Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BH2385

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
95436 / HA ZA 08-892
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vraag is of gedaagde er in dit geval op heeft mogen vertrouwen dat de door hem door het energiebedrijf gezonden jaarafrekeningen 2003-2004, 2004-2005 en 2005-2006 eindafrekening waren waarin definitief opgave wordt gedaan van de hoeveelheid geleverde energie, zodat hij er geen rekening mee behoeft te houden dat hem nog aanvullende rekeningen voor in de desbetreffende periode geleverde energie zouden worden gezonden. Dat vertrouwen is niet gewekt door betaling van de jaarafrekeningen, die gebaseerd waren op achteraf gebleken onjuiste meterstanden. Dat kan niet als een fout van Essent worden aangemerkt, zolang niet vaststaat dat Essent, ten tijde van de verzending van de jaarafrekeningen, wel op de hoogte had kunnen zijn van de juiste meterstanden.

Het komt de rechtbank daarentegen aannemelijk voor dat gedaagde er zelf een idee van had kunnen hebben dat op de door Essent gestuurde jaarafrekeningen een te laag bedrag vermeld stond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 95436 / HA ZA 08-892

Vonnis van 14 januari 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ESSENT RETAIL ENERGIE B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F. Leemans te Apeldoorn,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. C.B. Gaaf te Zutphen.

Partijen zullen hierna Essent en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 oktober 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 3 december 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] heeft in 2001 een pand gekocht aan [adres te plaats]. Vervolgens is dat pand verbouwd en is hij daarin in juni 2002 een hotelbedrijf gestart. (De rechtsvoorganger van) Essent heeft op basis van een tussen partijen gesloten overeenkomst energie geleverd op het voormeld adres. Zij heeft maandelijks aan [gedaagde] een vooraf vastgesteld voorschotbedrag in rekening gebracht en aan het eind van het jaar een eindafrekening of jaarafrekening verzonden.

2.2. De jaarafrekening 2002-2003 d.d. 15 augustus 2003 is gebaseerd op de opname van de meterstand op 17 juli 2003 door de meteropnemer van de zijde van Essent, die eens in de drie jaar een opname van de meterstand doet. De jaarafrekeningen 2003-2004 en 2004-2005 en de na juli 2003 in rekening gebrachte voorschotten zij steeds gebaseerd op een schatting van een ongeveer gelijk jaarlijks verbruik als in de jaarafrekening 2002-2003 stond vermeld.

2.3. Op 11 juli 2006 heeft de meteropnemer opnieuw de meterstanden opgenomen in voormeld pand. Daarbij bleek dat bedoelde schatting van het jaarlijkse verbruik veel te laag was geweest. Essent heeft daarop een nieuwe berekening gemaakt, waarbij zij het verbruik, dat bleek uit de laatste meteropname, gelijkelijk over de periode tussen 17 juli 2003 en 11 juli 2006 verdeeld. In verband daarmee heeft Essent op 8 februari 2007 aan [gedaagde] een correctierekening 2003-2004 ad € 17.470,78 en een correctierekening 2004-2005 € 18.323,09 gezonden, alsmede een jaarafrekening 2005-2006 ad € 21.189,64.

2.4. Inmiddels heeft [gedaagde] het hotelbedrijf verkocht en is de overeenkomst tussen partijen tot levering van energie per 17 april 2008 beëindigd. [gedaagde] heeft voornoemde correctierekeningen en de jaarafrekening 2005-2006, alsmede een aantal voorschotrekeningen onbetaald gelaten.

3. De vordering in conventie

3.1. Essent vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] zal veroordelen om aan haar te betalen:

- een bedrag van € 67.112,76, vermeerderd met de wettelijke rente over € 64.643,11 vanaf 24 juni 2008 tot de dag der algehele voldoening;

- de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten, te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis.

3.2. Essent heeft - samengevat - ter onderbouwing van haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, het navolgende aangevoerd.

[gedaagde] heeft verzuimd in de jaren 2004 en 2005 zijn meterstanden door te geven aan Essent Daardoor zijn aan [gedaagde] lange tijd voorschotten ter hoogte van een doorsnee gezin van 4 personen in rekening gebracht, terwijl hij een hotel exploiteerde. Essent betwist dat zijzelf is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen.

[gedaagde] is, ondanks herhaalde aanmaningen, in gebreke gebleven met de betaling van alle facturen van Essent. Hij heeft een totaalbedrag van € 64.643,11 nog niet voldaan. Dit betreft de correctierekeningen 2003-2004 ad € 17.470,78, de correctierekening 2004-2005 € 18.323,09, de jaarafrekening 2005-2006 ad € 21.189,64 en de voorschotrekeningen over de maanden juli 2007, februari en maart 2008.

Daarnaast vordert Essent wettelijke rente over € 64.643,11 van 3 april 2008 tot 24 juni 2008 ad € 969,65 en € 1.500,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.

4. Het verweer in conventie

4.1. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Essent, met haar veroordeling in de proceskosten.

4.2. [gedaagde] verweert zich met het navolgende.

De dagvaarding van Essent voldoet niet aan de wettelijke eisen ter zake de substantiëringsplicht.

Omdat hij de voorschotnota’s en de jaarafrekeningen tot 2007 altijd keurig heeft voldaan en die rekeningen in redelijke verhouding stonden tot het verbruik, mocht hij erop vertrouwen dat hij daarmee gekweten was. Dit wordt versterkt door de brief die Essent op 23 januari 2007 aan hem zond, waarin onder meer staat vermeld:

“(…)Wij hebben geconstateerd dat wij uw energieverbruik op meerdere jaarafrekeningen onjuist berekend hebben. Hiermee heeft u niet de service gekregen die u van ons mag verwachten. Namens Essent bied ik u mijn excuses aan voor deze onjuiste jaarafrekeningen.

(…)”

De redelijkheid en billijkheid staan er aan in de weg dat de vordering van Essent wordt toegewezen.

Bovendien is het onduidelijk waarop de berekende correcties zijn gebaseerd.

Als er een fout is gemaakt, behoort dat voor rekening en risico van Essent te blijven.

5. De vordering in reconventie

5.1. [gedaagde] vordert dat de rechtbank;

- voor recht zal verklaren dat Essent jegens [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de juiste nakoming van de op haar jegens [gedaagde] rustende verplichtingen en dientengevolge gehouden is de door [gedaagde] geleden schade te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- Essent zal veroordelen in de kosten van de procedure.

5.2. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar vordering het navolgende aangevoerd. .

Door eerst de indruk te wekken dat [gedaagde] gekweten is en vervolgens na een aantal jaren nog een rekening te presenteren van ruim € 60.000,00 is Essent toerekenbaar tekort geschoten in de juiste nakoming van de op haar jegens [gedaagde] rustende verplichtingen. Daarom is Essent aansprakelijk voor de schade die [gedaagde] dientengevolge heeft geleden. Indien [gedaagde] eerder had geconstateerd dat er sprake was van een afwijking tussen de voorschotnota en het werkelijk gebruik, had hij nader onderzoek kunnen doen naar de oorzaken en zijn energieverbruik kunnen aanpassen. Essent heeft [gedaagde] die mogelijkheid ontnomen. Voor het overige wordt verwezen naar zijn stellingen in conventie

6. Het verweer in reconventie

6.1. Essent concludeert tot afwijzing van de vordering van [gedaagde], met zijn veroordeling in de proceskosten.

6.2. Essent verweert zich met het navolgende.

In de brief van 23 januari 2007 heeft Essent juist tekst en uitleg gegeven over de correctierekeningen. De in de brief aangeboden excuses waren geheel onverplicht en onnodig. [gedaagde] heeft het een en ander over zichzelf afgeroepen door te verzuimen zijn meterstanden door te geven. In de op de overeenkomst tussen partijen toepasselijke Algemene Voorwaarden staat vermeld dat Essent de omvang van de levering mag schatten. Voor het overige wordt verwezen naar de stellingen van Essent in conventie.

7. De beoordeling

in conventie

7.1. Het verweer van [gedaagde] ter zake van de substantiëringsplicht van Essent is in zoverre terecht naar voren gebracht, dat de rechtbank het in strijd met de wettelijke voorschriften acht dat Essent in haar dagvaarding niets vermeld over het verweer van [gedaagde], terwijl tijdens de comparitie van partijen namens Essent is verklaard dat zij, ten tijde van de dagvaarding wel op de hoogte was van het verweer van [gedaagde]. Veel stellingen van Essent die in de conclusie van antwoord in reconventie staan, hadden reeds in de dagvaarding opgenomen kunnen worden. Dit leidt krachtens artikel 111 lid 3 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering echter niet tot een afwijzing van de vordering of nietigheid van de dagvaarding.

7.2. Tegen de vorderingen ter zake van de voorschotrekeningen over de maanden juli 2007, februari en maart 2008 is door [gedaagde] geen verweer gevoerd. Hij heeft niet betwist dat de daarin berekende energieleveringen aan hem hebben plaatsgevonden na opname van de meterstanden door hemzelf of door de meteropnemer zijdens Essent. In zoverre zal de vordering worden toegewezen. Volgens productie 1 bij de conclusie van antwoord in reconventie betreffen de voorschotrekeningen de bedragen € 1.500,00, € 1.383 en € 1.363,00, hetgeen tezamen een bedrag is van € 4.246,00.

Het is onduidelijk hoe Essent tot het totaalbedrag van € 64.643,11 komt, waarbij zij kennelijk ter zake van de niet betaalde voorschotrekeningen een bedrag hanteert van € 7.659,60. Weliswaar ziet de rechtbank in voornoemde productie nog een (mogelijk niet betaald) voorschotbedrag van € 4.044,00 d.d. 15 februari 2007 staan. Aangezien die vordering echter in de stellingen van Essent niet wordt genoemd, zal de rechtbank daaraan voorbij gaan.

Daarom ligt de vordering voor een bedrag van € 4.246,00 voor toewijzing gereed.

7.3. Voor het overige deel van de vordering wordt vooropgesteld dat een energiebedrijf in beginsel betaling kan verlangen voor nog niet afgerekende energie, ook indien op een afrekening een geringere hoeveelheid energie is vermeld dan werkelijk werd afgenomen. Het kan zich echter voordoen dat de afnemer, in de gegeven omstandigheden, erop heeft mogen vertrouwen dat de door hem door het energiebedrijf gezonden afrekening een eindafrekening is waarin definitief opgave wordt gedaan van de hoeveelheid geleverde energie, zodat hij er geen rekening mee behoeft te houden dat hem nog een nadere rekening voor in de desbetreffende periode geleverde energie zal worden gezonden. In dat geval zou het energiebedrijf in strijd handelen met de eisen van redelijkheid en billijkheid door alsnog betaling te verlangen voor de meer geleverde energie die als gevolg van een fout van het energiebedrijf niet in rekening was gebracht.

7.4. De vraag is of [gedaagde] er in dit geval op heeft mogen vertrouwen dat de door hem door het energiebedrijf gezonden jaarafrekeningen 2003-2004, 2004-2005 en 2005-2006 eindafrekening waren waarin definitief opgave wordt gedaan van de hoeveelheid geleverde energie, zodat hij er geen rekening mee behoeft te houden dat hem nog nadere rekeningen voor in de desbetreffende periode geleverde energie zouden worden gezonden. Dit geldt in ieder geval niet voor de jaarafrekening 2005-2006 ad € 21.189,64. Over die periode was nog geen eerdere afrekening door Essent toegezonden. Nu [gedaagde] niet betwist heeft dat de daarin berekende energieleveringen aan hem hebben plaatsgevonden, ligt de vordering ter zake van die jaarafrekening eveneens voor toewijzing gereed.

7.5. Wat de correctierekeningen betreft, heeft [gedaagde] gesteld dat hij reeds door zijn keurige betaling van de jaarafrekeningen erop mocht vertrouwen dat hij daarmee definitief gekweten was. Onder verwijzing naar de overwegingen onder 7.3 wordt dat onjuist geacht. Voor zover [gedaagde] heeft willen stellen dat Essent, buiten het sturen van de jaarafrekeningen, de indruk heeft gewekt dat [gedaagde] definitief gekweten was, heeft hij dat niet feitelijk onderbouwd.

Voorts heeft [gedaagde] de stelling van Essent, dat zij elk jaar een kaartje naar [gedaagde] heeft gezonden waarop de meterstanden konden worden ingevuld, niet betwist. Hij denkt dat hij die kaartjes heeft ingevuld en opgestuurd, maar weet dat niet zeker. Als Essent in 2004 en 2005 inderdaad kaartjes met ingevulde meterstanden van [gedaagde] heeft toegestuurd gekregen, had Essent op de hoogte kunnen zijn van het hogere verbruik en kan gezegd worden dat haar een verwijt treft door te lage energierekeningen te sturen aan [gedaagde]. Essent heeft evenwel uitdrukkelijk gesteld dat zij in 2004 en 2005 geen kaartje met meterstanden van [gedaagde] heeft ontvangen. Nu [gedaagde] zich erop beroept dat Essent een fout heeft gemaakt door de geleverde energie verkeerd te berekenen, ligt het op zijn weg om dat te hard te maken. Daarom zou [gedaagde] dienen te bewijzen dat hij die kaartjes in 2004 en 2005 wel ingevuld naar Essent heeft gestuurd. [gedaagde] heeft echter op dit punt geen bewijs aangeboden, integendeel hij stelt dat hij het niet zeker weet. Daarom is er geen reden voor een bewijsvoering op dit punt.

Ook de brief van Essent d.d. 23 januari 2007 waarin Essent excuses aanbiedt, acht de rechtbank op zichzelf geen reden om aan te nemen dat Essent een fout heeft gemaakt. Dan moet daarbij ook nog blijken waaruit die fout bestaat. Het feit dat Essent jaarafrekeningen heeft gemaakt die gebaseerd waren op achteraf gebleken onjuiste meterstanden, kan niet als een fout van Essent worden aangemerkt, zolang niet vaststaat dat Essent, ten tijde van de verzending van de jaarafrekeningen, wel op de hoogte had kunnen zijn van de juiste meterstanden. Dat is echter gesteld noch gebleken. Daarvoor is ook onvoldoende dat [gedaagde] omstreeks mei 2001 tegen een werknemer van Essent heeft gezegd dat hij een hotel wilde beginnen en dat hij daarvoor energie van Essent wilde afnemen, zoals hij tijdens de comparitie heeft verklaard. Immers, [gedaagde] is al in juni 2002 gestart met de exploitatie van het hotel, terwijl de verhoging van het energieverbruik kennelijk heeft plaatsgevonden in de periode tussen 17 juli 2003 en 11 juli 2006.

7.6. [gedaagde] heeft overigens geen feiten gesteld waaruit zou kunnen blijken dat Essent een verwijt treft. Het komt de rechtbank daarentegen aannemelijk voor dat [gedaagde] er zelf een idee van had kunnen hebben dat op de door Essent gestuurde jaarafrekeningen een te laag bedrag vermeld stond. Dit leidt de rechtbank af uit het enorm grote verschil tussen het aanvankelijk berekende verbruik in de periode tussen 17 juli 2003 en 11 juli 2006, gebaseerd op het verbruik in de voorafgaande jaren, en het later opnieuw berekende verbruik in die periode, op basis van de op 11 juli 2006 opgenomen meterstand. Bij een zo groot verschil kan gezegd worden dat [gedaagde], als gebruiker, had kunnen signaleren dat zijn energieverbruik veel groter was dan in de voorafgaande jaren en dat hij er niet van mocht uitgaan dat de getroffen isolatiemaatregelen het energieverbruik op hetzelfde peil zouden houden.

7.7. Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat [gedaagde] er niet op heeft mogen vertrouwen dat de door hem door Essent gezonden jaarafrekeningen 2003-2004 en 2004-2005 eindafrekeningen waren waarin definitief opgave werd gedaan van de hoeveelheid geleverde energie, zodat hij er geen rekening mee behoefde te houden dat hem nog correctierekeningen voor in de desbetreffende periode geleverde energie zouden worden gezonden. Zijn stelling dat het onduidelijk is waarop de berekende correcties zijn gebaseerd, kan de rechtbank niet volgen. In de brief van Essent d.d. 23 januari 2007 wordt voldoende duidelijk uiteengezet hoe Essent tot de nieuwe berekeningen is gekomen.

Daarom ligt de vordering ter zake van de correctierekeningen 2003-2004 ad € 17.470,78 en 2004-2005 ad € 18.323,09 ook voor toewijzing gereed. Aangezien [gedaagde] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vordering aangaande de wettelijke rente, zal deze ook worden toegewezen.

7.8. Met betrekking tot de gevorderde incassokosten heeft Essent onvoldoende onderbouwd dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die niet vallen onder de voorbereiding van de gedingstukken en de instructie van deze zaak. Om die reden zal de vordering ter zake van de incassokosten worden afgewezen.

7.9. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van Essent op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 77,30

- vast recht 1.475,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punten × tarief € 894)

Totaal € 3.340.30

7.10. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

in reconventie

7.11. Op grond van hetgeen is overwogen in conventie, wordt geconcludeerd dat Essent niet is tekort geschoten in de juiste nakoming van de overeenkomst tussen partijen. Om die reden zal de vordering worden afgewezen.

7.12. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Essent worden begroot op:

- salaris advocaat 452,00 (2 punten× factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal € 452,00

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Essent te betalen een bedrag van EUR 61.229,51 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 3 april 2008 tot de dag van volledige betaling,

8.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Essent tot op heden begroot op EUR 3.340,30, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

8.3. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

8.5. wijst de vorderingen af,

8.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Essent tot op heden begroot

op EUR 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.M. Boon en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2009.