Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BH8585

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
06/460338-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 30-jarige man voor een poging tot zware mishandeling, door met een quad in te rijden op een buitengewoon opsporingsambtenaar, het vernielen van een bietenveld, door er met zijn quad door te rijden, en het rijden onder invloed. De man is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van twee jaar, een werkstraf van 120 uren, een schadevergoeding van €50,-. De quad is verbeurd verklaard.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 176
Wegenverkeerswet 1994 178
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 10
Wetboek van Strafrecht 22c
Wetboek van Strafrecht 22d
Wetboek van Strafrecht 27
Wetboek van Strafrecht 33
Wetboek van Strafrecht 33a
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 91
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 06/460338-07

Uitspraak d.d. 24 maart 2008

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1979],

wonende te [adres].

Raadsvrouw: mr. S.H.O. Schaapherder.

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 maart 2009.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij

op of omstreeks 19 juni 2007

in de gemeente Putten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (buitengewoon opsporingsambtenaar) van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurd(e) Quad, althans (motor)voertuig met hoge, althans met aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer] (die aan hem, verdachte, een stopteken had gegeven) is toe-/ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij

op of omstreeks 19 juni 2007

in de gemeente Putten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer] (buitengewoon opsporingsambtenaar) opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurd(e) Quad, althans (motor)voertuig met

hoge, althans met aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer] (die aan hem, verdachte, een stopteken had gegeven) is toe-/ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij

op of omstreeks 19 juni 2007

in de gemeente Putten [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurd(e) Quad, althans (motor)voertuig met hoge, althans met aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer] (die aan hem, verdachte, een stopteken had gegeven) toe-/ingereden, (incident 1, pag. 22)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op of omstreeks 19 juni 2007

in de gemeente Putten opzettelijk en wederrechtelijk een (aantal) suikerbieten(veld), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; (incident 2, pag. 72)

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij

op of omstreeks 19 juni 2007

in de gemeente Putten als bestuurder van een voertuig, (een quad, althans een motorvoertuig), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 305 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn; (incident 3, pag. 76) art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

3. Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Vaststaande feiten (eindnoot 1)

4.1 Op 19 juni 2007 heeft [slachtoffer] in zijn functie als buitengewoon opsporingsambtenaar, een melding van een collega ontvangen dat er in het bosgebied bij de Arnhemsekarweg te Putten werd gecrost. [slachtoffer] is ter plaatse gaan kijken en zag vervolgens dat een persoon met een quad rondjes aan het rijden was. Even later ziet hij een man op de quad, samen met twee personenauto’s in zijn richting rijden over de Arnhemsekarweg. [slachtoffer] heeft vervolgens de doorgang geblokkeerd door zijn personenauto overdwars op de weg te zetten, waarna verdachte met zijn quad op het verharde fietspad naast de weg is gaan rijden. Verdachte is doorgereden en na een achtervolging, door ondermeer een bietenveld, aangehouden.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

4.2 Ten aanzien van feit 1 primair heeft de officier van justitie geconcludeerd dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken aangezien zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden voor bewezenverklaring, ook niet via de constructie van voorwaardelijke opzet. Zij acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de aangifte, het ambtelijk verslag van de buitengewoon opsporingsambtenaren [verbalisant] en [slachtoffer] en de verklaringen van getuigen [getuige A] en [getuige B]. Daaruit concludeert zij dat verdachte, rijdend met een snelheid van ongeveer 40 kilometer per uur, welbewust het risico heeft genomen dat hij aangever [slachtoffer] door zijn gevaarlijke rijgedrag aan zou kunnen rijden en dat hij daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Verdachte heeft aldus gehandeld met opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.

4.3 De officier van justitie heeft vervolgens geconcludeerd tot bewezenverklaring van het

onder 2 en 3 tenlastegelegde

C. Standpunt van de verdachte, de verdediging

4.4 De raadsvrouw heeft in haar pleidooi tot uitdrukking gebracht dat zij van mening is dat voor het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair ten laste gelegde de bewijsmiddelen ontoereikend zijn om tot een bewezenverklaring te komen. Zij verzoekt de rechtbank verdachte hiervan vrij te spreken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij naar voren gebracht dat voor alle drie ten laste gelegde feiten, te weten de poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling en de bedreiging met zware mishandeling, het opzetvereiste niet aanwezig is, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Verdachte hoefde er namelijk redelijkerwijs geen rekening mee te houden dat er ineens iemand voor zijn quad zou springen en dus heeft verdachte nooit de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij iemand zou verwonden of zelfs zou kunnen doden.

[slachtoffer] heeft zelf bijgedragen aan deze gevaarlijke situatie door de keuze te maken eerst met zijn auto de zandweg te blokkeren en door vervolgens op het fietspad voor de quad te springen.

Bovendien zit het niet in de persoon van verdachte om iemand te verwonden en is het nimmer zijn bedoeling geweest om bedreigend over te komen. Verdachte is voor dit incident namelijk in hetzelfde bos door een persoon op zeer dreigende wijze benaderd, waarbij hij zelfs met de dood is bedreigd.

Toen verdachte ineens aangever enkele meters voor hem op het fietspad zag staan met zijn hand omhoog, was hij in de veronderstelling dat dit dezelfde persoon was en dat die persoon met zijn arm een slaggebaar maakte. Verdachte wilde een confrontatie vermijden en is toen uit angst, zonder gas terug te nemen, rakelings langs aangever gereden en is er vervolgens vandoor gegaan.

4.5 De raadsvrouw heeft zich, met de officier van justitie, met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

D. Beoordeling door de rechtbank

4.6 Verdachte is op 19 juni 2007 na het eten op zijn quad naar het bos gegaan, waar hij had afgesproken met vrienden. In het bos heeft hij samen met die vrienden op een picknickplaats nog een paar blikjes bier gedronken. Er is gecrost met de quad (eindnoot 2) en vervolgens is besloten om weer naar huis te gaan. Verdachte heeft eerst op het zandpad dan weer voorop en dan weer tussen de auto’s van zijn vrienden gereden. Bijzonder opsporingsambtenaar [slachtoffer] ziet de quad en de auto’s in zijn richting komen rijden en heeft zijn auto overdwars op het pad geparkeerd om de doorgang te blokkeren. Verdachte is op het naast het pad gelegen fietspad gaan rijden. [slachtoffer] is op het fietspad gaan staan en heeft met zijn hand een stopteken gegeven toen verdachte 25-30 meter van hem was verwijderd (eindnoot 3) . Verdachte heeft geen snelheid teruggenomen en is vol gas door blijven rijden. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij dacht dat dit dezelfde man was die hem een week ervoor in het bos achterna had gerend en hem met de dood had bedreigd. Hij veronderstelde dat deze man hem nu van zijn quad wilde slaan en dat hij vervolgens, om een confrontatie te vermijden, zonder gas terug te nemen langs hem heen is gereden. Verdachte wist dat het de bedoeling van de man was dat hij stopte, maar uit angst is hij doorgereden (eindnoot 4) . Om een aanrijding te voorkomen is [slachtoffer] vervolgens opzij gesprongen van het fietspad af.(eindnoot 5)

4.7 De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte gepoogd heeft

aangever [slachtoffer] te doden. Verdachte is niet gericht met zijn quad op aangever ingereden. Evenmin heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] door zijn handelwijze op fatale wijze zou raken. Verdachte reed op een motorvoertuig met een laag zwaartepunt, terwijl bij gebreke van onderzoek onduidelijkheid bestaat over de daadwerkelijke snelheid waarmee verdachte op dat moment reed. De officier van justitie is op dit punt uitgegaan van een snelheid van 40 kilometer per uur. Gelet op het zwaartepunt van de quad en uitgaande van laatstgenoemde snelheid is zonder daartoe uitgevoerd nader onderzoek niet vast te stellen dat de aanmerkelijke kans bestaat dat een slachtoffer na aanrijding met deze quad zal komen te overlijden. Verdachte zal daarom van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.8 De rechtbank is van oordeel dat feit 1 subsidiair wel wettig en overtuigend bewezen kan worden, op grond van de aangifte van [slachtoffer] (eindnoot 6) , het ambtelijk verslag van buitengewoon opsporingsambtenaren [verbalisant] en [slachtoffer] (eindnoot 7) , de fotobladen inzake de plaats delict en de omgeving (eindnoot 8) , de getuigenverklaring van [getuige C] (eindnoot 9) , de getuigenverklaring van [getuige A] (eindnoot 10) en de verklaring van verdachte zelf (eindnoot 11) (ook ter terechtzitting).

Verdachte is met aanzienlijke snelheid zonder vaart te minderen met zijn quad doorgereden, terwijl hij voor zich een persoon op het fietspad zag staan welk hem, naar hij ook begrepen heeft, maande te stoppen. De rechtbank neemt op grond van de verklaring van [slachtoffer], alsmede de verklaringen van [getuige A] en [getuige B] aan dat [slachtoffer] niet plots voor de quad op het fietspad is gesprongen, maar dat hij daar duidelijk voor verdachte zichtbaar is gaan staan en een stopteken heeft gegeven, zodanig dat verdachte in de gelegenheid was om te stoppen, dan wel een alternatief voor doorrijden te kiezen teneinde de door hem gevreesde confrontatie met de man te vermijden. Uit de foto’s van het plaats delict blijkt dat verdachte nog een mogelijkheid had rechtsaf te slaan, danwel had hij kunnen stoppen en omdraaien, terwijl hij in gezelschap was van vrienden, welke hem bij een eventuele confrontatie met een (1) man hadden kunnen bijstaan. Dusdoende heeft hij welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zou raken en hem aldus, met dat voertuig en die snelheid zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.. Verdachte heeft aldus gehandeld met opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.

4.9 Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard op grond van de aangifte van [getuige A] (eindnoot 12) en de bekennende verklaring van verdachte zelf (eindnoot 13) , welke hij ter terechtzitting heeft herhaald.

4.10 Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde is de rechtbank tenslotte eveneens van oordeel dat dit feit op grond van het ambtelijk proces-verbaal van rijden onder invloed (eindnoot 14) , het ademanalyseformulier (eindnoot 15) en de bekennende verklaring van verdachte zelf (eindnoot 16) (ook ter terechtzitting) wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

5. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. subsidiar

hij op 19 juni 2007 in de gemeente Putten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] (buitengewoon opsporingsambtenaar) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde Quad met aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer] (die aan hem, verdachte, een stopteken had gegeven) is ingereden.

2.

hij op 19 juni 2007 in de gemeente Putten opzettelijk en wederrechtelijk een aantal suikerbieten toebehorende aan [slachtoffer B], heeft vernield.

3.

hij op 19 juni 2007 in de gemeente Putten als bestuurder van een voertuig, (een quad), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 305 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

6. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

feit 3: overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994

8. Strafbaarheid van de verdachte

8.1 Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

9. Oplegging van straf en/of maatregel

9.1 De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en een werkstraf voor de duur van 180 dagen subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest. Tevens vordert zij toewijzing van de civiele vordering van [getuige A] tot het gevorderde bedrag van € 50,- met daarbij de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast vordert zij verbeurdverklaring van de in beslag genomen quad.

9.2. Door de raadsvrouw is ten aanzien van de strafmaat aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de (persoonlijke) omstandigheden waaronder deze feiten hebben plaatsgevonden, namelijk dat dit feiten betreffen uit juni 2007, dat verdachte geen relevante documentatie heeft en dat verdachte momenteel positief in het leven staat en dat hij zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gehouden aan alle voorwaarden. De raadsvrouw heeft eveneens gewezen op het voorlichtingsrapport van het CAD van 12 september 2006. Uit voornoemd rapport (en ter terechtzitting) komt naar voren dat verdachte sinds dit feit een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven, dat hij nu zelf ook hulp heeft gezocht bij de Meerkanten in Ermelo om zijn verleden te verwerken en dat hij nauwelijks nog alcohol en weed gebruikt. Hij heeft met zijn vriendin een huis gekocht in Lelystad en heeft aldaar geen contacten meer met de “vrienden” van vroeger. Tevens is hij met zijn broer een eigen onderneming gestart.

De raadsvrouw voert daarnaast aan dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf grote gevolgen zou hebben voor zijn werk en zijn sociale leven en verzoekt de rechtbank derhalve aan verdachte een geldboete of een werkstraf op te leggen.

De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding, maar merkt wel op dat verdachte bereid is de gevorderde € 50,- aan de benadeelde te vergoeden.

Ten aanzien van de in beslag genomen quad merkt zij nog op dat deze eigendom is van de vriendin van verdachte en dat zij deze graag terug wil hebben. Mocht de quad niet verbeurd worden verklaard zal verdachte deze verkopen.

9.3 Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen

bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

9.4 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een delict met een gewelddadig en bedreigend karakter, als gevolg waarvan een ander angst heeft ondervonden. Verdachte is, toen hij aangever op de weg zag staan, zonder het gas van zijn quad terug te nemen, rakelings langs aangever gereden. Dat er geen sprake bleek van verwondingen is enkel het gevolg van het feit dat aangever nog net aan de kant kon springen voor verdachte. Verdachte heeft door dit zeer gevaarlijke rijgedrag zijn quad als een wapen gebruikt en had bovenal geen enkele rechtens valide reden om aangever zo in gevaar te brengen.

De ervaring leert dat delicten als de onderhavige veelal de oorzaak zijn van langdurige en ingrijpende angstgevoelens bij de directe slachtoffers. Daarnaast heeft verdachte zich, toen hij probeerde weg te komen van aangever en diens collega, schuldig gemaakt aan vernieling van een suikerbietenveld. De rechtbank neemt het verdachte daarnaast ook zeer kwalijk dat hij deze feiten onder invloed van alcoholhoudende drank heeft gepleegd.

9.5. De rechtbank houdt er ten voordele van de verdachte rekening mee dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen, ook niet tijdens de moeilijke periode die verdachte destijds heeft doorgemaakt na het overlijden van zijn moeder en ook overigens dat hij zich na deze feiten niet schuldig heeft gemaakt aan andere strafbare feiten. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het lange tijdsverloop in deze zaak.

9.6 Gelet op het vorenoverwogene, alsmede op de persoon en de omstandigheden van

verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf op zijn plaats is. Echter, mede gelet op de thans geldende LOVS-oriëntatiepunten ziet de rechtbank aanleiding de door de officier van justitie geëiste werkstraf enigszins te matigen.

Daarnaast zal de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

10. Vordering van de benadeelde partij

10.1 Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de benadeelde partij [getuige A] zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 50,- gevoegd in het strafproces.

10.2 De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zij zich, voor wat betreft de hoogte van de vordering van de benadeelde partij, refereert aan het oordeel van de rechtbank.

10.3 Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot na te melden bedrag te worden toegewezen, nu de vordering in zoverre door de verdachte niet is betwist.

11. Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het

bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemde [getuige A].

12. In beslag genomen voorwerpen

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens opgave van

verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarmee het bewezenverklaarde is begaan.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De rechtbank merkt hierbij nog op dat nergens uit blijkt dat de vriendin van verdachte eigenaar of mede-eigenaar van de quad is, dat de quad onder verdachte in beslag is genomen en dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat de quad zijn eigendom is en dat er geen stukken zijn waar anders of het tegendeel uit blijkt.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 22c, 22d, 27, 33, 33a, 36f, 45, 91, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 178 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;

• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of ander is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

feit 3: overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994

• verklaart verdachte strafbaar;

• veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

• bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

• veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf

niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de

duur van 60 (zestig) dagen;

• beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

• veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer B], [adres] (bankrek.nr. [nummer]) van een bedrag van € 50,-, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

• legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [getuige A] voornoemd, een bedrag te betalen van € 50.-, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

• bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

• Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 motorvoertuig, QUAD, kleur wit, Suzuki, quad met 80 cc;

• heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Tas, voorzitter, en Van der Hooft en Van de Wetering, rechters, in tegenwoordigheid van Vriezekolk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 maart 2009.

Eindnoten

(1) Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0611/07-205345, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Noord-West Veluwe/Team Ermelo-Putten, gesloten en ondertekend op 7 augustus 2007.

(2) Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], pag. 24

(3) Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], pag. 24; Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B], pag. 47; Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A], pag. 42

(4) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag . 67-68

(5) Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], pag. 24; Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B], pag. 47; Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A], pag. 42

(6) Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], pag. 23

(7) Proces-verbaal van een Ambtelijk Verslag van [verbalisant], buitengewoon opsporingsambtenaar en van [slachtoffer], buitengewoon opsporingsambtenaar

(8) Fotobladen van Politie Noord- en Oost Gelderland, Team Ermelo/Putten, pag. 32

(9) Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C], pag. 40

(10) Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A], pag. 42

(11) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag . 66

(12) Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer B], pag. 73

(13) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 69

(14) Proces-verbaal van rijden onder invloed, opgemaakt door [verbalisant], hoofdagent van politie Team Ermelo/Putten, gesloten en ondertekend op 7 augustus 2007, pag. 77

(15) Ademanalyseformulier, pag. 80

(16) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 69