Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BF7579

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
10-10-2008
Datum publicatie
10-10-2008
Zaaknummer
06/850023-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de vonnissen gewezen in de strafzaken tegen het evenementenbedrijf S. B.V. en haar directeur P.

Zij is van oordeel dat beide verdachten verantwoordelijk zijn voor het vlotongeluk op de rivier de Berkel. Zij heeft bij beide verdachten dood door schuld bewezen verklaard.

Het bedrijf is daarvoor een geldboete van € 50.000,- opgelegd, waarvan de helft voorwaardelijk. De heer P. heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opgelegd gekregen met een proeftijd van twee jaar, plus een taakstraf van 180 uur.

Het vonnis in beide zaken is uitgebreid gemotiveerd. Dat is het gevolg van het feit dat door de verdediging en het OM een veelheid van standpunten op even zoveel feiten en omstandigheden in deze zaken zijn ingenomen. Op het merendeel van die standpunten is de rechtbank in haar vonnis ingegaan.

Een samenvatting van de vonnissen zou, binnen het bestek van deze korte actualiteit, tekort doen aan de nuances die in de overwegingen van de rechtbank zijn aangebracht. Daarom verwijst de rechtbank voor de precieze bewoordingen naar publicatie van de vonnissen op rechtspraak.nl.

Op een aantal punten echter wordt hieronder, kort samengevat, ingegaan omdat die in het bijzonder de publieke aandacht hebben getrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/850023-08

Uitspraak d.d.: 10 oktober 2008

Tegenspraak / dip/aangezegd

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte evenementenbedrijf] BV,

gevestigd te [adres en plaats],

ter zitting vertegenwoordigd door haar directeuren,

raadslieden: mrs. H. en W. Anker.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 mei en 25 en 26 september 2008.

Tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 30 september 2007, althans in de periode van 1 januari

2007 tot en met 30 september 2007, in de gemeente Berkelland, in elk geval in

Nederland,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onachtzaam en/of nalatig,

een vlot/vaartuig ter beschikking heeft gesteld aan 18, althans een aantal vrouwen, onder wie [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], teneinde te varen over een traject in de rivier De Berkel,

onder de omstandigheden dat

* dat vlot groot en/of zwaar was en/of een geringe koersstabiliteit bezat en/of

* die vrouwen geen, althans geringe ervaring hadden met (varen op) een vlot en/of

* de waterstand en/of stroomsnelheid toen aldaar (aanmerkelijk) hoger was/waren

dan normaal en/of

* in dat traject zich de overlaat Kuipersbrug bevond waar de doorvaart verboden is en/of

* die vrouwen niet bekend waren met/op het traject in de Berkel en/of met de Kuipersbrug en/of

* een of meer bord(en) nabij die overlaat niet en/of slecht zichtbaar was/waren en/of pas (zeer) dichtbij de overlaat (zichtbaar) stond/stonden,

waarbij zij, verdachte, heeft nagelaten

* ervaren begeleiding van die vrouwen in te zetten en/of

* voldoende instructie aan die vrouwen te geven en/of

* (voldoende) veiligheidsmaatregelen te treffen,

door

- een (ten aanzien van het begeleiden van vlottochten) onervaren

begeleider ([begeleider]) van die vrouwen in te zetten en/of

- geen instructie(s) aan die vrouwen te geven over hoe zij moesten varen met het vlot en/of

- geen instructie(s) over de aanwezigheid van de overlaat aan [begeleider]

en/of die vrouw(en) te geven en/of

- niet tegen die [begeleider] en/of die vrouwen te zeggen dat die vrouwen

met het vlot vóór de overlaat de Berkel dienden te verlaten en met dat vlot

over de wal voorbij de overlaat dienden te lopen en na de overlaat weer met

het vlot over de Berkel verder dienden te varen en/of

- aan die [begeleider] en/of die vrouwen geen kaart ter beschikking te stellen van de vaarroute, waarop de overlaat Kuipersbrug (zichtbaar) aangegeven stond,

- geen voorverkenning van de vaarroute te doen en/of

- geen, althans onvoldoende toezicht te houden op [begeleider] en/of die vrouwen en/of

- die vrouwen niet naar hun zwemvaardigheid te vragen en/of

- geen zwemvesten aan die vrouwen aan te bieden en/of te verstrekken,

terwijl zij, verdachte, wel tegen die vrouwen heeft gezegd

- dat zij door moesten varen totdat zij [begeleider] en/of een wit busje op de kant zouden zien staan en/of dat die vrouwen in dat geval aldaar aan de wal moesten gaan, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (kennelijk doelend op de stabiliteit van het ter beschikking gestelde vlot) dat zij niet nat zouden worden, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

waardoor het aan haar, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat

- die vrouwen met dat vlot over de overlaat zijn gevaren en/of

- die vrouwen met dat vlot van genoemde overlaat (met een verval van ca. 1,5 meter) zijn gevallen en/of gestort en/of

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het vlot in het water zijn gevallen en/of geraakt en ten gevolge daarvan (door verdrinking en/of hartstilstand en/of onderkoeling) zijn overleden,

welke schuld al dan niet bestond in roekeloosheid;

art 307 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 307 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

zij op of omstreeks 30 september 2007, althans in de periode van 1 januari

2007 tot en met 30 september 2007, in de gemeente Berkelland, in elk geval in

Nederland,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig,

een vlot/vaartuig ter beschikking heeft gesteld aan 18, althans een aantal vrouwen, onder wie [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], teneinde te varen over een traject in de rivier De Berkel,

onder de omstandigheden dat

* dat vlot groot en/of zwaar was en/of een geringe koersstabiliteit bezat en/of

* die vrouwen geen, althans geringe ervaring hadden met (varen op) een vlot en/of

* de waterstand en/of stroomsnelheid toen aldaar (aanmerkelijk) hoger was/ waren

dan normaal en/of

* in dat traject zich de overlaat Kuipersbrug bevond waar de doorvaart verboden is en/of

* die vrouwen niet bekend waren met/op het traject in de Berkel en/of met de Kuipersbrug en/of

* een of meer bord(en) nabij die overlaat niet en/of slecht zichtbaar was/waren en/of pas (zeer) dichtbij de overlaat (zichtbaar) stond/stonden,

waarbij zij, verdachte, heeft nagelaten

* ervaren begeleiding van die vrouwen in te zetten en/of

* voldoende instructie aan die vrouwen te geven en/of

* (voldoende) veiligheidsmaatregelen te treffen,

door

- een (ten aanzien van het begeleiden van vlottochten) onervaren

begeleider ([begeleider]) van die vrouwen in te zetten en/of

- geen instructie(s) aan die vrouwen te geven over hoe zij moesten varen met het vlot en/of

- geen instructie(s) over de aanwezigheid van de overlaat aan [begeleider]

en/of die vrouw(en) te geven en/of

- niet tegen die [begeleider] en/of die vrouwen te zeggen dat die vrouwen

met het vlot vóór de overlaat de Berkel dienden te verlaten en met dat vlot

over de wal voorbij de overlaat dienden te lopen en na de overlaat weer met

het vlot over de Berkel verder dienden te varen en/of

- aan [begeleider] en/of die vrouwen geen kaart ter beschikking te stellen van de vaarroute, waarop de overlaat Kuipersbrug (zichtbaar) aangegeven stond,

- geen voorverkenning van de vaarroute te doen en/of

- geen, althans onvoldoende toezicht te houden op [begeleider] en/of die vrouwen en/of

- die vrouwen niet naar hun zwemvaardigheid te vragen en/of

- geen zwemvesten aan die vrouwen aan te bieden en/of te verstrekken,

terwijl zij, verdachte, wel tegen die vrouwen heeft gezegd

- dat zij door moesten varen totdat zij [begeleider] en/of een wit busje op de kant zouden zien staan en/of dat die vrouwen in dat geval aldaar aan de wal moesten gaan, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (kennelijk doelend op de stabiliteit van het ter beschikking gestelde vlot) dat zij niet nat zouden worden, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

waardoor het aan haar, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat

- die vrouwen met dat vlot over de overlaat zijn gevaren en/of

- die vrouwen met dat vlot van genoemde overlaat (met een verval van ca. 1,5 meter) zijn gevallen en/of gestort en/of

- (aldus) het vlot is gestrand en/of verongelukt,

tengevolge waarvan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het vlot in het water zijn gevallen en/of geraakt en ten gevolge daarvan (door verdrinking en/of hartstilstand en/of onderkoeling) zijn overleden;

art 169 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de raadsman.

Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de raadsman is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging van verdachte. Hiertoe is betoogd dat aan het opportuniteitsbeginsel onder meer grenzen worden gesteld door de beginselen van een behoorlijke procesorde. In de onderhavige zaak heeft het OM gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door het Waterschap Rijn en IJssel (hierna: het Waterschap) en het Recreatieschap Achterhoek-Liemers (hierna: het Recreatieschap) niet als verdachten aan te merken. Nu alleen verdachte en de feitelijk leidinggevende strafrechtelijk worden vervolgd, handelt het OM willekeurig en daarmee onzorgvuldig.

De officier van justitie heeft het standpunt van de raadsman betwist. Zij heeft gesteld dat wat het OM betreft het Waterschap en het Recreatieschap niets aan het ongeval op 30 september 2007 konden doen. Verdachte en haar directeur [verdachte directeur] waren de enigen die op zondag 30 september 2007 iets hadden kunnen doen om het ongeval te voorkomen. Ter zitting heeft zij gesteld dat de beslissing om het Waterschap en/of het Recreatieschap te vervolgen is uitgesteld in afwachting van de uitkomst van de onderhavige strafrechtelijke procedure.

Bij de beoordeling van het verweer geldt als uitgangspunt dat aan het OM op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering een ruime, zelfstandige beslissingsbevoegdheid toekomt ten aanzien van de vraag of na het opsporingsonderzoek wel of niet tot vervolging wordt overgegaan. Deze ruime discretionaire bevoegdheid van het OM wordt begrensd door de beginselen van goede procesorde. Het gelijkheidsbeginsel, waarop de raadsman een beroep heeft gedaan, is zo'n beginsel. Het gelijkheidsbeginsel verwijst naar de eis van gelijke behandeling van gelijke gevallen. Wanneer het OM handelt in strijd met een beginsel van goede procesorde, dan kan dit leiden tot de conclusie dat onzorgvuldig en willekeurig is gehandeld. Onzorgvuldig en willekeurig handelen kan in de weg staan aan de ontvankelijkheid van het OM in zijn vervolging.

De rechtbank gaat voorbij aan de mededeling van de officier van justitie ter zitting dat de beslissing tot vervolging van het Waterschap en het Recreatieschap is uitgesteld in afwachting van de uitkomst van de onderhavige strafprocedure. Het dossier zoals dat op dit moment voorligt, biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat het Waterschap en/of het Recreatieschap als verdachten worden gezien. Zij zijn immers meerdere keren, zowel bij de politie als ook bij de rechter-commissaris, als getuige en niet als verdachten gehoord. Dit correspondeert ook met de stelling van de officier van justitie ter zitting dat zij van oordeel is dat het Waterschap en het Recreatieschap wat het OM betreft niets aan het ongeval op 30 september 2007 konden doen.

Het verweer dat in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel wordt evenwel verworpen. Omdat het Waterschap en het Recreatieschap andere doelstellingen, taken en verantwoordelijkheden hebben dan verdachte, kan niet gezegd worden dat sprake is van gelijke gevallen. Dat het Waterschap en het Recreatieschap mogelijk ook als betrokkenen kunnen worden gezien, maakt dit niet anders.

Het OM heeft voorts aangegeven om welke redenen het wel tot vervolging van verdachte en niet tot vervolging van het Waterschap en het Recreatieschap is overgegaan. De rechtbank acht deze overwegingen van het OM niet onredelijk. Het standpunt van de raadsman dat het OM bij zijn beslissing om tot vervolging van verdachte over te gaan onzorgvuldig en/of willekeurig heeft gehandeld, deelt de rechtbank daarmee evenmin.

Bewijsoverweging (voetnoot 1)

1. Aanleiding van het onderzoek

Op 30 september 2007 heeft bij de overlaat Kuipersbrug te Rekken een ongeval plaatsgevonden tijdens een vlottocht die georganiseerd werd door verdachte. Als gevolg van het ongeval zijn twee van de achttien deelnemers aan de tocht, [slachtoffer !] en [slachtoffer 2], om het leven gekomen.

2. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Zij heeft gesteld dat er sprake is van handelen en nalaten van (met name) [verdachte directeur] en [begeleider], dat past in de sfeer van [verdachte evenementenbedrijf] BV en dat ook aan de BV kan worden toegerekend. Op [verdachte evenementenbedrijf] BV rustte een bijzondere zorgplicht vanuit haar verantwoordelijkheid als organisator van de vlottocht met kennis van zaken. De deelnemers aan de vlottocht waren onervaren en onbekend op de Berkel. [verdachte evenementenbedrijf] BV was hiervan op de hoogte en had kennis van de aanwezigheid van de overlaat, de bebording, de waterstand en de stroomsnelheid op de Berkel. [verdachte evenementenbedrijf] BV heeft op 30 september 2007 nagelaten ervaren begeleiding in te zetten, goede instructies te geven en veiligheidsmaatregelen te treffen en handelde in die omstandigheden zeer onzorgvuldig jegens de vrouwen en [begeleider]. Bij het ontbreken van brancherichtlijnen klemt het volgens de officier van justitie des te meer dat de organisator alles in het werk stelt om de veiligheid van deelnemers te waarborgen. [verdachte evenementenbedrijf] BV had in die situatie en onder die omstandigheden anders kunnen en moeten handelen. De officier van justitie heeft verder gesteld dat een ongeluk zoals nu is gebeurd, bij een overlaat waar de doorvaart verboden is, onder de genoemde omstandigheden te verwachten en dus voorzienbaar is, evenals de dood van personen die bij een dergelijk ongeluk te water raken. Dit kan verdachte worden toegerekend.

3. Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Hiertoe zijn de volgende punten aangevoerd:

- [verdachte evenementenbedrijf] BV verschaft in het algemeen voldoende informatie omtrent het varen met een vlot, de aanwezigheid van een overlaat, het toevoegen van een routekaart aan de blauwe map, etc. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de gedraging op 30 september 2007 heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon, zodat de rechtspersoon niet kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit.

- Niet kan worden gesteld dat het vlot een geringe koersstabiliteit bezat. De praktijkproeven hebben aangetoond dat het vlot met enige gecoördineerde actie bestuurbaar is, ook in achterwaartse richting.

- De vrouwen hebben bewust voor de vlottocht gekozen. Dat zij geen of slechts geringe ervaring hadden met het varen op een vlot, valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de deelnemers aan de activiteit.

- Met betrekking tot de waterstand en de stroomsnelheid was er geen sprake van een extreme situatie.

- Het verbodsteken op de stuw en de waarschuwingsborden langs de Berkel zijn door (een deel van) de vrouwen opgemerkt, maar zijn vervolgens genegeerd.

- De bij de overlaat geplaatste waarschuwingsborden, die onder verantwoordelijkheid van het Waterschap Rijn en IJssel en het Recreatieschap Achterhoek-Liemers vallen, waren (deels) niet zichtbaar, (veel) te klein, onvoldoende onderscheidend in het landschap, verwarrend vanwege de tekst en (veel) dichter bij de overlaat geplaatst dan in de keurontheffing en in het bestek van Heidemij was aangegeven. Dat zou op z'n minst moeten leiden tot medeschuld van deze organen aan het ongeluk met het vlot.

- In zijn algemeenheid was [begeleider] geen onervaren begeleider van activiteiten. Hij was coördinator, wat je pas wordt als je voldoende ervaring hebt opgedaan en als is gebleken van voldoende capaciteiten.

- Er is sprake geweest van een communicatiestoornis. [verdachte directeur] dacht dat [begeleider] al vaker een vlottocht op de Berkel had begeleid. Er is voorafgaande aan de tocht wel over 'stuwen' gesproken. Bovendien is er wel een voorverkenning van de route gedaan. [verdachte directeur] heeft [begeleider] voorafgaand aan de tocht een kaart met de vaarroute meegegeven. Aangenomen wordt dat op deze kaart de stuwen stonden.

In het algemeen wordt door [verdachte evenementenbedrijf] BV wel voldoende informatie gegeven wat betreft het varen op een vlot, de aanwezigheid van een overlaat, etc.

- Uit enkele verklaringen blijkt dat het gebruik van zwemvesten contraproductief zou hebben gewerkt als men terechtkomt in de stroming onderaan de stuw.

- Er is wellicht sprake van enige onachtzaamheid of nalatigheid, maar dit levert geen grove schuld op zoals vereist voor bewezenverklaring van de artikelen 307 en 169 van het Wetboek van Strafrecht. Veeleer is sprake van een zeer tragische samenloop van omstandigheden.

- De dood van de twee slachtoffers was voor verdachte niet voorzienbaar. [verdachte evenementenbedrijf] BV organiseert al dertien jaar vlottochten. Er is nog nooit een incident geweest. Uit getuigenverklaringen blijkt dat voor velen het ongeval volkomen onverwacht is gekomen. Het is niet redelijk de gevolgen aan verdachte toe te rekenen. De opvarenden hadden hoogstwaarschijnlijk nooit de kanostoep aan de linkerzijde van de Berkel bereikt, ook niet in het geval dat zij voldoende instructies en/of aanwijzingen hadden gehad.

4. Bewijsmotivering en bespreking van de (bewijs)verweren

4.1 De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen de volgende redengevende feiten en omstandigheden af, waarbij zij het een feit van algemene bekendheid acht, dat Eibergen en Rekken liggen in de gemeente Berkelland. In de rivier de Berkel, gelegen onder andere in de gemeente Berkelland, bevindt zich de overlaat Kuipersbrug, waar door middel van borden is aangegeven dat de doorvaart aldaar verboden is.

4.2 De sfeer van de rechtspersoon

Als meest verstrekkend verweer is aangevoerd dat de gebeurtenissen op 30 september 2007 niet in de sfeer van de [verdachte evenementenbedrijf] BV hebben plaatsgevonden, zodat [verdachte evenementenbedrijf] BV niet als dader van het ten laste gelegde feit kan worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt dat [verdachte evenementenbedrijf] BV in het uittreksel van de Kamer van Koophandel (voetnoot 2) staat beschreven als een bedrijf dat sportieve en recreatieve activiteiten en evenementen organiseert. [verdachte directeur] heeft verklaard (voetnoot 3) dat hij mede-eigenaar en aandeelhouder is van het bedrijf [verdachte evenementenbedrijf] BV tezamen met [mede eigenaar verdachte bedrijf] en dat er geen andere eigenaren of aandeelhouders zijn. [verdachte directeur] heeft ten aanzien van zijn functie verklaard dat hij verantwoordelijk is voor een deel van de verkoop en acquisitie, de planning van personeel en alle logistiek die daarbij komt kijken en voor de afdeling recreatiewerk. Hij houdt zich meer bezig met personele aangelegenheden, terwijl [mede eigenaar verdachte bedrijf] meer zorg draagt voor de financiële aangelegenheden van het bedrijf. Ter terechtzitting heeft [verdachte directeur] verklaard dat het bedrijf voorafgaand aan het ongeval gedurende dertien jaar vlottochten op de Berkel heeft georganiseerd. [begeleider] heeft verklaard dat hij op 30 september 2007 in opdracht van [verdachte directeur] de vlottocht heeft begeleid (voetnoot 4).

De rechtbank concludeert hieruit, dat de georganiseerde vlottocht op 30 september 2007 heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en dat het handelen en/of nalaten van [verdachte directeur] en/of [begeleider] aan [verdachte evenementenbedrijf] BV kan worden toegerekend.

4.3 Gebrek aan ervaring met vlottochten

[slachtoffer 2] heeft op 27 augustus 2007 een vlottocht met opdrachten geboekt bij [verdachte evenementenbedrijf] BV. [verdachte evenementenbedrijf] BV heeft op 27 september 2007 (voetnoot 5) een orderbevestiging gestuurd naar [slachtoffer 2], waaruit blijkt dat er een vlottocht met opdrachten op het traject Zandvang Rekken - Mallumse Molen Eibergen is gereserveerd voor 30 september 2007, waaraan 18 personen zullen deelnemen. [verdachte directeur] heeft ter zitting verklaard, dat de vlottocht onbegeleid is en dat alleen begeleiding aanwezig is bij de opdrachten. De orderbevestiging is, samen met de algemene voorwaarden, op 29 september 2007 per e-mail verzonden naar het e-mailadres [naam e-mailadres]. (voetnoot 6) In de e-mail is een link toegevoegd die leidt naar de plattegrond van het traject in Google Maps. Op de uitdraai van het aangegeven traject, die door [naam 1] aan de politie is overhandigd (voetnoot 7), is een gedeelte van het te varen traject over de Berkel te zien, namelijk vooral daar waar de beide opdrachten vervuld moesten worden. Op dat traject lag ook de overlaat Kuipersbrug, die op dat kaartje echter niet zichtbaar is aangegeven.

Ook uit de verklaring van [begeleider] kan worden afgeleid dat 18 personen aan de vlottocht hebben deelgenomen. Hij heeft tegenover de politie verklaard dat hij op de opstapplaats 17 peddels heeft uitgereikt. Na het afduwen van het vlot zag hij dat de persoon rechtsvoor op het vlot geen peddel had. Haar heeft hij bij de eerste opdracht een peddel gegeven(voetnoot 8). Uit verklaringen van de deelnemers aan de tocht blijkt dat [slachtoffer !] en [slachtoffer 2] deel uitmaakten van de groep. Zo heeft getuige [getuige 4] verklaard (voetnoot 9) dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op het vlot zaten. Zij heeft in haar verklaring aangegeven waar alle achttien dames op het vlot hebben gezeten. Uit de verklaringen van de vrouwen komt verder naar voren dat zij geen ervaring hadden met het varen op een vlot en dat zij niet bekend waren op de Berkel. Zo heeft bijvoorbeeld getuige [getuige 1] hierover verklaard (voetnoot 10) dat ze nog nooit met een vlot of kano had gevaren en dat zij geen lokale bekendheid had met dit gedeelte van de Berkel. Getuige [getuige 2] heeft verklaard (voetnoot 11) dat zij geen ervaring had met kanovaren, vlotvaren en roeien en dat zij nog nooit op of bij de Berkel was geweest. Alleen getuige [getuige 3] heeft verklaard (voetnoot 12) dat zij langer dan vijf jaar geleden een vlottocht heeft gedaan bij [verdachte evenementenbedrijf] BV.

4.4 Beschrijving van het vlot

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat niet kan worden gesteld dat het vlot een geringe koersstabiliteit had.

In een proces-verbaal van bevindingen is beschreven (voetnoot 13) dat bij het vlotvaren op 30 september 2007 gebruik is gemaakt van een vlot, dat bestond uit twee opblaasbare tubes met een boeg/voorzijde, die in de lengte aan elkaar waren bevestigd. De totale lengte van het vlot was 6.90 meter, waarvan 5.50 meter in aanraking kwam met de waterlijn. De breedte van het vlot bedroeg 1.90 meter en de hoogte 1 meter.

De tubes waren aan de binnenkant aan de bovenzijde direct met bevestigingsstrips aan elkaar geregen met een touw door de ringen. Aan de onderzijde waren de tubes door middel van rubber matten met elkaar verbonden. Aan de bovenkant waren met touwen dwarsbalkjes bevestigd die functioneerden als zitbank. Het vlot had een gewicht van 240 kilogram (voetnoot 14).

Het vlot kan worden omschreven als een stabiel, zwaar en robuust voorwerp (voetnoot 15).

Volgens [begeleider] werd het vlot in het leger gebruikt om in een rivier een soort brug te maken van pontons, zodat er militaire voertuigen overheen konden rijden (voetnoot 16).

Door het onderzoeksinstituut MARIN te Wageningen is onderzoek gedaan naar onder meer de koersstabiliteit van het bewuste vlot. Uit dit onderzoek zijn daarover de volgende conclusies getrokken (voetnoot 17).

- De koersstabiliteit (dit is de neiging van een vaartuig om in een rechte lijn te blijven varen) van het vlot is beperkt of mogelijk zelfs negatief, dus koersinstabiel. Een verstoring door wind, stroomgradiënt of ongelijk roeien zal het vlot van de oorspronkelijke koers laten wegdraaien indien geen corrigerende stuuracties worden genomen.

- De aanwezige wind en stroomgradiënt vereisen beide, gegeven de geringe koersstabiliteit, een gerichte, gecoördineerde roeiactie om het vlot in een rechte lijn van het ene naar het andere punt te brengen.

- De bereikbare vaarsnelheid met het vlot is voldoende om in de daarvoor beschikbare tijd vanuit elke positie in de vaarweg ter hoogte van het eerste bord de kanostoep te bereiken. Een grote voortstuwingskracht is daarvoor niet nodig, wel is enige mate van coördinatie noodzakelijk.

Met betrekking tot het vlot heeft getuige [getuige 1] verklaard (voetnoot 18) dat zij het gewicht van het vlot niet wist, maar dat het vlot erg zwaar was. Ze hebben het vlot moeten verslepen van de kant naar het water en dat was ontzettend zwaar. Getuige [getuige 5] heeft verklaard (voetnoot 19) dat [begeleider] niets over het gewicht van het vlot heeft verteld. Hij had wel verteld dat het vlot heel sterk was en dat je er met een tank overheen kon rijden. Bij de eerste opdracht hadden ze moeite om het vlot op de kant te krijgen.

Gelet op de beschrijving van het vlot, de conclusies van onderzoeksinstituut MARIN en de verklaringen van [begeleider] en de opvarenden is de rechtbank van oordeel dat kan worden gezegd dat het vlot groot en zwaar was en een geringe koersstabiliteit bezat. Het verweer wordt verworpen.

De raadsman heeft gesteld dat de vrouwen hoogstwaarschijnlijk nooit de kanostoep aan de linkerzijde van de Berkel hadden bereikt, ook niet in het geval dat zij voldoende instructies en/of aanwijzingen hadden gehad. Op grond van de conclusies van MARIN verwerpt de rechtbank dat verweer. Uit het rapport van MARIN blijkt immers dat het vlot in de daarvoor beschikbare tijd vanuit elke positie in de vaarweg ter hoogte van het eerste bord de kanostoep kon bereiken en dat een grote voortstuwingskracht daarvoor niet nodig is, maar wel enige mate van coördinatie. Hoewel getuige [getuige 1] (voetnoot 20) en ook andere vrouwen ieder voor zich, maar in de kern gelijkluidend, hebben verklaard dat ze het vlot niet onder controle hadden en rondjes draaiden, is naar het oordeel van de rechtbank niet uitgesloten dat zij het vlot wel onder controle zouden hebben gehad als zij voldoende instructie en/of aanwijzingen hadden gekregen. Daarom kan evenmin worden uitgesloten dat zij in dat geval tijdig de kanostoep hadden kunnen bereiken.

4.5 Waterstand en stroomsnelheid

In een proces-verbaal van bevindingen (voetnoot 21) wordt de overlaat Kuipersbrug als volgt beschreven. Op het traject Zandvang - Mallumse Molen bevindt zich ter hoogte van de adressen Havelandweg 2 en Apedijk 9, beide te Rekken, de overlaat Kuipersbrug. Het water bovenstrooms van deze overlaat, het pand Zandvang - Kuipersbrug, wordt op een hoogte van 23.30 meter boven NAP gestuwd. Indien door de waterafvoer het waterpeil boven de 23.30 meter stijgt, loopt dit water over de overlaat naar het volgende pand, te weten het pand Kuipersbrug - Mallumse Molen. Het water in dit pand wordt door een automatisch werkende bewegende stuw op het peil 22.15 meter boven NAP gehouden.

Afhankelijk van de hoeveelheid water die moet worden afgevoerd, stroomt er water vrij over de overlaat heen. Dit veroorzaakt een 'waterval' die een hoogte van 1.15 meter heeft (23.30 minus 22.15) in de situatie waarbij er nagenoeg geen water over de overlaat stroomt. Naarmate de waterstand in het pand Zandvang - Kuipersbrug stijgt, zal de hoogte van de waterval bij de Kuipersbrug toenemen, omdat het water in het pand Kuipersbrug - Mallumse Molen automatisch op het streefpeil wordt gehouden.

De breedte van de opening in de overlaat Kuipersbrug bedraagt 19.5 meter.

Op 30 september 2007 omstreeks 13.00 uur bedroeg de waterstand bovenstrooms de Kuipersbrug 23.75 meter boven NAP en benedenstrooms 22.19 meter boven NAP. De hoogte van de waterval die toen over de overlaat stortte was toen dus 1.56 meter (23.75 minus 22.19). Hierbij moet rekening worden gehouden met een marge van 5 tot 10 centimeter. De waterdiepte benedenstrooms bedroeg op dat moment 1.92 meter met een marge van 5 tot 10 centimeter.

In het hiervoor genoemde proces-verbaal van bevindingen wordt ook de waterstand ter hoogte van de Kuipersbrug beschreven. Ten aanzien van de waterstand en stroomsnelheid overweegt de rechtbank dat in het dossier onvoldoende objectieve gegevens zijn te vinden op basis waarvan kan worden aangenomen dat de waterstand en/of stroomsnelheid aanmerkelijk hoger was/waren dan normaal. Uit het dossier komt niet naar voren wat onder 'normale' waterstand ter plaatse moet worden verstaan, noch wat onder 'normale' waterstand moet worden verstaan in de periode waarin het ongeval is gebeurd. De rechtbank acht in dit verband van belang dat het niveau van waterafvoer van 30 september 2007 volgens opgave van het Waterschap ongeveer 40 keer per jaar wordt bereikt of overschreden (voetnoot 22). Verder heeft [verdachte directeur] verklaard (voetnoot 23) dat hij de waterstand/stroming op 30 september 2007 niet extreem vond en dat met deze waterstand/stroming wel vaker groepen hebben gevaren. Daarnaast heeft getuige [getuige 6] van [bedrijf getuige 6] bij de rechter-commissaris verklaard dat hij nog nooit heeft meegemaakt dat een hogere waterstand reden was om een tocht af te blazen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet bewezen worden geacht dat de waterstand en/of stroomsnelheid toen aldaar aanmerkelijk hoger was/waren dan normaal.

4.6 Borden langs het traject

Op foto's (voetnoot 24) zijn borden zichtbaar die bovenstrooms van de overlaat staan. Hieruit blijkt dat de doorvaart verboden is. Zo is op de linkerzijde van de overlaat een bord aangebracht in de kleuren rood/wit/rood met, volgens het Binnenvaartpolitiereglement, als betekenis dat de doorvaart van een opening van een stuw verboden is.

Op de oever aan de rechterzijde staat op 87 meter van de overlaat een bord met de tekst "Stuw na ca. 100 m, doorvaart verboden, bij kanostoep uitstappen". Op 30 meter afstand van de overlaat aan de rechterzijde staat een bord met de tekst/aanduiding "Kanostoep, pijl naar links, doorvaart verboden" en een afbeelding van het verbodsbord dat op de overlaat staat. De rechtbank constateert dat het bord door de rietkraag waarachter het gedeeltelijk schuil gaat, gedeeltelijk niet te zien is, waardoor op de foto's niet zichtbaar is dat een afbeelding van het verbodsbord op het bord staat.

Op de oever aan de linkerzijde staat op 30 meter van de overlaat een bord met de tekst/aanduiding "Kanostoep, afbeelding kano, doorvaart verboden" en een afbeelding van het verbodsbord dat op de overlaat staat. De rechtbank constateert dat op de kleurenfoto's in het dossier het bedoelde bord is afgebeeld in grijstinten en daardoor niet herkenbaar is als verbodsbord.

Op die linkeroever staat op ongeveer 90 meter afstand een paal met een bord dat omgedraaid en onder aan de paal zit. Op het omgedraaide bord staat "Stuw na ca. 100 m, doorvaart verboden, bij kanostoep uitstappen" (voetnoot 25).

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast, dat met de borden wordt aangegeven dat bij de Kuipersbrug de doorvaart verboden is. Op basis van de foto's die ter plaatse zijn gemaakt en bij het proces-verbaal zijn gevoegd, blijkt de rechtbank dat twee van de vier borden niet dan wel slecht zichtbaar waren, hetgeen leidt tot bewezenverklaring van de desbetreffende onderdelen in de tenlastelegging.

De rechtbank acht niet bewezen dat de borden (zeer) dichtbij de overlaat (zichtbaar) stonden, omdat het woord 'dichtbij' onvoldoende bepaald is.

4.7 Ervaring van de begeleiding

Met betrekking tot de organisatie van activiteiten heeft [verdachte directeur] verklaard (voetnoot 26) dat hij zich binnen het bedrijf bezighoudt met personele aangelegenheden en dat hij zich de laatste jaren bezig houdt met de zogenoemde wegstart van activiteiten. Deze wegstart houdt volgens [verdachte directeur] in dat aan de begeleiding duidelijk wordt gemaakt wat men moet doen, dat gezorgd wordt dat alle materialen meegaan met een activiteit en dat bijzonderheden bij een activiteit worden aangegeven/uitgelegd. [mede eigenaar verdachte bedrijf] heeft met betrekking tot de wegstart verklaard (voetnoot 27) dat bij de wegstart de werklijst of de zogenoemde intekenlijst wordt besproken met de begeleider(s) van de activiteit. Daar staat alle informatie op betreffende de activiteit, zoals klantgegevens, de soort activiteit, het tijdsplan en de locaties van de materialen. Ook inhoudelijk wordt de activiteit met de begeleider besproken.

[verdachte directeur] heeft verder verklaard (voetnoot 28) dat de vlottochten door hem of [mede eigenaar verdachte bedrijf] worden begeleid, of door oproepkrachten die coördinator zijn. Ter terechtzitting heeft [verdachte directeur] uitgelegd dat dit mensen zijn met een ruime ervaring met activiteiten in het algemeen. [begeleider] had meerdere activiteiten begeleid en had affiniteit met het werkveld. Gelet op zijn ervaring was [begeleider] (eerder dan doorsnee het geval was) coördinator geworden.

[begeleider] heeft verklaard dat hij 40 à 50 activiteiten heeft begeleid. Hij heeft eenmaal eerder, op een ander traject, samen met een collega een vlottocht begeleid (voetnoot 29).

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat [verdachte evenementenbedrijf] BV in algemene zin heeft nagelaten ervaren begeleiding bij de vlottocht in te zetten. [begeleider] kan in het algemeen als voldoende ervaren worden beschouwd. Slechts ten aanzien van de begeleiding van de vlottochten op dit traject was hij onervaren. Het ten laste gelegde zal in die zin bewezen worden verklaard.

4.8 Het (al dan niet) geven van voldoende instructies

[verdachte directeur] heeft ter terechtzitting verklaard dat [verdachte evenementenbedrijf] BV vaker vlottochten organiseerde op het traject Zandvang te Rekken - Mallumse Molen te Eibergen en dat hij wist dat op dit traject een overlaat was. Ook [mede eigenaar verdachte bedrijf] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met de situatie ter plaatse bekend was.

4.9 [verdachte directeur] heeft met betrekking tot het geven van instructies verklaard (voetnoot 30) dat een begeleider wordt geïnstrueerd bij de wegstart dan wel aan de waterkant. De instructie, die door hem of [mede eigenaar verdachte bedrijf] aan de begeleider wordt gegeven, bestaat uit een instructie voor de richting waarin men moet varen en de plaatsen waar eventueel een opdracht moet worden uitgevoerd. Ook vindt instructie plaats met betrekking tot het materiaal. De instructie wordt gegeven, dat men niet van de stuw mag varen, dat er voor de stuw een kanostoep is waar men eruit moet en vervolgens achter de stuw verder moet gaan vanaf de daar gelegen kanostoep, plus de instructie dat de groep voor de tweede stuw, waar het eindpunt van de tocht is, het water uit moet. Het vlotvaren staat niet specifiek in het activiteitenboek, wel de activiteit kanovaren. De specifieke zaken met betrekking tot het varen met een kano of vlot kunnen aan de waterkant tijdens de wegstart worden doorgenomen met de begeleider. Over het vlot wordt aan de begeleider geen specifieke uitleg gegeven. Ter zitting heeft [verdachte directeur] verklaard dat de activiteit vlotvaren niet is behandeld op de trainingsdag in april 2007. Aan de begeleider wordt een blauwe map met informatie over de geboekte activiteit meegegeven. In de map zit een geplastificeerde kaart, waarop de stuwen staan. Op de kaart staat verder het telefoonnummer van [verdachte evenementenbedrijf] BV. Op de vraag hoe de begeleider van de activiteit vlotvaren, buiten de informatie verstrekt bij de wegstart aan zijn informatie komt, heeft [verdachte directeur] verklaard (voetnoot 31) : "Anders dan het draaien van vlottochten niet".

4.10 [verdachte directeur] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [begeleider] voor de vlottocht op 30 september 2007 heeft ingepland. Hij heeft [begeleider] op 30 september 2007 op het bedrijf geholpen bij de zogenoemde wegstart. [verdachte directeur] heeft het vlot opgeblazen en op de aanhanger geladen, terwijl [begeleider] de benodigde attributen in de witte bedrijfsbus heeft gedaan. Ook heeft hij de intekenlijst met [begeleider] doorgenomen. [verdachte directeur] wist dat het de eerste keer was dat [begeleider] een vlottocht in combinatie met opdrachten zou gaan begeleiden. Hij is met [begeleider] naar het eindpunt gereden om hem te laten zien waar de groep een auto kon achterlaten. Zij reden daarbij ieder in hun eigen auto. Vervolgens heeft [verdachte directeur] [begeleider] laten zien op welke punten hij zou moeten staan om een opdracht met de groep uit te voeren. Bij de overlaat Kuipersbrug zijn zij niet geweest. Vervolgens heeft [verdachte directeur] [begeleider] achtergelaten bij het punt, waar de vlottocht zou starten, te weten de stuw de Zandvang te Rekken.

[begeleider] heeft verklaard (voetnoot 32) dat hij van [verdachte directeur] de opdracht heeft gekregen voor het begeleiden van het personeelsuitje van de dames van het Kruidvat op 30 september 2007. Op 30 september 2007 heeft hij de bus ingepakt en samen met [verdachte directeur] het vlot op de aanhangwagen geladen. Hij kreeg een kaartje mee waarop het traject voor de tocht stond. Dit betreft een kaartje van Google Maps (voetnoot 33). Hij kreeg ook een algemene lijst met gegevens van de contactpersoon, startlocatie, tijdschema en een globale opsomming van spullen die mee moesten. Daarnaast kreeg hij een paklijst en een blauwe map met informatiemateriaal. Zijn opdracht was om de groep op te vangen bij het startpunt. Hij heeft van [verdachte directeur] niet te horen gekregen dat hij de groep bij het startpunt uitleg moest geven over het vlotvaren. Wel hoorde hij van [verdachte directeur] dat hij de groep moest zeggen dat ze bij het eindpunt op tijd naar de kant moesten gaan om te stoppen. Er was daar een kanostoep. Bij het eindpunt zou hij de groep bedanken en dan afsluiten en de spullen in de bus laden (voetnoot 34).

[begeleider] heeft verder verklaard (voetnoot 35) 35 dat hij geen specifieke instructie heeft gehad met betrekking tot het vlotvaren. Hij heeft wel een uitleg gekregen waarvoor het vlot vroeger was bedoeld en ook dat het de bedoeling is om als groepsopdracht het vlot gezamenlijk door het water te manoeuvreren. Op de trainingsdag in april 2007 is het vlotvaren niet aan de orde gekomen (voetnoot 36) 3

Op 30 september 2007 kwamen iets na 11.00 uur vier of vijf auto's bij de stuw Zandvang, waar een groep vrouwen uitstapte. [slachtoffer 2] kwam naar hem toe en stelde zich voor. Ze hebben samen besloten haar auto aan het eindpunt neer te zetten. Toen ze terug kwamen, heeft hij zich aan de groep voorgesteld en verteld dat het vlot in het leger werd gebruikt om in een rivier een soort brug te maken van pontons, zodat er militaire voertuigen over heen konden. Hij vertelde dat het de bedoeling was om te gaan varen en dat ze onderweg twee opdrachten hadden. De bedoeling van vlotvaren was om aan teambuilding te doen. Hij hoorde iemand uit de groep vragen of ze nat konden worden en hij zei dat ze niet van het vlot af hoefden als ze dit niet wilden, want het vlot was stabieler dan een kano. Hij heeft geen uitleg gegeven over de kanostoep, over het vlotvaren en het gebruik van peddels. Volgens hem is er niet gesproken over zwemvaardigheid binnen de groep en ook niet over stuwen.

Nadat de groep op het vlot was geklommen, heeft hij het vlot met een peddel van de kant geduwd. Bij het vertrek heeft hij met de groep afgesproken dat ze twee keer een opdracht zouden moeten doen en dat ze hem wel zouden zien staan langs de kant van de Berkel. Hij is naar de eerste stop gereden en heeft gewacht op de groep. Tijdens de eerste stop, waar de eerste opdracht door de groep is vervuld, heeft hij gezegd dat hij ze voor het eind nog een keer zou tegenkomen met een opdracht (voetnoot 37). Hij heeft de groep gezegd dat ze verder moesten varen met het vlot, dat ze later weer een opdracht hadden en dat ze hem daar weer zouden zien (voetnoot 38) .

[begeleider] heeft verder verklaard dat hij niet weet of er borden langs het water stonden. Hij wist niet dat er een stuw op de route was. Hij wist alleen van de stuw bij de opstapplaats (de rechtbank begrijpt: de stuw de Zandvang) en van de stuw beneden bij het eindpunt (voetnoot 39) (de rechtbank begrijpt: de stuw bij Mallumse Molen).

De verklaring van [begeleider] dat hij geen instructies heeft gegeven met betrekking tot het varen en het naderen van een stuw, wordt ondersteund door verklaringen van de vrouwen. Zo heeft bijvoorbeeld getuige [getuige 1] (voetnoot 40) verklaard dat [begeleider] geen instructies heeft gegeven over het gebruik van het vlot en de peddels. Hij heeft ook geen informatie gegeven over een te verwachten stuw. Op de vraag of ze zo'n stuw als bij de opstapplaats (de rechtbank begrijpt: de Zandvang) zouden tegenkomen, heeft [begeleider] geantwoord dat ze zo iets niet zouden tegenkomen. Volgens [begeleider] zouden ze niet nat worden. Ook getuige [getuige 7] heeft verklaard (voetnoot 41) dat er geen uitleg is gegeven over het varen met het vlot en het gebruik van de peddels. Ook is niets gezegd over het naderen van een stuw. Zij wist niet dat ze onderweg een stuw moesten passeren. [begeleider]s verklaring dat hij bij het vertrek met de groep heeft afgesproken dat ze twee keer een opdracht zouden moeten doen en dat ze hem wel zouden zien staan langs de kant van de Berkel wordt eveneens ondersteund door verklaringen van vrouwen. [Getuige 15] heeft hierover verklaard (voetnoot 42) dat ze moesten doorvaren tot ze [begeleider] weer zouden zien. Getuige [getuige 5] heeft dienaangaande verklaard (voetnoot 43) dat [begeleider] had gezegd dat ze moesten stoppen waar hij aan de kant stond. Bij de stuw stond [begeleider] niet aan de kant.

[verdachte directeur] heeft verklaard (voetnoot 44) dat hij niet meer weet welke instructie hij [begeleider] heeft gegeven. Hij kan zich niet meer exact herinneren wat hij verder met [begeleider] over de vlottocht heeft besproken. Als [begeleider] verklaart dat hij geen volledige instructie heeft gehad met betrekking tot het vlotvaren, dan zal dit wel kloppen. [verdachte directeur] heeft verder verklaard (voetnoot 45) dat hij in de veronderstelling was dat [begeleider] al vaker vlottochten had begeleid. Hij wist wel dat het de eerste keer was dat [begeleider] een vlottocht had in combinatie met opdrachten. Of aan [begeleider] is verteld dat er stuwen aanwezig zijn in de Berkel, weet hij niet zeker. Hij verkeerde in de veronderstelling dat [begeleider] eerder het traject van 30 september 2007 op de Berkel had gevaren en dacht hierdoor dat [begeleider] bekend was met de aanwezige stuw op dat traject (voetnoot 46) .

Ter terechtzitting heeft [verdachte directeur] bevestigd dat hij in de veronderstelling was dat [begeleider] al vaker een vlottocht had begeleid. Hij heeft ook verklaard dat hij voorafgaand aan de vlottocht niet in de administratie heeft gecheckt of [begeleider] al eerder zelfstandig vlottochten had begeleid. De activiteit vlotvaren is niet behandeld op de trainingsdag in april 2007. Hoewel normaal gesproken in de blauwe map, waarin de voor een geboekte activiteit relevante gegevens zitten, een geplastificeerde kaart zit met daarop aangegeven de stuwen, heeft [verdachte directeur] ter zitting aangegeven dat hij niet zeker weet of deze kaart daadwerkelijk op de bewuste dag in die blauwe map zat en/of daadwerkelijk aan [begeleider] is meegegeven.

[begeleider] heeft op de vraag of routebeschrijvingen zijn uitgereikt, verklaard (voetnoot 47) dat hij een routebeschrijving had en dat deze de hele tijd bij hem in de bus heeft gelegen. Uit de verklaringen van de vrouwen komt naar voren dat geen kaart aan hen is uitgereikt. Zo heeft getuige [getuige 8] verklaard (voetnoot 48) dat ze geen kaartje van de route over de Berkel heeft gekregen en dat ze ook niet heeft gezien dat iemand een routekaartje had. Ook getuige [getuige 7] heeft verklaard (voetnoot 49) dat ze geen routekaart heeft gekregen en dat ze niemand over een routekaart heeft horen praten.

4.11 Op basis van het geheel van de onder 4.10 genoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat:

- [begeleider] onervaren was ten aanzien van het zelfstandig begeleiden van vlottochten;

- [begeleider] geen informatie heeft gegeven over hoe de vrouwen moesten varen met

het vlot;

- [begeleider] geen routekaart heeft gezien waarop de overlaat Kuipersbrug was

aangegeven;

- [begeleider] geen instructies heeft gekregen over de aanwezigheid van de overlaat

Kuipersbrug, alsmede hoe aldaar moest worden gehandeld;

- [begeleider] geen instructies heeft gegeven aan de vrouwen over de (aanwezigheid

van) overlaat Kuipersbrug en wat zij daar moesten doen dan wel niet doen;

- [begeleider] geen routekaart met daarop aangegeven de overlaat, heeft (kunnen)

(ge)geven aan de vrouwen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte evenementenbedrijf] BV hierdoor nagelaten voldoende instructie aan de vrouwen te geven en/of voldoende veiligheidsmaatregelen te treffen.

4.12 Voorverkenning

Dat geen voorverkenning van de vaarroute zou hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal daarvan dus worden vrijgesproken. [begeleider] heeft hierover verklaard dat hij en [verdachte directeur] de route van tevoren hebben gereden, zodat hij wist waar de opdrachten moesten worden uitgevoerd (voetnoot 50). [verdachte directeur] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij die dag met [begeleider] de route had gereden en hem het eindpunt heeft getoond alsmede de plaatsen waar een opdracht moest worden uitgevoerd. Verder heeft [verdachte directeur] het vlot naar het beginpunt gebracht. Nu al deze plaatsen langs de Berkel waren gelegen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat géén voorverkenning van de route is gedaan. Die is immers wèl gedaan, zij het dat daarbij de overlaat Kuipersbrug niet is aangedaan.

4.13 Toezicht op [begeleider] en/of de vrouwen

Evenmin kan bewezen worden geacht dat [verdachte evenementenbedrijf] BV onvoldoende toezicht heeft gehouden. Ten laste is gelegd dat verdachte geen, althans onvoldoende toezicht heeft gehouden op [begeleider] en/of de vrouwen. De rechtbank verstaat dat onder toezicht wordt bedoeld dat zicht op [begeleider] zou moeten worden gehouden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden. De eis dat [verdachte evenementenbedrijf] BV toezicht op [begeleider] zou moeten houden gedurende diens begeleiding van de vlottocht, kan naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid niet worden gesteld. Ten aanzien van het toezicht op de vrouwen is niet duidelijk (geworden) waaruit dat had moeten bestaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de groep een tocht zonder begeleiding had geboekt.

4.14 Vragen naar de zwemvaardigheid van de vrouwen

De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte evenementenbedrijf] BV heeft nagelaten voldoende instructie te geven en/of veiligheidsmaatregelen te treffen door de vrouwen niet naar hun zwemvaardigheid vragen. Naar het oordeel van de rechtbank valt vragen naar de zwemvaardigheid niet onder de "te geven instructie(s) of te nemen veiligheidsmaatregelen", maar behoort het primair tot de eigen verantwoordelijkheid van de deelnemers aan een activiteit als de onderhavige om in geval men de zwemkunst niet machtig is, van deelname af te zien dan wel om te vragen om veiligheidsvoorzieningen. Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor de gedachte dat een of meer van de vrouwen niet zou hebben kunnen zwemmen.

4.15 Het aanbieden van zwemvesten

De rechtbank volgt de raadsman in diens standpunt dat het dragen van zwemvesten ook contra-productief zou hebben kunnen werken. Uit de verklaring van getuige [getuige 9] van [bedrijf getuige 9] (voetnoot 51) komt naar voren dat er een zogenoemd "walseffect" optreedt als een persoon met een zwemvest na het passeren van een stuw in het water valt. Dit effect houdt in dat de persoon met het zwemvest na het passeren van de stuw onder water naar de muur wordt getrokken, door het drijfvermogen van het zwemvest boven water komt, weer naar de stuw wordt getrokken en vervolgens door het vallende water weer naar beneden wordt geduwd. De verklaring van [getuige 9] wordt ondersteund door een door de raadsman ingebrachte e-mail van [getuige 10] van [bedrijf getuige 10] (voetnoot 52), zeer ervaren kanovaarder, die hetzelfde verklaart. De rechtbank leidt hieruit af dat het dragen van een zwemvest in een situatie als de onderhavige contra-productief kan zijn. Het voorgaande leidt ertoe dat het ten laste gelegde op dit punt niet kan worden bewezen verklaard, nu dit niet kan bijdragen tot een oordeel dat onvoldoende veiligheidsmaatregelen zouden zijn getroffen.

4.16 Gevolgen

Meerdere getuigen verklaren dat ze de borden bij de overlaat hebben gezien en dat er is gediscussieerd over wat te doen. Zo heeft getuige [getuige 4] verklaard (voetnoot 53) dat ze als groep aan het twijfelen waren. Er werd gediscussieerd wat ze moesten doen, ze waren immers geen kanovaarders. Zelf dacht ze dat het bord niet voor hen bedoeld was. Ze hoorde een collega roepen dat ze er helemaal niet overheen mochten, waarop zij heeft gezegd, dat ze naar het witte busje toe moesten. Getuige [getuige 11] heeft verklaard (voetnoot 54) dat ze hebben besproken dat ze op een vlot zaten en niet in een kano. Ze twijfelden en wisten niet wat ze moesten doen. Hier hadden ze geen rekening mee gehouden. Getuige [getuige 12] heeft verklaard (voetnoot 55) dat ze dachten dat ze met het vlot wel van de stuw af mochten, omdat ze immers geen kano hadden. Ze hebben geprobeerd het vlot recht op de stuw af te laten gaan. Tot vlak voor de stuw was iedereen nog op het vlot. Bij de overlaat Kuipersburg is het vlot met de groep over de overlaat gevaren. Het vlot is daarbij naar beneden gevallen en een aantal opvarenden, onder wie [slachtoffer !] en [slachtoffer 2], is te water geraakt. Nadat ze over de rand gingen, waren er mensen verdwenen. Ook getuige [getuige 12], is in het water gevallen. Getuige [getuige 11] heeft verklaard (voetnoot 56) dat ze schuin naar links de stuw naderden en dat de punt van het vlot het eerst de stuw af ging. Ze zijn met zes personen, waaronder zijzelf, op het vlot blijven zitten. Ze heeft iedereen onderin de stuw zien belanden. Ze hoorde iemand roepen: "Waar zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]?". Op een gegeven moment zag ze dat [slachtoffer 2] met haar gezicht in het water dreef. [naam 3] is toen weer het water ingegaan, heeft [slachtoffer 2] naar de andere kant van het water meegenomen en haar gereanimeerd.

[slachtoffer 2] is dezelfde avond aan de gevolgen van het ongeval overleden. Het stoffelijk overschot van [slachtoffer !] is enkele uren na het ongeval gevonden en uit het water gehaald. Uit de verslagen en de processen-verbaal van de schouw komt naar voren dat [slachtoffer 1] (voetnoot 57) en [slachtoffer 2] (voetnoot 58), zijn overleden als gevolg van verdrinking en/of hartstilstand en/of onderkoeling.

4.17 De schuldvraag

Namens verdachte is gesteld dat het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is geweest.

Daartoe is aangevoerd dat er wellicht sprake is van enige onachtzaamheid of nalatigheid, maar dat dit niet oplevert grove schuld zoals vereist voor bewezenverklaring van de artikelen 307 en 169 van het Wetboek van Strafrecht. Veeleer is sprake van een zeer tragische samenloop van omstandigheden.

De rechtbank verwerpt dat verweer en overweegt het volgende.

Binnen [verdachte evenementenbedrijf] BV, was kennis aanwezig over de gevaren van een overlaat als bij de Kuipersbrug. Medewerkers van [verdachte evenementenbedrijf] BV, die vaker vlottochten hebben begeleid, hebben verklaard, dat zij voorafgaand aan de vlottochten die zij in het verleden hebben begeleid, wezen op de aanwezigheid van de overlaat Kuipersbrug op het traject en dat zij daarbij aan de deelnemers hebben aangegeven dat zij voor die overlaat met het vaartuig het water dienden te verlaten. Zo heeft getuige [getuige 13] verklaard (voetnoot 59) dat hij aan de deelnemers aan vlottochten uitleg geeft van de activiteiten die ze onderweg gaan doen. Ook vertelt hij dat ze onderweg een stuw tegen kunnen komen, dat ze ruim voor de stuw bij de kanostoep het vlot uit het water moeten halen en naar de andere kant tillen en daar weer in het water leggen bij de kanostoep. Hij geeft ook aan hoe ze de peddels moeten gebruiken en hun houding op het vlot. Getuige [getuige 14] heeft verklaard (voetnoot 60) dat hij de eerste keer dat hij een vlottocht ging begeleiden een uitleg van een halfuur heeft gehad voordat de groep kwam. Aan een groep legt hij onder meer uit hoe men met de peddels omgaat en hoe men kan sturen. Hij geeft aan dat de groep evenredig verdeeld op het vlot moet gaan zitten en legt uit wat ze onderweg tegenkomen. Als de groep hem onderweg tegenkomt, moet het vlot het water uit vanwege een activiteit. Vervolgens vraagt hij aandacht voor een aantal veiligheidsregels, waarbij hij erop wijst dat ze onderweg een stuw tegenkomen, dat ze goed op moeten letten en het vlot daar uit het water moeten halen.

Ook blijkt uit [verdachte directeur]s verklaring ter terechtzitting, dat hij wist dat twee medewerkers van de BV in 1997 mensen uit het water bij de stuw de Zandvang in Rekken hebben gered. Die medewerkers zijn toen te water gegaan met touwen om hun middel (voetnoot 61). De rechtbank leidt hieruit af dat binnen [verdachte evenementenbedrijf] BV bekend was dat het onverantwoord was om onder aan een stuw/overlaat ongezekerd te water te gaan.

Daarenboven kenden zowel [verdachte directeur] als [mede eigenaar verdachte bedrijf] de vaarroute van het vlot en wisten zij van de daarin aanwezige overlaat bij de Kuipersbrug, aangezien zij er naar eigen zeggen ter terechtzitting herhaaldelijk zelf met een kano hebben gevaren.

In zijn verhoor heeft [verdachte directeur] verklaard (voetnoot 62) dat hij niet begrijpt hoe je het in je hoofd haalt om over een stuw heen te varen.

De rechtbank concludeert uit al deze omstandigheden dat bij [verdachte evenementenbedrijf] BV de gevaren van een overlaat bekend waren.

Aan [slachtoffer 2] is, bij het boeken van de tocht of op enig ander moment voorafgaand aan het begin van de vaartocht, geen andere kaart van de vaarroute en omgeving verstrekt dan het Google-kaartje dat zich in het proces-verbaal bevindt. Daarop is de overlaat Kuipersbrug niet aangetekend.

Aldus heeft [verdachte evenementenbedrijf] BV nagelaten [slachtoffer 2] en haar collega's relevante informatie over de aanwezigheid van de overlaat te verschaffen.

[begeleider] heeft verklaard dat hij nog nooit op deze locatie op de Berkel is geweest(voetnoot 63) , dat hij niet wist dat zich in het traject een overlaat bevond anders dan de stuwen aan het begin- en eindpunt (voetnoot 64), dat hij voor de eerste keer zelfstandig de activiteit vlotvaren begeleidde (voetnoot 65), dat hij daarvoor geen instructie had gehad (voetnoot 66) en ten slotte dat hij zelf nog nooit op een vlot had gevaren (voetnoot 67).

Uit deze verklaring leidt de rechtbank af dat [begeleider], ofschoon deze een ervaren begeleider was van andere activiteiten uit het aanbod van [verdachte evenementenbedrijf] BV, feitelijk onvoldoende geïnstrueerd was om deze vlottocht op verantwoorde wijze zelfstandig te begeleiden.

Voorts wordt het volgende overwogen. Degenen die deelnemen aan een bij een gespecialiseerd evenementenbedrijf, zoals [verdachte evenementenbedrijf] BV, geboekte of ingekochte activiteit, mogen verwachten dat zij afdoende geïnstrueerd worden over de specifieke risico's die de betreffende activiteit met zich brengen. Deelnemers aan een georganiseerd evenement vertrouwen immers op de aanwijzingen van de organisatie die het evenement verkoopt, en voorts mogen zij erop vertrouwen dat zij door die organisatie worden behoed voor risico's die liggen buiten het normale verloop van de activiteit.

Voor [verdachte evenementenbedrijf] BV betekent dat in dit geval, dat op haar de verplichting rust om deelnemers te wijzen op de risico's die zij lopen tijdens activiteiten, in dit geval de vlottocht. Dat is zeker het geval als zich op het traject van die tocht een overlaat bevindt waarvan binnen de branche, en op grond van het voorgaande ook bij [verdachte evenementenbedrijf] BV, bekend is dat het overvaren daarvan grote risico's meebrengt.

Het feit dat de onderhavige vlottocht volgens de verklaring van [verdachte directeur] ter terechtzitting een niet-begeleide tocht was, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Bij het begin van de tocht heeft [begeleider] immers mededelingen gedaan over de gang van zaken tijdens de tocht, waarbij zeker ook een waarschuwing over de risico's tijdens de tocht en daaruit voortvloeiende instructies een plaats had moeten krijgen.

[verdachte directeur] heeft zijn medewerker [begeleider] ingedeeld als begeleider van de bewuste vlottocht, zonder zich ervan te vergewissen dat [begeleider] kennis droeg van de route, van de aanwezigheid van de overlaat Kuipersbrug op de route en of hij ervaring met deze tocht had.

[verdachte directeur] heeft ter terechtzitting verklaard dat [verdachte evenementenbedrijf] BV veel medewerkers heeft, dus dat hij niet precies uit zijn hoofd weet wie wat kan. [verdachte directeur] heeft ook verklaard dat hij heeft nagelaten (in het geautomatiseerd systeem of gewoon door het [begeleider] te vragen) te checken of [begeleider] de benodigde ervaring had voor het begeleiden van deze tocht, hoewel hij dat eenvoudig had kunnen doen.

Uit het onder 4.9 en 4.10 overwogene blijkt, dat op de door [begeleider] gevolgde periodieke instructiedag in april 2007 het onderdeel vlottocht niet aan de orde is geweest. [begeleider] heeft ook niet op een ander moment instructie gekregen op dit onderdeel. Ter terechtzitting heeft [verdachte directeur] verklaard dat ter voorbereiding op een activiteit een blauwe instructiemap wordt samengesteld. Ook heeft hij verklaard dat hij op 30 september 2007 niet heeft gecontroleerd of [begeleider] kennis had genomen van de inhoud van de instructiemap met betrekking tot de vlottocht.

Onzeker is of in die blauwe map een kaart heeft gezeten van de omgeving van de vaarroute van die dag, waarop de overlaat bij de Kuipersbrug goed zichtbaar was aangetekend. Ter terechtzitting heeft de rechtbank daar geen helderheid over gekregen.

[verdachte directeur] heeft ter terechtzitting gezegd dat zo'n kaart in de blauwe map zou hebben moeten zitten, maar dat hij niet zeker is of dat op de bewuste dag ook werkelijk het geval was.

[begeleider] heeft verklaard (voetnoot 68) dat hij een kaartje heeft gekregen waar de opdrachten op stonden. De rechtbank constateert dat dit het al eerder genoemde kaartje uit Google Maps was en dat op deze kaart de overlaat Kuipersbrug niet is aangegeven.

Op grond hiervan houdt de rechtbank het ervoor dat noch [verdachte directeur], noch [begeleider] voorafgaand aan de start van de tocht een kaart met daarop duidelijke markering van de overlaat Kuipersbrug heeft gezien of ter beschikking heeft gehad.

Bij de routeverkenning en de wegstart op de ochtend van 30 september 2007 heeft [verdachte directeur], zoals naar voren komt in overweging 4.10, nagelaten om [begeleider] op de hoogte te stellen van de aanwezigheid van de overlaat Kuipersbrug op het door de vrouwen te varen traject.

De voorverkenning werd door [verdachte directeur] en [begeleider] in twee afzonderlijke auto's afgelegd. Tijdens die rit zijn zij niet bij de overlaat Kuipersbrug geweest, maar uitsluitend bij het begin- en eindpunt van de tocht en op de twee plaatsen waar de dames een opdracht zouden vervullen. Naar het oordeel van de rechtbank had [verdachte directeur] zich bij de voorverkenning moeten bedenken dat de overlaat Kuipersbrug hoe dan ook een riskant punt in de te varen tocht was. Daarom had hij [begeleider] tijdens de voorverkenning ook naar die plaats mee moeten nemen.

De rechtbank acht de routeverkenning en de wegstart bij uitstek gelegenheden om dit soort vitale kennis over deze specifieke activiteit aan de orde te laten komen en aan [begeleider] over te dragen. In plaats daarvan is [verdachte directeur] tekortgeschoten in zijn verplichting zijn medewerker van behoorlijke instructies te voorzien.

De rechtbank stelt vast dat is nagelaten zowel [begeleider] als de vrouwen informatie te geven over de aanwezigheid van de overlaat Kuipersbrug in het te bevaren traject.

Daarin ligt de kern van het aan [verdachte evenementenbedrijf] BV gemaakte verwijt.

Gelet op het gevaar dat het varen over deze overlaat met zich brengt, welk gevaar binnen de branche en ook aan [verdachte evenementenbedrijf] BV bekend was, was goede instructie aan de deelnemers, die immers onervaren waren zowel met de rivier de Berkel als met het besturen van een vlot, van het grootste belang.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het feit dat [verdachte evenementenbedrijf] BV heeft nagelaten [begeleider] behoorlijk te instrueren en voorts dat [begeleider] bij gebrek aan wetenschap heeft nagelaten de vrouwen op dit punt te instrueren, kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onachtzaam en nalatig.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank de visie van de raadsman, dat tussen [verdachte directeur] en [begeleider] slechts sprake is geweest van een communicatiestoring. Wat [verdachte directeur] in dit verband heeft gedacht en/of verondersteld over de kennis en ervaring van [begeleider] is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant in verband met de beantwoording van de schuldvraag, maar wèl wat hij daarover had behoren na te gaan en had moeten weten.

Door de raadsman is nog aangevoerd, dat [verdachte evenementenbedrijf] BV wordt vervolgd terwijl zij slechts uitsluitend gedurende activiteiten van [verdachte evenementenbedrijf] BV medeverantwoordelijk is voor de veiligheid rondom de tocht. Het Waterschap en het Recreatieschap hebben volgens de raadsman in deze een algemene verantwoordelijkheid voor de veiligheid ter plaatse en, zo begrijpt de rechtbank dit onderdeel van het verweer, daarin zijn beide "schappen" ten aanzien van de deelnemers aan de tocht op 30 september 2007 tekort geschoten.

De rechtbank deelt de consequentie van deze zienswijze niet.

In het midden kan blijven of de veiligheidssituatie rondom de Kuipersbrug in het algemeen gesproken verbetering behoeft. Aan de raadsman kan worden toegegeven dat de situatie rond de vier geplaatste waarschuwingsborden op 30 september 2007 zeker niet optimaal was. Eén was er immers slecht zichtbaar en een ander bord was naar de onderkant van de paal gezakt en stond achterstevoren.

Deze omstandigheden van feitelijke aard hebben echter ook een keerzijde, die op [verdachte evenementenbedrijf] BV terugslaat. Indien in de visie van [verdachte evenementenbedrijf] BV immers sprake was van nalatigheid aan de kant van Water- en /of Recreatieschap, had het op de weg van [verdachte evenementenbedrijf] BV gelegen om daarvoor al in een eerder stadium met klem aandacht te vragen. Ook zou het heel goed denkbaar zijn geweest, dat [verdachte evenementenbedrijf] BV in afwachting van de kennelijk door haar noodzakelijk geachte verbetering van de situatie van de bebording, geen kano- of vlottochten zou hebben aangeboden. In plaats daarvan is [verdachte evenementenbedrijf] doorgegaan met het op commerciële basis aanbieden van bedoelde evenementen. De gestelde nalatigheid aan de zijde van Water- en/of Recreatieschap, zo daarvan al sprake is, brengt naar het oordeel van de rechtbank dan ook als spiegelbeeld mee een versterkte verantwoordelijkheid aan de kant van [verdachte evenementenbedrijf] BV voor de veiligheid van haar klanten.

Door de raadsman is gesteld dat aan het ongeluk met het vlot een ongelukkige samenloop van omstandigheden ten grondslag ligt.

De rechtbank deelt die zienswijze op grond van al het voorgaande niet.

Naar haar oordeel is sprake van een noodlottige aaneenschakeling van slordigheden en nalatigheden van de kant van [verdachte evenementenbedrijf] BV.

4.18 Causaal verband

De rechtbank dient zich thans de vraag te stellen of [verdachte evenementenbedrijf] BV de gevolgen van haar handelen dan wel nalaten, te weten de dood van [slachtoffer 2] en [slachtofer 1], redelijkerwijs zijn toe te rekenen. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dood van de beide vrouwen niet voorzienbaar was. Daartoe is (mede) een beroep gedaan op een aantal verklaringen in het dossier waaruit spreekt dat getuigen nooit hadden verwacht dat zich een dergelijk ongeval zou (kunnen) voordoen en dat het ongeval voor hen volkomen onverwacht kwam.

De rechtbank volgt het standpunt van de raadsman niet en overweegt het volgende.

Er moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds het feitelijk voorzien van een ongeval als dit en anderzijds de voorzienbaarheid van een dergelijk ongeval.

De rechtbank heeft er kennis van genomen dat geen van de op dit punt gehoorde getuigen het ongeval als zodanig heeft voorzien, maar is anderzijds van oordeel dat het varen over een overlaat met een verval als waarvan hier sprake is, heel wel kan leiden tot te water raken en vast komen zitten in de stroming onderaan de overlaat. Als men zich niet tijdig kan losmaken uit de stroming, is verdrinking en daardoor het overlijden van te water geraakte personen een voorzienbaar gevolg.

Hiervoor is al overwogen dat [verdachte evenementenbedrijf] BV op de hoogte was van het gevaar rondom de overlaat. Ook is vastgesteld dat [verdachte directeur] heeft nagelaten [begeleider] te wijzen op de aanwezigheid van de overlaat Kuipersbrug op het te varen traject. Hij heeft ook nagelaten [begeleider] te instrueren om aan deelnemers te zeggen dat het vlot voor de overlaat uit het water moest worden gehaald. Tegelijkertijd is wèl door [begeleider] tegen de vrouwen gezegd dat het vlot groot en stevig was en dat zij gedurende de tocht niet nat hoefden te worden. Verder heeft hij de vrouwen gezegd dat zij moesten doorvaren totdat zij hem of zijn witte bus langs de kant zouden zien. Daar zou de tweede opdracht moeten worden uitgevoerd.

De vrouwen hebben bij nadering van de overlaat de bovenstrooms geplaatste waarschuwingsborden wel gezien, maar uit hun verklaringen ten overstaan van de politie blijkt, dat ze die borden als gevolg van de inlichtingen van [begeleider] omtrent de plaats waar ze het water uit zouden moeten, verkeerd hebben geïnterpreteerd. Ze hoefden immers pas het water uit als ze hem of zijn bus zouden zien, en ze zaten op een stevig vlot.

Met het samenstel van aan de vrouwen gegeven instructies, in combinatie met het achterwege laten van een waarschuwing voor de overlaat op het traject, heeft [verdachte evenementenbedrijf] BV het risico dat de vrouwen over de overlaat zouden varen en te water zouden raken in de kolkende stroming die zich benedenstrooms bij de overlaat bevindt, in zodanige mate verhoogd dat het overlijden van [slachtoffer 2] en [slachtofer 1] redelijkerwijs aan haar moet worden toegerekend.

Hieraan doet niet af wat hiervoor is gezegd over (de plaatsing van) de waarschuwingsborden en over de aanwezigheid van het bord op de Kuipersbrug dat aangeeft dat doorvaart aldaar verboden is. [verdachte evenementenbedrijf] BV kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de bestaande situatie ter hoogte van de Kuipersbrug en de mogelijk gebrekkige wijze waarop het daarmee samenhangende gevaar is aangegeven.

Maar omdat [verdachte evenementenbedrijf] BV ter plaatse goed bekend was, rustte op haar de plicht haar klanten voor dat gevaar te waarschuwen en hen in verband daarmee afdoende te instrueren.

Bewezenverklaring

Al het vorenoverwogene leidt ertoe dat de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen acht in die zin dat,

zij op of omstreeks 30 september 2007 in de gemeente Berkelland aanmerkelijk onachtzaam en/of nalatig,

een vlot ter beschikking heeft gesteld aan 18 vrouwen, onder wie [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], teneinde te varen over een traject in de rivier De Berkel,

onder de omstandigheden dat

* dat vlot groot en zwaar was en een geringe koersstabiliteit bezat en

* die vrouwen geen, althans geringe ervaring hadden met varen op een vlot en

* in dat traject zich de overlaat Kuipersbrug bevond waar de doorvaart verboden is en

* die vrouwen niet bekend waren met/op het traject in de Berkel en met de Kuipersbrug en

* borden nabij die overlaat niet en/of slecht zichtbaar waren,

waarbij zij, verdachte, heeft nagelaten

* voldoende instructie aan die vrouwen te geven en/of

* voldoende veiligheidsmaatregelen te treffen,

door

- een ten aanzien van het begeleiden van vlottochten onervaren begeleider ([begeleider]) van die vrouwen in te zetten en/of

- geen instructie aan die vrouwen te geven over hoe zij moesten varen met het vlot en/of

- geen instructies over de aanwezigheid van de overlaat aan [begeleider] en die vrouwen te geven en/of

- niet tegen die [begeleider] en die vrouwen te zeggen dat die vrouwen met het vlot vóór de overlaat de Berkel dienden te verlaten en met dat vlot over de wal voorbij de overlaat dienden te lopen en na de overlaat weer met het vlot over de Berkel verder dienden te varen en/of

- aan die [begeleider] en die vrouwen geen kaart ter beschikking te stellen van de vaarroute, waarop de overlaat Kuipersbrug (zichtbaar) aangegeven stond,

terwijl zij, verdachte, wel tegen die vrouwen heeft gezegd

- dat zij door moesten varen totdat zij [begeleider] en/of een wit busje op de kant zouden zien staan en dat die vrouwen in dat geval aldaar aan de wal moesten gaan, althans woorden van gelijke strekking en

- dat zij niet nat zouden worden,

waardoor het aan haar, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat

- die vrouwen met dat vlot over de overlaat zijn gevaren en

- die vrouwen met dat vlot van genoemde overlaat (met een verval van ca. 1,5 meter) zijn gevallen of gestort en

- [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het vlot in het water zijn gevallen en/of geraakt en ten gevolge daarvan door verdrinking en/of hartstilstand en/of onderkoeling zijn overleden.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete van

€ 50.000,-.

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het feit dat er geen justitiële antecedenten zijn. Het bedrijf staat in de wijde omgeving (zeer) goed bekend. Op 30 september 2007 is direct de informatie over vlottochten van de site van [verdachte evenementenbedrijf] BV gehaald uit piëteit met de slachtoffers en de nabestaanden. Op de site is een deelnemingsbetuiging geplaatst en [verdachte directeur] en [mede eigenaar verdachte bedrijf] zijn beiden aanwezig geweest bij de condoleanceplechtigheden. Ook is er regelmatig contact geweest met vertegenwoordigers van het bedrijf Kruidvat. Het ongeval heeft veel impact gehad op [verdachte directeur] en [mede eigenaar verdachte bedrijf]. Een geldboete is niet aan de orde. Het bedrijf is getroffen door een (stevige) omzetdaling. Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht lijkt de meest passende optie.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende.

Vast staat dat het ongeluk met het vlot voor iedereen volslagen onverwacht kwam, ook voor verdachte.

Het is de rechtbank gebleken dat haar directeuren zich het ongeluk en de gevolgen daarvan erg hebben aangetrokken. Ter zitting is door hen verklaard dat deze dag ook voor hen en het bedrijf nooit voorbij gaat.

Ook is gebleken dat zij zich na het ongeval met slachtoffers en nabestaanden in verbinding hebben gesteld om hun medeleven te betuigen. Ook nu hebben zij nog periodiek contact met de werkgever van de slachtoffers. Direct na het ongeluk heeft verdachte uit piëteit met de slachtoffers informatie met betrekking tot door haar georganiseerde vlottochten van haar website afgehaald. Ook hebben zij aanstonds op de site hun medeleven met de nabestaanden betuigd. Vlottochten worden door het bedrijf niet meer georganiseerd.

Anderzijds is het aan de schuld van verdachte te wijten dat twee vrouwen in de bloei van hun leven de dood hebben gevonden op een manier die, als men zich de situatie indenkt, huiveringwekkend is. Het gaat dus om een buitengewoon ernstig feit.

Hun nabestaanden hebben hun echtgenote, moeder, dochter en zusje verloren en zullen met dat gemis moeten leren omgaan. Of hen dat, gelet op de vermijdbaarheid van wat is gebeurd en de omvang van het verlies, zal kunnen lukken, zal pas op een termijn van jaren te biezen zijn.

Het is de rechtbank gebleken dat deze zaak veel publiciteit heeft gegenereerd.

Op zichzelf is dat begrijpelijk bij een incident als dit, dat immers ook algemeen-maatschappelijke kanten heeft.

Het is voorstelbaar dat verdachte, in het jaar dat volgde op het ongeval, in haar zaakdoening nadeel van die publiciteit heeft ondervonden. Dat aspect weegt de rechtbank mee bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf.

Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte geen strafblad heeft.

Zij staat binnen de branche goed bekend. Eerdere ernstige incidenten hebben zich binnen haar bedrijfsvoering niet voorgedaan.

De rechtbank onderkent dat welke op te leggen straf ook, de nabestaanden hun dierbaren niet kan teruggeven.

De rechtbank is niettemin van oordeel dat het aandeel van verdachte in hetgeen is gebeurd niet kan worden beantwoord met, zoals door de raadsman bepleit, een enkele schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. Daarvoor is dat aandeel te ernstig.

De rechtbank komt, alles afwegende, tot de slotsom dat de door de officier van justitie geëiste boete op zichzelf een passende sanctie is op wat er is gebeurd. Van die boete zal de rechtbank echter de helft voorwaardelijk opleggen. Enerzijds, omdat verdachte als gevolg van het ongeluk reeds is getroffen in haar economisch belang. Anderzijds om haar ervan te doordringen dat voortdurende oplettendheid van alle in het bedrijf werkzame personen geboden is om in de toekomst ongevallen van deze aard te voorkomen.

In beslag genomen voorwerpen

Nu zich geen strafvorderlijk belang meer daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van het na te melden voorwerp aan de veroordeelde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 307 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het primiar ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 50.000,-- (vijftigduizend euro).

Bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete, groot € 25.000,-- (vijfentwintig duizend euro), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan veroordeelde, te weten:

een vlot.

Aldus gewezen door mrs. Hemrica, voorzitter, Hödl en Roessingh-Bakels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 oktober 2008.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam) proces-verbaal nr. PL0645/07-373531, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, gesloten en getekend op 8 november 2007.

2 Uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel, p.2037

3 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte directeur], p.6015

4 Proces-verbaal van verhoor van de aanvankelijk als getuige gehoorde [begeleider], p.6080

5 Proces-verbaal verstrekking gevorderde identificerende gegevens ex artikel 126 nc Sv, bijlage 2, p.7011

6 Proces-verbaal verstrekking gevorderde identificerende gegevens ex artikel 126 nc Sv, bijlage 4, p.7015

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1], p.3316

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige [begeleider], p.6081

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4]], p.3041

10 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p.3019/3020

11 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], p.3060/3061

12 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3]], p.3184

13 Proces-verbaal van bevindingen, p.2317/2318

14 Proces-verbaal van bevindingen, p.2326

15 Proces-verbaal van bevindingen, p.2317

16 Proces-verbaal van verhoor van getuige [begeleider], p.6082

17 Rapport van MARIN, "Manoeuvreerbaarheid vlot op rivier de Berkel", als bijlage bij proces-verbaal van bevindingen, p.2395

18 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p.3005

19 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5], p.3101

20 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p.3008

21 Proces-verbaal van bevindingen, p.2342/2343

22 Proces-verbaal van bevindingen, p.2343

23 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte directeur], p.6028

24 Proces-verbaal van bevindingen, p.2348-2352

25 Proces-verbaal van bevindingen, p.2344

26 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte directeur], p.6015

27 Proces-verbaal van verhoor van de aanvankelijk als verdachte aangemerkte, doch niet vervolgde M.T.F. [mede eigenaar verdachte bedrijf], p.6060

28 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte directeur], p.6016/6017

29 Proces-verbaal van verhoor van de later als verdachte gehoorde, maar niet vervolgde [begeleider], p.6102

30 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte directeur], p.6016-6017

31 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte directeur], p.6051

32 Proces-verbaal van verhoor van getuige [begeleider], p.6080

33 Proces-verbaal van verhoor van getuige [begeleider], p.6087

34 Proces-verbaal van verhoor van getuige [begeleider], p.6080/6081

35 Proces-verbaal van verhoor van getuige [begeleider], p. 6079

36 Proces-verbaal van verhoor van (verdachte) [begeleider], p.6103

37 Proces-verbaal van verhoor van getuige [begeleider], p.6082-6084

38 Proces-verbaal van verhoor van (verdachte) [begeleider], p.6106

39 Proces-verbaal van verhoor van getuige [begeleider], p.6085/6086

40 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p.3020

41 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7], p.3157-3159

42 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 15], p.3081

43 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5], p.3105

44 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte directeur], p.6049, 6051

45 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte directeur], p.6031

46 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte directeur], p.6049

47 Proces-verbaal van verhoor van getuige [begeleider], p.6081

48 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 8], p.3200

49 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7], p.3169

50 Proces-verbaal van verhoor van getuige [begeleider], p.6081

51 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 9], p.2285/2286

52 Bijlage bij de brief van mr. W. Anker van 19 september 2008

53 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4]], p.3031

54 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 11], p.3121

55 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 12], p.3087, 3087 (achterkant)

56 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 11], p.3121, 3121 (achterkant)

57 Verslag van de GGD Gelre-IJssel van lijkschouw niet-natuurlijke dood betreffende [slachtoffer 1], later aan dossier toegevoegd stuk

58 Verslag van lijkschouw betreffende [slachtoffer 2], later aan dossier toegevoegd stuk

59 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 13] p.5004

60 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 14], p.5017

61 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 13] p.5004

62 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte directeur], p.6028

63 Proces-verbaal van verhoor van getuige [begeleider], p.6081

64 Proces-verbaal van verhoor van (verdachte) [begeleider], p.6106

65 Proces-verbaal van verhoor van (verdachte) [begeleider], p.6102, 6108

66 Proces-verbaal van verhoor van (verdachte) [begeleider], p.6106

67 Proces-verbaal van verhoor van (verdachte) [begeleider], p.6103

68 Proces-verbaal van verhoor van (verdachte) [begeleider], p.6103,6113