Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BH1007

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
06-460346-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor twee keer opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en één keer een poging daartoe. De licht zwakzinnige man wordt sterk verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 135 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren voor de algemene voorwaarde en met een proeftijd van drie jaren voor de bijzondere voorwaarden dat hij zich zal houden aan de aanwijzingen en voorschriften die worden gegeven door of namens de reclassering en dat hij zich zal laten opnemen in het intramurale orthopedagogisch behandel- en wooncentrum Zeuvenakkers te Appelscha voor de duur van drie jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460346-08

Uitspraak d.d.: 27 januari 2009

Tegenspraak / dip – oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1949],

wonende te Harderwijk, thans verblijvende in PI De Grittenborgh te Hoogeveen.

Raadsman mr. W.L.M. Fleuren te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 januari 2009.

De tenlastelegging:

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 juli 2008 te Harderwijk opzettelijk brand heeft gesticht in een schuur(tje) aan [adres A], toebehorende aan [naam instelling], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker één of meer kunststof voorwerp(en), althans (een) brandbare stof(fen), aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met één of meer kunststof voorwerp(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan één of meer zich in dat/die schuur(tje) bevindende goed(eren) en/of voornoemd(e) schuur(tje) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

-gemeen gevaar voor die/dat schuur(tje) en/of één of meer zich in dat/die schuur(tje) bevindende goed(eren) en/of één of meer zich op korte afstand van die/dat schuur(tje) bevindende bosje(s) en/of beplanting en/of zich op korte afstand van dat/die bos(jes) en/of beplanting bevindende gebouw en/of de in dat gebouw aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

-levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in voornoemd gebouw bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

(parketnummer 460346-08)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 09 juli 2008 te Harderwijk ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een schuur(tje) aan [adres A], toebehorende aan [naam instelling], terwijl daarvan

-gemeen gevaar voor die/dat schuur(tje) en/of één of meer zich in dat/die schuur(tje) bevindende goed(eren) en/of één of meer zich op korte afstand van die/dat schuur(tje) bevindende bosje(s) en/of beplanting en/of zich op korte afstand van dat/die bos(jes) en/of beplanting bevindende gebouw en/of de in dat gebouw aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

-levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in voornoemd gebouw bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was, immers heeft hij, verdachte,

met een aansteker één of meer kunststof voorwerp(en), althans (een) brandbare stof(fen), aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met één of meer kunststof voorwerp(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan één of meer zich in dat/die schuur(tjes) bevindende goed(eren) en/of voornoemd(e) schuur(tje) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(parketnummer 460346-08)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 17 april 2008 te Harderwijk opzettelijk brand heeft gesticht in/tegen/bij een afvalcontainer en/of afvalbak, toebehorende aan de gemeente Harderwijk, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een stuk papier boven die afvalcontainer en/of die afvalbak gehouden en/of dat papier (met een aansteker) in brand gestoken en/of dat brandende papier in die afvalcontainer en/of in die afvalbak gegooid/gelegd, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met papier en/of (ander) afval, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat papier en/of dat afval en/of die afvalcontainer en/of die afvalbak geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan

-gemeen gevaar voor die container en/of een meer andere container(s) en/of een of meer flatgebouw(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

-levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners en/of bezoekers van dat flatgebouw, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

(parketnummer 460197-08)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 17 april 2008 in de gemeente Harderwijk ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/tegen/bij een afvalcontainer en/of afvalbak, toebehorende aan de gemeente Harderwijk, terwijl daarvan

-gemeen gevaar voor die container en/of een meer andere container(s) en/of een of meer flatgebouw(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

-levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners en/of bezoekers van dat flatgebouw, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk een stuk papier boven die afvalcontainer en/of die afvalbak gehouden en/of dat papier (met een aansteker) in brand gestoken en/of dat brandende papier in die afvalcontainer en/of in die afvalbak gegooid/gelegd, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met papier en/of (ander) afval, althans met (een) brandbare stof(fen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(parketnummer 460197-08)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 14 augustus 2007 te Ermelo opzettelijk brand heeft gesticht op een erf ([adres B]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker papier in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met

(een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan

-een schuur en/of een garage en/of de daarin aanwezige goederen toebehorende aan [slachtoffer A] en/of

-een speedboot en/of de daarin aanwezige goederen toebehorende aan [slachtoffer B], en/of

-een personenauto (merk: Mercedes) en/of de daarin aanwezige goederen toebehorende aan [slachtoffer C], en/of

-een caravan toebehorende aan [slachtoffer D], en/of de daarin aanwezige goederen,

geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

-gemeen gevaar voor die schuur en/of die garage en/of daarin aanwezige goederen en/of zich op korte afstand van die schuur en/of die garage bevindende goederen, en/of gemeen gevaar voor die speedboot en/of daarin aanwezige goederen en/of zich op korte afstand van die speedboot bevindende goederen, en/of gemeen gevaar voor die personenauto en/of daarin aanwezige goederen en/of zich op korte afstand van die personenauto bevindende goederen,

en/of gemeen gevaar voor die caravan en/of daarin aanwezige goederen en/of zich op korte afstand van die caravan bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

(parketnummer 850077-08) (incident 2)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs (voetnoot 1)

Vaststaande feiten

Op 9 juli 2008 is in een schuurtje aan [adres A], toebehorende aan [naam instelling te plaats], brand geweest. De brandweer heeft het vuur geblust. Door [naam A] is aangifte gedaan van brandstichting. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bekend de brand te hebben aangestoken.

Op 17 april 2008 is bij de politie een melding binnengekomen van (poging tot) brandstichting aan de [adres C te plaats]. De melder heeft verdachte op heterdaad aangehouden en overgedragen aan de politie. Verdachte heeft bekend dat hij brand wilde stichten en dat hij een brandend papiertje in de container heeft gegooid. Er is geen vuur, maar alleen rookontwikkeling in de container geweest. Door [naam B] is aangifte gedaan van brandstichting.

Op 14 augustus 2007 heeft brand gewoed achter de schuur op het erf van [slachtoffer A] aan [adres B te plaats]. Achter de schuur bevond zich een carport alwaar een speedboot, een Mercedes oldtimer en een caravan waren gestald. Deze goederen zijn in brand gevlogen. De brandweer is ter plaatse gekomen om de brand te blussen. [slachtoffer A] heeft, mede namens de eigenaren van de speedboot, de auto en de caravan, aangifte gedaan van brandstichting. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bekend brand te hebben gesticht door meegebracht oud papier in de nabijheid van de carport van [slachtoffer A] met een aansteker aan te steken en vervolgens weg te lopen.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 primair.

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 3 primair heeft de officier van justitie aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen aanwezig was. Wel was naar haar mening bij deze feiten sprake van gemeen gevaar voor goederen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat er daadwerkelijk brand is geweest in de container, maar wel dat verdachte een begin heeft gemaakt met de uitvoering van brandstichting, zodat een poging tot brandstichting bewezen kan worden geacht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte voor alle feiten dient te worden vrijgesproken.

Hij betwist opzet bij verdachte tot het stichten van brand, gelet op diens geestesgesteldheid Verdachte wist wel waarmee hij bezig was toen hij over ging tot brandstichting, maar niet kan worden gezegd dat verdachte met opzet brand heeft gesticht. Ook psychiater dr. S. de Jong heeft in zijn pro justitia rapportage van 11 september 2008 geschreven, dat verdachtes wilsbepaling nauwelijks door andere factoren dan de eerder genoemde impulsiviteit tot boosheid, wordt beïnvloed. Verder staat in het rapport dat als de rechtbank van oordeel is dat de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend, verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Ook klinisch psycholoog/psychotherapeut drs. J.H.A.M. Kobussen is in zijn rapport tot deze conclusie gekomen. De raadsman is van oordeel dat verdachte vanuit zijn structuur brand heeft gesticht, maar dat hij zijn wil daaromtrent niet kan bepalen. Verdachte wordt boos en kan kennelijk niet anders handelen dan brand stichten.

Als de rechtbank van oordeel is dat verdachte wel opzet heeft gehad op de brandstichtingen, dan zou eventueel voor feit 1 een bewezenverklaring kunnen volgen. De raadsman is met de officier van justitie van mening dat geen gevaar voor personen aanwezig is geweest bij de brand. Ten aanzien van feit 2 zou eventueel het subsidiair tenlastegelegde bewezen kunnen worden geacht.. Uit het dossier komt vrij duidelijk naar voren dat er geen sprake was van brand. Verdachte heeft een snoeppapiertje in brand gestoken, maar dat papiertje heeft niet goed gebrand. [getuige] is hiervan getuige geweest. Hij heeft in de container gekeken, maar heeft geen vuur gezien, alleen rookontwikkeling. De raadsman is van mening dat dit niet kan worden gekwalificeerd als brandstichting, hooguit een poging daartoe. De raadsman is voorts van mening dat ook bij dit feit geen gevaar voor personen en/of goederen aanwezig was. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling van de verweren en van de bewijsmiddelen

1. Door de raadsman is vrijspraak bepleit voor alle tenlastegelegde feiten op grond van het ontbreken van opzet. De rechtbank deelt deze zienswijze niet. Zij is van oordeel dat verdachte telkens met de bewuste bedoeling op pad is gegaan om de branden te stichten, dan wel een poging daartoe te doen. Hij nam steeds tevoren het besluit om brand te stichten en nam daartoe middelen met zich mee, zoals bijvoorbeeld papier en een aansteker. Hij heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij door middel van het stichten van de branden zijn boosheid wilde uiten en bepaalde personen op hun gedrag wilde aanspreken.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze feiten en verklaringen dat verdachte wel degelijk opzet heeft gehad op de (poging tot) brandstichting.

De omstandigheid dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, volgens de deskundigen dr. S. de Jong, psychiater, en drs. J.H.A.M. Kobussen, klinisch psycholoog/psychotherapeut, sterk verminderd toerekeningsvatbaar was, doet aan dit oordeel niet af.

2. De rechtbank acht de onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

3. De bewezenverklaring van feit 1 primair is gebaseerd op de aangifte van [naam A] (voetnoot 2), het proces-verbaal van sporenonderzoek (voetnoot 3) en de bekennende verklaringen van verdachte bij de politie (voetnoot 4) en ter terechtzitting. Verdachte heeft verklaard een stuk plastic in het schuurtje te hebben aangestoken. Toen hij zag dat het brandde is hij weggelopen. Hij is naar het schuurtje gelopen om brand te stichten, omdat hij boos was op de leiding van [naam instelling].

De bewezenverklaring van feit 2 subsidiair is gebaseerd op de aangifte van

[naam B] (voetnoot 5), de getuigenverklaring van [getuige] (voetnoot 6) en de bekennende verklaringen van verdachte bij de politie (voetnoot 7)en ter terechtzitting. Verdachte heeft bekend dat hij een papiertje in brand heeft gestoken en in de container heeft gegooid, omdat dan alles in de fik zou gaan. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij dat gewoon een keer wilde doen. Bovendien heeft getuige [getuige] bij de politie verklaard dat hij heeft gezien, dat verdachte een papiertje heeft aangestoken en in de container heeft gegooid. Hij heeft verdachte op heterdaad aangehouden en aan de politie overgedragen toen deze ter plaatse was. Getuige [getuige] heeft in de container gekeken, maar heeft geen vuur kunnen ontdekken, slechts rookontwikkeling. De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden geacht dat verdachte brand heeft gesticht, nu niet duidelijk is of er daadwerkelijk vuur is geweest in de container. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een begin van uitvoering, nu verdachte het brandende papiertje in de container heeft gegooid, naar eigen zeggen met de bedoeling die container in brand te steken. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de onder 2 primair ten laste gelegde brandstichting, maar acht bewezen dat verdachte het onder 2 subsidiair, te weten een poging tot brandstichting, heeft begaan.

De bewezenverklaring van feit 3 is gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer A] (voetnoot 8) en de bekennende verklaringen van verdachte bij de politie (voetnoot 9) en ter terechtzitting. Verdachte heeft verklaard dat hij met papier op zak naar het erf van [slachtoffer A] is gegaan. Hij heeft het papier in brand gestoken, met de bedoeling om het schuurtje in vlammen te laten opgaan. Toen het papier brandde, is hij weggefietst.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 9 juli 2008 te Harderwijk opzettelijk brand heeft gesticht in een schuurtje aan [adres A], toebehorende aan [naam instelling], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker een kunststof voorwerp aangestoken, ten gevolge waarvan zich in dat schuurtje bevindende goederen en/of voornoemd schuurtje geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat schuurtje en zich in dat schuurtje bevindende goederen en zich op korte afstand van dat schuurtje bevindende bosjes en beplanting en zich op korte afstand van die bosjes en beplanting bevindende gebouw en de in dat gebouw aanwezige goederen te duchten was;

2.

hij op 17 april 2008 in de gemeente Harderwijk ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een afvalcontainer, toebehorende aan de gemeente Harderwijk, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die container en andere containers en een flatgebouw te duchten was, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk een stuk papier boven die afvalcontainer gehouden en dat papier (met een aansteker) in brand gestoken en dat brandende papier in die afvalcontainer gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 14 augustus 2007 te Ermelo opzettelijk brand heeft gesticht op een erf ([adres B]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker papier in brand gestoken, ten gevolge waarvan

- een schuur en/of een garage toebehorende aan [slachtoffer A] en

- een speedboot en de daarin aanwezige goederen toebehorende aan [slachtoffer B], en

- een personenauto (merk: Mercedes) en de daarin aanwezige goederen toebehorende aan [slachtoffer C], en

- een caravan toebehorende aan [slachtoffer D], en de daarin aanwezige goederen,

geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en/of die garage en daarin aanwezige goederen en zich op korte afstand van die schuur en/of die garage bevindende goederen, en gemeen gevaar voor die speedboot en daarin aanwezige goederen en zich op korte afstand van die speedboot bevindende goederen, en gemeen gevaar voor die personenauto en daarin aanwezige goederen en zich op korte afstand van die personenauto bevindende goederen, en gemeen gevaar voor die caravan en daarin aanwezige goederen en zich op korte afstand van die caravan bevindende goederen, te duchten was;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegde dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Feit 1 en 3: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Feit 2: poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

4. Omtrent de persoon van verdachte is een psychologisch onderzoek verricht, waarvan het resultaat is neergelegd in een rapport gedateerd 10 september 2008, opgemaakt door drs. J.H.A.M. Kobussen (klinisch psycholoog/psychotherapeut).

De conclusie van het rapport is dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van lichte zwakzinnigheid als gevolg van niet aangeboren hersenletsel. Ten tijde van het ten laste gelegde feit was er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens, welke van invloed is geweest op de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Op grond van zijn zwakzinnigheid heeft verdachte ernstige beperkingen op intellectueel, sociaal en emotioneel vlak en kan hij de consequenties van zijn overschrijdende gedrag onvoldoende overzien. Ook is verdachte door zijn beperkte intellectuele vermogens verminderd in staat om, wanneer hij met problemen wordt geconfronteerd, oplossingen te genereren. Boze gevoelens, irritaties en wrok kan hij door zijn lichte zwakzinnigheid onvoldoende kanaliseren, waardoor deze gevoelens later kunnen leiden tot onverwachts, impulsief gedrag als het stichten van vuur. Gezien het bovenstaande is verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

5. Ook door de psychiater dr. S. de Jong is een rapport, gedateerd 11 september 2008, opgemaakt. Hij heeft geconcludeerd dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling der geestesvermogens, diagnostisch te omschrijven als zwakzinnigheid als gevolg van niet aangeboren hersenletsel. De gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens heeft verdachtes gedragskeuzen c.q. zijn gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde zodanig beïnvloed, dat het tenlastegelegde daaruit kan worden verklaard. Verdachte is onvoldoende in staat om problemen of conflicten op te lossen of te beoordelen of zijn gedrag aan te passen of te besturen. Op grond daarvan heeft zich een subjectief verhoogd gevoel ontwikkeld regelmatig gefrustreerd of achtergesteld te worden. Het gevolg is dat hij blijft kleven aan opvattingen, ervaringen en dat het impulsief tot boosheid komt die hij afreageert met brandstichtingen. Onderzochtes impulsieve gedrag ten tijde van het ten laste gelegde wordt nauwelijks beïnvloed of gestuurd door innerlijk besef of overwegingen, door zijn zwakzinnigheid is hij daartoe zeer beperkt in staat. Op grond daarvan moet onderzochte met betrekking tot het ten laste gelegde als sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

6. Met de conclusies van deze rapporten kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusies over.

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van de straf of maatregel

7. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 136 dagen voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met als bijzondere voorwaarden het opvolgen van de aanwijzingen gegeven door en namens de reclassering en opname in de Hanzeborg of een andere aan te wijzen instelling binnen het verstandelijk gehandicaptencircuit, met een proeftijd van drie jaar voor de algemene voorwaarde en een proeftijd van twee jaar voor de bijzondere voorwaarde.

8. De raadsman heeft aangevoerd dat, mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, rekening moet worden gehouden met de rapporten van dr. De Jong en drs. Kobussen. Verdachte moet sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. Verdachte heeft een blanco justitiële documentatie en de brandstichtingen zijn iets van de laatste jaren. Ook in het persoonlijke leven van verdachte hebben zich een aantal wijzigingen voorgedaan. Dat kan ook een reden zijn voor het gedrag van verdachte. Als verdachte eventueel in instelling de Zeuvenakkers in Appelscha wordt geplaatst, is de kans op recidive gering. Mocht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf overwegen, dan verzoekt de raadsman deze straf gelijk aan de duur van het voorarrest laten zijn. Ook heeft de raadsman verzocht een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, zodat verdachte in instelling de Zeuvenakkers in Appelscha kan worden opgenomen. Als verdachte in deze instelling geplaatst wordt, zal de kans op recidive afnemen. De raadsman kan zich verenigen met de bijzondere voorwaarde dat verdachte de aanwijzingen van de reclassering dient op te volgen.

9. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

10. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan – kort gezegd – twee brandstichtingen en een poging daartoe.

11. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de ad informandum gevoegde feiten, alle met het parketnummer 850077-08, namelijk:

- 12 februari 2008, [adres D te plaats] brandstichting bij [naam 1];

- 19 april 2007, [adres E te plaats], brandstichting in een fietsenhok bij [naam 2];

- 25 februari 2006, [adres F te plaats], brandstichting woningstichting [naam 3];

- 9 april 2007, [adres G te plaats], brandstichting bij [naam 4];

Aangiftes daarvan zijn in het dossier aanwezig en verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij die feiten heeft gepleegd. De officier van justitie heeft toegezegd dat voor die feiten geen verdere strafvervolging zal volgen.

12. Verdachte heeft bij zijn handelen geen oog gehad voor het gevaar dat hij daarmee voor de goederen in de directe omgeving van de in brand gestoken goederen realiseerde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van onverantwoord gedrag van verdachte en rekent dat verdachte aan. Te meer nu verdachte zag dat er brand in de schuurtjes was ontstaan en vervolgens is weggegaan. Daar komt bij dat verdachte door het stichten van brand veel onrust en gevoelens van angst heeft veroorzaakt bij de slachtoffers. Dat de gevolgen van deze branden beperkt zijn gebleven, is te danken aan de brandweer, die de branden in de schuurtjes onmiddellijk heeft geblust. Dat de schade uiteindelijk beperkt is gebleven, is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de door verdachte gepleegde feiten in beginsel een aanzienlijke gevangenisstraf rechtvaardigt.

13. Anderzijds heeft de rechtbank evenals de officier van justitie rekening gehouden met de geconstateerde sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Ook is meegewogen de omstandigheid dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Er is voorts acht geslagen op de rapporten van drs. Kobussen en dr. De Jong, waarin een voorwaardelijke straf met een maximale proeftijd en toezicht door de reclassering en binnen dat kader als bijzondere voorwaarde een opname binnen het verstandelijke gehandicaptencircuit is geadviseerd. Dit advies wordt onderschreven door de reclassering, die voorts in haar rapport van 6 januari 2009 heeft geadviseerd verdachte te plaatsen in het intramurale orthopedagogisch behandel- en wooncentrum Zeuvenakkers te Appelscha (of een soortgelijke setting ter beoordeling van de reclassering) per 17 februari 2009 voor de duur van maximaal twee jaar. Ook heeft de reclassering geadviseerd een verplicht reclasseringscontact op te leggen voor de duur van twee jaar. Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 januari 2009 verklaard dat hij wil meewerken aan plaatsing in voornoemde instelling in Appelscha. De rechtbank acht het van groot belang voor de samenleving en voor verdachte, dat verdachte vanuit detentie naadloos zal gaan verblijven in de Zeuvenakkers.

14. De rechtbank is van oordeel dat het geraden is de maximale proeftijd aan de strafoplegging te verbinden, dat wil zeggen, anders dan de officier van justitie heeft geëist, dat op grond van artikel 14b, tweede lid, juncto artikel 14c eerste lid van het Wetboek van Strafrecht een proeftijd van twee jaren voor de algemene voorwaarde en op grond van artikel 14b, tweede lid, juncto artikel 14c, tweede lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht een proeftijd van drie jaren voor de bijzondere voorwaarden.

15. Alles overwegende komt de rechtbank tot een oplegging van een gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 135 dagen voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en behandeling in het intramurale orthopedagogisch behandel- en wooncentrum Zeuvenakkers te Appelscha (of een soortgelijke setting ter beoordeling van de reclassering) voor de duur van drie jaar met een proeftijd van twee jaar voor de algemene voorwaarde en een proeftijd van 3 jaar voor de bijzondere voorwaarde.

Vordering van de benadeelde partijen

Ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde heeft de benadeelde partij de heer

[slachtoffer A], [adres en plaats] (rekeningnummer [nummer]) zich gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 12.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2007.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de vordering zich toch leent voor afdoening in het strafgeding, dan heeft de raadsman verzocht slechts het bedrag toe te wijzen dat in de vordering nader onderbouwd is. De vordering van [slachtoffer A] is tot een bedrag van € 8.125,98 onderbouwd. De raadsman heeft verzocht om de benadeelde in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat dit deel onvoldoende is onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. Verdachte is daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. Een bedrag van € 8.125,98 (afvoeren asbest, gebruik container, materiaal ten behoeve van herstel en het depotbedrag aan de notaris) is met facturen voldoende onderbouwd. Niet duidelijk is echter waarom [slachtoffer A] een bedrag van € 1.750,- in depot bij een notaris heeft gestort. Daarom zal dat deel van de vordering niet worden toegewezen. De vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 6.375,98 , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2007. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding De benadeelde partij kan derhalve dit deel van haar vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde heeft de benadeelde partij mevrouw

[slachtoffer B, adres en plaats] (rekeningnummer [nummer]) zich gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 22.025,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2007.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de vordering zich toch leent voor afdoening in het strafgeding, dan is de raadsman het eens met het standpunt van de officier van justitie. Dat wil zeggen dat de vordering tot een bedrag van € 18.750,- kan worden toegewezen, nu deze posten in de vordering nader zijn onderbouwd. De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat dit deel onvoldoende is onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. Verdachte is daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. Gelet op het feit dat slechts de kosten van de boot (€ 16.500,-), trailer (€ 1.750,-) en rechtsbijstand (€ 500,-) voldoende onderbouwd zijn, is de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel dat deze vordering tot een bedrag van € 18.750,- kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

14 augustus 2007. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en kan derhalve dit deel van haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de benadeelde partij [slachtoffer C], [adres en plaats] (rekeningnummer [nummer]) zich gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 14.100,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2007.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor afdoening in het strafgeding. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de vordering zich toch leent voor afdoening in het strafgeding, dan heeft de raadsman over de vordering van [slachtoffer C] geen opmerkingen, nu deze voldoende onderbouwd is.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. Verdachte is daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. Gelet op de onderbouwing voor de kosten van de auto en het eigen risico, zal de vordering volledig worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2007.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemde slachtoffers. De rechtbank ziet, gelet op de geestelijk gesteldheid van verdachte, en daarmee samenhangend de beperkte mogelijkheden van verdachte om inkomen te genereren, aanleiding om de vervangende hechtenis te beperken tot de duur van één dag.

Toepasselijke wettelijke artikelen

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 45, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1 en 3: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Feit 2: poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderd en vijfenzestig) dagen en bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 135 (een honderd vijfendertig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel vóór het einde van een proeftijd van 3 jaren de volgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd van 3 jaren zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt en dat verdachte zich zal laten opnemen in het intramurale orthopedagogisch behandel- en wooncentrum Zeuvenakkers te Appelscha voor de duur van 3 jaren;

* geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij

[slachtoffer A], [adres en plaats] (rekeningnummer [nummer]) , van een bedrag van € 6.375,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2007 tot de dag van algehele voldoening en vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A], een bedrag te betalen van € 6.375,98, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij

[slachtoffer B, adres en plaats] (rekeningnummer [nummer]), van een bedrag van € 18.750,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2007 tot de dag van algehele voldoening en vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B], een bedrag te betalen van € 18.750,-, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer C], [adres en plaats] (rekeningnummer [nummer]), van een bedrag van € 14.100,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2007 tot de dag van algehele voldoening en vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer C], een bedrag te betalen van € 14.100,-, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Aldus gewezen door mrs. Gilhuis, voorzitter, Roessingh-Bakels en Follender Grossfeld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ter Haar, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 januari 2009.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna ten aanzien van feit 1 verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0612/08-205896, Regiopolitie Noord-Oost Gelderland, District Noord-West Veluwe, Team Harderwijk, gesloten en ondertekend op 14 juli 2008.

Wanneer hierna ten aanzien van feit 2 verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0610/08-203419, Regiopolitie Noord-Oost Gelderland, District Noord-West Veluwe, Team Harderwijk, gesloten en ondertekend op 17 april 2008.

Wanneer hierna ten aanzien van feit 3 verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0610/08-202003, Regiopolitie Noord-Oost Gelderland, District Noord-West Veluwe, Team Harderwijk, gesloten en ondertekend op 18 maart 2008.

2 Proces-verbaal van aangifte van [naam A], dossierpagina’s 20 en 21.

3 Proces-verbaal van sporenonderzoek, dossierpagina 23.

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina’s 38 tot en met 40.

5 Proces-verbaal van aangifte van [naam B], dossierpagina 21.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], dossierpagina’s 23 en 24.

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina’s 25 en 26.

8 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], dossierpagina’s 39 en 40.

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina’s 48 en 49.