Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BG7959

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
22-12-2008
Datum publicatie
22-12-2008
Zaaknummer
06-925154-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Economische politierechter veroordeelt verdachte uit Toldijk tot een geldboete van €125,- voor het meerdere malen verkeerd opslaan van afvalstoffen, grond vermengd met aardappelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Economische politierechter

Parketnummer: 06/925154-08

Uitspraak d.d. 22 december 2008

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [plaats] op [1938],

wonende te [adres en plaats].

Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

8 december 2008.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij één- of meermalen in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 21

februari 2008 te Toldijk, gemeente Bronckhorst, al dan niet opzettelijk, zich

van afvalstoffen te weten grond vermengd met aardappelen, loof en/of stenen

heeft ontdaan door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te

storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden;

art 10.2 lid 1 Wet milieubeheer

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie overweegt de economische politierechter het volgende.

De economische meervoudige kamer van deze rechtbank heeft bij vonnis van 8 juli 2008 (LJN: BD6564) de officier van justitie, ten aanzien van zijn vervolging van feiten betreffende handelingen met betrekking tot zogenoemde tarragrond, niet-ontvankelijk verklaard. In de voormelde zaak waren de handelingen met betrekking tot tarragrond ten laste gelegd als gedragingen in strijd met verbod van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Door de handelingen op voornoemde wijze ten laste te leggen miskende de officier van justitie de ontwikkelingen waarbij tarragrond door de overheid steeds meer uit de sfeer van de afvalstoffen gehaald wordt, onder meer door de Tijdelijke Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond (verder: Vrijstellingsregeling). De Vrijstellingsregeling is tot stand gebracht niet in het kader van het verbod van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, maar in dat van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer.

Gelet op (de ontwikkeling van) de regelgeving valt het gebruik van tarragrond binnen het domein van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer. Uit de gang van de ontwikkeling van de tarragrond betreffende regelingen, waaronder de Vrijstellingsregeling en het Beluit bodemkwaliteit, komt naar oordeel van de economische meervoudige kamer een tendentie naar voren naar een voortgaande versoepeling van het gebruik van tarragrond. In dat kader komt vervolging door de officier van justitie van handelingen die tarragrond betreffen als overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer neer op het tegengaan van de deregulering die de door de wet aangewezen regelgevers beogen. Door toch aldus te vervolgen handelde de officier van justitie in strijd met artikel 167 van het Wetboek van strafvordering, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat hij niet-ontvankelijk was in zijn vervolging.

In de thans aan de orde zijnde strafzaak heeft de officier van justitie ervoor gekozen de handelingen met betrekking tot de tarragrond ten laste te leggen als gedragingen in strijd met het verbod van 10.2 van de Wet milieubeheer. Gelet op het hiervoor overwogene is de officier van justitie in de onderhavige strafzaak naar oordeel van de economische politierechter wel ontvankelijk in zijn vervolging.

De bewijsmotivering (voetnoot 1)

A. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden op basis van het onderhavige strafdossier.

B. Het standpunt van de verdediging

Door en namens verdachte is primair aangevoerd dat zogeheten tarragrond geen afvalstof is in de zin van de Wet milieubeheer. Daarnaast is aangevoerd dat, indien de tarragrond wel heeft te gelden als een afvalstof, de vrijstellingsregeling, door middel van een analogische uitleg, van toeppassing is op de onderhavige zaak. Gelet op de voornoemde verweren dient verdachte dan ook te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

C. Beoordeling van de verweren

Voor de uitleg van de term 'afvalstof' dient aansluiting te worden gezocht bij de Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (voorheen de Kaderrichtlijn afvalstoffen nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juli 1975, verder te noemen de Richtlijn), nader uitgewerkt in artikel 1.1, eerste lid van de Wet milieubeheer. In deze Richtlijn wordt verstaan onder 'afvalstof':

'elke stof of voorwerp behorende tot de in bijlage 1 genoemde categorieën, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.'

De economische politierechter sluit zich voor wat betreft de term 'afvalstof' aan bij de arresten van de Hoge Raad (HR 14 december 2004, LJN: AR4900 en HR 19 juni 2007, LJN: AY9199), inhoudende dat 'als er iemand in de keten is die zich van een stof of voorwerp heeft ontdaan, de stof of het voorwerp een afvalstof in de zin van de Richtlijn blijft tot aan het moment dat de stof of het voorwerp is verwijderd of nuttig is toegepast.'

Uit de verklaring van [getuige] (voetnoot 2) blijkt dat de tarragrond een restproduct is van het sorteren van consumptie- en pootaardappelen. Door het storten van de tarragrond op het terrein van [verdacht bedrijf A] heeft hij zich ontdaan van de tarragrond en dus heeft de tarragrond, gelet op de Richtlijn en de door de Hoge Raad gegeven definitie, te gelden als afvalstof. Het met betrekking tot dit punt gevoerde verweer wordt dan ook verworpen.

Door de verdediging is ook een beroep gedaan op de Vrijstellingsregeling. Bij Vrijstellingsregeling, in werking getreden op 15 november 2005, is aangegeven dat tarragrond in de toekomst onder de werkingssfeer van het Besluit bodemkwaliteit zal worden gebrancht en dat de Vrijstellingsregeling op dit punt vervalt met de inwerkingtreding van het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit is inmiddels gefaseerd in werking getreden (deels op 1 januari 2008 en deels op 1 juli 2008). Voor de Vrijstellingsregeling geldt dat zij nog twee jaar na de inwerkingtreding van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is (artikel 80 van het Besluit bodemkwaliteit).

De door de verdediging bedoelde vrijstelling is vervat in artikel 6 van de Vrijstellingsregeling. Om voor de bedoelde vrijstelling in aanmerking te komen is - onder meer - vereist dat de tarragrond verspreid wordt over een perceel waarop in hetzelfde kalenderjaar of in een van de drie daaraan voorafgaande kalenderjaren bedrijfsmatig aardappelen zijn geteeld. Door verdachte is mede ter terechtzitting aangegeven dat hiervan geen sprake is geweest. Nu niet aan de vereisten van de Vrijstellingsregeling is voldaan kan een beroep van verdachte op deze regeling niet slagen.

D. Beoordeling van de tenlastelegging

De economische politierechter acht voor het bewijs de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Op 25 februari 2008 ziet [verbalisant] dat in een weiland, gelegen naast [het perceel te plaats], een hoeveelheid tarragrond met daarin aardappelen was opgebracht. Het grootste gedeelte van het weiland was bedekt met een laag tarragrond, vermengd met aardappelen, loof en stenen.(voetnoot 3)

Verdachte heeft verklaard dat het weiland naast zijn woning, gelegen op [adres en plaats], zijn privébezit is. In overleg met [getuige] is van aardappelen afkomstige grond op het weiland gestort. De aardappelgrond werd vanaf de oogstperiode op het weiland gestort. Op het weiland, waarop de grond is gestort, zijn de afgelopen drie jaren geen aardappelen verbouwd. (voetnoot 4)

De zogenoemde tarragrond, afkomstig van aardappelverwerkingsbedrijf [naam] is een restproduct van het sorteren van consumptie- en pootaardappelen. Dit restproduct moet worden afgevoerd. In overleg met verdachte is er, in het najaar van 2007, tarragrond met aardappelen erin gestort op het weiland naast [perceel]. De tarragrond werd door verdachte zelf over het weiland verdeeld.(voetnoot 5)

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de economische politierechter is op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij meermalen in de periode van 1 juli 2007 tot en met 21 februari 2008 te Toldijk, gemeente Bronckhorst, opzettelijk, zich van afvalstoffen te weten grond vermengd met aardappelen, loof en stenen heeft ontdaan door deze buiten een inrichting op de bodem te brengen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

1. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete van

€ 250,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte is ten aanzien van de straf aangevoerd dat er slechts sprake is van een relatief geringe overtreding.

3. De economische politierechter acht na te melden beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.2 van de Wet milieubeheer.

Beslissing

De economische politierechter:

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 125,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.

Aldus gewezen door mr. Brouns, economische politierechter, in tegenwoordigheid van mr. Demmers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 december 2008.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal

nr. PL0600/08-202358, Regiopolitie Noord-Oost Gelderland, District Apeldoorn, Regionaal Milieuteam, d.d. 12 maart 2008.

2 Proces-verbaal van verhoor [getuige], doorgenummerde dossierpagina 17.

3 (Stam)proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina 4.

4 Proces-verbaal van verhoor [verdachte], doorgenummerde dossierpagina's 20 en 21.

5 Proces-verbaal van verhoor [getuige], doorgenummerde dossierpagina's 17 en 18.