Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BH2861

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
13-02-2009
Datum publicatie
13-02-2009
Zaaknummer
06-580549-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verdachten wegens handel in heroïne en cocaïne, alsmede voor het bezit van hasjiesj, veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf, alsmede tot een werkstraf. (medeverdachte LJN BH2859)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummers: 06/580549-08

Uitspraak d.d. 13 februari 2009

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte B],

geboren te [plaats op 1968],

wonende te [adres en plaats],

Raadsman mr. R.A. Scherpenhuysen te Harderwijk.

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 januari 2009.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij,

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2008 tot en

met 11 november 2008 te Harderwijk, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd amfetamine en/of cocaïne en/of heroïne,

zijnde amfetamine en/of cocaïne en/of heroïne, een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 24,4 gram amfetamine, in elk

geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij,

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 23 juni 2008 tm

11 november 2008 te Harderwijk, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van

ongeveer 79,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

(hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

3. Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs (voetnoot 1)

A. Vaststaande feiten

4.1 Bij de politie Noord-Oost Gelderland zijn er vanaf 23 juni 2008 meldingen binnen gekomen dat verdachte en zijn vriendin [medeverdachte A], woonachtig aan [adres te plaats], handelen in harddrugs te Harderwijk

B. Het standpunt van het openbaar ministerie

4.2 De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Hierbij heeft zij aangegeven dat de periode waarin gehandeld is, beperkt dient te worden tot de periode van mei 2008 tot en met 11 november 2008. Verder heeft zij gesteld dat de handel in amfetamine niet bewezen kan worden geacht Dat verdachte heeft gehandeld in de harddrugs cocaïne en heroïne blijkt uit de verklaringen van gebruikers, de bekennende verklaring van verdachte en zijn medeverdachte, alsmede uit de tapgesprekken.

C. Het standpunt van de verdachte, de verdediging

4.3 Namens verdachte is aangevoerd dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte heeft gehandeld in harddrugs, doch enkel in de periode eind juli/begin augustus 2008 tot eind oktober 2008, derhalve maximaal 3 maanden.

D. Beoordeling door de rechtbank

Wat het onder 1 ten laste gelegde betreft:

4.4 [getuige A] (voetnoot 2) verklaart op 12 november 2008 dat hij sedert een half jaar cocaïne voor hemzelf en heroïne voor zijn broer [naam A] haalde bij [verdachte B] en [medeverdachte A], zeker drie maal per week. Hij haalde vaak bij [verdachte B] op, maar ze spraken ook wel eens af in het Hortuspark of bij Broekenbinkie te Harderwijk.

4.5 [getuige B] (voetnoot 3) verklaart met regelmaat [verdachte B] te hebben bezocht om daar drugs te kopen (heroïne). Hij belde dan [verdachte B] en vroeg of hij even langs kon komen. [verdachte B] bracht ook wel eens drugs naar zijn woning. Voor een kwart gram (1 streep) heroïne betaalde hij 10 euro. [medeverdachte A] nam wel eens de telefoon op. [getuige B] verklaart op 26 oktober 2008 nog harddrugs (bruin) bij [verdachte B] te hebben besteld. Op 27 oktober 2008 heeft hij weer met [verdachte B] gebeld (1 bolletje bruin). Hij heeft de afgelopen drie a vier maanden regelmatig bij [verdachte B] gehaald. Hij betaalde [verdachte B] 3 à 4 maanden 120 euro per maand voor heroïne.

4.6 [getuige C] (voetnoot 4) verklaart d.d. 13 november 2008 dat hij vanaf juni 2008 regelmatig drugs kocht bij [verdachte B]. Als hij geld had gebruikte hij dagelijks. Hij gebruikte ongeveer 3 à 4 bolletjes per dag. Hij betaalde 10 euro voor een bolletje. Hij heeft in totaal voor 1400 euro afgenomen van [verdachte B]. Hij kocht daar zowel heroïne als cocaïne. Hij belde [06-nummer]. Hij kreeg zowel [verdachte B] als [medeverdachte A] aan de telefoon.

4.7 [getuige D] (voetnoot 5) verklaart dat hij vanaf januari 2008 ongeveer 20-30 keer is langs geweest bij [verdachte B]. Hij haalde 1, soms 2 bolletjes coke. Het kan zijn dat hij op 27 oktober 2008 ook nog bij [verdachte B] langs is geweest. Hij heeft dus de afgelopen twee maanden ook nog wel eens gehaald bij [verdachte B]. Hij heeft ook wel heroïne gekocht. Dat heeft hij wel eens besteld bij [medeverdachte A]. Hij betaalde 10 euro per bolletje.

4.8 [getuige E] (voetnoot 6) verklaart dat hij heroïne en cocaïne bij [verdachte B] en diens vriendin haalde. Hij haalde vanaf eind september, begin oktober 2 bolletjes per week. Hij betaalde per bolletje 10 euro. Hij kocht meestal van [verdachte B] en kreeg als hij belde vaak [medeverdachte A] aan de telefoon. Hij vroeg dan naar ‘boven’ (cocaïne) of ‘beneden’ (heroïne). Hij belde met nummer 06-49135166.

4.9[getuige F] (voetnoot 7) verklaart cocaïne te gebruiken. Ze kocht van [verdachte B]. Visser verklaart ongeveer drie bolletjes cocaïne per week te gebruiken. De drugs werden door [verdachte B] zelf gebracht. Zij betaalde ongeveer 30 euro voor 3 bolletjes cocaïne. Zij bestelde vanaf augustus 2008 bij [verdachte B]. Zij heeft in totaal ongeveer 30 bolletjes cocaïne van [verdachte B] gekocht.

4.10 Verdachte heeft ter zitting verklaard te hebben gehandeld in heroïne en cocaïne vanaf augustus 2008 tot ongeveer anderhalve week voor zijn aanhouding. Verdachte is aangehouden op 11 november 2008.

4.11 Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de medeverdachte, [medeverdachte A], handelde in heroïne en cocaïne. Toen [medeverdachte A] stopte met dealen in augustus 2008 is hij verder gegaan. Hij maakte zelf bolletjes en [naam B] hielp [medeverdachte A] daar wel eens bij. Toen hij handelde werd hij gebeld of mensen kwamen aan de deur. (voetnoot 8)

[getuige A] had wel eens drugs bij hem gekocht. Hij had wel eens wat heroïne of cocaïne aan [naam A] verkocht bij Broekenbinkie in Harderwijk.

Over [getuige B] verklaart hij dat deze man voor 120 euro per maand bij hem drugs kocht. Meestal ging het om één bolletje heroïne per keer. Het kan kloppen dat hij 3 of 4 keer voor 120 euro bij hem gekocht heeft.

Aan [getuige C] verkochten hij en [medeverdachte A] heroïne.

Aan [getuige D] hebben hij en [medeverdachte A] heroïne en cocaïne verkocht.(voetnoot 9)

4.12 [medeverdachte A] (voetnoot 10)verklaart op 13 november 2008 dat zij, om ervoor zorg te dragen dat [verdachte B] in zijn drugsgebruik kon voorzien, eind mei, juni of juli 2008 heeft besloten zelf te gaan dealen in wit en bruin. Dit heeft zij gedaan tot 21 augustus 2008. Ze kocht zelf de drugs en [verdachte B] en [naam B] maakten daar bolletjes van. Zij heeft ongeveer tien keer drugs gebracht naar een drugshuis. Als zij werd gebeld op haar nummer [06-nummer] dan bracht zij wat er besteld werd. Ook werd bij haar aan huis gehaald. Vanaf 21 augustus 2008 zou [verdachte B] de handel in wit en bruin hebben overgenomen. Verdachte nam wel de telefoon aan en verwees door naar [verdachte B].

4.13 Op 18 november 2008 verklaart [medeverdachte A] dat verdachte de drugs bezorgde toen zij in drugs handelde en ook toen zij gestopt was. Eerst bezorgde hij op [medeverdachte A]’s scooter en later op zijn eigen zwarte scooter. (voetnoot 11)

4.14 Op 20 november 2008 wordt [medeverdachte A] geconfronteerd met verklaringen van gebruikers. Zij verklaart hierop onder andere:(voetnoot 12)

[getuige A] heeft twee keer gehaald bij verdachte en misschien drie à vier keer bij [verdachte B]. Zij bracht het op de afgesproken plaats: de Aldi in Harderwijk.

[getuige C] was gebruiker van cocaïne, heroïne en heeft bij hen gekocht.

[getuige D] kocht meestal 1 bolletje wit en misschien 1 keer in de week een bolletje bruin, [verdachte B] verkocht aan hem.

4.15 [getuige G] (voetnoot 13)verklaart vanaf mei 2008 tussen de 1 à 3 keer per dag drugs bij [verdachte B] en [medeverdachte A] te hebben gehaald. Hij haalde heroïne en cocaïne en betaalde 10 euro per bolletje. In totaal haalde hij 3 à 4 bolletjes per week. Op 20 oktober 2008 had hij 1 cocaïne en 1 heroïne afgenomen van [verdachte B].

4.16 Uit een tapgesprek d.d. 26 oktober 2008 blijkt dat [naam C] belt naar nummer [06-nummer]. [medeverdachte A] neemt de telefoon aan. Hij vraagt of hij langs kan komen. [medeverdachte A] vraagt wat hij wil hebben. [naam C] wil 1 bruin hebben, hij heeft maar 9 euro. [medeverdachte A] zegt dat dat goed is.(voetnoot 14)

4.17 Uit een tapgesprek d.d. 23 oktober 2008 blijkt dat [medeverdachte A] wordt gebeld op het nummer [06-nummer]. Beller vraagt om 60/70 onder en boven. [medeverdachte A] vraagt 4 onder en 3 boven. De beller stemt in. [medeverdachte A] zegt vervolgens ‘ok’.(voetnoot 15)

Bewijsverweer met betrekking tot de tenlastegelegde periode

Door verdachte is verklaard dat hij pas vanaf eind juli/begin augustus zou hebben gedeald in harddrugs. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu uit de verklaringen van [getuige A] en [getuige G] blijkt dat zij reeds in mei 2008 harddrugs kochten bij verdachte.

Wat het onder 2 tenlastegelegde betreft:

4.18 Uit een proces-verbaal ambtelijk verslag (voetnoot 16)16 blijkt dat in de woning van verdachte in beslag is genomen:

1 koker (voor visvoer) gevuld met wiettoppen (13 gram), uit een proces-verbaal blijkt dat het gaat om THC bevattende stof(voetnoot 17),

1 plastic zakje wiet (1,5 gram), uit een proces-verbaal blijkt dat het gaat om THC bevattende stof,(voetnoot 18)

1 plastic zakje bruin poeder (van wiet vermalen) (8,8 gram), uit een proces-verbaal blijkt dat het gaat om THC bevattende stof,(voetnoot 19)

1 zakje gevuld met wiet (zat in zwart tasje met papieren) (5 gram), uit een proces-verbaal blijkt dat het gaat om THC bevattende stof,(voetnoot 20)

In de schuur aangetroffen: 7 zakjes wiet à 1 gram, 7 zakjes wiet à 2 gram en 7 zakjes wiet à 3 gram, uit een proces-verbaal blijkt dat het gaat om 51,4 gram THC bevattende stof..(voetnoot 21)

4.19. Ter terechtzitting heeft verdacht bekent dat de aangetroffen wiet van hem was.

5. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

.

1.

hij op tijdstippen in de periode 1 mei 2008 tot en met 11 november 2008 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt cocaïne en heroïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in de periode 1 mei 2008 tot en met 11 november 2008 te Harderwijk,

tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 79,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

(hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

6. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C. van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

9. Oplegging van straf en/of maatregel

9.1 De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

9.2 De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte reeds behoorlijk is gestraft door het lange voorarrest. Verdachte heeft zich hierdoor niet rechtvaardig behandeld gevoeld, omdat hij, in tegenstelling tot medeverdachte [medeverdachte A], de volledige periode tot aan de terechtzitting in voorarrest heeft moeten doorbrengen. Primair wordt verzocht een straf op te leggen welke maximaal gelijk zal zijn aan zijn voorarrest. Wanneer de rechtbank van oordeel is dat dit niet volstaat, wordt subsidiair verzocht een aanvullende werkstraf op te leggen.

9.3 Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

9.4 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan handel in harddrugs met zijn medeverdachte gedurende een periode van ongeveer 6 maanden (mei tot november 2008), alsmede aan het voorhanden hebben van softdrugs. Met name het eerste feit is zeer ernstig. Cocaïne en heroïne zijn voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stoffen en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de randcriminaliteit en het overlastgevende gedrag waaraan verslaafden zich veelal schuldig maken. Verdachte heeft zich daaraan niets gelegen laten liggen. De handel in harddrugs dient krachtig te worden bestreden.

De aard en ernst van het feit rechtvaardigt dat aan verdachte een langdurige, deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Blijkens de oriëntatiepunten straftoemeting van het landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken wordt voor de straftoemeting bij overtreding van artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet, in geval gedurende een periode tot 6 maanden wordt gehandeld in harddrugs als uitgangspunt genomen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden

.

9.5 De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat uit zijn strafblad22 blijkt dat hij geen soortgelijke feiten op zijn documentatie heeft staan.

9.6 De rechtbank houdt er verder ten voordele van verdachte rekening mee dat zijn medeverdachte reeds uit haar voorlopige hechtenis is geschorst, terwijl de rechtbank het aandeel van verdachte en zijn medeverdachte gelijk acht. Nu de medeverdachte geen gevangenisstraf van een zodanige duur zal worden opgelegd dat zij weer in detentie zal moeten, zal ook de gevangenisstraf van verdachte van beperktere duur zijn dan geëist door de officier van justitie.

9.7 Alles overwegende komt de rechtbank tot de oplegging van een gevangenisstraf van zes maanden. De rechtbank zal hiervan drie maanden voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren. De rechtbank houdt ook rekening met de tijd die door verdachte reeds in voorarrest is doorgebracht.

9.8 Teneinde de ernst van het feit voor verdachte voldoende tot uitdrukking te laten komen, zal de rechtbank daarnaast een forse werkstraf opleggen, te weten een werkstraf voor de duur van 140 uur, te vervangen door 70 dagen hechtenis indien deze niet naar behoren wordt uitgevoerd.

10. Beslag

10.1 De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, genummerd 1 tot en met 10, 13 tot en met 19, 21 en 22 en 27 op de beslaglijst, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

10.2 Nu de in beslag genomen middelen, genummerd 20, 25, 26, 28 en 29 op de beslaglijst, middelen zijn als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, dienen deze op grond van artikel 13a van de Opiumwet te worden verbeurd verklaard.

10.3 Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de voorwerpen genummerd 11, 12, 23 en 24 op de beslaglijst, aan de veroordeelde danwel rechthebbende [medeverdachte A].

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

Beslissing

De rechtbank:

* Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden en bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 140 (honderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 70 (zeventig) dagen;

* Verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven goederen:

- telefoontoestel Nokia 3310 met adapter;

- een doos van Nokia 6500;

- betalingen van postkantoor;

- een Orange simkaart;

- een ‘welkom bij Orange’doos;

- een Telfort simkaart;

- een sleutel;

- een KPN mobiel telefoonkaart;

- een KPN puk telefoonkaart;

- een Nokia 6500 gsm;

- een stuk papier, inhoud van tas tijgerprint;

- 4 stuks papier, inhoud van beige tas;

- 1 notitieblaadje met telefoonnummer;

- een notitieblaadje met telefoonnummers;

- weegapparatuur;

- een doos van Samsung telefoon

- een los notitieblaadje;

- een zakje met bruin poeder;

- een zak met plastic gebruikerszakjes;

- 1 notitieboekje

- wiet,

- een buis gevuld met wiet,

- zwart tasje met 83 oxazepam, 10 pch;

- een zak met aparte zakjes met weedkoppen;

- wiet.

* Beveelt de teruggave aan de rechthebbende van de volgende goederen:

- sleutel van een Peugeot Viva City;

- overdrachtsakte bromfiets;

- een snorfiets Peugeot Viva City [kenteken]

- een snorfiets Benzhou [kenteken].

Aldus gewezen door mrs. Steinebach-de Wit, voorzitter, Gilhuis en Davids, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Oosten-Boksem, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 februari 2009.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0610/08-209750, Regiopolitie Noord-Oost Gelderland, district Noord-West Veluwe, gesloten en ondertekend op 17 december 2008

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige A] p. 453-455

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige B] p. 466-468

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige C] p. 474-475

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige D] p. 476-478

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige E] p. 492-493

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige F] p. 494-496

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte p. 530-532

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 537-540

10 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A] p. 595-598

11 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A] p. 601-602

12 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A], p. 606-609

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige G] p. 647-649

14 Tapgesprek p. 580

15 Tapgesprek p. 590

16 Proces-verbaal ambtelijk verslag met bijlage p. 359-360 en 373-374

17 Proces-verbaal Narcotest p. 380

18 Proces-verbaal Narcotest p. 377

19 Proces-verbaal Narcotest p. 376

20 Proces-verbaal Narcotest p. 379

21 Proces-verbaal Narcotest p. 378

22 Justitiële Documentatie d.d. 24 november 2008