Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD8970

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-07-2008
Datum publicatie
30-07-2008
Zaaknummer
91429 / HA ZA 08-211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Vaststelling arbeidsongeschiktheid. Sprake van verzwijging. Uitsluiting psychische oorzaken van arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 91429 / HA ZA 08-211

Vonnis van 23 juli 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Utrecht,

eiseres,

procureur mr. J.W. Damstra,

advocaat mr. J. Grevink te Zeist,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

procureur mr. A.J. Zeyl,

advocaat mr. A. Robustella te Ede.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Achmea genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 april 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 8 juli 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] heeft als architect een eigen onderneming opgericht. In 1999 is haar architectenbureau gefuseerd met het architectenbureau van haar echtgenoot en zakenpartner tot [naam] te Utrecht. Tot voor kort was zij mededirecteur en grootaandeelhouder. In september 1999 heeft zij een verzekeringsovereenkomst gesloten met

Achmea. Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft zij op het aanvraagformulier een aantal vragen over haar gezondheid beantwoord.

2.2. Van de arbeidsongeschiktheidsverzekering maken deel uit de Algemene Verzekeringsvoorwaarden Arbeidsongeschiktheidsverzekering (individueel) 0106 (hierna: de algemene verzekeringsvoorwaarden). De hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen is afhankelijk van de derving van inkomen en de mate van arbeidsongeschiktheid van de verzekerde. Er zijn zeven klassen van arbeidsongeschiktheid corresponderend met zeven uitkeringspercentages van het verzekerde bedrag.

2.3. Bij verzoek van 4 januari 2002 heeft [eiseres] Achmea verzocht haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. De benoemde klachten waren een maagzweer en een sterk verzwakt immuunsysteem. In de periode van december 2001 tot met februari 2003 is [eiseres] een uitkering verstrekt ter hoogte van aanvankelijk 100 procent en later 75 procent van het verzekerde bedrag.

2.4. Bij brief van 27 april 2004 heeft [eiseres] zich tot Achmea gewend. Zij maakte daarin melding van overgangsklachten, slaapstoornissen en een vermoeden van burn-out. Ook vermeldde zij daarin dat er foto's van haar nek gemaakt waren waaruit bleek dat ze artrose heeft.

2.5. Naar aanleiding van deze brief heeft Achmea Y. Jansen, register arbeidsdeskundige (hierna: Jansen), laten rapporteren. Haar advies in haar rapport van 15 juni 2004 luidt onder meer dat Achmea overleg met haar medisch adviseur moest plegen om een psychisch begeleidingstraject aan te bieden. Achmea heeft [eiseres] in de periode van februari 2004 tot en met februari 2005 een uitkering op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 100 procent toegekend.

2.6. Naar aanleiding van het rapport van de arbeidsdeskundige en in opdracht van

J. Maarseveen, medisch adviseur van Achmea (hierna: Maarseveen), heeft dr. J.W. Hummelen, psychiater (hierna: Hummelen), op 11 augustus 2004 een onderzoek ingesteld bij

[eiseres]. In zijn rapport van 31 augustus 2004 (productie 4 van Achmea) staat onder meer het navolgende:

"Klachteninventarisatie en anamnese:

Betrokkene geeft aan dat ze zich slecht kan concentreren. Dit uit zich o.a. in het vergeten van dingen en dat ze kennis niet meer paraat heeft terwijl ze vroeger alles wist. Verder kan ze moeilijk lezen. Het overzicht is duidelijk afgenomen. Daarnaast heeft ze last van vermoeidheid en ze kan per dag maximaal maar twee taken uitvoeren gedurende de duur van één tot twee uur. Op het moment dat ze toch meer gaat doen krijgt ze 's avonds last van de gedachtemalen. Verder heeft ze last van dat ze snel boos kan worden terwijl ze dit vroeger nooit had. Betrokkene slaapt wel goed in maar wordt gedurende de nacht vele malen kortdurend wakker waarna ze weer inslaapt. Verder heeft ze voortdurend pijn in en rond de gewrichten die in intensiteit en plaats steeds wisselen. Ze kan over het hele lichaam dergelijke klachten hebben. Bij het wakker worden wordt ze direct overvallen door een gevoel van sterke vermoeidheid en heeft ze last van de pijnklachten. Bij navraag geeft ze aan dat ze soms enkele dagen last heeft van somberheid. Ze heeft eigenlijk bijna nergens plezier in en al hoewel ze voortdurend dingen voor neemt te gaan doen komt het er steeds niet van. Met betrekking tot deze somberheid is er geen sprake van een dagschommeling en er zijn ook dagen dat ze hier veel minder last van heeft.

Beloop van de klachten:

De huidige klachten zijn in 2003 begonnen met dat ze veel last krijgt 's nachts van opvliegers. Doordat ze veel zweette dacht ze aanvankelijk dat er sprake was van paniekaanvallen. Verder sliep ze slecht en was ze erg moe. Daarnaast had ze ook pijn in spieren en gewrichtsklachten. In 2003 kreeg ze via de huisarts medicatie tegen de overgang waarop de opvliegers duidelijk verbeterden maar gewrichts- en spierpijnen bleven aanhouden. (...) In augustus 2003 is ze begonnen met intensieve fysiotherapie. Bij onderzoek stelde de fysiotherapeut vast dat er kalk in de spieren zat als teken van langdurige overmatige spierspanning. Door oefeningen is deze kalkneerslag nu verdwenen. In november 2003 volgde ze een Indiase massage- en oliebadentherapie (Ayur-veda). In januari 2004 ging ze gedurende drie weken naar India om zich geheel te richten op deze behandeling. Dit resulteerde erin dat betrokkene geheel klachtenvrij werd. Spoedig na thuiskomst in februari 2004 begonnen echter opnieuw de klachten (slaapproblemen, spier- en gewrichtsklachten en vermoeidheid).

(...)

Somatiek:

Naast bovenbeschreven lichamelijke klachten heeft betrokken aan dat ze soms nog last heeft van diarree. Verder geeft ze aan dat ze ook minder lijkt te horen met name in een groep of als er geluiden in een ruimte zijn kan ze het minder goed verstaan. (…) Verder geeft betrokkene aan dat ze altijd snel last heeft van infectieziektes.

(...)

Ingezet onderzoek:

De huisarts heeft oriënterend bloedonderzoek gedaan in 2001 en dit herhaald eind 2003. In maart 2004 zijn er röntgenfoto's gemaakt van nek en onderrug waarbij een artrose werd vastgesteld. Zij is hiervoor bij de orthopeed geweest. Deze heeft haar nu verwezen naar de reumatoloog. Betrokkene geeft aan dat ze na het inwinnen van informatie via het internet het mogelijk acht dat er bij haar sprake is van fybromyalgie.

Aangezien betrokkene recent lichamelijk onderzocht is en dit verder nog wordt voortgezet heb ik geen lichamelijk onderzoek gedaan. (Betrokkene zal zelf nog bij de huisarts navragen of het Hb bepaald is).

(...)

Psychiatrische voorgeschiedenis:

Van haar 30e tot haar 37e jaar is zij in groepstherapie geweest bij [psychiater 1], psychiater. De reden hiervoor was dat haar toenmalige huwelijk slecht liep en zij sterke insufficiëntiegevoelens had. Verder had ze soms 's nachts paniekaanvallen waarbij ze eenmaal contact had met de crisisopvang.

Van haar 42e tot haar 44e jaar is ze in individuele therapie geweest bij [psychiater 2], psychiater met als aanleiding dat ze voor zichzelf vaststelde dat ze in negatieve patronen terecht was gekomen die ze kende van haar moeder. Deze psychiater benoemde wat betrokkene reeds vanaf haar vroege jeugd kende, dat zij beschikte over ‘meerdere persoonlijkheden’. Bij navraag is er niet sprake van alle criteria passend bij een meervoudige persoonlijkheidsstoornis (dit heet in de DSM-IV tegenwoordig een dissociatieve identiteitstoornis) omdat de diverse persoonlijkheden niet van elkaar zijn gescheiden maar steeds onder controle blijven staan van een centraal Ik. Betrokkene geeft aan dat deze "meerdere persoonlijkheden" de laatste jaren door de goede relatie met haar echtgenoot vrijwel zijn verdwenen.

(...)

Zelfbeschrijving:

Optimistisch, iemand die hoge eisen aan zichzelf stelt waarbij ze aangeeft dat ze ook alles heeft waargemaakt wat ze zich had voorgenomen. Iemand die altijd doorgaat. Verder houdt ze altijd alles onder controle.

(...)

Psychiatrisch onderzoek:

We zien een vrouw die een sterk vermoeide indruk maakt maar tegelijkertijd vanaf het eerste moment zich zeer actief opstelt, snel praat en voortdurend gericht is op het ondernemen van actie. In eerste instantie staat ze bijna niet stil bij wat ze voelt, later in het gesprek gebeurt dit echter wel. Ze lacht geregeld hetgeen soms de indruk maakt dat ze hiermee haar gevoelens bagatelliseert. Uit de hele houding spreekt een voortdurend en overmatig gericht zijn om controle op de situatie te houden. Betrokkene maakte een zeer intelligente indruk en staat wel open voor mogelijke andere verklaringen dan die zij in eerste instantie zelf heeft geformuleerd. Ze herkent bij zichzelf de tendens dat op het moment dat ze zich even beter voelt en er weer ‘volop tegenaan wil gaan’ waardoor ze geen reserves opbouwt. Verder komt naar voren dat ze hoge eisen stelt, zowel aan zichzelf als aan haar omgeving. Over een eventuele therapeut geeft ze aan dat dit dan wel absoluut een heel goede moet zijn. Betrokkene erkent haar sterke controlebehoefte en staat open voor de gedachte dat wellicht door de fusie in 1999 en het daarmee gepaard gaande verlies van volledige controle over de eigen zaak, dit mogelijk een spanningsfactor kan zijn geweest.

Bewustzijn, oriëntatie en geheugen zijn ongestoord. Tijdens het onderzoek is de aandacht goed te trekken, soms wat moeilijk te behouden. De waarneming is ongestoord. Het denken is qua vorm licht versneld, inhoudelijk is het voortdurend gericht op het houden van controle over de situatie. Er zijn geen paranoïd psychotische symptomen. De stemming is niet manifest depressief. De eetlust is op zich goed. Betrokkene probeert nu met een dieet af te vallen nadat ze van januari tot augustus 2003 tien kg was aangekomen doordat ze de spanningen weg at. Het eten smaakt goed en ze geniet van het eten. Er zijn geen suïcide gedachten. Het affect moduleert wat sterk mee en maakt soms in combinatie met het snelle praten een wat licht geagiteerde indruk. Psychomotoriek is niet geremd.

Samenvatting en conclusie:

Betrokkene is een 54-jarige vrouw waarbij sprake is van een zeer sterke controlebehoefte waardoor ze jarenlang het uiterste van haar mentale en lichamelijke capaciteiten heeft gevergd. (...) Op dit moment vertoont ze het beeld van een burn out. Ook de spier- en gewrichtsklachten lijken hierbij te passen (het hoge chronische belastingniveau heeft geleid tot een voortdurend overmatig gespannen spieren met de beschreven pijnklachten als gevolg) waarbij uiteraard wel aangemerkt dient te worden dat er nog nader lichamelijke diagnostiek plaatsvindt door de reumatoloog. Passend bij de chronische overbelasting is ook dat ze reeds lang last heeft van frequent optredende infectieziekten. Daarnaast geeft betrokkene een verminderd gehoorvermogen aan welke nog niet nader medisch is geobjectiveerd.

Classificatie volgens DSM-IV:

As I: ongedifferentieerde somatoforme stoornis (burn out)

As II: zeer sterke controlebehoefte

As III: spier en gewrichtsklachten, gehoorsproblemen

(...)".

2.7. Naar aanleiding van dit rapport heeft Maarseveen informatie opgevraagd bij [psychiater 2], psychiater (hierna: [psychiater 2]). Bij brief van 20 februari 2005 (bijlage bij productie 8 van [eiseres]) heeft [psychiater 2] aan Maarseveen het volgende laten weten:

"In antwoord op uw vraag om medische informatie (...) kan ik u alleen melden, dat zij ongeveer acht jaar geleden bij mij in therapie geweest is in verband met persoonlijkheidsstoornissen, maar dat ik momenteel alleen contact met haar heb als directiecoach. Er bestaat dus geen behandelingsrelatie."

2.8. Achmea heeft [eiseres] bij brief van 24 februari 2005 (productie 6 van Achmea) het navolgende laten weten:

"Inmiddels heeft onze medisch adviseur de gevraagde informatie ontvangen en hierover aan ons gerapporteerd. Hieruit blijkt het volgende.

In september 1999 heeft u een arbeidsongeschiktheidsverzekering aangevraagd en heeft u hiervoor op het aanvraagformulier een aantal gezondheidsvragen beantwoord. De gezondheidsverklaring heeft u op 12 september 1999 ondertekend. Het totaal aan informatie gaf ons de indruk dat u op dat moment in die mate gezond was, dat overgegaan kon worden tot het aanbieden van een verzekering. De, naar nu blijkt onvolledige, informatie die u gaf met betrekking tot de geschiedenis en de ernst van uw psychische klachten, waren destijds geen aanleiding om extra onderzoek te verrichten. De arbeidsongeschiktheidsverzekering is door ons tegen normale voorwaarden geaccepteerd en is op 28 september 1999 ingegaan.

Uit de inmiddels verkregen informatie over de psychische klachten blijkt dat u ongeveer acht jaar geleden voor een langere periode onder behandeling bent geweest bij een psychotherapeut.

Gezien het bovenstaande zijn wij tot de conclusie gekomen dat u voor de acceptatie van de verzekering essentiële informatie over de mate en de ernst van deze klachten niet heeft gemeld. Indien deze informatie toen wel zou zijn verstrekt, zou de verzekering niet onder dezelfde voorwaarden zijn gesloten.

Wij zullen ons derhalve beroepen op het bepaalde in artikel 251 van het Wetboek van Koophandel dat luidt als volgt:

(...)

Indien wij bij de medische acceptatie op de hoogte zouden zijn geweest van de aard en de ernst van de psychische klachten, zou ervoor gekozen zijn om de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan te bieden met een uitsluiting (clausule) voor psychische klachten.

Dit betekent dat uw arbeidsongeschiktheidsverzekering (...) met terugwerkende kracht zal worden aangepast door toevoeging van de clausule. Het recht op een uitkering als gevolg van arbeidsongeschiktheid die wordt veroorzaakt door psychische klachten komt te vervallen.

Omdat wij ervan uitgaan dat u te goeder trouw heeft gehandeld, zullen wij de reeds gedane uitkeringen niet terugvorderen. Naast psychische klachten heeft u momenteel ook lichamelijke klachten. In welke mate de lichamelijke klachten de arbeidsongeschiktheid veroorzaken, is op dit moment onduidelijk. Vooralsnog zullen wij de uitkering per 1 maart verlagen naar de arbeidsongeschiktheidklasse 45-55 %: hierbij hoort een uitkering van 50%."

2.9. Bij brief van 1 april 2005 heeft [eiseres] gereageerd (productie 7 van Achmea):

"Op 11 augustus 2004 heb ik een gesprek gehad met de heer van Hummelen, psychiater, op verzoek van de heer Van Maarseveen. Zijn conclusie t.a.v. mijn uitval van werk was dat dit deels door psychische oorzaken zou komen. In een later telefonisch onderhoud met de heer Van Maarseveen heb ik hem medegedeeld dat ik het met deze diagnose niet eens was en verder zou gaan met het zoeken naar de m.i. fysieke oorzaak van mijn zware oververmoeidheid.

Op 18 oktober heb ik een brief naar de heer Van Maarseveen geschreven, waarbij ik meldde dat ik in behandeling was bij de heer Van Meerendonk in Utrecht. Als bijlage stuurde ik enkele onderzoeksrapporten waaruit volgens mij helder en duidelijk blijkt dat de oorzaak ligt in de fybro-myalgie, zoals ik ook al aangaf bij de heer van Hummelen (veel pijn en niet slapen) en dat diverse organen niet naar behoren werkten. Ik ben dan ook zeer verbaasd over het feit dat u concludeert dat mijn ziekte deels van psychische oorsprong zou zijn.

Fybro-myalgie is een inmiddels erkende ziekte zonder psychische oorzaak.

Bijgaand voeg ik nog enige onderzoeksresultaten toe. Ik denk dat een en ander wel duidelijk maakt waarom ik zo zwaar oververmoeid ben. Ik voel me psychisch sterk en in evenwicht. Uiteraard zijn het niet-slapen (vermoedelijk een fout in de neuro-transmissie) en de slecht werkende organen een flinke aanslag op me. Inmiddels heb ik gelukkig ondersteunende medicijnen, wat mijn leven een stuk plezieriger maakt.

Ik verwacht van u een reactie op deze brief en een rectificatie van uw brief van 24 februari. Ziet u echter nog steeds psychische oorzaken, dan wil ik graag exact weten waarom en hoe. Ik stel dan voor, dat ik opnieuw psychisch wordt onderzocht en dat u uw besluit van 24 februari tot die tijd terugtrekt."

2.10. Er heeft geen nader psychiatrisch/psychologisch noch somatisch onderzoek in opdracht van Achmea plaatsgevonden. Partijen hebben de discussie per brief voortgezet.

2.11. Bij rapport van 22 november 2005 heeft Jansen de arbeidsongeschiktheid bepaald. In haar rapport (productie 2 van [eiseres]) staat ten aanzien van de medisch vastgestelde

belastbaarheid het navolgende:

"De belastbaarheid van verzekerde is vastgesteld door de medisch adviseur d.d. 15 september 2005.

De aangegeven belastbaarheid is maximaal te stellen op:

Lichamelijke belasting

(...)

Werkomstandigheden

Ten aanzien van werkomstandigheden worden geen beperkingen aangegeven.

Psychische belasting

Ten aanzien van de psychische belasting worden geen beperkingen aangegeven.

Energetische belasting

Ten aanzien van de energetische belasting worden geen beperkingen aangegeven.

(...)

12. Conclusie en advies

- Op basis van de door de medisch adviseur aangegeven beperkingen, afgezet tegen de

belasting in de functie dient verzekerde voor minder dan 25% arbeidsongeschikt te worden beschouwd.

- Een afbouw van de uitkering bespreken met betrokkene bleek niet mogelijk. Ik stel voor om de afbouw van de uitkering toch via de weg der geleidelijkheid te laten plaatsvinden, om betrokkene in staat te stellen haar werkzaamheden geleidelijk verder op te pakken".

2.12. Bij brief van 29 november 2005 (productie 14 van Achmea) heeft Achmea [eiseres] het navolgende medegedeeld:

"Mate van arbeidsongeschiktheid

Uw medische lichamelijke beperkingen zijn door de medisch adviseur in kaart gebracht en afgezet tegen de belasting in uw functie van architect. Op grond van deze gegevens moeten wij concluderen dat er geen sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 25%.

Wij erkennen dat u lichamelijke beperkingen heeft. Op grond van deze lichamelijke beperkingen zou u toch in staat moeten zijn om uw werkzaamheden voor ten minste 75% uit te kunnen voeren. Omdat de door u vermelde klachten zoals geheugen- en concentratieverlies niet somatisch gedefinieerd zijn, zullen deze onder de genoemde uitsluiting vallen.

Einde uitkering

Op grond van bovenstaande gegevens gaan wij de uitkering beëindigen. Bij wijze van uitzondering zullen wij de reeds gedane uitkeringen niet terugvorderen, maar de uitkering beëindigen per 1 februari 2006. Om u in de gelegenheid te stellen uw werkzaamheden verder op te bouwen, zal de uitkering coulancehalve worden afgebouwd volgens onderstaand schema:

Periode - Mate van ongeschiktheid - Uitkeringspercentage

01-12-2005 tot 01-01-2006 - 35-45% - 40

01-01-2006 tot 01-02-2006 - 25-35% - 30

Per 01-02-2006 - 0-25% - 0".

2.13. Bij brief van 21 februari 2006 (productie 15 van Achmea) heeft [eiseres] onder meer het navolgende aan Achmea geschreven:

"Er spelen twee zaken.

1. Het feit of ik al dan niet voldoende opgegeven heb dat ik een psychisch-therapeutische behandeling heb ondergaan.

Daar spelen in diverse brieven diverse jaartallen. Ik zet ze even op een rijtje:

• Bij [psychiater 1] heb ik een therapeutische behandeling ondergaan van 1980 tot 1987

• Van half 1992 tot eind 1994 heb ik coachinggesprekken gevoerd met [psychiater 2]. Hij heeft u een brief gestuurd met andere jaartallen en een andere inhoud. Ik was zo verbaasd over die brief dat ik hem meteen teruggeschreven heb (zie kopie). Daarna heb ik hem nogmaals gesproken en hij zei geen patiëntendossiers meer te hebben en toonde zich verbaasd dat het allemaal zo lang geleden was. En, zei hij, je sprak in de jaren niet zoveel over coaching, dat is een nieuw woord voor me, iets van de laatste jaren. (...)

• De afgelopen twee jaren hadden mijn man en ik coachinggesprekken met [psychiater 2], nadat we onenigheden kregen over de gang van zaken binnen het bureau.

(...)

Ik vind het uiterst onfatsoenlijk dat u nergens inhoudelijk ingaat op eerdere brieven en testresultaten."

2.14. Als bijlage bij deze brief heeft [eiseres] Achmea onder meer een brief van 11 januari 2006 van haar behandelend arts P.W.M. van Meerendonk, werkzaam bij het Biologisch Medisch Centrum (hierna: Van Meerendonk), toegezonden. In deze brief (bijlage bij productie 3 van [eiseres]) vermeldt Van Meerendonk het navolgende:

"Sedert 2-9-2004 is onder mijn behandeling mevrouw [eiseres], (...).

Patiënte kreeg chronische diarree na een reis naar India in 2000. In januari 2002 werd kreeg zij last van ernstige vermoeidheid en maagklachten. Zij werd behandeld met een antiparasitair middel en tripletherapie wegens een aangetoonde Helicobacter pylori.. Zij herstelde door deze behandeling. In december 2002 krijgt zij opnieuw last van vermoeidheid. In januari 2003 kreeg ze last van opvliegers en insomnia, waarvoor zij estradiol kreeg. De vermoeidheid en de insomnia bleven echter aanhouden en zij kreeg ook last van spier- en gewrichtspijn.

Haar belangrijkste klachten zijn: vermoeidheid, diffuse pijn en slapeloosheid. Voorts klachten van buikkrampen en regelmatig diarree, gewichtstoename, droge huid en verstopte neus. Zij voelt zich beter in de warmte. Zij gebruikt sedert twee jaar Otrivin neusspray.

Laboratoriumonderzoek toont de volgende afwijkingen:

1. 24-uursurine op corticol 33 nmol (normaal 55-248)

2. Verlaagd DHEA-s

3. Verlaagd vrij IGF-1

4. ALAT licht verhoogd (57)

5. Laag normaal vitamine B12

6. RAST: graspollen, boompollen, kruidpollen en huisstofmijt positief

7. verlaagd gehalte aan T3 in 24-uursurine

8. verhoogd lood- en kwikgehalte na DMPS/zink-DTPA-provocatie

Conclusie:

1. Partiële bijnierinsufficiëntie

2. Groeihormoondeficiëntie

3. Lood- en kwikintoxicatie

4. Insomnia

Behandeling:

1. Hydrocortison 7,5-15 mg

2. DHEA 25 mg

3. Zolpidem, Rivotril, mirtazepine en natuurlijke middelen i.v.m. insomnia

4. DMSA, Calcium-EDTA, Chlorella

5. Natuurlijke groeihormoonstimulatie (Rejuvenal Senior)

6. Natuurlijke immuunstimulatie met Samento Cat’s Claw

7. Mitochondriale stimulatie met coenzym Q10 en NADH".

2.15. Achmea heeft hierop bij brief van 7 maart 2006 (productie 16 van Achmea) gereageerd:

"Medische informatie

Uw aanvullende toelichting en een kopie van de brief van het Biologisch Medisch Centrum (d.d. 11 januari 2006) geven voor ons geen aanleiding om ons standpunt te wijzigen.

(...)

Te goeder trouw

(...)

Indien blijkt dat de gesprekken niet in 1997 maar in 1994 hebben plaatsgevonden, zou u dit evengoed toch hebben moeten melden en zou dit geleid hebben tot een uitsluiting.

Vervolg

Indien u zich niet kan verenigen met ons standpunt, staat het u vrij om uw rechtsbijstandsverzekering in te schakelen. Daarnaast kunt u zich ook wenden tot de volgende instantie:

Stichting Klachteninstituut Verzekeringen (...)".

2.16. Partijen zetten de discussie voort bij brief, waarbij [eiseres] inmiddels door haar raadslieden werd vertegenwoordigd.

2.17. Op verzoek van [eiseres] heeft [psychiater 2] op 27 maart 2007 een tweede verklaring opgeschreven waarin staat:

"Hierbij verklaar ik (...) dat ik in het verleden zowel mevrouw [eiseres] als medewerkers van haar onderneming meerdere jaren en bijgestaan als personal coach.

In deze functie heb ik met mevrouw [eiseres] en de medewerkers van haar onderneming vooral gewerkt aan organisatorische en communicatieve problemen binnen de onderneming van mevrouw [eiseres].

Van psychotherapie was geen sprake, het betrof hier een zakelijk coachingtraject.

Ik ben bereid zulks, indien nodig, in rechte onder ede te verklaren."

3. De vordering

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair

1. voor recht zal verklaren dat de gezondheidsklachten van [eiseres] een lichamelijke oorzaak hebben;

2. voor recht zal verklaren dat de lichamelijke klachten van [eiseres] vanaf de datum van 1 maart 2005 leiden en hebben geleid tot beroepsarbeidsongeschiktheid aan haar zijde en dat [eiseres] sedert 1 maart 2005 voor een percentage van 100% als beroepsarbeidsongeschikt dient te worden beschouwd;

3. voor recht zal verklaren dat Achmea gehouden is om [eiseres] met terugwerkende kracht sedert 1 maart 2005 een uitkering te verstrekken die overeenkomt met haar mate van arbeidsongeschiktheid, zijnde 100%;

4. Achmea zal veroordelen tot het verrichten van een (na)betaling aan [eiseres] van een bedrag, gelijk aan de uitkeringen die Achmea [eiseres] schuldig is conform de 100% arbeidsongeschiktheid aan de zijde van [eiseres] over de periode 1 maart 2005 tot en met de datum van dit vonnis inclusief de daarover beschuldigde wettelijke rente vanaf 1 maart 2005 tot en met de dag der algehele voldoening en de gemaakte buitengerechtelijke kosten en wel binnen twee dagen na dit vonnis;

5. voor recht zal verklaren dat Achmea, door in februari 2005 te verklaren dat zij

[eiseres] met terugwerkende kracht geen uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid ten gevolge van psychische klachten zal doen toekomen, in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld en Achmea zal veroordelen om [eiseres], in het geval zij in de toekomst voor meer dan 25% arbeidsongeschikt raakt ten gevolge van psychische klachten en er dan tussen partijen nog immer een arbeidsongeschiktheidsverzekeringsovereenkomst bestaat, een geldelijke uitkering te doen toekomen die overeenkomt met de mate van beroepsarbeidsongeschiktheid van [eiseres] in dat geval;

6. Achmea zal veroordelen in de kosten van dit geding.

Subsidiair

Voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat het geen [eiseres] primair vordert niet geheel voor toewijzing vatbaar is, vordert [eiseres] dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

1. voor recht zal verklaren dat de gezondheidsklachten van [eiseres] een lichamelijke oorzaak hebben;

2. voor recht zal verklaren dat de lichamelijke klachten van [eiseres] vanaf de datum van 1 maart 2005 leiden en hebben geleid tot beroepsarbeidsongeschiktheid aan haar zijde en dat [eiseres] sedert 1 maart 2005 voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage als beroepsarbeidsongeschikt dient te worden beschouwd;

3. voor recht zal verklaren dat Achmea gehouden is om [eiseres] met terugwerkende kracht sedert 1 maart 2005 een uitkering te verstrekken die overeenkomt met haar door de rechtbank in goede justitie vast te stellen mate van arbeidsongeschiktheid;

4. Achmea zal veroordelen tot het verrichten van een (na)betaling aan [eiseres] van een bedrag, gelijk aan de uitkeringen die Achmea [eiseres] schuldig is en overeenkomstig een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen mate van arbeidsongeschiktheid aan de zijde van [eiseres] over de periode 1 maart 2005 tot en met de datum van dit vonnis inclusief de daarover beschuldigde wettelijke rente vanaf 1 maart 2005 tot en met de dag der algehele voldoening en de gemaakte buitengerechtelijke kosten en wel binnen twee dagen na dit vonnis;

5. voor recht zal verklaren dat Achmea, door in februari 2005 te verklaren dat zij

[eiseres] met terugwerkende kracht geen uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid ten gevolge van psychische klachten zal doen toekomen, in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld en Achmea zal veroordelen om [eiseres], in het geval zij in de toekomst voor meer dan 25% arbeidsongeschikt raakt ten gevolge van psychische klachten en er dan tussen partijen nog immer een arbeidsongeschiktheidsverzekeringsovereenkomst bestaat, een geldelijke uitkering te doen toekomen die overeenkomt met de mate van beroepsarbeidsongeschiktheid van [eiseres] in dat geval;

6. Achmea zal veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. Aan haar vorderingen legt [eiseres] tegen de achtergrond van de vaststaande feiten het navolgende ten grondslag.

Achmea heeft [eiseres] niet door een medicus laten onderzoeken terwijl er medio 2005 en doorlopend naar 2006 tussen partijen discussie was ontstaan over de oorzaak van de gezondheidsklachten van [eiseres]. Achmea heeft ook geweigerd in te gaan op de aan haar overhandigde medische stukken waaruit blijkt dat de gezondheidsklachten van [eiseres] een lichamelijke oorzaak hadden en hebben. Ook heeft Achmea de verklaring van [psychiater 2] van 27 maart 2007 volstrekt genegeerd. [eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van de Achmea, zowel ten aanzien van de uitsluiting voor psychische oorzaken als ten aanzien van de suggestie dat de klachten van [eiseres] daarmee verband houden. Zij heeft steeds ontkend psychologische klachten te hebben en verzocht om een lichamelijk onderzoek en/of een hernieuwd psychisch onderzoek.

Bij het aangaan van de verzekering was [eiseres] zich er niet van bewust dat zij de begeleiding die zij begin jaren ‘80 van Nevejan had gehad, moest melden. [psychiater 2] is nooit haar psychotherapeut geweest en is alleen opgetreden als coach. Dat was in 1985. In 2001 en 2002 heeft [psychiater 2] [eiseres] en haar mededirecteur/echtgenoot gecoacht.

De arbeidsdeskundige heeft in algemene zin onderzoek gedaan maar niet onderzocht of [eiseres] met haar beperkingen in staat was om haar beroep van architect uit te oefenen en haar onderneming te leiden. Zij is immers voor beroepsarbeidsongeschiktheid verzekerd. Ook wees [eiseres] de arbeidsdeskundige nog eens op haar medische dossier maar dit alles mocht niet baten. Ook uit de brief van de voor advies ingeschakelde medisch adviseur en arts M.H.A. van Andel (productie 4 van [eiseres]) blijkt dat de beroepsarbeidsongeschiktheid van [eiseres] een duidelijk aantoonbare lichamelijke oorzaak heeft. Van Andel heeft na bestudering van het medisch dossier en zelfstandig onderzoek geconcludeerd dat sprake is van een overbelaste lever, een niet goed functionerende hypothalamus-hypofyse-bijnier-as (betreffende de hypofyse, schildklier, bijnier en bijnierschors) en een candida-infectie. De darminfecties komen na behandeling steeds weer terug. Deze aandoeningen leiden tot klachten als insomnia, spier- en/of gewrichtspijnen, insuline resistentie, uitputtingsverschijnselen, concentratieverlies et cetera. Van Andel komt tot de conclusie dat het zeer onwaarschijnlijk is dat [eiseres] slechts voor minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn.

Door haar klachten is [eiseres] gedwongen geweest haar onderneming te verkopen nadat het jaren minder is gegaan vanwege de verminderde inzet van haar. Haar bloeiende onderneming zou zij nimmer hebben afgebouwd als ze daartoe niet was gedwongen door haar fysieke beperkingen.

[eiseres] dient een uitkering te ontvangen die overeenkomt met haar volledige beroepsarbeidsongeschiktheid, arbeidsongeschiktheidklasse 80 -100%. Het bevreemdt [eiseres] dat zij nog steeds de volledige premie aan Achmea moet blijven voldoen. Indien Achmea op de hoogte was geweest van de ware stand van zaken is de vraag of zij overgegaan was tot uitsluiting. Ten hoogste had Achmea [eiseres] kunnen verplichten tot het betalen van een hogere premie. In het licht van de redelijkheid en billijkheid moet Achmea de toegevoegde uitsluitingsclausule weer verwijderen. Zij moet tevens de uitbetaling van de uitkering weer volledig hervatten. Daartoe is Achmea ook gesommeerd bij brief van 8 augustus 2007.

4. Het verweer

4.1. Achmea concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de vorderingen van [eiseres] af zal wijzen en haar zal veroordelen in de kosten van de procedure.

4.2. Aan haar verweer legt Achmea het navolgende ten grondslag.

Achmea heeft op grond van de artikelen 7, 8 en 12 van de algemene verzekeringsvoorwaarden telkens de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiseres] vastgesteld en uiteindelijk de arbeidsongeschiktheidsuitkering gestaakt nadat ze had vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 25 procent beliep. Het besluit [eiseres] met ingang van 1 februari 2006 niet langer een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen is gebaseerd op een juiste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiseres] dan wel een juiste mate van waardering van de door haar uiteengezette klachten. Uit het door [eiseres] overgelegde medisch dossier volgt niet dat er sprake is van zodanige beroepsarbeidsongeschiktheid dat [eiseres] recht op uitkering heeft. Achmea verwijst ook naar hetgeen haar medisch adviseur ter weerlegging van de bevindingen van de door [eiseres] ingeschakelde deskundige heeft aangevoerd in de bijlage bij brief van Achmea van 28 augustus 2007 (productie 22 van Achmea). Betwist wordt dat ten gevolge van de fysieke conditie van [eiseres] het architectenbureau slecht renderende en moest worden opgegeven.

5. De beoordeling

5.1. In de kern strijden partijen over twee onderwerpen. Ten eerste het besluit van Achmea een uitsluitingclausule voor psychische oorzaken van arbeidsongeschiktheid van toepassing te verklaren op de overeenkomst. Ten tweede de bepaling door Achmea van de mate waarin [eiseres] arbeids(on)geschikt is sedert 1 maart 2005.

De uitsluitingclausule

5.2. De stelling van [eiseres] wordt aldus begrepen dat zij zich op het standpunt stelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Achmea (alsnog) een uitsluitingclausule voor psychische oorzaken van arbeidsongeschiktheid van toepassing heeft verklaard. Bij toepassing van deze maatstaf dient de rechter zeer terughoudend te zijn.

5.3. Aan haar stelling legt [eiseres] voornamelijk ten grondslag dat [psychiater 2] aanvankelijk onjuist heeft verklaard (zie onder 2.7) over de contacten die zij met hem heeft gehad. Volgens haar waren die eerste contacten niet - uitgaande van 2005 - acht jaar geleden, maar vonden die veel eerder, namelijk in 1992 tot en met 1994 plaats. Daarnaast stelt zij dat de gesprekken niet over persoonlijkstoornissen gingen maar over bedrijfsmatige keuzes die zij moest maken.

5.4. Geoordeeld wordt dat in onderhavig geval onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die ertoe nopen te oordelen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Achmea (alsnog) een uitsluitingclausule voor psychische oorzaken voor arbeidsongeschiktheid op de overeenkomst van toepassing heeft verklaard. Tussen partijen staat vast dat [eiseres] bij het aangaan van de overeenkomst in 1999 geen melding heeft gemaakt van ondergane psychotherapie in het verleden. In zijn rapport heeft Hummelen wat [eiseres] hem heeft verteld, opgenomen. Zij heeft destijds aan hem verteld dat zij van haar 30e tot 37e (1980-1987) jaar groepstherapie heeft gehad en dat zij van haar 42e tot 44e jaar (1992-1994) in individuele therapie is geweest in verband met negatieve patronen. Psychiaters [psychiater 2] en/of Nevejan hebben haar gediagnosticeerd als iemand met een meervoudige persoonlijkheidsstoornis. Ter zitting heeft [eiseres] verklaard dat zij destijds in elk geval een meervoudige persoonlijkheidsstructuur had. Hummelen heeft op zijn beurt deze diagnose niet (geheel) van toepassing geacht maar op AS II persoonlijksproblematiek gediagnosticeerd in de zin van een zeer sterke controlebehoefte. Daarnaast spreekt hij van een ongedifferentieeerde somatoforme stoornis (burn out ) op AS I. Genoemde factoren, in onderling verband bezien, hebben Achmea in redelijkheid kunnen doen besluiten psychische oorzaken voor arbeidsongeschiktheid met terugwerkende kracht uit te sluiten.

Vaststelling van de arbeidsongeschiktheid

5.5. Gelet op bovenstaand oordeel is Achmea slechts gehouden verzekeringspenningen uit te keren indien [eiseres] arbeidsongeschikt is vanwege lichamelijke oorzaken. Artikel 7 van de algemene verzekeringsvoorwaarden (bijlage bij productie 1 van [eiseres]) bepaalt voor zover van belang:

"Vaststelling van de mate van de arbeidsongeschiktheid

1. De verzekeraar stelt zelf de mate van arbeidsongeschiktheid vast aan de hand van de verstrekte informatie welke de verzekeraar heeft ontvangen van medische en andere deskundigen.

2. De verzekeraar heeft het recht om de mate van arbeidsongeschiktheid te herbeoordelen, zolang de uitkering voortduurt."

5.6. Tussen partijen staat vast dat binnen het kader van hun overeenkomst de beperkingen van de verzekerde moeten worden beoordeeld naar de maatstaven van de reguliere geneeskunde. In onderhavig geval is de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiseres] vastgesteld door de arbeidsdeskundige Jansen (zie onder 2.11) op basis van een door Maarseveen opgesteld belastbaarheids- en beperkingenprofiel. Dit profiel bevindt zich echter niet bij de stukken. Ter zitting heeft Maarseveen toegelicht dat hij beperkingen heeft geduid op grond van het huisartsenjournaal, de uit het medische dossier blijkende verhoogde waarden van

leverenzymen en de door [eiseres] gemelde fybromyalgie. Er is volgens hem niet gekozen voor nader medisch onderzoek omdat hij niet twijfelde aan het klachtenpatroon. Alleen bij twijfel wordt een specialist geraadpleegd, aldus Maarseveen.

5.7. Bij gebreke van enig stuk of nadere onderbouwing wordt er van uitgegaan dat Maarseveen geen beperkingen aanwezig heeft geacht vanwege de door het Universitair Medisch Centrum Utrecht in juni 2004 diagnostiseerde degeneratieve afwijkingen op niveau C-4-5 en een degeneratieve discus op niveau L5-S1 (bijlage bij productie 3 van [eiseres]). Verder heeft hij kennelijk geen aanleiding gezien (alsnog) beperkingen te duiden naar aanleiding van de door [eiseres] overgelegde laboratoriumgegevens (bijlagen bij productie 3 van [eiseres]):

- van het algemeen medisch laboratorium te Antwerpen van 28 oktober 2004

- van het Europees laboratorium voor nutrienten te Bunnik van 23 september 2004

- van het Streeklaboratorium voor de volksgezondheid te Haarlem van 27 september 2004

- van RP-Vitamino Analytic/SKB-Instituut te Kamperland van 24 september 2004

- van SALTRO te Utrecht van 16 en 17 september 2004 en 8 juni 2006 en

- van Micro trace minerals Laboratory for environmental and clinical analysis te Hersbruck (Duitsland) van 11 maart 2005, 8 november 2005 en 27 maart 2006 .

5.8. Voor het geval de verzekerde het niet eens is met de door de verzekeraar vastgestelde arbeidsongeschiktheid bepaalt artikel 7 van de algemene verzekeringsvoorwaarden:

"3. De verzekerde wordt zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

4. Als de verzekerde het niet eens is met de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid door de verzekeraar, moet hij dit binnen 30 dagen meedelen aan de verzekeraar."

Niet in geschil is dat [eiseres] tijdig heeft meegedeeld dat zij het oneens was met de bepaalde mate van arbeidsongeschiktheid. Zoals namens Achmea ter zitting onweersproken is verklaard, heeft de verzekerde naar aanleiding van zijn bezwaar geen recht op een contra-expertise, maar kan hij zich wenden tot het klachteninstituut of de burgerlijke rechter. Het laatste heeft [eiseres] uiteindelijk gedaan.

5.9. [eiseres] heeft het arbeidsongeschiktheidsoordeel en de door Maarseveen geduide beperkingen bestreden. Ter onderbouwing verwijst zij naar haar medisch dossier en een (ongedateerde) brief (productie 4 van [eiseres]) van M.H.A. van Andel, arts en orthomoleculair therapeut, werkzaam bij De Bron, praktijk voor orthomoleculaire geneeskunde volgens de psycho-neuro-immunologie (hierna: Van Andel). In de brief staat, voor zover thans van belang:

"(...) was het noodzakelijk om aanvullend ontlasting- en urineonderzoek te doen, teneinde de huidige stand van zaken beter te kunnen beoordelen.

De uitslag van het ontlastingonderzoek geeft duidelijk een disfunctionerende darm aan, met een actieve candida-infectie. Dit heeft allerlei consequenties (...).

Door een overbelaste lever ontstaan klachten als moeheid, spier- en of gewrichtspijn, gewichtstoename, insulineresistentie, waardoor de glucose niet goed benut kan worden door de cellen en zij daardoor minder energie hebben, etc.

Het ontlastingonderzoek geeft tevens aan dat het zinvol is om eveneens op parasieten te testen.

Het urineonderzoek laat zien dat de hypothalamus-hypofyse-bijnier-as niet goed functioneert. Dit is de dominante regulerende as in het lichaam.

(...)

Al met al is het een complex beeld waarbij het een en ander duidelijk met elkaar samenhangt.

Als antwoord op de door u gestelde concrete vragen, het volgende:

1. De gezondheidsklachten van cliënte hebben een duidelijk aantoonbare lichamelijke oorzaak, zoals ik hierboven in het kort heb weergegeven.

2. De klachten worden door deze lichamelijke problemen veroorzaakt, zoals continue moeheid, gebrek aan energie, concentratiestoornissen, slaapstoornissen, kouwelijkheid, pijnen, darmproblemen, slijmvliesproblemen, huidproblemen

3. U hebt mij verteld dat de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van uw cliënte meent dat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn. Gezien de complexiteit en de ernst van de bij uw cliënte geconstateerde stoornissen, acht ik dit zeer onwaarschijnlijk. Het klachtenpatroon en de uitslagen van eerdere onderzoeken in acht nemend, kan ik concluderen dat deze stoornissen al een aantal jaren bestaan, waardoor uw cliënte al langere tijd arbeidsongeschikt is. Vanwege de complexiteit van de aandoening en het feit dat het al een aantal jaren bestaat, is een adequate behandeling een ingewikkelde zaak. In dit stadium is het moeilijk om een concrete uitspraak te doen over het genezingsproces."

5.10. Achmea heeft bij productie 22 de reactie van Maarseveen van 28 augustus 2007 op de door [eiseres] toegestuurde medische stukken in het geding gebracht. In die reactie staat onder meer het navolgende:

"Mijn reactie op deze constateringen [van Van Andel, rb]:

De arts die genoemde constateringen heeft gedaan, stelt niet dat er geen sprake zou kunnen zijn van een percentage arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% maar dat dit onwaarschijnlijk is. (...)

Het genoemde ziektebeeld wordt door mij overigens niet als oorzaak van de klachten beschouwd. Ik heb geen medische regulier, objectieve redenen aan te nemen dat de klachten voortkomen uit dit stofwisselingsproces. Er is geen aanwijzing voor het bestaan van een endocrinologisch ziektebeeld dat aanleiding is voor het stellen van medische beperkingen. Vanzelfsprekend zullen wij bereid dienen te zijn dit door een endocrinoloog te laten herbeoordelen.

Bij regulier lab.-onderzoek (kweek door SATRO) werd geen oorzaak voor de diarree gevonden. Dat er een candida als oorzaak wordt aangevoerd is hier niet bevestigd en voor mij ter beoordeling van de belastbaarheid ook niet relevant."

5.11. Vooropgesteld moet worden dat het vanaf februari 2005 van groot belang was voor [eiseres] dat Achmea zorgvuldig zou onderscheiden tussen lichamelijke en psychische oorzaken van haar arbeidsongeschiktheid, nu de psychische oorzaken waren uitgesloten. Dit, terwijl het lastig is - zoals Maarseveen ook ter zitting heeft toegelicht - de oorzaak van in het bijzonder vermoeidheidsklachten met zekerheid vast te stellen. In onderhavig geval wordt geoordeeld dat Achmea in die vereiste mate van zorgvuldigheid is tekortgeschoten. Weliswaar kan aan Maarseveen worden toegegeven dat de behandelend arts van [eiseres] en ook Van Andel alternatieve geneeskunde bedrijven, maar daarmee is niet voldoende weersproken de stelling van [eiseres] dat uit de laboratoriumanalyses volgt dat haar organen onvoldoende functioneren en dat haar klachten daaruit te verklaren zijn. De opmerking van Maarseveen ter zitting dat de waarden en referentiewaarde van de laboratoriumuitslagen geen betekenis hebben in de reguliere geneeskunde, kan zonder nadere motivering, die evenwel ontbreekt, niet zomaar gevolgd worden. Datzelfde geldt voor de ongemotiveerde opmerking dat er geen medisch regulier objectieve reden is aan te nemen dat de klachten voortkomen uit het stofwisselingsproces. Daarbij verdient opmerking dat Maarseveen in zijn brief van 28 augustus 2007 nog meldt dat "wij bereid dienen te zijn dit [het endocrinologische beeld, rb] door een endocrinoloog te laten beoordelen." maar daartoe niet is overgegaan. De ter zitting gegeven verklaring dat deze opmerking meer als therapeutische suggestie bedoeld was, doet hier niet aan af en verhoudt zich overigens niet met de bewoordingen in de brief.

5.12. Het voorgaande brengt mee dat [eiseres] haar stelling dat Achmea de mate van arbeidsongeschiktheid met onvoldoende oog voor lichamelijke oorzaken en daardoor onjuist heeft vastgesteld in voldoende mate heeft onderbouwd om tot bewijs van haar stelling te worden toegelaten.

5.13. Het wordt nodig geacht voor die bewijslevering een deskundigenbericht in te winnen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zullen partijen in de gelegenheid gesteld worden zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben.

5.14. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van de interne geneeskunde en zij denkt daarbij aan prof. dr. J.H. Bolk (LUMC) of prof.dr. A.F.H. Stalenhoef (UMC St. Radboud) en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1. Welke klachten noemt [eiseres] tegenover u?

2. Welke lichamelijke afwijkingen kunt u bij [eiseres] vaststellen? Kunnen deze afwijkingen de door [eiseres] aangegeven klachten geheel of gedeeltelijk verklaren?

3. Indien de klachten niet geheel door lichamelijke afwijkingen kunnen worden verklaard: kunnen de door [eiseres] aangegeven klachten geheel of gedeeltelijk worden verklaard op grond van andere resultaten van uw onderzoek en eventueel hulponderzoek (waarvoor u, indien u dat wenselijk acht, ook een door uzelf te benaderen reumatoloog, endocrinoloog of CVS-deskundige kunt inschakelen)?

4. Hoe luidt uw diagnose?

5. Bestaan de door [eiseres] genoemde klachten en eventuele afwijkingen al vanaf 1 maart 2005? Zo ja, in welke mate?

6. Zijn er wellicht andere factoren die een bijdrage leveren aan de door [eiseres] genoemde klachten en zo ja, in welke mate?

7. Welke beperkingen ondervindt [eiseres] naar uw oordeel bij de beroepsuitoefening?

8. Bent u in staat zelf een belastbaarheids- en beperkingenprofiel op te stellen (zonodig aan de hand van een door partijen te verschaffen formulier)? Zo nee, wilt u de beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en zo nodig toelichten?

9. Acht u expertise op een ander vakgebied nog wenselijk en zo ja, op welk vakgebied?

10. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

5.15. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [eiseres] moeten worden betaald.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 augustus 2008 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage,

6.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.C.M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2008.