Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BH3854

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
24-02-2009
Datum publicatie
24-02-2009
Zaaknummer
06/850070-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 20-jarige man voor het plegen van ontuchtige handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van iemand die de leeftijd van 12 maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt tot een werkstraf van 80 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/850070-08

Uitspraak d.d.: 24 februari 2009

Tegenspraak – dip

Raadsman: mr. J. Zandberg

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1988]

wonende te [adres te plaats].

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 februari 2009.

2. De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging ter terechtzitting is gewijzigd wordt aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2007 tot en met 1 juni 2007, althans in of omstreeks de periode van 04 april 2007 tot en met 02 mei 2007 te Didam, althans in de gemeente Montferland, met [slachtoffer] (geboren op [1995]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte (telkens) opzettelijk

- (onder haar kleding) de borst(en) en/of schaamstreek en/of vagina van die

[slachtoffer] betast en/of daarover gewreven en/of

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

art 245 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2007 tot en met 1 juni 2007, althans, in of omstreeks de periode van 04 april 2007 tot en met 02 mei 2007 te Didam, althans in de gemeente Montferland, met [slachtoffer], geboren op [1995]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit het (onder haar kleding) de borst(en) en/of schaamstreek en/of vagina van die [slachtoffer] betasten en/of daarover wrijven en/of het brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer];

art 247 Wetboek van Strafrecht

3. Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs (voetnoot 1)

A. Vaststaande feiten

4.1. Verdachte heeft [slachtoffer] leren kennen door zijn vriendschap met haar broer, [broer slachtoffer].(voetnoot 2)

In de periode van 1 maart 2007 tot en met 1 juni 2007 te Didam heeft verdachte gedurende korte tijd “verkering” gehad met aangeefster [slachtoffer](voetnoot 3).Verdachte is geboren op [1988] en was ten tijde van het ten laste gelegde 18 jaar oud.(voetnoot 4) Aangeefster is geboren op [1995] en was ten tijde van het ten laste gelegde 12 jaar oud.(voetnoot 5) Verdachte heeft bekend dat hij met aangeefster getongzoend heeft.(voetnoot 6)

B. Standpunt van het openbaar ministerie

4.2. De officier van justitie heeft allereerst aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tweede en het vierde gedachtestreepje van het primair ten laste gelegde (het brengen van een vinger en penis in de vagina van aangeefster), omdat daarvoor te weinig steunbewijs voor de aangifte aanwezig is.

4.3. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het eerste en het derde gedachtestreepje van het primair ten laste gelegde (het betasten van de borsten, schaamstreek en vagina en het tongzoenen), op grond van de verklaring van aangeefster bij het intakegesprek, de verklaring van verdachte en de verklaringen van getuigen [getuige A] en [getuige B].

C. Standpunt van de verdachte, de verdediging

4.4. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van het slachtoffer onbetrouwbaar is. Ook de getuigenverklaringen lopen naar het oordeel van de raadsman teveel uiteen om betrouwbaar te kunnen worden geacht.

4.5. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de verklaringen van verdachte evenmin erg betrouwbaar zijn, gezien de problemen door het geheugenverlies van verdachte. Nu het dossier voor het overige geen bewijs bevat, dient verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

D. Beoordeling door de rechtbank

4.6. Ten aanzien van het tweede en het vierde gedachtestreepje van het primair ten laste gelegde (het brengen van een vinger en penis in de vagina van aangeefster) overweegt de rechtbank dat, nu de getuigen [getuige A] en [getuige B] hiervan niets hebben waargenomen en verdachte dit heeft ontkend(voetnoot 7), voor deze onderdelen enkel de aangifte als bewijsmiddel voorhanden is. De rechtbank oordeelt derhalve, met de officier van justitie en de raadsman, dat verdachte bij gebrek aan voldoende wettig bewijs hiervan dient te worden vrijgesproken.

4.7. Voorts overweegt de rechtbank dat evenmin wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de borsten, schaamstreek en vagina van aangeefster heeft betast of daarover heeft gewreven, aangezien de getuigen [getuige A] en [getuige B] hiervan niets hebben waargenomen en verdachte dit heeft ontkend.(voetnoot 8) Het feit dat getuige [getuige A] aangeefster op een bepaald moment ‘nee’ heeft horen zeggen, terwijl zij zich samen met verdachte en getuige [getuige B] op een bed bevond(voetnoot 9), kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer tot de conclusie leiden dat aangeefster op dat moment ‘nee’ zei tegen genoemde ontuchtige handelingen van verdachte. De mogelijkheid dat aangeefster om een andere reden in een andere context ‘nee’ heeft gezegd, kan niet worden uitgesloten. Gelet hierop dient verdachte van dit onderdeel eveneens te worden vrijgesproken.

4.8. Ten aanzien van het duwen of brengen van een tong in de mond van aangeefster overweegt de rechtbank dat dit wettig en overtuigend bewezen kan worden, op grond van het intakegesprek van aangeefster bij de politie, de bekennende verklaring van verdachte, de verklaring van getuige [broer slachtoffer] dat hij zag dat verdachte aangeefster probeerde te zoenen en de verklaringen van getuigen [getuige A] en [getuige B] dat ze verdachte en aangeefster hebben zien zoenen.(voetnoot 10)

5. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 maart 2007 tot en met 1 juni 2007 te Didam, met [slachtoffer] (geboren op [1995]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte (telkens) opzettelijk

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht.

6. Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Met iemand die de leeftijd van 12 jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

8. Strafbaarheid van de verdachte

8.1 Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

9. Oplegging van straf en/of maatregel

9.1 De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte veroordeeld wordt tot voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van twee jaren, en daarnaast een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien deze niet naar behoren wordt verricht.

9.2 De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

9.3 Bij de oplegging van de straf heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat alleen hetgeen is vermeld onder het derde ten laste gelegde gedachtestreepje bewezen is en dat verdachte van hetgeen onder de overige gedachtestreepjes is vermeld zal worden vrijgesproken. De op te leggen straf zal daarom lager uitvallen dan door de officier van justitie gevorderd.

9.4 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen met een meisje van 12 jaar. Dit was op een moment dat zij "verkering" met elkaar hadden, maar dat maakt het handelen van verdachte niet minder strafbaar, gezien ook het grote leeftijdsverschil. Op die leeftijd moeten kinderen nog worden beschermd tegen zichzelf, maar zeker ook tegen personen die (in ieder geval op seksueel gebied) veel volwassener zijn dan zij. Dat is de reden dat de wetgever seksueel contact tussen volwassenen en kinderen onder de zestien strafbaar heeft gesteld, ook als dat plaatsvindt zonder dat sprake is van dwang of zelfs op initiatief van het slachtoffer.

9.5 Daarbij stelt de rechtbank vast dat verdachte , niettegenstaande zijn geheugenproblemen, slechts schoorvoetend heeft verklaard over hetgeen is voorgevallen tussen hem en [slachtoffer], met de intentie om zich onder de aantijging ‘uit te wurmen’, en aldus verantwoordelijkheid voor zijn handelen te ontlopen.

9.6 Anderzijds heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheden dat verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat het tijdsverloop sedert het ten laste gelegde feit inmiddels bijna twee jaar bedraagt.

9.7 Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een deels voorwaardelijke straf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en zal de rechtbank verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 80 uren, waarvan een gedeelte van 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Met iemand die de leeftijd van 12 jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen.

* bepaalt, dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Aldus gewezen door mrs. Gilhuis, voorzitter, De Bie en Van de Wetering, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Roodenburg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 februari 2009.

Mr. Gilhuis is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van de in wettelijke vorm opgemaakte processen -verbaal, als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte Stamproces-verbaal nr. PL0640/08202223 van 8 maart 2008 (voor zover niet anders is vermeld).

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina 48.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina 53.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina 48.

5 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer], doorgenummerde dossierpagina 19.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina 54-55 en 60.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige A], doorgenummerde dossierpagina 43-45, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige B], doorgenummerde dossierpagina 46-47 en proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina 59.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige A], doorgenummerde dossierpagina 43-45, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige B], doorgenummerde dossierpagina 46-47 en proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina 59.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige A], doorgenummerde dossierpagina 44.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina 54-55 en 60, proces-verbaal ambtelijk verslag, doorgenummerde dossierpagina 16, proces-verbaal van verhoor getuige [broer slachtoffer], doorgenummerde dossierpagina 41, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige A], doorgenummerde dossierpagina 43 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige B], doorgenummerde dossierpagina 46.