Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BH7615

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
95409 - HA ZA 08-887
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een partij [gedaagde] vordert afgifte van twee vaststellingsovereenkomsten, waar zij geen partij bij is. Het vereiste in artikel 843a Rv "aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn", staat aan die afgifte niet in de weg. De wetgever heeft met het in 2002 herziene artikel 843a Rv beoogd aan te sluiten bij de verruiming van de processuele mededelingsplicht, die onder meer in artikel 22 Rv haar beslag heeft gekregen. De vaststellingsovereenkomsten kunnen (gelet op de in r.o. 3.4. weergegeven omstandigheden) ook van belang zijn voor de rechtsbetrekking tussen [naam] Holding B.V. en en gedaagde, zodat gedaagde een rechtmatig belang heeft bij afgifte. De omstandigheid dat [naam] Holding B.V. in het kader van mediation met [naam]B.V. geheimhouding is overeengekomen met betrekking tot de inhoud van de vaststellingsovereenkomsten, vormt geen gewichtige reden om de vordering van gedaagde af te wijzen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 95409 / HA ZA 08-887

Vonnis in incident van 4 maart 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] HOLDING B.V.,

gevestigd te [plaats], gemeente Montferland,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. B.H.M. Harbers te Doetinchem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats], gemeente Montferland,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. K.A.M. van Os-ten Have te Zutphen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie van eis tot verstrekking van een afschrift van bescheiden, tot het geven van inzage in bescheiden en tot openlegging van bescheiden

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vaststaande feiten in het incident

2.1. Op of omstreeks 21 mei 1999 is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen, waarbij [eiseres] aan [gedaagde] heeft verkocht een woning, met verdere aanhorigheden, erf en tuin, kadastraal bekend gemeente [plaats], [kadastraal nummer], gelegen aan de [adres] te [plaats]. Het perceel grond waarop de woning zich bevindt maakt deel uit van een perceel grond van 15.000 m², dat destijds in eigendom toebehoorde aan de [directeur naam B.V.] (hierna ook: [directeur naam B.V.]), directeur van [naam B.V.] (hierna: [naam B.V.]). [naam B.V.] is vervolgens eigenaar van de grond geworden. [eiseres] huurde de totale grond van [directeur naam B.V.]/[naam B.V.]. Op de betreffende woning, die op dat moment reeds door [gedaagde] werd gehuurd, rustte een recht van opstal van [eiseres].

2.2. Tussen [eiseres] en [gedaagde] zijn, voor zover van belang, de volgende afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een brief van 21 mei 1999 (productie 1 van [eiseres]): “De woning aan [adres], waarin familie [gedaagde] thans woonachtig is, zal aan [gedaagde],rb.) worden verkocht voor een koopsom groot f 300.000,00 kosten koper onder de verplichting een evenredig deel van het opstalrecht, te weten f 6.000,00 per jaar, aan [eiseres] te voldoen, totdat grond door [eiseres] van opstalgever zijn gekocht, alsdan verplicht [eiseres] BV zich de bij de woning behorende grond voor hetzelfde bedrag waarvoor zij het (inclusief kosten) heeft gekocht naar evenredigheid (gemiddelde prijs) direct door te verkopen aan [gedaagde]. Levering kosten koper. Vanaf het moment dat [eiseres] eigenaar is, is [gedaagde] geen erfpachtcanon meer verschuldigd. “

2.3. [eiseres] heeft getracht om de gehuurde gronden te kopen van [directeur naam B.V.]/[naam B.V.]. Tijdens een civiele procedure bij rechtbank Arnhem is op 16 oktober 2001 tussen voormelde partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, inhoudende dat [eiseres] de door haar gehuurde gronden kon kopen voor een door drie door de rechtbank aan te wijzen deskundigen vast te stellen prijs. De deskundigen hebben de prijs voor de grond vastgesteld op € 378.906,00. [directeur naam B.V.]/[naam B.V.] weigerde de gronden voor die prijs aan [eiseres] te leveren.

2.4. Bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem d.d. 6 maart 2002 is [directeur naam B.V.]/[naam B.V.] veroordeeld om medewerking te verlenen aan levering van de gronden tegen de door de deskundigen vastgestelde prijs. Levering heeft plaatsgevonden door inschrijving van het kort gedingvonnis op 2 december 2002 in de daartoe bestemde openbare registers.

2.5. [eiseres] heeft het betreffende perceelsgedeelte en de door [gedaagde] bewoonde woning op 2 december 2002 aan [gedaagde] doorgeleverd tegen een (in onderling overleg aangepaste) koopsom van € 280.000,00, kosten koper.

2.6. In de transportakte d.d. 2 december 2002 (productie 2 [eiseres]) komen

-voor zover van belang- de navolgende passages voor:

“XIII. BIJZONDERE VOORWAARDEN.

(…)

B.

Voorts zijn partijen nog het volgende overeengkomen:

(…)

3. Mocht verkoper, om welke reden dan ook, nog een bedrag terzake meerprijs grond aan de vorige eigenaar ([naam B.V.]) moeten voldoen, dan verbindt koper zich naar rato van de gekochte vierkante meters dit bedrag eveneens aan verkoper te voldoen, doch slechts indien en voor zover de verplichting tot betaling van de meerprijs voortvloeit uit een daartoe strekkende in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak of een ten overstaan van de rechtbank getroffen dading.

Onder meerprijs wordt ten deze verstaan: het te betalen extra bedrag over de totale oppervlakte van [perceel nummer] (zijnde een hectare vijftig are) gedeeld door vijftien duizend vierkante meter. De uitkomst daarvan bedraagt alsdan de meerprijs per vierkante meter. Vervolgens zal de meerprijs per vierkante meter worden vermenigvuldigd met het na uitmeting door het kadaster bepaalde aantal vierkante meters van het verkochte.”

2.7. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 14 januari 2003 voormeld vonnis van de voorzieningenrechter d.d. 6 maart 2002 vernietigd. Hierdoor kwam aan de hiervoor sub 2.5. vermelde levering van [eiseres] aan [gedaagde] de rechtsgrond te vervallen.

2.8. In het kader van een bij de rechtbank Arnhem gevoerde civiele procedure zijn [eiseres] enerzijds en [directeur naam B.V.]/[naam B.V.] anderzijds mediation overeengekomen. Tussen deze partijen zijn twee vaststellingsovereenkomsten gesloten (d.d. 8 januari 2007 en 16 april 2007), waarmee aan hun geschillen een einde is gekomen.

2.9. Bij notariële akte van 1 juni 2007 (productie 3 van [eiseres]) heeft [naam B.V.] aan [eiseres] in eigendom overgedragen:“een perceel bedrijfsterrein aan [adres] te [plaats] (…) kadastraal bekend gemeente [plaats], [kadastraal nummer] groot circa twee en twintig are vijftig centiare (…), zoals schetsmatig aangegeven op de aan deze akte gehechte tekening, zijnde het (na de levering op heden bij akte verleden voor mij, notaris, van een ander gedeelte van gemeld perceel R 580) het gehele nog ten name van [naam B.V.] staande gedeelte van gemeld perceel R 580.”

In deze akte staat als koopsom voor het bij deze akte aan [eiseres] overgedragen perceelsgedeelte € 245.000,-- vermeld. Tevens wordt in deze akte aangegeven dat voornoemd bedrag is voldaan door storting op de derdengeldrekening van de notaris alsmede dat [naam B.V.] aan [eiseres] kwijting heeft verleend voor de betaling van de koopsom van gemeld registergoed.

2.10. [gedaagde] is weigerachtig om mee te werken aan levering van de door hem van [eiseres] gekochte grond.

2.11. [eiseres] vordert in de hoofdzaak om [gedaagde] te veroordelen medewerking aan levering van de grond te verlenen en voornoemd bedrag van € 245.000,--, vermeerderd met rente en kosten aan haar te betalen. [eiseres] stelt dat voornoemd bedrag volledig als meerprijs in de zin van voormelde notariële akte van 2 december 2002 is te beschouwen.

3. De beoordeling in het incident

3.1. [gedaagde] vordert primair afgifte van, subsidiair inzage in en meer subsidiair overlegging van de hiervoor bedoelde twee vaststellingsovereenkomsten. [eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.2. De rechtbank is van oordeel dat de incidentele primaire vordering moet worden toegewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.

3.3. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [naam B.V.], althans haar directeur/eigenaar de heer [directeur naam B.V.] (of andere aan [directeur naam B.V.] gelieerde rechtspersonen) en [eiseres], althans haar directeur/eigenaar de [directeur naam Holding B.V.] (of andere aan [directeur naam Holding B.V.] gelieerde rechtspersonen) beschikken, althans beschikten over meerdere percelen grond in den lande. [gedaagde] vermoedt dat tussen [naam B.V.] en [eiseres] ook ander aspecten zijn betrokken ter bereiking van een minnelijke regeling en dat die eveneens zijn opgenomen in de vaststellingsovereenkomsten. Indien dat zo is, zal dat uitermate relevant zijn voor de uitkomst van de meerprijsclausule. Van de tussen [naam B.V.] en [eiseres] overeengekomen meerprijs kan niet worden uitgegaan, indien [naam B.V.] daarnaast aan [eiseres] een zaak verkoopt tegen een prijs onder de werkelijke waarde. [gedaagde] is ervan op de hoogte dat in de vaststellingsovereenkomsten een perceel grond is betrokken dat geheel buiten het perceel ter grootte van 15.000 m² staat. Hij heeft derhalve een gerechtvaardigd belang om door [eiseres] in het bezit te worden gesteld van een afschrift van beide vaststellingsovereenkomsten, aldus nog steeds [gedaagde].

3.4. [eiseres] heeft niet weersproken dat in de door haar met [naam B.V.] gesloten vaststellingsovereenkomsten ook een perceel grond is begrepen dat buiten het perceel R 580 ter grootte van 15.000 m² is gelegen. [eiseres] heeft bij de conclusie van antwoord in het incident evenmin weersproken dat theoretisch de mogelijkheid bestaat dat naast de met [naam B.V.] overeengekomen prijs voor het door [gedaagde] van [eiseres] gekochte perceel grond, door [naam B.V.] aan [eiseres] een voordeel uit andere hoofde is gegeven.

3.5. In dit licht kan -anders dan [eiseres] heeft gesteld- niet worden volstaan met de inhoud van het door [eiseres] overgelegde afschrift van de notariële akte van 1 juni 2007. Die akte staat immers niet op zichzelf, maar is een uitvloeisel van de tussen [eiseres] en [naam B.V.] gesloten vaststellingsovereenkomsten.

3.6. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] een rechtmatig belang heeft om in het kader van zijn verweer de beschikking te krijgen over een afschrift van beide vaststellingsovereenkomsten, aangezien bedoelde overeenkomsten ook van belang kunnen zijn voor de rechtsbetrekking tussen [eiseres] en [gedaagde]. Daaraan doet -anders dan uit de tekst van artikel 843a lid 1 Rv zou kunnen worden afgeleid- niet af dat [gedaagde] geen partij is bij de vaststellingsovereenkomsten. Uit de parlementaire geschiedenis Herziening Burgerlijk procesrecht (MvT, bladzijde 553 en 554) per 1 januari 2002 kan immers worden afgeleid dat de wetgever met het herziene artikel 843 a Rv heeft beoogd aan te sluiten bij de verruiming van de processuele mededelingsplicht, die onder meer in artikel 22 Rv haar beslag heeft gekregen. Meer in het bijzonder wordt in de parlementaire geschiedenis verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 1998 (NJ 1998,459), waarbij een partij een schriftelijke koopovereenkomst, waarbij de wederpartij in de procedure geen partij was, niet in het geding wenste te brengen, welke weigering door de Hoge Raad gegrond werd bevonden. Uit de opmerkingen van de minister kan worden afgeleid dat deze beslissing van de Hoge Raad onder het gewijzigde artikel 843 a Rv anders zou moeten hebben geluid.

3.7. [eiseres] heeft nog aangevoerd dat hij met [naam B.V.] in het kader van de mediation geheimhouding is overeengekomen met betrekking tot al hetgeen in het kader van de mediation is besproken en overeengekomen en dat zij van [naam B.V.] geen toestemming heeft gekregen om aan [gedaagde] afschriften van de vaststellingsovereenkomsten te verstrekken. [eiseres] heeft gesteld dat zij er op zichzelf geen bezwaar tegen heeft om bedoelde stukken in het geding te brengen, maar dat zij daarvan -ter voorkoming van een nader juridisch geschil met [naam B.V.]- af ziet. Naar het oordeel van de rechtbank is met voormeld betoog van [eiseres] geen gewichtige reden gegeven om de vordering van [gedaagde] af te wijzen. Het belang van een behoorlijke rechtspleging weegt in dit geval zwaarder dan het belang van [eiseres] bij niet openbaarmaking.

3.8. Nu [eiseres] er op zichzelf geen bezwaar tegen heeft om een afschrift van de vaststellingsovereenkomsten ter beschikking van [gedaagde] te stellen en zij bovendien het risico loopt dat de rechtbank, indien [eiseres] deze afschriften niet aan [gedaagde] overhandigt, daaruit in de hoofdzaak de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht, heeft [gedaagde] onvoldoende belang dat na te melden veroordeling wordt versterkt door middel van een dwangsom, zodat de eveneens gevorderde dwangsom zal worden afgewezen.

3.9. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1. veroordeelt [eiseres] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] een afschrift te verstrekken van de tussen [eiseres] enerzijds en [naam B.V.] en/of de [directeur naam B.V.] anderzijds op

8 januari 2007 en 16 april 2007 gesloten vaststellingsovereenkomsten,

4.2. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.3. wijst het meer of anders gevorderde af,

4.4. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

4.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 april 2009 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2009.