Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BE6995

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
14-08-2008
Datum publicatie
18-08-2008
Zaaknummer
95528 / KG ZA 08-249
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een gescheiden man en vrouw met twee kinderen (dochter en zoon) wonen in verschillende gemeenten. Zij hebben een co-ouderschap. De vrouw wil de dochter op een andere school plaatsen, bij haar in de buurt, maar verder weg van de man, en de zoon. De man weigert mee te werken en de vrouw spant een kort geding aan.

De voorzieningenrechter weigert de gevraagde voorziening. De partijen zijn nauwelijk in een (constructief) overleg geweest en de dochter wist nog niets van moeders voornemen om haar bij een andere school te in te schrijven. Gezien de leeftijd moet de dochter meer tijd en gelegenheid krijgen om zich op zo'n ingrijpende verandering voor te bereiden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/648
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 95528 / KG ZA 08-249

Vonnis in kort geding van 14 augustus 2008

in de zaak van

[eiseres / vrouw],

wonende te Nunspeet,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. L.J. Steenbergen,

tegen

[gedaagde / man],

wonende te Emst,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. H.M. van Aarsen,

advocaat mr. M.H. van der Lecq te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de vrouw

- de pleitnota van de man

- de voorwaardelijke eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit hun huwelijk zijn geboren:

- [zoon], geboren op [1998] in de gemeente Epe en

- [dochter], geboren op [2001] in de gemeente Epe.

2.2. Bij beschikking van 12 april 2006 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 28 juni 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Nunspeet.

2.3. Van die beschikking maakt deel uit een door partijen ondertekend echtscheidingsconvenant. Artikel 2 van dit convenant luidt, voor zover hier van belang:

"2.1 Partijen achten het in het belang van hun minderjarige kinderen dat zij na de echtscheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag over hen blijven uitoefenen. Partijen verdelen de feitelijke zorg over de kinderen in die zin dat de kinderen in een periode van veertien dagen acht dagen bij de vrouw en zes dagen bij de man doorbrengen en wel volgens het navolgende schema:

- zondag 17. 00 uur tot dinsdag 17. 00 uur bij de man

- dinsdag 17.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij de vrouw

- vrijdag 17.00 uur tot dinsdag 17.00 uur bij de man

- dinsdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vrouw

2.2 Partijen spreken de intentie uit om op een zodanige afstand van elkaar te blijven wonen zodat die hierboven geformuleerde verdeling van de zorg over de kinderen gehandhaafd kan blijven.

2.4. Ten tijde van het sluiten van dit echtscheidingsconvenant woonde de vrouw nog in de voormalige echtelijke woning te Emst en woonde de man tijdelijk in Vaassen. Kort na de echtscheiding is de vrouw naar Nunspeet verhuisd en is de man weer in de voormalige echtelijke woning te Emst gaan wonen.

2.5. Aanvankelijk zijn beide kinderen geplaatst op de school voor basisonderwijs

[naam basisschool] te Epe. Op enig ogenblik is [zoon] geplaatst op een school voor bijzonder basisonderwijs, eveneens te Epe. Deze school ligt op korte afstand van de school waar [dochter] nog steeds naartoe gaat.

2.6. Op de dagen dat de kinderen bij de vrouw verblijven, wordt [zoon] met een taxi naar school gebracht en van school gehaald. De vrouw brengt en haalt [dochter] dan met de auto. Op de dagen dat de kinderen bij de man verblijven, zorgt de man voor het vervoer van de kinderen van en naar school. [zoon] blijft tussen de middag over op school, [dochter] gaat dan naar huis. Partijen hebben afgesproken dat de kinderen op de wisseldagen opgehaald worden door de ouder waar ze naartoe gaan.

2.7. De vrouw heeft de man verzocht mee te werken aan inschrijving van [dochter] op de [naam basisschool 2] in Nunspeet, vlakbij de woning van de vrouw. De man heeft dat geweigerd.

3. Het geschil in conventie

3.1. De vrouw vordert samengevat - de man te veroordelen om zijn onvoorwaardelijke en volledige medewerking te verlenen aan het inschrijven van [dochter] op de [naam basisschool 2], dit op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag.

3.2. De vrouw baseert deze vordering op de stelling dat het in het belang van [dochter] is dat zij naar de [naam basisschool 2] in Nunspeet gaat. [dochter] verblijft door de week voornamelijk bij de vrouw en is ook het overgrote deel van haar vrije tijd bij de vrouw. Als [dochter] dicht bij de woning waar zij door de week voornamelijk verblijft naar school gaat, is het voor haar makkelijker een goed contact op te bouwen en te onderhouden met vriendinnetjes van die school. [dochter] zou dan zelfstandig naar school kunnen gaan en hoeft niet meer steeds door de vrouw met de auto gebracht en gehaald te worden.

Daar komt bij dat de situatie van de vrouw veranderd is. Zij volgt thans een opleiding tot doktersassistente en moet dit jaar drie dagen in de week stage lopen. Het zal dan voor de vrouw vrijwel onmogelijk zijn om [dochter] bijna dagelijks naar de school in Epe te brengen en weer op te halen. De kosten die gemoeid zijn met het halen en brengen van [dochter] zijn voor de vrouw moeilijk te dragen.

De vrouw wenst [dochter] nog voor het begin van het nieuwe schooljaar per 1 september 2008 in te schrijven op de school in Nunspeet en heeft daarom een spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening.

3.3. De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in voorwaardelijke reconventie

4.1. De man vordert na vermindering van eis samengevat - om in het geval [dochter] met ingang van 1 september aanstaande zal worden ingeschreven op een school in Nunspeet, de vrouw te veroordelen tot nakoming van de in het convenant neergelegde co-ouderschapsregeling tussen de man en kinderen, waarbij de vrouw de zorg zal dragen voor het vervoer van beide kinderen naar en van de woning van de man conform de in het convenant neergelegde omgangsregeling.

4.2. Hij baseert deze vordering op de stelling dat hij de kinderen op maandag en dinsdag niet meer naar school kan brengen en van school kan halen als [dochter] naar een school in Nunspeet gaat. Hij wenst de vrouw te houden aan de afspraken die partijen in het convenant over de co-ouderschapsregeling hebben gemaakt.

4.3. De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. Partijen zijn in het belang van hun kinderen overeengekomen dat [dochter] en [zoon] samen afwisselend een paar dagen bij de ene ouder en bij de andere ouder zullen verblijven. Partijen zijn het erover eens dat met deze regeling het belang van de kinderen gediend wordt, dat de kinderen veel waarde hechten aan deze regeling en zowel van hun verblijf bij moeder als van hun verblijf bij vader genieten.

5.2. Onweersproken is dat het in het belang van [dochter] is dat zij met vriendinnetjes uit de buurt kan spelen. Omdat zij vaker bij haar moeder verblijft, is het dus voor haar belangrijk dat zij vriendinnetjes heeft in de omgeving van de woning van haar moeder. [dochter] heeft daarnaast echter ook een groot belang bij een stabiele schoolsituatie. Dat het thans meer in het belang van [dochter] is om naar een school in de buurt van de woning van haar moeder te gaan, kan dan ook niet zonder meer gezegd worden.

5.3. Vaststaat dat de partijen in goed onderling overleg hebben besloten [zoon] op een school voor bijzonder onderwijs te plaatsen. Ook zullen zij, gelet op de leeftijd van [zoon], in de nabije toekomst weer voor de keuze staan welke school voor voortgezet onderwijs voor [zoon] het beste is.

5.4. Door een co-ouderschap aan te gaan, hebben partijen jegens elkaar en de kinderen de zwaarwegende verplichting op zich genomen om al het mogelijke te doen om dat co-ouderschap zo goed mogelijk te laten verlopen. Dit betekent niet dat de belangen van de vrouw te allen tijde ondergeschikt zijn aan het belang van [dochter] (en [zoon]); denkbaar is dat de consequenties van haar beslissing om naar Nunspeet te verhuizen alsmede van haar opleiding en beroepskeuze weliswaar vooreerst door de vrouw gedragen dienen te worden, maar uiteindelijk kan een aanpassing van de ouderschaps-/omgangsregeling onvermijdelijk zijn.

Vooraleerst geldt dat partijen zich tot het uiterste behoren in te spannen om door middel van overleg tot een door hen beiden gedragen beslissing over de school van [dochter], en straks ook over de school van [zoon], te komen. Ter zitting is gebleken dat van constructief overleg tot nu toe nauwelijks sprake is geweest. Partijen hebben slechts over en weer hun standpunten uitgewisseld. Weliswaar hebben zij vorig jaar geprobeerd met hulp van een mediator tot een oplossing te komen, maar dat is niet gelukt. De man heeft verklaard dat hij de betreffende mediator niet capabel achtte. Hij heeft de vrouw een andere mediator heeft voorgesteld. De vrouw heeft dat voorstel van de hand gewezen.

Nu partijen naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog onvoldoende hebben geprobeerd om eventueel met behulp van een door partijen samen aan te wijzen mediator tot een oplossing te komen, ontbreekt een zwaarwegend en spoedeisend belang om in te grijpen in hetgeen partijen met het convenant voor ogen afspraken.

5.5. Ter zitting is gebleken dat [dochter] onbekend is met de wens van haar moeder om haar per 1 september aanstaande naar een andere school te laten gaan. Gelet op [dochter]’s leeftijd zal zij ruim meer tijd en gelegenheid moeten hebben om zich op een dergelijke ingrijpende verandering voor te bereiden. Ook dit staat toewijzing van de gevorderde voorziening in de weg.

5.6. Omdat partijen met elkaar gehuwd zijn geweest zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beoordeling in voorwaardelijke reconventie

Nu de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld niet in vervulling is gegaan, behoeft deze vordering geen bespreking meer.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. weigert de gevraagde voorziening;

7.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2008.