Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BG8532

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
22-12-2008
Datum publicatie
29-12-2008
Zaaknummer
06/925033-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wegens onveilige arbeidsomstandigheden en het niet voldoen aan de normen ten aanzien van de brandveiligheid veroordeelt de politierechter een koelhuis te Hattem tot een twee boetes: €1.000,- en € 3.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Economische politierechter

Parketnummer: 06/925033-08

Uitspraak d.d. 22 december 2008

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

de besloten vennootschap:

[verdachte] B.V.,

gevestigd te 8051 DB Hattem, [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

8 december 2008.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

verdachte op of omstreeks 2 november 2007, althans in of omstreeks de maand

november 2007,

in de gemeente Hattem, in elk geval in Nederland,

als werkgeefster, bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid, niet

de maatregelen heeft genomen die nodig zijn ter voorkoming en/of beperking

van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en/of de

gevolgen daarvan voor de veiligheid en/of de gezondheid van de in verdachtes

bedrijf, inrichting of een deel daarvan werkzame werknemers, immers

- had verdachte de algemene doelstellingen en beginselen van het beleid

inzake de beheersing van de risico's van zware ongevallen, als bedoeld in

artikel 6, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, niet schriftelijk

vastgelegd (art. 2.5a, lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit) en/of

- had verdachte, voor de vaststelling en uitvoering van het beleid, bedoeld in

het eerste lid van artikel 2.5a Arbeidsomstandighedenbesluit, geen

veiligheidsbeheerssysteem ingevoerd, dat mede wordt gebaseerd op de

risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 2.5b van eerdergenoemd

besluit (art. 2.5a, lid 2 Arbeidsomstandighedenbesluit);

art 6 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet

art 1 Wet op de economische delicten

2.

verdachte op of omstreeks 2 november 2007, in de gemeente Hattem, terwijl aan

[verdachte] B.V., althans aan verdachte door Burgemeester en Wethouders van de

gemeente Hattem bij besluit van 26 mei 1994 een vergunning krachtens de Wet

milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel

[adres], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in

categorie 1.1 letter a en/of 9.1 letters a, d, e en f en/of 4.1 f van bijlage

I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een

inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich,

al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer

voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers

- was in strijd met voorschrift 7.15 van genoemde vergunning de automatische

brandmeldinstallatie niet rechtstreeks aangesloten op de

brandweeralarmcentrale van de Brandweer Regio IJssel-Vecht en/of

- hadden de wanden van de machinekamer(s) in strijd met voorschrift 17.2 van

genoemde vergunning - zakelijk weergegeven - geen brandwerendheid van

tenminste 60 minuten en/of

- waren er in strijd met voorschrift 7.11 van genoemde vergunning onder het

dak van het laadperron en/of onder de (overige) luifel(s) van de koelhuizen

/ een koelhuis pallets opgeslagen/aanwezig;

art 18.18 Wet milieubeheer

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nietigheid van de dagvaarding

Door de verdediging is – preliminair – aangevoerd dat, ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, de dagvaarding nietig verklaard dient te worden. Hiertoe is aangevoerd dat het de onder het eerste en het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde gedragingen onvoldoende feitelijk zijn. Door de verdediging is gesteld dat hetgeen onder deze gedachtestreepjes ten laste is gelegd overeenkomt met het eerste en tweede lid van artikel 2.5a van het Besluit. Het tweede lid, van het genoemde artikel, is blijkens de tekst van dit artikel een nadere uitwerking van het eerste lid. De verdediging is derhalve van mening dat de dagvaarding onvoldoende feitelijk is en dat het onduidelijk is of [verdachte] zich tegen meer moet weren dan het niet hebben van een schriftelijk vastgelegd VBS.

Ten aanzien van het gevoerde verweer, betreffende de nietigheid van de dagvaarding van het onder 1 ten laste gelegde, overweegt de economische politierechter het volgende.

Naar oordeel van de economische politierechter is de dagvaarding, voor zover betreffende het onder 1 ten laste gelegde, voldoende feitelijk. Vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is dat aan de in de delictsomschrijving voorkomende kwalificatieve woorden mede feitelijke betekenis kan toekomen. Door het opnemen van de woorden van artikel 2.5a van het Besluit, in de tenlastelegging gebezigde termen is de tenlastelegging niet onvoldoende duidelijk, nu aan deze woorden mede feitelijke betekenis toekomt.

Het door de verdediging – preliminair – gevoerde verweer met betrekking tot de nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, bevoegdheid van de economische politierechter wordt door de economische politierechter dan ook verworpen.

Bevoegdheid van de economische politierechter

Door de verdediging is – preliminair – aangevoerd dat, voor zover betreffende het onder 1 ten laste gelegde feit, de economische politierechter onbevoegd is. Hiertoe is aangevoerd dat het niet voldoen aan de eisen van risico-inventarisatie en -evaluatie, in strijd is met artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. Overtreding van het voornoemde artikel is geen economische delict, derhalve dient de economische politierechter zich, ter zake het onder 1 ten laste gelegde feit, onbevoegd te verklaren.

Ten aanzien van het gevoerde verweer, betreffende de bevoegdheid van de economische politierechter om kennis te nemen van het onder 1 ten laste gelegde feit, overweegt de economische politierechter het volgende.

Voorzover het betreft het onder 1 ten laste gelegde is gekozen voor een tenlastelegging gestoeld op artikel 6, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 2.5a van het Arbeidsomstandighedenbesluit (verder: Besluit). Artikel 2.5a van het Besluit is een nadere uitwerking van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, tweede volzin, van de Arbeidsomstandighedenwet. De ten laste gelegde gedraging houdt dan ook een overtreding van artikel 6, eerste lid, eerste volzin en tweede volzin van de Arbeidsomstandighedenwet in.

Artikel 2.5a, tweede lid, van het besluit houdt in dat er voor de vaststelling en uitvoering van het beleid, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, een veiligheidsbeheerssysteem (verder: VBS) dient te worden ingevoerd. Dit VBS dient mede te worden gebaseerd op de risico-inventarisatie en –evaluatie als bedoeld in artikel 2.5b van het Besluit. Verdachte wordt verweten dat er geen VBS is ingevoerd. Deze gedraging is een overtreding van artikel 2.5a, tweede lid, van het Besluit. Zoals hiervoor overwogen is dit een gedraging in strijd met het gestelde krachtens artikel 6, eerste lid, tweede volzin, van de Arbeidsomstandighedenwet. Er is, zoals ten onrechte door de verdediging is gesteld, geen sprake van een gedraging in strijd met artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet.

Op grond van artikel 1, onder 3, van de Wet op de economische delicten en artikel 9.9a van het Besluit, is overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet een economisch delict. Op grond van artikel 38 van de Wet op de economische delicten en artikel 52, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, is de economische politierechter bevoegd om kennis te nemen van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Het door de verdediging – preliminair – gevoerde verweer met betrekking tot de bevoegdheid van de economische politierechter wordt door de economische politierechter dan ook verworpen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Door de verdediging is – preliminair – aangevoerd dat, voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde, de officier van justitie niet ontvankelijk is in zijn vervolging. Hiertoe is aangevoerd dat door de gemeente Hattem is afgezien van bestuursrechtelijk optreden. Nu hiervan is afgezien wordt er geen belang gediend met het nastreven van een punitieve sanctie. Daarbij komt dat voor een punitieve sanctie een bestuursrechtelijke sanctie de aangewezen weg is. Door desondanks toch tot vervolging over te gaan heeft de officier van justitie gehandeld in strijd met het opportuniteitsbeginsel en is derhalve niet ontvankelijk in zijn vervolging.

De economische politierechter verwerpt dit verweer. De beslissing van de gemeente Hattem om af te zien van bestuursrechtelijke handhaving doet niet af aan de eigen bevoegdheid van het openbaar ministerie strafbare feiten te vervolgen. De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vervolging.

De bewijsmotivering

A. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op basis van het onderhavige strafdossier.

B. Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is door en namens verdachte aangevoerd dat er wel een VBS is. Ook zijn de voorschriften verstrekt aan de werknemers van verdachte.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is door en namens verdachte onder meer aangevoerd dat de brandmeldinstallatie wel voldoet aan de vereisten van de vergunning en dus geen sprake is van overtreding van voorschrift 7.15 van de Milieuvergunning.

Daarnaast is gesteld dat de muren dikker zijn dan 11 centimeter en daarmee is voldaan aan het vereiste van 17.2 van de Milieuvergunning. Tevens is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de overtreding van voornoemd voorschrift.

Tot slot is aangevoerd dat er geen sprake is van de opslag van pallets, maar van overslag. Nu de pallets slechts tijdelijk op de ten laste gelegde locatie stonden is niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is van een palletoverslag.

C. Beoordeling van de tenlastelegging

Partiële vrijspraak

Naar oordeel van de economische politierechter kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte het onder 2, derde gedachtestreepje, ten laste gelegde feit heeft begaan.

Ten aanzien van het onder 2, derde gedachtestreepje ten laste gelegde overweegt de economische politierechter als volgt. In voorschrift 7.11 van de vergunning wordt de term ‘palletopslag’ gebruikt. Eén van de criteria om te onderscheiden tussen opslag en overslag is dat in het geval van opslag de voorwerpen langer op de plaats van opslag of overslag aanwezig (mogen) zijn dan in het geval van overslag. Nu enkel is geconstateerd dat er op 2 november 2007 pallets stonden op de ten laste gelegde plaats kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat er sprake is van opslag, zoals bedoeld in de vergunning. Niet kan worden uitgesloten dat er slechts sprake is van incidentele kortdurende aanwezigheid van de pallets op de ten laste gelegde plaats.

De economische politierechter zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2, derde gedachtestreepje, ten laste gelegde feit.

Wettig en overtuigend bewezen

De economische politierechter acht voor het bewijs van hetgeen onder 1 ten laste is gelegd de volgende feiten en omstandigheden redengevend. (eindnoot 1)

Tijdens een inspectie ter controle op de naleving van hoofdstuk 2, afdeling 2, “Aanvullende voorschriften risico- en inventarisatie en -evaluatie ter voorkoming en beperkingen van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen” van het Arbeidsomstandighedenbesluit (de zogenoemde ARIE-verplichtingen) op 29 september 2006 is geconstateerd dat verdachte de algemene doelstellingen en beginselen van het beleid inzake de beheersing van risico’s van zware ongevallen niet schriftelijk had vastgelegd(eindnoot 2) en dat het bedrijf niet beschikte over een VBS.(eindnoot 3) (eindnoot 4)

Op 2 november bevond verbalisant [verbalisant 1], inspecteur van de Arbeidsinspectie zich op het terrein van [verdachte] B.V., gevestigd te Hattem, ter inspectie van de ARIE-verplichtingen.(eindnoot 5) Tijdens deze controle kon [naam 1], vertegenwoordiger van verdachte, niet aantonen dat de eerder genoemde overtredingen waren opgeheven.(eindnoot 6) Ook is gebleken dat verdachte met de inrichting van een VBS geen verbetering heeft aangetoond ten opzichte van de situatie, zoals deze is geconstateerd tijdens de inspectie van 2006.(eindnoot 7) De vertegenwoordiger heeft verklaard dat verdachte naar zijn oordeel wel een preventiebeleid zware ongevallen en een VBS heeft, alleen staan deze niet op papier.(eindnoot 8) Verdachte heeft documenten die geschikt zijn om te dienen als onderdelen van een VBS. Echter omdat niet aan alle eisen van een VBS wordt voldaan kan niet gesteld worden dat verdachte over een dergelijk VBS beschikt.(eindnoot 9)

De economische politierechter acht voor het bewijs van hetgeen onder 2 ten laste is gelegd de volgende feiten en omstandigheden redengevend.(eindnoot 10)

Op 2 november 2007 werd door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] een controle uitgevoerd op het bedrijfsterrein van [[verdachte] B.V., gevestigd te Hattem. Naast de verbalisanten waren [naam 2] en [naam 3] van de brandweer Zwolle bij de controle aanwezig.(eindnoot 11) Aan verdachte is op 26 mei 1994 een revisievergunning, als bedoeld in artikel 6a van de Hinderwet voor een koel- en vriesheem, gelegen aan de [adres] te Hattem, verleend op grond van de Wet milieubeheer.(eindnoot 12)

Op grond van voorschrift 7.15 van de Milieuvergunning moet de automatische brandmeldinstallatie rechtstreeks worden aangesloten op de brandweeralarmcentrale van de Brandweer Regio IJssel-Vecht.(eindnoot 13) [naam 4], werknemer van [verdachte] B.V., heeft verklaard dat de automatische brandmeldinstallatie niet direct doormeldt naar de meldkamer van de brandweer te Zwolle. Er wordt eerst gemeld naar [naam 1], vervolgens aan [naam 4], daarna aan de mobiele nummers van de voormelde personen. Daarna gaat er pas een melding naar de brandweer.(eindnoot 14) Door [naam 1], eigenaar en directeur van [[verdachte] B.V., wordt bevestigd dat bij een brandmelding de brandweer als derde in lijn zit.(eindnoot 15)

Op grond van voorschrift 17.2 van de Milieuvergunning dienen de wanden van de machinekamers, onder meer, een brandwerendheid van tenminste 60 minuten te bezitten.(eindnoot 16) Tijdens de controle van de machinekamer zagen verbalisant [verbalisant 2] en [naam 2] dat er aan dit voorschrift niet werd voldaan. De scheidingsconstructies van de machinekamer voldeden niet aan de brandwerendheid van 60 minuten.(eindnoot 17) (eindnoot 18)

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de economische politierechter is op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

verdachte in de maand november 2007, in de gemeente Hattem, als werkgeefster, bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid, niet de maatregelen heeft genomen die nodig zijn ter voorkoming en/of beperking van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en/of de gevolgen daarvan voor de veiligheid en/of de gezondheid van de in verdachtes bedrijf, inrichting of een deel daarvan werkzame werknemers, immers

- had verdachte de algemene doelstellingen en beginselen van het beleid inzake de beheersing van de risico's van zware ongevallen, als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, niet schriftelijk vastgelegd en

- had verdachte, voor de vaststelling en uitvoering van het beleid, bedoeld in het eerste lid van artikel 2.5a Arbeidsomstandighedenbesluit, geen veiligheidsbeheerssysteem ingevoerd, dat mede wordt gebaseerd op de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 2.5b van eerdergenoemd besluit;

2.

verdachte op of omstreeks 2 november 2007, in de gemeente Hattem, terwijl aan [verdachte] B.V., althans aan verdachte door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hattem bij besluit van 26 mei 1994 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [adres], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 1.1 letter a en 9.1 letters a, d, e en f en 4.1 f van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich, opzettelijk, heeft gedragen in strijd met voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers

- was in strijd met voorschrift 7.15 van genoemde vergunning de automatische brandmeldinstallatie niet rechtstreeks aangesloten op de brandweeralarmcentrale van de Brandweer Regio IJssel-Vecht en

- hadden de wanden van de machinekamers in strijd met voorschrift 17.2 van

genoemde vergunning - zakelijk weergegeven - geen brandwerendheid van tenminste 60 minuten.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ten aanzien van de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde is door de verdediging het volgende aangevoerd. De in het Besluit vereiste schriftelijke vastlegging (artikel 2.5a, eerste lid van het Besluit) is een strengere eis dan het vereiste welke voortvloeit uit artikel 6, tweede volzin, onder a en b van de Arbeidsomstandighedenwet. Op het voornoemde punt is derhalve het Besluit onverbindend.

Naar oordeel van de economische politierechter wordt in het desbetreffende artikel van het Besluit nadere invulling gegeven aan artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet. In artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet wordt de mogelijkheid hiertoe ook expliciet geboden. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Kwalificatie

Het onder 1 bewezene levert op de overtreding:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 6, eerste lid, eerste volzin van de Arbeidsomstandighedenwet en overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 6, eerste lid, tweede volzin van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon.

Het onder 2 bewezene levert op het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde is door de verdediging aangevoerd dat verdachte niet strafbaar is. Door en namens verdachte is aangevoerd dat de overtreden voorschriften onvoldoende duidelijk waren en dat daarom verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging in verband met het ontbreken van alle schuld.

De economische politierechter verwerpt dit verweer. Naar oordeel van de economische politierechter zijn de voorschriften, zowel tekstueel als inhoudelijk, ook voor verdachte duidelijk, hetgeen kan blijken uit de wijze waarop verdachte haar verdediging heeft gevoerd. Het beroep van verdachte op afwezigheid van alle schuld kan daarom dan ook niet slagen.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

1. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete van

€ 12.000,--, waarvan € 4.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens de verdachte is ten aanzien van de straf aangevoerd dat er sprake is van een kleine onderneming, welke op korte termijn zijn deuren zal sluiten. Tevens is aangevoerd dat de geconstateerde overtredingen inmiddels ook zijn opgeheven.

3. De economische politierechter acht na te melden beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 51, 57, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet en de artikelen 2.5a en 9.9a van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Beslissing

De economische politierechter:

- verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 6, eerste lid, eerste volzin van de Arbeidsomstandighedenwet en overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 6, eerste lid, tweede volzin van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon;

- verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte, ten aanzien van de overtreding, tot een geldboete van € 1.000,--.

- veroordeelt verdachte, ten aanzien van het misdrijf tot een geldboete van € 3.000,--.

Aldus gewezen door mr. Brouns, economische politierechter, in tegenwoordigheid van

mr. Demmers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 december 2008.

Eindnoten

(1) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal

nr. PL0600/08-202358, Regiopolitie Noord-Oost Gelderland, District Apeldoorn, Regionaal Milieuteam, d.d. 12 maart 2008.

(2) Inspectierapport ARIE d.d. 13 december 2006, bijlage 2, pagina 6.

(3) Inspectierapport ARIE d.d. 13 december 2006, bijlage 2, pagina 7.

(4) (Stam)proces-verbaal, doorgenummerde dossierpagina’s 4 en 5.

(5) (Stam)proces-verbaal, doorgenummerde dossierpagina 4.

(6) (Stam)proces-verbaal, doorgenummerde dossierpagina 6.

(7) Inspectierapport ARIE d.d. november 2007, bijlage 4, pagina 7 en 8.

(8) Verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, bijlage 5, ongenummerd.

(9) Inspectierapport ARIE d.d. 13 december 2006, bijlage 2, pagina 9 en inspectierapport ARIE d.d.

november 2007, bijlage 4, pagina 6.

(10) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal

nr. PL0600/08-203012, regionaal milieuteam, politie Noord-Oost Gelderland, d.d. 24 juli 2008.

(11) (Stam)proces-verbaal, doorgenummerde dossierpagina 5.

(12) (Stam)proces-verbaal, doorgenummerde dossierpagina 6 en de Milieuvergunning (schriftelijk bescheid), doorgenummerde dossierpagina 120.

(13) Voorschrift 7.15 van de Milieuvergunning (schriftelijk bescheid), doorgenummerde dossierpagina 129.

(14) Proces-verbaal van verhoor [naam 4], doorgenummerde dossierpagina’s 26 en 29.

(15) De verklaring afgelegd ter terechtzitting en proces-verbaal van verhoor [naam 1], doorgenummerde dossierpagina 33.

(16) Voorschrift 17.2 van de Milieuvergunning (schriftelijk bescheid), doorgenummerde dossierpagina 141.

(17) (Stam)proces-verbaal, doorgenummerde dossierpagina 7.

(18) Beoordeling brandweer van [verdachte] B.V. d.d. 19 november 2007 (schriftelijk bescheid), doorgenummerde dossierpagina 44.