Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BG4395

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-07-2008
Datum publicatie
14-11-2008
Zaaknummer
85990 / KG ZA 07 -141
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Nakoming gebruiksregeling hond. Van een familierechtelijke omgangsregeling kan geen sprake zijn, omdat de wettelijk geborgde belangen in het kader van een omgangsregeling tussen ouders en kinderen, geen analoge toepassing (kunnen) vinden in het goederenrecht op het gebruik van goederen die partijen toebehoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

Zaaknummer: 85990 / KG ZA 07 -141

vonnis in kort geding van 17 juli 2007

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [plaats],

eisende partij,

procureur: mr. M.P.H. Sanders,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde partij,

procureur: mr. E.J. Moll.

Partijen zullen hierna mede de man respectievelijk de vrouw worden genoemd.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding van 31 mei 2007;

- de brief met bijlagen van 27 juni 2007 van mr. Moll;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 2 juli 2007.

De feiten

Bij beschikking van deze rechtbank van [2007] is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op [2007] ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van de gemeente Doetinchem.

In die beschikking heeft de rechtbank in het kader van een gebruiksregeling met betrekking tot de hond van partijen (genaamd [de hond]), bepaald dat de man [de hond] elke vrijdag van 16.00 uur tot 22.00 uur ter beschikking heeft waarbij de man [de hond] bij de vrouw ophaalt en daar weer terugbrengt.

De man heeft [de hond] één keer heeft opgehaald en teruggebracht, te weten op 16 maart 2007. De vrouw heeft nadien geen medewerking meer verleend aan deze gebruiksregeling.

De vordering

De man vordert, kort weergegeven, dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad:

a) de vrouw zal veroordelen haar medewerking te verlenen aan nakoming van de beschikking van de rechtbank Zupthen van [2007] terzake de daarin opgenomen regeling met betrekking tot [de hond], zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere keer dat de vrouw na betekening in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

b) de vrouw zal veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder het salaris van de procureur van de man.

De man stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, die hij baseert op de vaststaande feiten en de stelling dat sprake is van een omgangsregeling. Continuering daarvan is in het belang van zowel hemzelf als van [de hond]. De man stelt dat beide partijen (thans nog) eigenaar zijn van [de hond].

Het verweer

De vrouw heeft ter zitting verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, althans die vordering af te wijzen. Zij stelt dat:

- zij zich in de bodemprocedure niet heeft verweerd tegen het verzoek van de man ter zake [de hond], omdat dat betrekkelijk vaag en algemeen was geformuleerd;

- zij naast het hoger beroep dat zij tegen de beschikking van [2007] heeft ingesteld tevens een verzoek heeft ingediend bij het Gerechtshof te Arnhem tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van die beschikking door de rechtbank, en dat deze procedures volgens haar eerst dienen te worden afgewacht alvorens in de onderhavige procedure vonnis kan worden gewezen;

- de man geen (mede)eigenaar is van [de hond] en geen recht heeft op regelmatig contact met [de hond], terwijl in de echtscheidingszaak, noch in het onderhavige kort geding is gebleken van zwaarwegende omstandigheden die rechtvaardigen dat op dat uitgangspunt een uitzondering dient te worden gemaakt

- zij een zwaarder wegend belang heeft door de man met rust te worden gelaten, dan de man heeft bij contact met [de hond];

- geen sprake is van een wettelijk vastgelegd belang bij regelmatig contact tussen de man en [de hond];

- de gebruiksregeling niet in het belang van [de hond] is.

De beoordeling

Relevant is dat in de beschikking van [2007] een door de man verzochte en door de vrouw niet bestreden gebruiksregeling met betrekking tot [de hond] is vastgelegd, reden waarom de eigendomsverhoudingen tussen partijen (en de daarmee verband houdende standpunten) in het midden (kunnen) worden gelaten.

Zoals de rechtbank in haar beschikking van [2007] reeds heeft overwogen, is van een omgangsregeling in elk geval géén sprake. De criteria die de man hanteert, zoals het (geestelijk) belang van [de hond], zien op wettelijk geborgde belangen in het kader van een omgangsregeling tussen ouders en kinderen, die geen analoge toepassing (kunnen) vinden in het goederenrecht op het gebruik van goederen die partijen toebehoren.

Voorts is relevant, dat wanneer in kort geding moet worden beslist nadat de bodemrechter reeds een beslissing in de hoofdzaak heeft gegeven, het kort geding vonnis in beginsel dient te worden afgestemd op het oordeel van de bodemrechter, zonder daarbij de kans van slagen van een daartegen ingediend rechtsmiddel te betrekken (HR 19 mei 2000, NJ 2001/407).

Uitgangspunt in de onderhavige zaak dient dus te zijn dat de rechterlijke beschikking op het punt van de gebruiksregeling door de vrouw moet worden nagekomen, en dat slechts in bijzondere omstandigheden van die hoofdregel kan worden afgeweken.

De man heeft tegen die achtergrond voldoende spoedeisend belang bij zijn vordering. Daarbij is betrokken dat de vrouw de beschikking slechts één keer is nagekomen en niet van zins is voor de toekomst haar medewerking nog te verlenen. Dit blijkt (naast de voorgaande overwegingen en haar verklaringen ter zitting ook) uit het hoger beroep dat de vrouw heeft ingesteld tegen de beschikking van [2007] en haar verzoek om schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring door rechtbank in die beschikking.

Dat de vrouw zich (om haar moverende redenen) in de bodemprocedure niet heeft verweerd tegen het verzoek van de man omtrent de gebruiksregeling, brengt er geen verandering in dat de gebruiksregeling (kennelijk met haar instemming) is vastgelegd. Die gebruiksregeling behoudt haar rechtskracht, in elk geval zolang niet in het hoger beroep of naar aanleiding van het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring een andersluidend oordeel wordt gegeven. Zoals hiervoor ook is overwogen, is de kans van slagen van die rechtsmiddelen thans niet relevant.

De vrouw heeft bij deze stand van zaken onvoldoende onderbouwd, dat zij zwaarder wegende belangen heeft (om niet in contact te komen met de man), dan de man (heeft bij nakoming van de beschikking van [2007]).

Daarom wordt geconcludeerd dat in hetgeen door of namens de vrouw naar voren is gebracht geen (zodanig) zwaar wegende redenen zijn gelegen dat nakoming van de beschikking van [2007] in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd.

Hetgeen meer of anders is gesteld, leidt niet tot een andere beoordeling.

Het voorgaande brengt met zich dat de onder a) gevraagde voorziening dient te worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom op een lager bedrag zal worden gesteld en aan een maximum zal worden gebonden.

In het voorgaande wordt daarenboven aanleiding gezien de vrouw in de kosten van dit geding te veroordelen. Die worden begroot op (tot heden):

- dagvaarding: € 84,31

- betaald vast recht: € 62,75

- in debet gestelde vast recht: € 188,25

- overige kosten: € 0,00

- salaris procureur: € 816,00

-----------

Totaal € 1.151,31

Mitsdien wordt beslist als volgt.

De beslissing

De voorzieningenrechter, rechtdoende,

beveelt de vrouw haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van de bij beschikking van deze rechtbank van [2007] vastgestelde gebruiksregeling ten aanzien van de hond [de hond];

veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een dwangsom groot € 250,-- (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor iedere keer dat de vrouw in gebreke blijft aan de inhoud van dit vonnis te voldoen, tot een maximum van € 2.500,-- (zegge: vijfentwintighonderd euro);

veroordeelt de vrouw in de proceskosten, aan de zijde van de man tot heden begroot op

€ 1.151,31, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer [nummer] ten name van arrondissement Zutphen onder vermelding van ‘proceskostenveroordeling’ en het zaak- en rolnummer

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Lieber en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2007 in tegenwoordigheid van mr. Y.H.M .Marijs als griffier.