Ten aanzien van de poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan niet worden gesteld dat verdachte heeft getracht [slachtoffer C] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Immers kan niet met vrucht worden gesteld dat iemand door het enkele stompen tegen het lichaam van een ander of het kort dichtknijpen van diens keel de kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op de koop toeneemt. Naar de mening van de raadsman kan eenvoudige mishandeling bewezen worden geacht.

Ten aanzien van het tweede tenlastegelegde feit is de raadsman van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft erkend dat hij haar in de nek heeft gepakt om haar weg te duwen, maar dat is niet ten laste gelegd. Bovendien worden deze gebeurtenissen niet door [slachtoffer C] bevestigd.

D. Beoordeling door de rechtbank

parketnummer 06/460453-08:

Feit 1:

4.7 Bij de politie (eindnoot 8) heeft [slachtoffer A] verklaard dat hij op 11 september 2008 was belast met de uitvoering van de officier van dienst/hulpofficier van justitiedienst in het district IJsselstreek van de politieregio Noord en Oost Gelderland. Hij was in uniform gekleed en maakte gebruik van een opvallend dienstvoertuig. Hij kreeg van de regionale meldkamer de opdracht te gaan naar de kruising Harderwijkerweg/Karel van Gelreweg te Eerbeek in verband met een aanrijding. Ter plaatse aangekomen heeft hij zijn reflecterend officier van dienst verkeersvest aangetrokken. In verband met het reinigen van het wegdek heeft hij met behulp van een in werking zijnde zaklantaarn met het rode opzetstuk het verkeer vanuit de richting Loenen en vanuit de richting van de Aquatonde een stopteken gegeven. Op een gegeven moment zag hij dat er vanuit de rij wachtende auto’s uit de richting Loenen een voor hem onbekende bestuurder van een voertuig de wachtende rij verliet en in zijn richting kwam rijden. Hij gaf deze bestuurder, die als het ware op het weggedeelte van het tegemoetkomende verkeer ging rijden, met de in werking zijnde lantaarn met het rode opzetstuk een stopteken. Hij stond als het ware recht voor zijn auto op hetzelfde weggedeelte als waarop de bestuurder reed. Hij zag dat de bestuurder hieraan niet voldeed en onverminderd door bleef rijden in zijn richting. Hij bleef met de inwerking zijnde lantaarn een algemeen stopteken geven. De bestuurder kwam met de auto steeds dichterbij en gaf niet de indruk te willen stoppen. Hij reed met een geschatte snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur recht op hem af. [slachtoffer A] is tot het laatste moment blijven staan en heeft oogcontact gehad met de bestuurder, maar dat was voor de bestuurder nog geen reden om te stoppen. Op het laatste moment is hij toch aan de kant gegaan, omdat de bestuurder hem de indruk gaf echt niet te willen of zullen stoppen. Als hij niet aan de kant was gegaan, had de bestuurder hem bewust overreden met eerder genoemde snelheid, want hij minderde geen enkele vaart. De auto betrof een donkerkleuring Volkswagen Golf, voorzien van kenteken [kenteken].

4.8 In een aanvullende verklaring (eindnoot 9) heeft [slachtoffer A] bij de politie verklaard dat de wegverlichting op de kruising brandde ten tijde van het incident.

4.9 Uit de verkeersongevallenanalyse (eindnoot 10) is gebleken dat de politieambtenaar goed zichtbaar was op de plaats van het incident, zeker als er direct dimlicht op het verkeersvest geschenen werd. Het reflecterende materiaal werd goed zichtbaar. De rode pylon die op de zaklantaarn was bevestigd was, bij geactiveerd licht, goed zichtbaar. Uit verklaringen is gebleken dat het overige verkeer stopte voor het gegeven stopteken. Het verkeer stond stil. Het was aannemelijk dat de bestuurder van de naderende personenauto zicht had door de voorruit. Deze bestuurder manoeuvreerde zijn personenauto uit een rij stilstaande voertuigen. Hiervoor had hij zicht nodig. Tevens kon de politieambtenaar die het stopteken gaf een goed signalement geven van de bestuurder van deze personenauto.

4.10 Bij de politie (eindnoot 11) heeft getuige [slachtoffer B] verklaard dat hij zag dat een agent het verkeer ging regelen op de kruising. Hij zag dat er vanuit de rij wachtende auto’s op de Harderwijkerweg vanuit de richting Loenen, een auto tussenuit kroop en er langs de rij auto’s reed. De agent gebaarde richting de auto om te stoppen. Hij had een oranje/groen vestje aan en was goed zichtbaar, de ander auto’s stopten namelijk allemaal. Hij zag ook dat de agent een zaklamp in zijn hand had met een rood kegeltje erop. [slachtoffer B] zag dat de auto met ongeveer 15-20 kilometer per uur op de agent afreed. Hij remde niet. Hij zag dat de agent behoorlijk aan de kant moest springen. Hij weet zeker dat als de agent niet opzij was gesprongen, hij geraakt zou zijn door de auto.

4.11 Bij de politie (eindnoot 12) heeft getuige [getuige E] verklaard dat hij hoorde dat de tweede auto in de rij, gezien vanuit de richting Loenen, gas gaf, de rij verliet en wegreed in de richting van de agent die op dat moment het verkeer regelde. De auto moest over de rijbaan voor het tegengestelde verkeer, waar de agent stond. Hij hoorde dat de auto hard optrok. Hij vond het moeilijk in te schatten hoe hard de auto reed, omdat deze op ongeveer vijf meter afstand van de agent begon te rijden. Hij zag dat de auto richting de agent reed. Hij zag dat de agent weg moest springen om niet geraakt te worden. Het scheelde echt een haar of de agent was geraakt. De auto was een rode Volkswagen Golf.

4.12 Bij de politie (eindnoot 13) heeft verdachte verklaard dat toen hij op 11 september 2008 aan kwam rijden, het in de avonduren en buiten al donker was. Hij zag licht en zag een aantal mensen staan. Volgens verdachte was die plek verlicht. Hij zag mensen zwaaien met hun armen in zijn richting. Waarschijnlijk zwaaiden ze naar hem, omdat hij langzamer moest gaan rijden. Hij heeft toen zijn gas losgelaten en is de linkerrijstrook opgereden. Hij is er toen langs wat er op de weg lag, gereden. Hij kan niet beschrijven wat er op de weg lag.

4.13 De rechtbank is gelet op het voorgaande met de officier van justitie en raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag ten aanzien van [slachtoffer A]. Gelet op de gedingstukken, alsmede de eigen verklaring van verdachte, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling gehad die [slachtoffer A] van het leven te beroven, door op het in te rijden, zodat het opzet daarop heeft ontbroken. Voorts hebben getuigen gezien dat verdachte met een snelheid van maximaal 30 kilometer per uur op [slachtoffer A] is afgereden. Niet gezegd kan worden dat door met deze snelheid op iemand af te rijden, de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat verdachte [slachtoffer A] zou aanrijden, als gevolg waarvan deze zou komen te overlijden, welke kans verdachte bewust zou hebben aanvaard. Derhalve kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden gesproken worden van voorwaardelijk opzet op (poging tot) doodslag. Verdachte dient derhalve van het onder 1 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

4.14 De rechtbank is wel van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling ten aanzien van [slachtoffer A]. De rechtbank heeft deze bewezenverklaring gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer A], de verkeersongevallenanalyse, de verklaringen van de getuigen [slachtoffer B] en [getuige E] en de verklaring van verdachte. Uit deze bewijsmiddelen is gebleken dat [slachtoffer A] op 11 september 2008 duidelijk zichtbaar op de linkerrijbaan van de Karel van Gelreweg te Eerbeek stond. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij wel mensen heeft gezien die zwaaiende bewegingen naar hem maakten, maar dat hij [slachtoffer A] niet op de rijbaan heeft zien staan. Verdachte heeft een bewuste keuze gemaakt door de rij met auto’s te verlaten en via de linkerrijbaan langs die rij verder te rijden. Hierin ligt naar het oordeel van de rechtbank besloten dat verdachte niet volledig op de automatische piloot heeft gereden. Voor op zijn minst een deel moet hij zich bewust zijn geweest van wat hij deed. Het verweer van de raadsman dienaangaande wordt derhalve verworpen. Voorts is uit de bewijsmiddelen aannemelijk geworden dat verdachte met ongeveer 30 kilometer per uur op [slachtoffer A] is afgereden en hem met deze snelheid is gepasseerd. Doordat verdachte met deze snelheid is afgereden op [slachtoffer A], die duidelijk voor hem zichtbaar moet zijn geweest, en is doorgereden, heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer A] met zijn auto zou raken en hem aldus zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. De rechtbank acht het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2:

4.15 Bij de politie (eindnoot 14) heeft [slachtoffer B] verklaard dat hij op 11 september 2008 een aanrijding heeft gehad met zijn auto op de kruising van de Harderwijkerweg met de Karel van Gelreweg in Eerbeek. De persoon die hem aanreed, is doorgereden. Deze persoon bestuurde een donkere Volkswagen Golf, type drie.

4.16 Bij de politie (eindnoot 15) heeft getuige [getuige C] verklaard dat hij zakelijk contact met verdachte heeft in verband met zijn autodemontagebedrijf. Op 11 september 2008 heeft hij verdachte voor het laatst gezien. Hij hoorde verdachte zeggen dat hij een koplamp van zijn auto stuk had en vroeg aan [getuige C] of hij deze wilde maken. [getuige C] zag dat het koplampglas kapot was.

4.17 Bij de politie (eindnoot 16) heeft verdachte verklaard dat hij op 11 september 2008 in oververhitte en emotionele toestand in zijn auto, een bordeauxrode Volkswagen Golf type drie, is gestapt. Hij naderde de Harderwijkerweg te Eerbeek en zag dat er van links een auto aan kwam rijden. Hij hoorde een piepend geluid, zoals remmen maken, op het moment dat die auto voor hem reed, en is toen linksaf gereden. Hij dacht dat hij de auto niet had geraakt, maar wist het niet zeker. In Eerbeek is hij op een parkeerplaats gestopt om te kijken of er schade was ontstaan. Hij zag een lamp los hangen en wilde terugrijden. Het was de eerste keer dat hij die lamp zag loshangen.

4.18 De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij een verkeersongeval op de kruising Harderwijkerweg/Karel van Gelreweg te Eerbeek en daarna de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist dat hij aan de auto van [slachtoffer B] schade had veroorzaakt. De rechtbank heeft deze bewezenverklaring gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer B] en de verklaringen van getuige [getuige C] en verdachte. [slachtoffer B] heeft gezien dat verdachte met zijn auto, de auto [slachtoffer B] heeft geraakt en als gevolg daarvan heeft [slachtoffer B] schade aan zijn auto opgelopen. [getuige C] heeft gezien dat de koplamp van verdachtes auto kapot was. Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat hij de auto van [slachtoffer B] had geraakt, maar dat hij dat niet zeker wist. Hij is verderop gestopt om naar de schade aan zijn auto te kijken en wilde terugrijden naar de plaats van het ongeval. Hij is ook teruggereden, maar heeft zich vervolgens niet gemeld als zijnde de veroorzaker van de schade. Uit deze feiten en omstandigheden heeft de rechtbank geconcludeerd dat is bewezen dat verdachte wist dat hij aan [slachtoffer B] schade heeft toegebracht.

parketnummer 06/800038-08:

Feit 1:

4.19 Bij de politie (eindnoot 17) heeft [slachtoffer C] verklaard dat zij voelde dat verdachte haar met één hand bij de keel pakte en dat hij haar keel dichtkneep. Zij kon op dat moment bijna geen adem meer krijgen. Zij kwam op de grond terecht en voelde dat verdachte over haar heen zat. Zij voelde en zag dat hij haar met zijn vuist vol in het midden van haar ribbenkast stompte. Zij voelde ook dat hij haar in de hartstreek stompte. Zij voelde pijn en kreeg bijna geen lucht. Toen zij op haar buik lag, voelde zij dat verdachte met zijn knie in haar rug bovenop haar zat. Zij voelde dat hij met beide handen haar hoofd pakte en dat hij probeerde om haar nek om te draaien. Op den duur voelde zij dat hij haar los liet. Nadat zij hem had uitgescholden, voelde zij dat hij weer op haar rug ging zitten en dat hij naar hoofd weer omdraaide. Dat is ongeveer drie keer gebeurd.

4.20 Uit de medische gegevens (eindnoot 18) betreffende [slachtoffer C] is gebleken dat zij paravertebrale pijn in haar nek, contusies, hematomen en een ribcontusie heeft opgelopen. Daarvoor heeft zij pijnstilling gekregen.

4.21 Bij de politie (eindnoot 19) heeft [getuige A] – een collega van [slachtoffer C] – verklaard dat [slachtoffer C] haar verwondingen aan [getuige A] heeft laten zien. [getuige A] zag dat haar armen, nek en borstkans beginnend blauw waren. Zij zag ook dat haar nek rode plekken vertoonde. [slachtoffer C] vertelde dat ze ruzie had gehad met verdachte, dat hij regelmatig dronk en dat hij daardoor agressief kon worden.

4.22 Bij de politie (eindnoot 20) heeft [getuige B] – een vriendin van [slachtoffer C] – verklaard dat [slachtoffer C] haar in september 2007 een aantal verwondingen toonde. Zij zag twee blauwe plekken op haar keel, een soort vingerafdrukken, en een blauwe plek op haar arm. Zij zag ook een blauwe plek tussen haar borsten, dus op het middenrif. Ook had ze een kras op haar neus. [slachtoffer C] vertelde haar dat verdachte haar had geslagen.

4.23 Bij de politie (eindnoot 21) heeft verdachte verklaard dat hij blind werd van woede en niet meer weet wat er gebeurde. Hij heeft [slachtoffer C] eerst geduwd en daarna geslagen. Hij heeft haar met een gebalde vuist geslagen. Hij kan zich niet meer alles herinneren, maar heeft niet ontkend dat hij haar keel heeft dichtgeknepen en haar daarna op de grond heeft gegooid. Hij heeft verder verklaard, dat het best mogelijk is dat hij bovenop haar is gaan liggen en op haar ribbenkast heeft gestompt. Ook kan het zijn dat hij zijn knie in haar rug heeft gezet en hem zijn handen haar hoofd heeft omgedraaid.

4.24 De rechtbank is gelet op het voorgaande met de officier van justitie en raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag ten aanzien van [slachtoffer C]. Voor de bewezenverklaring van poging tot doodslag is van belang, dat verdachte de bedoeling heeft gehad om [slachtoffer C] van het leven te beroven. Om [slachtoffer C] door middel van het omdraaien van de nek van het leven te beroven, moest verdachte heel goed weten welke beweging hij met haar nek moest maken, waardoor zij zou kunnen te komen overlijden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte wel aan de nek van [slachtoffer C] heeft gezeten en deze nek heeft omgedraaid, mede gelet op de medische verklaring (eindnoot 22) over het letsel van [slachtoffer C], maar niet dat hij opzettelijk haar nek heeft omgedraaid of wilde omdraaien teneinde haar van het leven te beroven. Bovendien heeft [slachtoffer C] bij de politie (eindnoot 23) verklaard, dat verdachte aan haar nek heeft gezeten, maar uit zichzelf is gestopt met het omdraaien ervan. Verdachte dient derhalve van feit 1 primair te worden vrijgesproken.

4.25 De rechtbank is wel van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling ten aanzien van [slachtoffer C]. De rechtbank heeft deze bewezenverklaring gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer C] en de medische gegevens betreffende de verwondingen van [slachtoffer C]. Blijkens de medische gegevens heeft [slachtoffer C] paravertebrale pijn in haar nek opgelopen, wat er naar het oordeel van de rechtbank op duidt dat zij pijn in haar nekwervels heeft opgelopen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de arts in zijn medische verklaring uitdrukkelijk spreekt over paravertebrale pijn in de nek van verdachte, zodat de rechtbank daar in de bewezenverklaring rekening mee heeft gehouden. Uit de medische verklaring is verder gebleken dat [slachtoffer C] een ribcontusie heeft opgelopen. Naar de rechtbank heeft waargenomen tijdens het onderzoek ter terechtzitting is verdachte een grote en sterke man. Uit de aangifte en medische gegevens blijkt dat hij meermalen met zijn vuist in haar ribben heeft gestompt. Dusdoende heeft hij de aanmerkelijke kans, dat zij een of meer ribben zou breken, willens en wetens aanvaard. Gebroken ribben leveren naar het oordeel van de rechtbank zwaar lichamelijk letsel op. Getuigen [getuige A] en [getuige B] hebben in een verklaring bij de politie verklaard, dat zij afdrukken van blauwe plekken in de nek van [slachtoffer C] hebben waargenomen. Voorts heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij het mogelijk acht dat hij de tenlastegelegde handelingen heeft gepleegd. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd [slachtoffer C] zwaar te mishandelen, door haar bij de nek te pakken, haar keel dicht te knijpen, haar meermalen tegen de borststreek te slaan, zijn knie op haar rug te plaatsen en daarbij haar nek heeft beetgepakt en omgedraaid.

Feit 2:

4.26 Bij de politie (eindnoot 24) heeft [slachtoffer C] verklaard dat verdachte, haar vriend, haar op 16 november 2007 bij haar thuis in Eerbeek bij de nek heeft gegrepen, waardoor zij pijn heeft ondervonden.

4.27 Bij de politie (eindnoot 25) heeft verdachte verklaard dat hij zijn vriendin op 16 november 2007 haar in hun woning met één hand bij de nek gegrepen om zijn woorden kracht bij te zetten.

4.28 Op basis van de aangifte van [slachtoffer C] en de verklaring van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer C] heeft mishandeld. Hij heeft bij de politie bekend dat hij haar bij de nek heeft gepakt om zijn woorden kracht bij te zetten en [slachtoffer C] heeft in haar aangifte verklaard dat zij pijn heeft ondervonden.

4.29 Op grond van de hiervoor onder 4.7 tot en met 4.29 genoemde wettige bewijsmiddelen, heeft de rechtbank de overtuiging overkomen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 (parketnummer 06/460453-08) en 1 subsidiair en 2 (parketnummer 06/800038-08) tenlastegelegde heeft begaan.

5 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

parketnummer 06/460453-08:

1 subsidiair:

Hij op 11 september 2008 te Eerbeek ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer A], hulpofficier van politie (district IJsselstreek), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem bestuurde auto met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur, op die [slachtoffer A] is afgereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2:

Hij op 11 september 2008 te Eerbeek, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Harderwijkerweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander (te weten [slachtoffer B]) schade was toegebracht.

parketnummer 06/800038-08:

1 subsidiair:

Hij op 20 september 2007 te Eerbeek, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer C] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- met kracht meermalen met een hand haar keel heeft gegrepen en daarbij de keel heeft dichtgeknepen en

- met kracht meermalen, tegen de borst (ribbenkast en/of hartstreek), heeft geslagen en

- met kracht meermalen zijn knie op de rug heeft geplaatst en geduwd en daarbij de nek heeft beetgepakt en heeft omgedraaid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2:

Hij op 16 november 2007 te Eerbeek, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [slachtoffer C], eenmaal, met een hand haar nek heeft gegrepen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

6 Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

7 Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

parketnummer 06/460453-08:

Feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling

Feit 2: overtreding van artikel 7 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994

parketnummer 06/800038-08:

Feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling

Feit 2: mishandeling

8 Strafbaarheid van de verdachte

8.1 De raadsman heeft ter terechtzitting namens verdachte een beroep gedaan op de ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte. Daartoe heeft hij aangevoerd dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen voor de feiten op de dagvaarding met parketnummer 06/460453-08, rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte dusdanig beperkt was in zijn handelingsvrijheid op het moment van het ten laste gelegde, dat hij daarvoor verminderd toerekeningsvatbaar is te achten.

8.2 Met betrekking tot feit 2 op deze dagvaarding heeft de raadsman aangevoerd dat tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde kan worden gekomen, maar dat het verdachte slechts in mindere mate kan worden toegerekend. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte ten aanzien de feiten op beide dagvaardingen, dus ook die ten aanzien waarvan het rapport niet is opgemaakt, verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht.

8.3 De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat er een rapport ligt van een psycholoog Kobussen. Vanaf 2004 is verdachte bekend met zijn problematiek. Dat is onvoldoende geweest om hem op weg te helpen. Er is al langere tijd duidelijk dat hij bij ergernissen zichzelf moeilijk in de hand kan houden. Het kan zo zijn dat de problematiek een rol speelt, maar verdachte was niet onmachtig dit te doen. De officier van justitie kan zich voor een deel vinden in de conclusies van de psycholoog. De officier van justitie is van mening dat verdachte onvoldoende zijn verantwoordelijkheid als bestuurder heeft genomen. De officier van justitie kan zich vinden in de conclusie dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, maar hij heeft ook enigszins bewuste keuzes gemaakt door terug te gaan naar de plaats van het ongeval en daar vervolgens weg te rijden.

8.4 Door drs. J.H.A.M. Kobussen, psycholoog bij Kobussen en Partners te Rosmalen, is op 22 januari 2009 een rapport over verdachte opgemaakt. De psycholoog heeft geconcludeerd dat een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens is gediagnosticeerd in de zin van een depressieve stoornis. Tevens kan er een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens worden gediagnosticeerd in de zin van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Ook ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde, waren de borderline persoonlijkheidsstoornis en de depressieve stoornis aanwezig en van invloed op het tenlastegelegde. Op de avond van het tenlastegelegde op 11 september 2008 werd betrokkene afgewezen door een meisje waar hij dacht een beginnende relatie mee te hebben. De borderline persoonlijkheidsstoornis maakt afwijzing bijzonder krenkend en bedreigend voor hem. Hij raakte in een emotioneel labiele, paniekerige toestand en wist zichzelf niet te kalmeren. De borderline problematiek zorgt ervoor dat hij niet goed in staat is zijn emoties te reguleren. De depressieve stoornis zette de reeds beperkte draagkracht van betrokkene nog verder onder druk. Zaken die ‘normaal gezien’ als pijnlijk door hem worden ervaren, kwamen nu nog harder bij hem aan. Hij stapte in de auto en verloor alle oog voor wat er om hem heen gebeurde. Mogelijk heeft hij de hulpofficier van politie gezien en in zijn paniekerige, labiele toestand zonder af te remmen op de man ingereden, mogelijk heeft hij de hulpofficier in zijn geheel niet gezien. Hoe dan ook werd betrokkene door de borderline persoonlijkheidsstoornis en de depressieve stoornis dusdanig beperkt in zijn handelingsvrijheid op het moment van het tenlastegelegde, dat de psychiater adviseert hem hiervoor verminderd toerekeningsvatbaar te achten indien het feit bewezen wordt verklaard.

8.5 De officier van justitie, alsmede de raadsman hebben beiden betoogd dat de conclusies van de deskundige zijn getrokken naar aanleiding van de in september 2008 gepleegde feiten, doch dat de door hem getrokken conclusies evenzeer gelding hebben ten aanzien van de in 2007 ten aanzien van [slachtoffer C] gepleegde feiten.

8.6 De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog over, te weten dat verdachte lijdende is aan ADHD, een depressieve stoornis en een borderline persoonlijkheidsstoornis. De rechtbank stelt vast dat Kobussen in zijn rapport onder punt 9 ‘(Differentiaal) Diagnostische beschouwingen’ een ruime beschouwing wijdt aan de wijze waarop verdachte omgaat met relaties, dat hij de angst verlaten te worden als bedreigend ervaart en dan niet goed in staat is zijn emoties te reguleren. Betrokkenes persoonlijkheidsproblematiek zorgt ervoor dat hij sneller dan een ander in een emotioneel labiele toestand verzeild zal raken. De deskundige heeft in het rapport op pagina 9 tevens ruime informatie opgenomen over de relatie tussen [slachtoffer C] en verdachte, de ruzies die zij hadden en naar het door verdachte gepleegde huiselijk geweld jegens [slachtoffer C]. Een en ander in onderling verband beschouwd brengt dit de rechtbank tot de conclusie dat genoemde stoornissen mede hebben geleid tot het plegen van de de feiten, gepleegd op 20 september 2007 en 16 november 2007 ten aanzien van [slachtoffer C], en dat hij ten tijde van het plegen van die feiten eveneens verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

8.7 De rechtbank kan zich met de conclusies van het rapport met betrekking tot de (on)toerekeningsvatbaarheid van verdachte verenigen en neemt deze ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten over.

9. Oplegging van straf en/of maatregel

9.1 De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot:

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt behandeling bij De Boog of een andere gedragstherapeutische behandeling;

- een werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij de persoonlijkheidsproblematiek, geschetst door psycholoog Kobussen in zijn rapport, heeft meegewogen in de strafmaat. Verdachte heeft door zijn borderline persoonlijkheidsstoornis en depressieve stoornis langdurige behandeling nodig. Dit zou eventueel bij De Boog plaats kunnen vinden. Het is belangrijk dat de behandeling wordt doorgezet. De medicijnen hebben een goede uitwerking en doen hem goed. Daar heeft verdachte zelf ook een rol in. Het schorsingstoezicht is destijds goed verlopen. Bij de strafeis heeft de officier van justitie voorts rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder voor geweldsfeiten met justitie in aanraking is geweest.

9.2 De raadsman heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is gemotiveerd om herhaling van de gebeurtenissen te voorkomen en daarmee actief aan de slag te gaan. Hij heeft zich via de reclassering zelf gemeld bij De Boog, waar hij inmiddels goede contacten heeft met mevrouw [naam]. De raadsman is – met de officier van justitie – van mening dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats is. Hij heeft voorts bepleit dat hij een werkstraf van 200 uren aan de forse kant vindt. Hij is tot minder bewezenverklaarde feiten gekomen dan de officier van justitie en heeft verzocht dit aantal te matigen tot 100 uren. Ook de hoogte van de voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden dient naar de mening van de officier van justitie te worden gematigd. De proeftijd van drie jaren is volgens de raadsman wel aanvaardbaar. Verdachte kan zich vinden in verplicht reclasseringscontact, ook als dat inhoudt behandeling bij De Boog. Naar de mening van de raadsman is een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid niet nodig en hij verzoekt de rechtbank deze af te wijzen.

9.3 Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

9.4 De rechtbank heeft voorts bij de strafoplegging rekening gehouden met het rapport van psycholoog drs. J.H.A.M. Kobussen, d.d. 22 januari 2009, waarin wordt geadviseerd verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

9.5 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diverse strafbare feiten, waarbij het fysiek welzijn van personen in het geding is gekomen. Daarbij komen de specifieke omstandigheid dat het slachtoffer in het ene geval zijn (toenmalige) partner betrof, in het andere geval een politieambtenaar, bezig in de uitoefening van zijn publieke taak. Voor dergelijke strafbare feiten is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, maar rekening houdende met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, zal de rechtbank hiervan in dit specifieke geval afwijken.

9.6 Verdachte heeft, door het plegen van de bewezenverklaarde feiten, een gevoel van onveiligheid in de samenleving teweeggebracht en in het bijzonder bij de slachtoffers [slachtoffer C] en [slachtoffer A]. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring (eindnoot 26) van [slachtoffer C] hebben de gebeurtenissen haar erg aangegrepen. Zij was zo goed als weerloos tegen de fysiek sterkere verdachte. Toen hij haar keel dichtkneep, was ze bang hoe dit zou aflopen. [slachtoffer C] denkt veel na over het gebeurde en kan voor zichzelf nog steeds niet verklaren waarom hij zulk excessief geweld op haar heeft toegepast. Dat maakt haar angstig. [slachtoffer C] heeft een half jaar na de incidenten nog steeds last van slapeloosheid en concentratieverlies.

9.7 In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank dat hij, kennelijk zich bewust van en geschrokken door zijn wijze van handelen in stressvolle situaties, hij zelfstandig en op eigen initiatief hulp heeft gezocht om zijn persoonlijke problemen aan te pakken.

9.8 De rechtbank is van oordeel dat op grond van artikel 14b, tweede lid, juncto artikel 14c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht een proeftijd van maximaal twee jaren toegelaten is en zal deze dan ook – anders dan de officier van justitie heeft geëist – verbinden aan de algemene en bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke gevangenisstraf, alsmede aan de algemene voorwaarde ten aanzien van de ontzegging van de rijbevoegdheid.

9.9 Gelet op de aard en de ernst van hetgeen is bewezen, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, op zijn plaats. Deze taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de reclassering gehanteerde lijst van projectplaatsen. De rechtbank zal in verband met de ernst van de feiten tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden opleggen, om verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt. Aan deze voorwaardelijke straf zal de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht worden gekoppeld. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren.

9.10 Tot slot zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde feit 2 van de dagvaarding met parketnummer 06/460453-08 een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden opleggen, met een proeftijd van twee jaren.

10 Vordering van de benadeelde partijen

10.1 De benadeelde partij [slachtoffer A], [adres] (gironummer [nummer]) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 700,- gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het onder 1 en 2 (parketnummer 06/800038-08) tenlastegelegde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit.

10.2 De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet valt uit te sluiten dat de feiten door [slachtoffer C] wat zijn aangedikt. Mishandeling heeft altijd gevolgen, maar de gevolgen die in de vordering zijn omschreven, vindt de raadsman fors en het wordt naar zijn mening op geen enkele manier onderbouwd. Met name het schoolverzuim had door middel van een briefje kunnen worden onderbouwd. Als medicatie is diclofenac voorgeschreven, maar op het recept ontbreekt de datum. De raadsman is van mening dat de vordering dient te worden afgewezen, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

10.3 Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair en 2 onder parketnummer 06/800038-08 bewezenverklaarde handelen schade heeft geleden tot na te melden bedrag, namelijk € 450,- waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de datum vanaf wanneer de wettelijke rente ingaat vastgesteld op 27 maart 2009, nu niet duidelijk is wat de datum van het schadeveroorzakende feit is, 20 september 2007 of 16 november 2007, mede gelet op het feit dat het slachtoffer na 20 september 2007 de relatie met verdachte heeft voortgezet en bij hem is gaan wonen. In de medische verklaring (eindnoot 27) betreffende [slachtoffer C] is opgenomen dat zij pijnstilling heeft gekregen ten behoeve van haar verwondingen en klachten. De rechtbank is van oordeel dat het recept van de diclofenac te koppelen is aan deze verklaring, zodat het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu zij van oordeel is dat dat deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor afdoening in het strafgeding. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering voor dat deel slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

11 Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer.

12 Vordering tenuitvoerlegging

12.1 De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering dient te worden toegewezen, nu het feit waarvoor verdachte destijds op 5 februari 2007 is veroordeeld, raakvlakken heeft met het door haar onder parketnummer 06/460453-08 onder 2 bewezenverklaarde feit.

12.2 De raadsman heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen, nu gelet op het karakter van de feiten die bewezen kunnen worden verklaard, toewijzing niet op zijn plaats is. Er is een raakvlak, maar daar houdt het wat betreft de raadsman mee op. Verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor de uitvoering van zijn werkzaamheden. Als de vordering tenuitvoerlegging wordt toegewezen, kan hij zijn werkzaamheden niet meer doen en zijn de gevolgen heel ernstig.

12.3 Naar het oordeel van de rechtbank dient, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de proeftijd behorende bij de voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden te worden verlengd met één jaar.

13 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14f, 14g, 22c, 22d, 27, 36f, 45, 57, 91, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart niet bewezen dat verdachte het onder parketnummer 06/460453-08 onder 1 primair en het onder parketnummer 06/800038-08 onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 06/460453-08 onder 1 subsidiair en 2 en het onder parketnummer 06/800038-08 onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

parketnummer 06/460453-08:

Feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling

Feit 2: overtreding van artikel 7 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994

parketnummer 06/800038-08:

Feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling

Feit 2: mishandeling

• verklaart verdachte strafbaar;

• veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

• bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleegd;

• stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt;

• geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

• veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 200 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;

• beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf voor de dagen in voorarrest doorgebracht 2 uren per dag in mindering wordt gebracht;

• ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden;

• bepaalt, dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

• wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter te Zutphen van 5 februari 2007 en verlengt de proeftijd als vermeld in genoemd vonnis met een termijn van 1 jaar;

• veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer A], [adres] (gironummer [nummer]) van een bedrag van € 450,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2009 en vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

• verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

• legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer C], een bedrag te betalen van € 450,-, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 9 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

• bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Aldus gewezen door mrs. Van de Wetering, voorzitter, Varenhorst en Van Beuge, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ter Haar, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 maart 2009.

Eindnoten

(1) Wanneer hierna met betrekking tot feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 06/460453-08 wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0630/08-207509, Regiopolitie Noord-Oost Gelderland, District IJsselstreek, Zutphen, gesloten en ondertekend op 1 oktober 2008.

Wanneer hierna met betrekking tot feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 06/460453-08 wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0634/08-208023, Regiopolitie Noord-Oost Gelderland, District IJsselstreek, Team Brummen, gesloten en ondertekend op 3 oktober 2008.

Wanneer hierna met betrekking tot de feiten op de dagvaarding met parketnummer 06/800038-08 wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0634/07-220364, Regiopolitie Noord-Oost Gelderland, District IJsselstreek, Team Burmmen, gesloten en ondertekend op 7 december 2007.

(2) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], dossierpagina 24.

(3) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], dossierpagina 24.

(4) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer C], dossierpagina’s 15 en 16 en proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer C], dossierpagina’s 20 tot en met 22.

(5) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer C], dossierpagina’s 15 en 16 en proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer C], dossierpagina’s 20 tot en met 22.

(6) Pro Justitia rapportage d.d. 22 januari 2009, rapporteur drs. J.H.A.M. Kobussen, pagina 20.

(7) Rechtbank Groningen, 12 juli 2007, LJN: BA9774.

(8) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], dossierpagina’s 24, 25 en 39.

(9) Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], dossierpagina 39.

(10) Verkeersongevallenanalyse (schriftelijk bescheid), dossierpagina 37.

(11) Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer B], dossierpagina’s 41 en 42.

(12) Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige E], dossierpagina 45.

(13) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina’s 49 tot en met 54.

(14) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B], dossierpagina 13.

(15) Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C], dossierpagina’s 15 en 16.

(16) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina 18.

(17) Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer C], dossierpagina’s 20 en 21.

(18) Medische gegevens betreffende [slachtoffer C] (schriftelijk bescheid), ongenummerd.

(19) Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A], dossierpagina 25.

(20) Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B], dossierpagina’s 27 en 28.

(21) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina 33.

(22) Medische gegevens betreffende [slachtoffer C], ongenummerd.

(23) Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer C], dossierpagina 21.

(24) Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer C], dossierpagina’s 39 en 41.

(25) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina’s 31 en 34.

(26) Schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer C] (schriftelijk bescheid), ongenummerd.

(27) Medische gegevens betreffende [slachtoffer C] (schriftelijk bescheid), ongenummerd.