Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BE8627

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
31-07-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
07/1550
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BI3667, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning voor het geheel vernieuwen van een woning tot zes appartementen is terecht geweigerd wegens strijd met artikel 2.5.30 van de bouwverordening van de gemeente Bronckhorst. Bij een besluit om een bouwvergunning te weigeren is (slechts) het belang van de aanvrager rechtstreeks getroffen. Derden die kenbaar hebben gemaakt dat zij zich verzetten tegen een besluit tot verlening van een bouwvergunning, kunnen in de beroepsprocedure die betrekking heeft op een besluit dat strekt tot weigering van een bouwvergunning, worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 07/1550

Uitspraak in het geding tussen:

De Bunte Vastgoed BV,

gevestigd te Ede,

[eisers A], [eiser B], [eiser C] en [eiser D],

allen te [plaats],

[eiser E],

te [plaats],

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland

verweerder.

De vennootschap onder firma Slagerij [naam] en haar vennoten [vennoot A] en [vennoot B]

derde-partijen.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 6 augustus 2007.

2. Feiten

Bij besluit van 29 januari 2007 heeft verweerder aan De Bunte Vastgoed BV (hierna: De Bunte) een reguliere bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen van een woning tot zes appartementen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Hengelo, [kadastraalnummer], plaatselijk bekend [perceel A t/m E] te Hengelo.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het daartegen door onder anderen de derde-partijen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de gevraagde bouwvergunning geweigerd.

3. Procesverloop

Bij brief van 30 augustus 2007 heeft [naam], medewerker van de Segment Groep, namens eisers beroep ingesteld op de daarin vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 25 januari 2008 hebben de derde-partijen een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 juli 2008, waar van eisers zijn verschenen De Bunte, vertegenwoordigd door W. Verbeek, medewerker van de Segment Groep, J.L. Peerenboom en F.B.A. Kock. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. IJsseldijk, ambtenaar van de gemeente. Voorts is van de derde-partijen verschenen [vennoot A], bijgestaan door mr. P.A. Westerhout, medewerker van de Koninklijke Nederlandse Slagersorganisatie, en [naam].

4. Motivering

De derde-partijen hebben gesteld dat De Bunte niet langer eigenaar is van het perceel waarop de onderhavige bouwaanvraag ziet, zodat het beroep, voor zover ingesteld door De Bunte, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie, onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 mei 2003, LJN: AF8989, bij een besluit om een bouwvergunning te weigeren (slechts) het belang van de aanvrager rechtstreeks is getroffen. Nu voorts op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is vast komen te staan dat De Bunte thans eigenaar is van één van de zes op het perceel rustende appartementsrechten, bestaat geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, voor zover ingesteld door De Bunte.

De overige eisers zijn eigenaren van op het desbetreffende perceel rustende appartementsrechten. Gelet op de hiervoor weergegeven vaste jurisprudentie zijn die eisers niet aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover het door hen is ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting betoogd dat de derde-partijen geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit, nu dit strekt tot weigering van een bouwvergunning die niet door hen is aangevraagd.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2006 (LJN: AX4429), ook derden die kenbaar hebben gemaakt dat zij zich verzetten tegen een besluit tot verlening van een bouwvergunning, in de beroepsprocedure die betrekking heeft op een besluit dat strekt tot weigering van een bouwvergunning, als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt indien aan de vereisten van deze bepaling wordt voldaan. De derde-partijen hebben bezwaar gemaakt tegen verweerders primaire besluit om De Bunte een bouwvergunning te verlenen. Mede gelet hierop bestaat geen grond om hen thans niet aan te merken als belanghebbenden in de zin van voormeld artikellid.

De Bunte heeft betoogd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 7:11 van de Awb door in het bestreden besluit te volstaan met het weigeren van de bouwvergunning. Volgens haar had verweerder de reeds verleende bouwvergunning moeten intrekken.

De rechtbank volgt dit betoog niet. Dat bij het bestreden besluit na heroverweging de bouwvergunning (alsnog) is geweigerd, impliceert de intrekking van de bij het primaire besluit verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, voor zover thans van belang, moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Woningwet blijven, voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing.

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Bronckhorst moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en derde lid:

a. indien het niet voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Verweerder heeft in het bestreden besluit, zoals nader toegelicht op de zitting, overwogen dat voor de zes appartementen een parkeerbehoefte bestaat van zes parkeerplaatsen. De berekening van die behoefte heeft verweerder gebaseerd op de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004) van de stichting CROW. Die plaatsen worden niet op het eigen terrein gerealiseerd. Evenmin kan volgens verweerder op andere wijze in die behoefte worden voorzien. Ter zitting heeft verweerder, onder verwijzing naar het Masterplan Hengelo, desgevraagd uiteengezet dat rond de Raadhuisstraat op dit moment geen mogelijkheden bestaan tot de realisatie van parkeerplaatsen en dat weliswaar op enig moment 40 extra parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd in het centrum van Hengelo, maar dat nog geheel onduidelijk is wanneer dat zal plaatsvinden. Omdat derhalve niet kan worden voldaan aan de norm van zes parkeerplaatsen, heeft verweerder de bouwvergunning geweigerd.

De Bunte heeft betoogd dat, gelet op artikel 9, eerste lid, van de Woningwet, artikel 2.5.30 van de bouwverordening buiten toepassing moet blijven, omdat in het ter plaatse geldende bestemmingsplan Hengelo-Kom 1983 het parkeren in het openbaar gebied voor aangrenzende woningen is geregeld. Zij heeft in dat verband verwezen naar paragraaf 5.6 van de plantoelichting.

De rechtbank volgt De Bunte niet in haar betoog. Het bestemmingsplan bevat geen voorschriften die het onderwerp parkeren regelen. Dat in de toelichting op het bestemmingsplan wordt ingegaan op dat onderwerp, maakt dat niet anders. Voor het oordeel dat de desbetreffende voorschriften van de bouwverordeningen buiten toepassing moeten blijven, biedt artikel 9, eerste lid, van de Woningwet derhalve geen grondslag.

De rechtbank ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omvang dan wel de bestemming van het gebouw aanleiding geeft om toepassing te geven aan artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening. Evenmin ziet de rechtbank grond voor het oordeel dat verweerder aanleiding had moeten zien om De Bunte een ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening te verlenen. Dat – naar De Bunte heeft gesteld – onvoldoende onderzoek is gedaan naar de parkeerdruk in de Raadhuisstraat, volgt de rechtbank niet. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat De Bunte in het geheel geen gegevens heeft overgelegd die kunnen leiden tot de conclusie dat het standpunt van verweerder dat rond de Raadhuisstraat geen parkeergelegenheid kan worden gerealiseerd, niet kan worden volgehouden.

Dat verweerder zich voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat de gevraagde bouwvergunning kon worden verleend, is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Gelet op artikel 7:11, eerste lid, van de Awb diende verweerder op grondslag van het bezwaar het primaire besluit te heroverwegen. Daaruit vloeit voort dat verweerder bevoegd was om bij het thans bestreden besluit alsnog de gevraagde bouwvergunning te weigeren.

Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit bij die heroverweging het advies van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Bronckhorst in aanmerking genomen. In dat advies staat – voor zover thans van belang – dat bij de voorbereiding van het in bezwaar bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van derden bij het behoud van voldoende parkeerruimte in de kern van Hengelo en dat verweerder wordt geadviseerd bij het besluit op bezwaar een oplossing te zoeken voor de verhoogde parkeerdruk.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het advies zo mogen begrijpen, dat geadviseerd wordt nader te onderzoeken of de verhoging van de parkeerdruk, waartoe realisatie van het bouwplan zal leiden, opgelost kan worden, mede gelet op de wensen ten aanzien van het parkeren van de aanvrager en derden alsmede het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening. Het betoog van De Bunte dat het advies (enkel) inhoudt dat verweerder een oplossing moet bieden voor de verhoogde parkeerdruk, volgt de rechtbank derhalve niet.

Voor zover De Bunte nog heeft betoogd dat en waarom verweerder onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld, kan dit hoe dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, reeds omdat strijd met de bouwverordening een imperatieve grond is voor weigering van een bouwvergunning.

Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

5. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover ingesteld door [eisers A], [eiser B], [eiser C], [eiser D] en [eiser E], niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door mr. drs. J.H. van Breda en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.