Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BH5079

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
09-03-2009
Zaaknummer
06/580197-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Puttense zaak - proces-verbaal rechtbank van 5 maart 2009. De rechtbank Zutphen heeft in een tussenbeslissing beslist op verzoeken van de advocaat van de verdachte. De verzoeken werden gedaan tijdens de regiezitting van 12 februari 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Parketnummer: 06/580197-08

AANHOUDING

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige kamer in deze rechtbank op 5 maart 2009.

Tegenwoordig:

mr. Krijger, voorzitter,

mrs. Van der Mei en Hemrica, rechters,

mr. Duits, officier van justitie,

en mr. Meerdink, griffier.

Uitgeroepen wordt de zaak tegen na te noemen verdachte.

De verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1975],

wonende te [adres],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Utrecht, locatie Nieuwegein,

is niet verschenen.

De voorzitter deelt mee dat verdachte schriftelijk afstand heeft gedaan van het recht ter terechtzitting te verschijnen (bedoelde afstandsverklaring is aan dit proces-verbaal gehecht).

Ter terechtzitting is aanwezig de raadsman van verdachte, mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, die meedeelt uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd om hem ter terechtzitting te verdedigen.

De voorzitter deelt mee dat de rechtbank het onderzoek van de zaak hervat in de stand, waarin het zich op het tijdstip van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting van

12 februari 2009 bevond.

De voorzitter zegt het in de zittingszaal aanwezige publiek aan, dat vanaf dit moment geen opnamen en foto’s mogen worden gemaakt en dat mobiele telefoons moeten worden uitgeschakeld, dit alles op straffe van verwijdering uit de zittingszaal en het wissen van de opnamen.

De voorzitter deelt voorts mede dat gedurende het onderzoek ter terechtzitting een bandopname meeloopt, uitsluitend ter ondersteuning van de griffier.

De voorzitter deelt namens de rechtbank de volgende beslissingen mee.

De voorzitter deelt mee dat er vooraf geen korte en eenvoudige samenvatting voor het publiek wordt gegeven, omdat de beschikking zich daarvoor niet leent.

Verzoeken ten aanzien van de verslaglegging van het verhandelde ter terechtzitting

1. De raadsman heeft ter terechtzitting van 12 februari 2009 verzocht om de opnamen van de terechtzittingen door hem – op zijn verzoek – uit te laten luisteren teneinde de juistheid van de (zakelijke) weergave van de processen-verbaal te kunnen beoordelen, omdat hij twijfelt aan die juistheid.

2. De rechtbank overweegt als volgt.

Het verzoek van de raadsman om de van de terechtzittingen gemaakte geluidsopnamen zelf te kunnen uitluisteren, wordt afgewezen. De gemaakte geluidsopnamen van de terechtzittingen dienen enkel en alleen ter ondersteuning van de griffier voor het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting en zijn – net als de aantekeningen van de griffier – niet bedoeld om aan het dossier te worden toegevoegd of op enigerlei wijze aan derden te worden verstrekt, luistermogelijkheden daaronder begrepen.

3. De raadsman heeft ter terechtzitting van 12 februari 2009 verzocht om – zo begrijpt de rechtbank – aan de hand van de bandopnames na te gaan of de officier van justitie op

2 september 2008 heeft verklaard dat zij niet alle 260 dossiers van het PUMO I onderzoek zou hebben gelezen. Naar aanleiding van dit verzoek is vastgesteld dat de officier van justitie het volgende heeft gezegd: “Wat betreft het faciliteren van de raadsman om stukken in te zien en het hem gemakkelijk te maken. Natuurlijk valt daarover te praten. Dat is geen enkel probleem. Ik snap ook wel dat de raadsman niet zomaar al die bladzijden kan gaan lezen. Dat kan ik ook niet. Maar dat is iets dat praktisch is. Dat kunnen we oplossen.”.

Herhaalde verzoeken, algemeen en vergoeding werkzaamheden raadsman

4. Ter terechtzitting van 12 februari 2009 heeft de raadsman gesteld dat een aantal beslissingen van de rechtbank, gegeven op 4 december 2008, onjuist zou zijn. Vervolgens heeft de raadsman een aantal eerder gedane – ter terechtzitting van

4 december 2008 afgewezen – verzoeken herhaald.

5. De rechtbank overweegt ter zake dat in het algemeen als uitgangspunt geldt dat op eerder genomen beslissingen door de rechtbank niet wordt teruggekomen om de enkele reden dat de verdediging zich met die beslissingen niet kan verenigen en de betreffende beslispunten opnieuw aan de orde stelt.

6. De raadsman heeft ter terechtzitting van 12 februari 2009 aangevoerd – naar de rechtbank begrijpt – dat verdachte in zijn verdediging wordt geschaad, nu de raad voor rechtsbijstand (verder: de raad) de raadsman voor inzage van de oude dossiers geen vergoeding zou willen toekennen en van de raadsman niet gevergd kan worden dat hij zonder zicht op een redelijke vergoeding de oude dossiers inziet. De raad heeft volgens de raadsman goede reden om aan te nemen dat de stukken uit de oude dossiers niet relevant zijn, juist omdat zij niet zijn gevoegd. Daarom is het volgens de raadsman zinloos, ook gelet op het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en de Leidraad bewerkelijke zaken, vooraf een aanvraag (“begroting”) voor extra uren in te dienen bij de raad voor het inzien van de oude onderzoeksdossiers PUMO I en II.

7. De rechtbank stelt vast dat het ook hier in de kern om een geschilpunt gaat, waarover ter terechtzitting van 4 december 2008 een beslissing is genomen (overweging 4). Het volgende wordt nog overwogen.

8. De raadsman heeft eerder een kopie overgelegd van de brief van de raad van

23 september 2008 aan de raadsman, van zijn brief van 10 oktober 2008 aan de raad en van de brief van de raad van 28 oktober 2008 aan hem.

De rechtbank stelt nogmaals voorop dat het recht van een verdachte om bijgestaan te worden door een advocaat van eigen keuze in geval van gefinancierde rechtshulp noodzakelijkerwijs onderhevig is aan zekere beperkingen, onder meer gesteld bij of krachtens de Wet op de rechtsbijstand. Bovendien is het niet aan deze strafkamer om een oordeel te geven over geschillen tussen de raadsman en de raad.

9. Van andere orde is evenwel de overweging van deze strafkamer dat de inhoud en strekking van voormelde brieven voorshands geen aanleiding geven de raadsman te volgen in zijn feitelijke weergave van de toevoegingskwestie, als hiervoor onder 6 samengevat. Zo verzoekt de raad de raadsman bij brief van 23 september 2008 een nadere toelichting te verstrekken omtrent de beoogde bestudering van de oude dossiers en stelt de raad in de brief van 28 oktober 2008 de vraag of de oude stukken door het OM worden ingebracht in de huidige strafzaak danwel of onderdelen daarvan zich reeds in het dossier bevinden. Overigens moet hierbij bedacht worden dat de rechtbank informatie over de toevoegingskwestie alleen van de raadsman, middels bovengenoemde brieven, heeft gekregen.

10. De raadsman heeft ter terechtzitting van 12 februari 2009 medegedeeld dat hij op laatstgenoemde brief van de raad niet meer heeft gereageerd. De rechtbank stelt verder vast dat de raadsman er kennelijk voor heeft gekozen geen aanvraag in te dienen voor een vergoeding terzake het verrichten van de betreffende werkzaamheden, variërend van het “vluchtig doornemen” tot het “daadwerkelijk bestuderen”. Aldus is evenmin een (voor bezwaar of beroep vatbaar) besluit van de raad naar aanleiding van die aanvraag voorhanden, waaruit het standpunt van de raad omtrent deze kwestie blijkt.

11. De rechtbank ziet geen aanleiding om terug te komen op haar eerdere beslissing en de gronden waarop die berust.

Herhaalde verzoeken, samenstelling van het dossier

12. Op het door de raadsman ter terechtzitting van 12 februari 2009 herhaalde verzoek om toevoeging aan het dossier van alle – oude stukken – uit de onderzoeken PUMO I en PUMO II heeft de rechtbank ter terechtzitting van 4 december 2008 (overweging 10) reeds beslist.

Nu de raadsman geen nadere motivering aan het herhaalde verzoek ten grondslag heeft gelegd – anders dan door de verdediging reeds ter terechtzitting van 21 november 2008 naar voren is gebracht – wijst de rechtbank dit herhaalde verzoek af, onder verwijzing naar haar beslissing genomen ter terechtzitting van 4 december 2008 en de gronden waarop die beslissing berust.

13. Meer in het bijzonder heeft de verdediging verzocht om toevoeging van stukken aan het dossier, volgens een ter terechtzitting van 12 februari 2009 overgelegde lijst. Deze lijst omvat een groot aantal specifiek aangeduide stukken. In grote lijnen is dit verzoek onder te verdelen in:

a) toevoeging van stukken die, zo begrijpt de rechtbank, zien op mogelijke andere scenario’s;

b) toevoeging van stukken die zien op deskundigenverklaringen;

c) een aantal resterende stukken.

14. De rechtbank heeft ter terechtzitting van 4 december 2008 uitgebreid beslist op het verzoek van de raadsman om stukken die zien op het scenario [ex-verdachten] aan het dossier toe te voegen. Hier wordt volstaan met een verwijzing naar haar eerdere beslissing en motivering daarvan. Onder verwijzing naar haar motivering in het proces-verbaal van 4 december 2008 (overweging 11) wijst de rechtbank het herhaalde verzoek van de raadsman af.

15. De rechtbank merkt op dat voormelde beslissingen alleen zien op de vraag welke stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd. Die beslissing staat los van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op grond van de thans voorhanden zijnde en mogelijk nog te voegen verdere stukken. Tijdens die inhoudelijke behandeling zal (onder meer) het zittingsonderzoek naar de feiten plaatsvinden, waarna de officier van justitie en de raadsman de gelegenheid krijgen hun standpunt omtrent de aan verdachte tenlastegelegde feiten te geven.

Verzoek tot toevoeging van stukken die betrekking hebben op deskundigenverklaringen en een aantal resterende stukken

16. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld, dat een groot aantal stukken ontbreekt, waarvan hij ter terechtzitting van 12 februari 2009 een lijst heeft overgelegd.

17. De rechtbank gelast, met toepassing van het relevantiecriterium, toevoeging van:

- de verklaring van patholoog-anatoom R. Visser afgelegd ter terechtzitting van het

gerechtshof te Arnhem d.d. 27 juni 1995 (verwijzing naar deze verklaring op

dossierpagina 154);

- de verklaring van patholoog-anatoom R. Visser afgelegd ter terechtzitting van onbekende datum, waarin hij heeft verklaard dat hij zich niet herinnert het sperma op het been gezien te hebben, maar dat hij het spoor wel heeft veiliggesteld (verwijzing naar deze verklaring op pagina 122 van het aanvullend proces-verbaal);

- de getuigenverklaring van [getuige A] (PV031114.1030.GEL);

- de brief van A.C. Möhring, directeur externe relaties van het NFI d.d. 19 februari 2008, in antwoord op de brief van officier van justitie Fröberg;

- de getuigenverklaring van R. Eikelenboom van het IFS op een onbekende datum in 1994, destijds verbonden aan het NFI, waarin hij verklaart dat er geen vrouwelijk celmateriaal was aangetroffen in het sperma op het bovenbeen van het slachtoffer (verwijzing naar deze verklaring op dossierpagina 656);

- proces-verbaal omtrent de geharkte strook (940218.1040) (vindplaats: oud dossier, map 8, pagina 97).

18. Een aantal van door de raadsman verzochte stukken bevindt zich reeds in het dossier. Dit betekent dat het verzoek van de verdediging om toevoeging van:

- de rapporten van het Gerechtelijk Laboratorium van 20 mei 1994, van 25 mei 1994

en van 19 juli 1994;

- de getuigenverklaringen van [getuige B];

- het proces-verbaal omtrent de bezoekers van de begrafenis;

wordt afgewezen.

19. De overige stukken die de raadsman aan het dossier gevoegd wenst te zien, wijst de rechtbank af, nu door de raadsman in het licht van de aanwezige gedingstukken, de relevantie van de voeging van die stukken onvoldoende is onderbouwd.

Verzoeken naar aanleiding van het rapport van ing. R. Eikelenboom

20. De raadsman heeft voorts ter terechtzitting van 12 februari 2009 verzocht om een kopie aan het dossier te voegen van de door ing. Eikelenboom voor zijn rapport van

30 januari 2009 gebruikte cd-rom, waarop zich PDF-files zouden bevinden van delen van het dossier die op het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) aanwezig zijn. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om een volledig overzicht te voegen van de stukken die zich in het dossier van het NFI bevinden en om alle zich in dat dossier bevindende stukken – voor zover die zich nog niet in het strafdossier bevinden – aan het strafdossier toe te voegen.

21. De rechtbank is van oordeel dat het van belang is dat zoveel mogelijk zicht bestaat op het materiaal waarop ing. Eikelenboom zijn onderzoek en de resultaten daarvan heeft gebaseerd.

De rechtbank gelast de officier van justitie een aanvullend proces-verbaal te laten opmaken, met daarin een inhoudsopgave van de inhoud van de PDF-files op de bedoelde cd-rom, zodat inzichtelijk wordt welke delen van het NFI-dossier

ing. Eikelenboom heeft gebruikt.

22. Voorts is de rechtbank van oordeel dat een inhoudsopgave dient te worden verstrekt van de stukken die zich in het dossier van het NFI bevinden en gelast de officier van justitie hiertoe een aanvullend proces-verbaal te laten opmaken.

23. Het verzoek van de raadsman om alle zich in het dossier van het NFI bevindende stukken aan het dossier te voegen – voor zover dat nog niet is gebeurd – wordt door de rechtbank, als onvoldoende onderbouwd, afgewezen.

Sporenmatrix

24. De rechtbank heeft, na aankondiging daarvan ter terechtzitting van 21 november 2008, op de terechtzitting van 4 december 2008 (overweging 23) ambtshalve beslist dat door de officier van justitie van een aantal aldaar genoemde sporen, vanaf het veiligstellen in 1994 tot het laatste gepleegde (DNA) onderzoek een overzicht wordt opgesteld teneinde controleerbaar te maken welke conclusie aan welke spoor wordt verbonden.

De matrix inventariseert derhalve de verschillende deskundigenrapporten op overzichtelijke wijze. Een inhoudelijk debat over de uitkomsten van die rapporten is van een andere orde en staat derhalve los van het opstellen van de matrix als zodanig.

25. In januari 2009 heeft de officier van justitie een sporenmatrix ingezonden, waarin onder meer is opgenomen welke sporen zijn onderzocht, waar en door welke instelling de sporen zijn veiliggesteld en onder welk SVO-nummer, dan wel NFI-nummer en omschrijving deze sporen zijn onderzocht.

26. De raadsman heeft ter terechtzitting van 12 februari 2009 aangegeven, dat de opgemaakte sporenmatrix onvolledig is.

27. De door de officier van justitie toegezonden matrix acht de rechtbank onvoldoende om als basis te dienen voor het kunnen controleren welke conclusies aan welk spoor worden verbonden. De rechtbank gelast de officier van justitie een aanvullend proces-verbaal op te laten maken, bij voorkeur in het sjabloon als hierna weergegeven:

sjabloon

28. Voor zover de raadsman ter terechtzitting van 12 februari 2009 heeft bedoeld aanvullende verzoeken met betrekking tot de sporenmatrix te doen, wijst de rechtbank deze als onvoldoende onderbouwd af.

Ambtshalve te geven bevelen naar aanleiding van nieuw ingekomen stukken

29. Op 4 december 2008 heeft de rechtbank bepaald dat naast ing. R. Eikelenboom een

drietal andere (getuige-)deskundigen ter terechtzitting dient te worden gehoord (overweging 29), te weten:

- dr. J.I.H. Walker, verbonden aan het LGC te Londen;

- prof. dr. P. de Knijff, verbonden aan het FLDO te Leiden;

- drs. A.D. Kloosterman, verbonden aan het NFI te Den Haag.

30. In aanvulling op de hiervoor genoemde (getuige-)deskundigen, acht de rechtbank het noodzakelijk dat tevens (getuige-)deskundige ir. H.J.T. Janssen, (in 1995) als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Gerechtelijk laboratorium van het Ministerie van Justitie te Den Haag, ter terechtzitting als (getuige-)deskundige wordt gehoord. De rechtbank ziet daartoe aanleiding gelet op onder meer zijn ter terechtzitting van 7 september 1995 bij het gerechtshof te Arnhem afgelegde verklaring, inhoudende: “Spermacellen zijn vrij sterk en daardoor, met een methode waardoor de aanwezige epitheelcellen worden vernietigd, schoon te wassen”.

31. De rechtbank overweegt dat zij in de aan het dossier toegevoegde correspondentie over de zegelnummers aanleiding ziet om mr. A.C. Möhring, directeur externe relaties van het NFI, als getuige ter terechtzitting te horen.

32. De rechtbank acht het van belang dat, alvorens genoemde (getuige-)deskundigen, te weten dr. J.I.H. Walker, prof. dr. P. de Knijff, drs. A.D. Kloosterman en ir. H.J.T. Janssen, ter terechtzitting worden gehoord, zij kennis hebben genomen van de inhoud van het rapport van ing. R. Eikelenboom van 30 januari 2009 teneinde ter terechtzitting waar mogelijk en vanuit hun expertise een reactie te kunnen geven op de conclusies die Eikelenboom op DNA-technisch gebied aan de sporen verbindt. De rechtbank geeft last aan de officier van justitie om onder embargo voormeld rapport met uitzondering van pagina 72 en verder aan de onder 29 en 30 vermelde (getuige-)deskundigen te versturen. De rechtbank gaat ervan uit dat een vertaalde versie van het rapport aan dr. Walker wordt toegezonden.

(Getuige-)deskundigen

33. De rechtbank bepaalt dat de hiervoor onder overweging 29, 30 en 31 genoemde (getuige-)deskundigen en de in het proces-verbaal van 4 december 2008 genoemde (getuige-)deskundigen in beginsel in de eerste zittingsweek (in de periode van 11 mei 2009 tot en met 15 mei 2009) ter terechtzitting zullen worden gehoord. De precieze data en tijdstippen zullen door de voorzitter, in overleg met de officier van justitie en de raadsman van verdachte, worden vastgesteld.

Het gaat hier om de volgende (getuige-)deskundigen:

- H. Bosch, brigadier van politie Twente, criminaliteitsanalist;

- Chr.A. de Bruijn, inspecteur van politie, technisch rechercheur;

- W.J. Schulte, brigadier van politie, technisch coördinator;

- mr. A.C. Möhring, directeur externe relaties van het NFI;

- ir. H.J.T. Janssen, (in 1995) wetenschappelijk medewerker bij het Gerechtelijk laboratorium van het Ministerie van Justitie te Den Haag;

- dr. D.A. Kloosterman, vaste gerechtelijke deskundige DNA-onderzoek Nederlands Forensisch Instituut te Zoetermeer;

- dr. P. de Knijff, hoofd Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek te Leiden;

- ing. R. Eikelenboom, Independent Forensic Services te Hulshorst;

- dr. James I.H. Walker, Head of Specialist Forensic DNA, LGC Forensics te Eddington (Groot-Brittannië).

De officier van justitie en de verdediging kunnen desgewenst al op voorhand, tot vier weken voor aanvang van de inhoudelijke behandeling op 11 mei 2009, schriftelijke vragen aan deze genoemde (getuige-)deskundigen, waaronder mede

ing. R. Eikelenboom, kenbaar maken via de voorzitter.

De officier van justitie en de raadsman worden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken.

De officier van justitie ziet daarvan af.

De raadsman verklaart – zakelijk weergegeven – onder meer:

Naar aanleiding van de zojuist gegeven beslissingen van de rechtbank, heb ik twee verzoeken.

Het eerste verzoek heeft betrekking op hetgeen op pagina 647 van het eindproces-verbaal is vermeld. Aldaar is een proces-verbaal van W.J. Schulte en Chr.A. de Bruijn opgenomen. Onder punt 2 van dit proces-verbaal, onder het kopje: “Ontwikkeling sporenmatrix” is het volgende vermeld en ik citeer: “Sinds op de plaats delict in 1994 sporen en sporendragers zijn veiliggesteld, is er in de loop der jaren allerlei forensisch onderzoek verricht door onder andere het NFI. […] Het complete sporenbestand is opgenomen in 5 ordners die deel uitmaken van het totale dossier Marmot. Een overzicht van het sporenbestand van de sporen die voor het verloop van dit onderzoek van belang zijn geweest zal als bijlage 01 bij dit proces-verbaal worden gevoegd.”

De door Schulte en De Bruijn genoemde vijf ordners maken deel uit van het dossier Marmot. Het lijkt er op dat een sporenmatrix aanwezig is, welke volgens de politie een volledig en inzichtelijk beeld geeft. Alleen al voor het beoordelen van de conclusies die in dit proces-verbaal worden getrokken, is het van belang dan wel noodzakelijk om die matrix aan het dossier te voegen. Daarnaast is het van belang om de betrouwbaarheid van die conclusies te beoordelen en (in een breder verband) om de conclusies te kunnen beoordelen die elders in het dossier worden getrokken ten aanzien van het sporenmateriaal. Gelet op het voorgaande verzoek ik om voeging aan het strafdossier van die vijf ordners.

Mijn tweede verzoek heeft betrekking op de door rechtbank vandaag gegeven beslissing, dat het verzoek om de stukken van het NFI aan het dossier toe te voegen, onvoldoende onderbouwd is. Op dossierpagina 721 en verder bevindt zich een Tactische Criminaliteitsanalyse opgemaakt op 6 mei 2008 door criminaliteitsanalist, H.A. Harsema, welke Harsema overigens nog niet op de lijst van te horen getuigen ter terechtzitting staat. Harsema maakt een analyse van het bij het NFI beschikbare (17 ordners tellende) dossier. Hij analyseert het gehele NFI dossier en selecteert hetgeen volgens hem kennelijk relevant is voor de te nemen beslissingen in deze zaak. Harsema doet naar aanleiding van die selectie een aantal uitspraken en trekt een aantal conclusies. De analyse zit in het dossier en kan relevant zijn voor de te nemen beslissingen. De analyse moet echter gecontroleerd kunnen worden op betrouwbaarheid. In dat verband verwijs ik naar pagina 728. Op die pagina is onder 1.3 met kopje “De methode van onderzoek” het volgende vermeld en ik citeer: “Ten behoeve van deze analyse is gebruik gemaakt van de bij het rechercheteam aanwezige documentatie en door het NFI ter beschikking gestelde dossier. […] Op deze wijze is een overzichtelijk bestand ontstaan van alle aangetroffen sporen en de met betrekking tot deze sporen verrichte onderzoeken en vastgestelde bevindingen.”

In de visie van genoemde Harsema bestaat er dus een alomvattend stuk, te weten een digitaal bestand waarin alle sporen gekoppeld worden.

Teneinde – aan het einde van de feitenbehandeling in deze zaak – het nodige te kunnen zeggen over hetgeen voorligt en over eventuele alternatieve scenario’s, is het noodzakelijk dat er een beeld is van het op de plaats delict aangetroffen sporenmateriaal. In het dossier is op verschillende plaatsen vermeld dat bepaalde sporen niet afkomstig zijn van cliënt en evenmin van de broer van het slachtoffer. In de rapportage van ing. R. Eikelenboom van 30 januari 2009 wordt eveneens vermeld dat materiaal van een onbekende is aangetroffen.

Om te kunnen vaststellen welke mogelijke alternatieve en ontlastende scenario’s, gelet op het complete sporenbestand aanwezig zijn, dienen de in het rapport van Harsema genoemde stukken aan het dossier te worden gevoegd. Ik verzoek dan ook om voeging van die stukken. Enkel op basis van een compleet sporenbeeld kan beoordeeld worden welke conclusies daar eventueel aan te verbinden zijn. Bij een beperkte selectie van sporen, ontstaat het risico dat bepaalde mogelijke scenario’s uit het oog worden verloren. Het is van belang en noodzakelijk voor de verdediging om de betrouwbaarheid van de analyse van Harsema te controleren. In dat verband is dan ook noodzakelijk dat de door Harsema gebruikte stukken, waarop hij zijn conclusies baseert, aan het dossier gevoegd worden. Ik verwijs hierbij naar de beslissing van de rechtbank van heden, waarin zij in het kader van het rapport van ing. R. Eikelenboom heeft aangegeven dat het nodig is zoveel mogelijk zicht te krijgen op hetgeen dat ten grondslag heeft gelegen aan de analyse en de conclusies in dat rapport.

Gelet op het voorgaande verzoek ik om voeging van de 5 ordners genoemd in het proces-verbaal van Schulte en De Bruijn en de door Harsema genoemde stukken pagina 728, te weten de bij het rechercheteam aanwezige documentatie en het door het NFI ter beschikking gestelde dossier van 17 ordners.

De officier van justitie verklaart – zakelijk weergegeven – onder meer:

De verzoeken van de raadsman zijn gebaseerd op stukken die al enige tijd geleden aan hem zijn verstrekt en welke stukken al op eerdere regiezittingen aan de orde zijn gesteld. Ik verzoek de rechtbank de thans door de raadsman gedane verzoeken om proceseconomische redenen af te wijzen. De raadsman had deze verzoeken eerder kunnen doen.

Voor zover de rechtbank een andere mening is toegedaan, merk ik op dat niet elk proces-verbaal en elk processtuk onderbouwd hoeft te worden met achterliggende stukken. Het is voldoende naar die achterliggende stukken te refereren en aan te geven waar de kennis uit bestaat op grond waarvan een stuk is opgemaakt. De onderbouwing van de verzoeken van de raadsman is op dit punt onvoldoende onderbouwd. De raadsman geeft aan dat hij de betrouwbaarheid van de stukken wil toetsen en controleren, maar nergens blijkt van enige twijfel over de betrouwbaarheid ervan.

De verzoeken om nadere stukken te voegen, zijn onvoldoende onderbouwd. Bovendien lijkt het er op dat de verzoeken van de raadsman een verkapte herhaling is van verzoeken die hij reeds eerder heeft gedaan en door de rechtbank al zijn afgewezen.

De raadsman verklaart – zakelijk weergegeven – onder meer:

De officier van justitie geeft aan dat de verzoeken eerder gedaan hadden kunnen worden en tot slot geeft zij aan dat de verzoeken een verkapte herhaling zijn van reeds eerder gedane verzoeken. Dat de verzoeken een herhaling zijn is niet relevant. Het gaat om de nadere motivering van de verzoeken. Die nadere motivering heb ik thans gegeven.

Het verzoek om het NFI-dossier aan het strafdossier toe te voegen en overige stukken is eerder vandaag door de rechtbank gedeeltelijk afgewezen, nu zij het verzoek onvoldoende onderbouwd achtte. Vandaag heb ik een nadere en meer dan voldoende onderbouwd verzoek gedaan om voeging van de sporenmatrix waar de politie over spreekt, inclusief de bijbehorende stukken en de door Harsema aan zijn analyse en conclusies ten grondslag gelegde stukken. Ik had die nadere motivering eerder kunnen geven, maar het Openbaar Ministerie had die stukken ook eerder aan het dossier kunnen voegen. Er kan geen discussie bestaan over de vraag of deze stukken relevant zijn voor de te nemen beslissingen. Daar komt nog bij dat de in het stuk van Harsema op pagina 740 vermelde sporenmatrix (bijlage I bij de Tactische Criminaliteitsanalyse) ontbreekt.

Teneinde getrokken conclusies te kunnen controleren, moet de rechtbank een zo goed mogelijk beeld hebben van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de door de politie gemaakte analyses en getrokken conclusies. In dit verband is het noodzakelijk dat de rechtbank kennis heeft van de onderliggende stukken.

De officier van justitie geeft aan dat zij geen behoefte heeft te reageren.

De rechtbank onderbreekt het onderzoek voor overleg in raadkamer.

Na een onderbreking van het onderzoek teneinde de rechtbank in de gelegenheid te stellen zich te beraden deelt de voorzitter de beslissingen van de rechtbank mee.

1. De raadsman verzoekt om toevoeging aan het dossier van de digitale bestanden van de stukken van overtuiging en de sporen en de koppeling daarvan, waarvan op dossierpagina 728 door H.A. Harsema melding wordt gemaakt.

De rechtbank oordeelt als volgt. Ten behoeve van de analyse heeft Harsema gebruikt gemaakt van de bij het rechercheteam aanwezige documentatie en het door het NFI ter beschikking gestelde dossier. Van het NFI-dossier heeft de rechtbank vandaag reeds het opmaken van een inventarisatielijst gelast. De verdediging heeft inzage in de PUMO I en PUMO II dossiers. De digitale bestanden waar het omgaat, betreffen hulpmiddelen en geen zelfstandige bron van gegevens.

In het licht van het bovenstaande en van de aanwezige stukken in het dossier is het verzoek naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wijst het verzoek af.

2. De raadsman heeft voorts verzocht om voeging aan het dossier van de 17 ordners van het NFI.

De rechtbank overweegt dat hier vandaag reeds een beslissing over is genomen. Hetgeen de raadsman vandaag nader heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank komt niet terug op haar eerder genomen beslissing en wijst het verzoek af.

3. De raadsman heeft verzocht om voeging aan het dossier van de in de Tactische Criminaliteitsanalyse van H.A. Harsema op pagina 740 genoemde bijlagen.

De rechtbank oordeelt als volgt. Op 4 december 2008 heeft de rechtbank al ambtshalve geconstateerd dat de bijlagen bij de Tactische Criminaliteitsanalyse van de heer Harsema ontbraken. De rechtbank heeft gelast deze toe te voegen aan het dossier (overweging 24 van het proces-verbaal van 4 december 2008). Bij aanvullend proces-verbaal van 17 december 2008 zijn de bijlagen door de officier van justitie aan het dossier toegevoegd en aan de raadsman toegezonden. Om die redenen wordt het verzoek op dit punt afgewezen.

4. Naar aanleiding van het proces-verbaal van Schulte en De Bruijn van 3 oktober 2008, in het bijzonder met betrekking tot hetgeen gerelateerd wordt op dossierpagina 647, wil de raadsman dat 5 ordners met sporenbestanden aan het dossier worden toegevoegd.

De rechtbank oordeelt als volgt. Op dossierpagina 667 is reeds een inventarislijst van aanwezige sporen als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. Naar aanleiding van het sporenbestand is een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen door de verbalisanten opgemaakt. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de raadsman inzage heeft in alle oude dossiers. Gelet op het bovenstaande en in het licht van de al in het dossier aanwezige stukken is het verzoek onvoldoende onderbouwd en wordt dit afgewezen.

De rechtbank schorst het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde tijd tot

11 mei 2009 te 10.00 uur.

Deze termijn is langer dan één maand om de klemmende redenen dat de bevolen nadere onderzoekshandelingen en het zittingsrooster van de rechtbank een kortere termijn niet toelaten.

De rechtbank beveelt de oproeping van verdachte tegen voormelde terechtzitting met kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

De voorzitter deelt desgevraagd aan de raadsman mede dat indien hij nog nadere onderzoekswensen kenbaar willen maken naar aanleiding van de nog te ontvangen aanvullende stukken, hij zich schriftelijk tot de rechtbank kan wenden.

Waarvan proces-verbaal,