Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD8959

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
30-07-2008
Zaaknummer
90449 - HA ZA 07-1221
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2009:BJ1005, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzegging duurovereenkomst op een termijn van twee dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 90449 / HA ZA 07-1221

Vonnis van 25 juni 2008

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland

[eiseres] GMBH & CO.KG,

gevestigd te Neuenrade (Duitsland),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. B.C. Strohm,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te Ulft,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. C.B. Gaaf,

advocaat mr. J.A. Mulder te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 maart 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 24 april 2008

- de conclusie van antwoord in reconventie.

2. De feiten

2.1. [eiseres] heeft vanaf 1985 tot 2005/2006 ankers en andere bevestigingsmaterialen geleverd aan de ondernemer [naam vorige eigenaar], hierna: [naam vorige eigenaar], die deze op zijn beurt doorverkocht aan zijn afnemers. In 2005/2006 heeft [naam vorige eigenaar] zijn onderneming aan de heer [eigenaar gedaagde BV] verkocht die de onderneming heeft ondergebracht in [gedaagde]. [eiseres] was de voornaamste leverancier van [gedaagde] die bijna dagelijks materialen voor de betonbouw bij haar kocht.

2.2. Een brief van 18 juli 2006 (productie 5 bij conclusie van antwoord/eis) bevat de met ingang van 1 mei 2006 tussen partijen geldende afspraken. In deze brief staat onder meer het volgende:

„(…)

1. Die Firma [eiseres] ist der Hauptzulieferer der Firma [naam] mit einem Jahresumsatz von zur Zeit ca. 800.000 €.

(…)

7. Die Firma [naam vorige eigenaar] kauft und verkauft die Produkte in eigenem Namen, auf eigene Rechnung und auf eigenes Risiko.

8. Die Firma [eiseres] gewährt der Firma [naam vorige eigenaar] ein Zahlungsziel von 60 Tagen netto ab Rechnungsdatum.

9. Als Höchstkreditlimit werden bis zum Jahresende 2006 125.000 € vereinbart.

10. Die Firma [naam vorige eigenaar] bezahlt wöchentlich –immer Montags – 10.000 € als a-Konto Zahlung für die zur Zahlung fälligen Rechnungen. Bei einem höheren monatlichen Umsatz von z.B. 60.000 – 90.000 € erhöht sich die wöchentliche Zahlung auf 15.000-20.000 € im Jahr 2007. Am 20. des Monats werden alle fälligen Rechnungen ./. der geleisteten a-Konto Zahlungen bezahlt.

(…)“

2.3. In een e-mailbericht van [medewerker[medewerker eiseres] van [eiseres], hierna: [medewerker eiseres], aan [eigenaar gedaagde BV] van [gedaagde] van 8 november 2006 (productie 9 bij conclusie van antwoord in reconventie) staat onder meer het volgende:

“(…)

Sie haben bei unserem letzten Gepräch gesagt, dass Sie keine Lust haben ständig mit uns über Zahlungen zu sprechen. Mit Herrn [medewerker 2 eiseres ] habe ich über unsere Angelegenheit gesproken und Herrn [medewerker 2 eiseres ] gefällt folgendes nicht.

1. Die versprochenen wöchentlichen A-Konto Zahlungen in Höhe von 10.000 € kommen seit einigen Wochen nicht mehr.

2. Die vereinbarten Abrechnungen zum Monatsende (Unser Punkt 10) erhalten wir nicht ohne Erinnerung.

3. Am 31. Oktober haben Sie uns ein Zahlungsavis über 12.698,02 € geschickt, bis heute ist der Wert noch nicht auf unserem Konto eingegangen.

4. Der Saldo Ihres Kontos beträgt zur Zeit 202.466,65 €. Davon sind aktuell 46.965 € zur Zahlung fällig.

5. Die Abrechnung zum 31. Oktober 2006 haben wir noch nicht erhalten.

Ich muss mir hier im Haus jede Lieferung über dem vereinbarten Limit (zur Zeit 150.000 €) ab Anfang 2007 125.000 €) von Herrn [medewerker 2 eiseres ] genehmigen lassen. (…)“

2.4. In een per e-mail verzonden brief van 28 november 2006 van [eiseres] aan [gedaagde] (productie 10 bij conclusie van antwoord in reconventie) staat onder meer het volgende:

“(…)

Wie Sie aus der Tabelle ersehen können, erbat sich der offenen Saldo von Monat zu Monat auf. Das war in unserer Vereinbarung, die von Ihnen Herr [eigenaar gedaagde BV] so gewünscht wurde, nicht vorgesehen. Wo soll das Enden ?

(…)

Eine Geschäftsbeziehung funktioniert nur so lange, wie beide Seiten zufrieden sind, ich bin nicht mehr einverstanden mit dem weiteren Aufbau der offenen Zahlungen. Der Saldo sollte lt. unserer schriftlichen Vereinbarung abgebaut werden. Ich brauche von Ihnen eine klare Darstellung wie und wann Sie diesen Trend stoppen wollen und wann wir mit pünktlicher Bezahlung unserer Leistungen rechnen können. Punkte 9 und 10 unserer schriftlich unterzeichneten Vereinbarung vom 18.07.2006. (…)“

2.5. In een brief van 30 juli 2007 van de heer J. [medewerker 2 eiseres ] van [eiseres], hierna: [medewerker 2 eiseres ], aan [eigenaar gedaagde BV] van [gedaagde] (productie 6 bij conclusie van antwoord/eis) staat het volgende:

“(…) Unsere gemeinsam getroffene Vereinbarung vom 18.7.2006 (Anlage) ist nicht deckungsgleich mit dem aktuellen Saldo van z.Zt € 226.355,73

Ich gewähre Ihnen zurzeit neben der Geschäftskreditlinie von € 125.000,-- einen zinslozen ungesicherten Kredit über € 100.000,--, für den ich privat hafte. Ich muss mir das Geld gegen Sicherheiten und einen Zinssatz von über 10% von der Bank leihen.

Ich bin am 15. August 2007 von einer längeren Geschäftsreise zurück. Bis dahin erwarte ich von Ihnen eine verlässliche Zusage, wie eine zukünftige Regelung zur beiderseitigen Zufriedenheit lauten kann.(…)“

2.6. In een faxbericht van 31 juli 2007 van [eiseres] aan [gedaagde] (productie 16 bij conclusie van antwoord in reconventie) staat onder meer het volgende:

“(…)

Aktuell haben wir 226.969,23 € als offene Forderung gebucht. Bis Montag 6.8.07 müssten Sie die zur Zahlung fällige Summe über 54.403,06 € auf unser Konto überwiesen haben.

Wir müssten bei Nichteinhaltung der ,,Zahlungsfrist am 6.8.2007 ,, unsere Warenkreditversicherung hierüber informieren.

Diese Information an unseren Versicherer könnte uns beiden den Versicherungsschutz kosten.

Dieses darf auf keinen Fall passieren.

Sie müssen morgen mit Ihrer Hausbank sprechen, damit wir so schnell wie möglich die Überweisung von Ihnen erhalten und Sie von dem hohen Saldo runterkommen.

Wenn Sie uns heute telefonisch sagen, dass Sie sich das Geld für unsere Forderung nicht leihen wollen, so haben wir hierfür kein Verständnis. Wie haben uns bei unserer Hausbank auch das Geld leihen müssen und sind in der Verpflichtung dieses in 3 Wochen zurückzuzahlen.

Wir haben pünktlich und schnell gute Ware geliefert und ein 60 Tage Zahlungsziel mit ihnen vereinbart.

Bitte schicken Sie uns morgen ein Fax mit einem verbindlichen Zahlungsvorschlag. (…)“

2.7. In een faxbericht van [gedaagde] aan [eiseres] van 3 augustus 2007 (productie 15 bij conclusie van antwoord in reconventie) staat het volgende:

“(…)

In Woche 32. Dienstag 7 Aug. bezahlen wir € 15.000,00

Dann Versuchung wir in Woche 33 wieder € 15.000,00//€ 20.000,00

In Woche 33 haben wir einen Termin mit de Bank.

Wider willen Versuchung ob ende duze Monat, bei Limit von € 125.000,00 // € 150.000,00 zu zehn. (…)“

2.8. Op 29 augustus 2007 stuurt [eiseres] aan [gedaagde] een fax met de volgende inhoud (productie 17 bij conclusie van antwoord in reconventie):

“(…)

Die Finanzbuchhaltung hat am 27.08.2007 € 83.895,77 € zum 3. September 2007 zur Bezahlung fällig gestellt.

Es handelte sich hier schon um die ***Letzte außergerichtliche Mahnung ***.

Als 3. Mahnung sind 4.999,90 € fällig.

Als 2. Mahnung sind 33.434,23 € fällig.

Als 1. Mahnung sind 45.461,64 € fällig.

Wenn wir bis zum 3. September 2007 bei dieser Mahnsituation keinen Zahlungseingang zu den 3. und 2. Mahnungen über 38.434,13 € auf unserem Konto als Eingang verbuchen können, sind wir gezwungen unseren Warenkreditversicherer hierüber zu informieren. Hierüber haben wir uns in der letzten Zeit mehrfach unterhalten.

Wir befinden uns jetzt schon in einer schwierigen Situation. Sie und wir gefährden den bestehenden Versicherungsschutz, wenn wir nicht von Ihnen sehr kurzfristig die Überweisung und eine verbindliche Zusage erhalten wie es weiter geht, damit wir auf das vereinbarte Limit von 125.000 € kommen.

Der aktuelle Saldo beträgt 195.695,63 €. Morgen sollen wir Waren in Höhe von 16.300 € abschicken, dann wäre der Saldo ca 212.000 €. „

Bitte geben Sie mir hierzu noch heute per Fax eine Antwort.(…)“

2.9. Op 6 september 2007 heeft een bespreking tussen partijen plaatsgevonden, waarbij [eigenaar gedaagde BV] meedeelde dat hij op 7 september 2007 een gesprek met de bank zou hebben, dat de bank € 400.000,-- aan [gedaagde] er beschikking zou stellen en dat [eiseres] daarvan een bedrag van circa € 75.000,-- zou krijgen. [eigenaar gedaagde BV] zegde toe het precieze betalingsverloop per fax van 10 september 2007 aan [eiseres] te bevestigen. Dit heeft hij niet gedaan.

2.10. Bij brief van 18 september 2007 (productie 1 akte overlegging producties) heeft de raadsman van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd uiterlijk 21 september 2007 een bedrag van € 111.771,71 aan [eiseres] te voldoen. Daarbij is meegedeeld dat [eiseres] geen goederen meer aan [gedaagde] zou leveren voordat in ieder geval de vervallen facturen zouden zijn betaald.

2.11. Bij brief van 27 september 2007 (productie 2 akte overlegging producties) heeft de raadsman van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd het totaalbedrag van hoofdsom, rente en kosten, dat op dat moment een bedrag van € 69.675,25 beliep, uiterlijk op 1 oktober 2007 te voldoen. Voorts staat in die brief het volgende:

“(…) Onafhankelijk van de van uw verwachte betaling en gelet op de door u gepleegde contractsbreuk door het ondanks herhaalde sommatie niet betalen van de vervallen facturen van cliënte beëindig ik bij deze namens cliënte de samenwerking met u per 30 september 2007. Voor zover vereist ontbind ik in het kader daarvan namens cliënte alle (algemene) overeenkomsten tussen cliënte en u (met uitzondering van de aan de openstaande facturen ten grondslag liggende koopovereenkomsten) per dezelfde datum.

Deze in feite per direct ingaande beëindiging en ontbinding is gerechtvaardigd, omdat u tot op het laatst weigerachtig blijft aan uw contractuele verplichtingen te voldoen en in plaats daarvan telkens opnieuw voorwaarden (verdere leveringen) aan het nakomen van uw verplichting meent te mogen stellen. Bovendien heeft u herhaaldelijk betalingen aan cliënte beloofd en deze beloftes uiteindelijk dan toch niet waargemaakt, of in ieder geval niet zoals beloofd. Tezamen met de verwijtende en deels beledigende toon van uw correspondentie aan cliënte laat u cliënte geen andere keuze dan te concluderen, dat van het voor de voortzetting van de relatie vereiste minimale wederzijdse vertrouwen geen sprake meer is.

Voor het geval dat voornoemde redenen de ontbinding per direct niet rechtvaardigen, ontbind ik namens cliënte reeds nu voor alsdan, voor zover vereist, alle (algemene) overeenkomsten tussen cliënte en u (met uitzondering van de aan de openstaande facturen ten grondslag liggende koopovereenkomsten) per 30 november 2007 en dus met een gelet op de duur van de samenwerking redelijke en billijke termijn van 2 maanden.

(…)

Tot aan het einde van de samenwerking zal cliënte geen goederen en/of diensten meer aan u leveren dan tegen vooruitbetaling of voldoende zekerheid. Daarnaast dienen voor de aanvaarding van enig opdracht van u eerst alle op dat moment vervallen, oude facturen, alsmede de hierbij gevorderde rente en kosten door u te zijn betaald.(…)”

2.12. [eiseres] heeft, ter voorkoming van grotere schade bij derden, tot en met 5 oktober 2007 nog enkele kleinere bestellingen van [gedaagde] uitgeleverd.

2.13. In een overzicht van [gedaagde] van betalingen in de maanden januari tot en met oktober 2007 (productie 7 bij conclusie van antwoord/eis) staat onder meer het volgende:

“(…)

-627.260,27

Is de omzet over 9 maanden. Plus de betalingen die nog openstonden. Dat was gemiddeld ca € 180.000,00 Dus ca € 55.000,00 boven het limiet Na september is er niets meer door [eiseres] geleverd. Wij hebben dus ca € 180.000,00 - € 69.673,71 = € 110.326,29 in 2 maanden extra verlaagd. Er staat nu nog van het laatste overzicht met d.d. 17 oktober 2007, een bedrag van open van: € 69.673,71. Deze kan pas betaald worden na aftrek van achter gebleven bouten en schades die ontstaan zijn door de handelswijze van de firma [eiseres].”

2.14. [gedaagde] is aan hoofdsom een bedrag van € 69.695,86 verschuldigd.

2.15. Partijen zijn ter comparitie overeengekomen dat de waarde van de bouten op een bedrag van € 9.750,-- kan worden gesteld en dat dit bedrag op de vordering van [eiseres] in mindering kan worden gebracht.

3. De vordering in conventie

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 71.483,86, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 69.695,86 vanaf de vervaldata van de facturen tot 5 december 2007 ad € 703,40, alsmede vanaf 6 december 2007 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiseres] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, het navolgende aan haar vordering ten grondslag.

[gedaagde] heeft de facturen al gauw na de overname niet meer binnen de afgesproken betalingstermijn van 60 dagen betaald. [gedaagde] slaagde er nooit in om alle opeisbare facturen te betalen. De vorderingen hebben regelmatig de overeengekomen kredietlimiet van € 125.000,-- overtroffen. Medio september 2007 reageerde [gedaagde] helemaal niet meer, zodat [eiseres] haar raadsman heeft gevraagd om de opeisbare vorderingen te incasseren. Op diens sommatie van 18 september 2007 heeft [gedaagde] maar een deel van het gevorderde bedrag betaald en aangeboden om de rest van de opeisbare vordering in deeltermijnen af te betalen mits [eiseres] eerst de leveringen zou hervatten. Hiertoe was [eiseres] niet bereid.

Bij brief van 27 september 2007 heeft [eiseres] de samenwerking met [gedaagde] per 30 september 2007, subsidiair per 30 november 2007, beëindigd en per dezelfde datum alle duurovereenkomsten met [gedaagde] ontbonden. Tijdens de verblijvende geldigheidsduur van de samenwerking bleef [eiseres] zich op haar opschortingsrecht beroepen.

[gedaagde] weigert, ondanks verdere sommaties, tot volledige betaling van de vordering van [eiseres] over te gaan. De wettelijke handelsrente bedraagt vanaf de vervaldatum van de facturen tot 5 december 2007 € 703,40. [eiseres] was genoodzaakt haar vordering uit handen te geven en heeft daardoor kosten gemaakt die op grond van artikel 6:96, tweede lid Burgerlijk Wetboek voor rekening van [gedaagde] komen. Conform rapport Voorwerk II worden deze kosten begroot op € 1.788,00.

4. Het verweer in conventie

4.1. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

4.2. [gedaagde] voert de volgende weren aan.

[eiseres] heeft de samenwerking tussen partijen op onrechtmatige wijze en met inachtneming van een onredelijk korte opzegtermijn beëindigd. [gedaagde] heeft hierdoor aanzienlijke schade geleden, waarvoor [eiseres] aansprakelijk is. Daarnaast zijn er nog enkele andere tegenvorderingen. [gedaagde] doet een beroep op verrekening van de vordering van [eiseres] met deze tegenvorderingen.

Het was de bedoeling van partijen dat [gedaagde] exclusief de Nederlandse markt bediende.

Ondanks groeiende fricties tussen [gedaagde] en [eiseres], heeft [eiseres], na overleg hierover tussen partijen, in juli 2007 besloten het leverancierskrediet op te trekken naar € 225.000,-- welke nieuwe afspraak is bevestigd in de hiervoor onder 2.5 weergegeven brief van 30 juli 2007.

Het roer is plotseling omgegaan bij [eiseres]. De sommatie tot betaling van het volledige openstaande saldo binnen drie dagen is gedaan zonder enige vooraankondiging en in strijd met jarenlange afspraken over leverancierskrediet, die nota bene zes weken daarvoor nog waren verruimd. Het is duidelijk dat [eiseres] vanaf dat moment het bedrijf van [gedaagde] de nek om wil draaien.

De vordering was naar aanleiding van de sommaties van [eiseres] eind september 2007 teruggelopen tot circa € 80.000,-- en eind oktober tot € 69.796,--. Ondanks de forse terugloop van de uitstaande vordering en dringende beroepen van [gedaagde] op [eiseres], heeft [eiseres] de leveringen aan [gedaagde] niet hervat. Daardoor zijn klanten van [gedaagde], sommige definitief, weggelopen en [gedaagde] kreeg grote moeite om aan zijn reguliere financiële verplichtingen te voldoen.

Uitgaande dat de brief van 27 september 2007 [gedaagde] op 28 september 2007 heeft bereikt, betekent dit een opzegtermijn van twee dagen. Dat is volstrekt onredelijk na een samenwerking van meer dan 22 jaar.

[eiseres] wilde absoluut geen overleg met [gedaagde], hoewel [gedaagde] en haar adviseurs dit bij herhaling hebben aangeboden. De schade had daardoor voor [gedaagde] beperkt kunnen blijven. Er had ten minste een opzegtermijn van enkele maanden in acht genomen moeten worden.

[gedaagde] wenst de vordering van [eiseres] te verrekenen met de in reconventie opgenomen tegenvordering. Vanwege deze tegenvordering is geen wettelijke rente en incassokosten verschuldigd.

5. De vordering in reconventie

5.1. [gedaagde] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [eiseres] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen het bedrag van € 58.323,50, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure, inclusief nakosten.

5.2. [gedaagde] legt aan haar vordering, naast hetgeen zij in conventie heeft aangevoerd, het navolgende ten grondslag.

[gedaagde] heeft in het laatste kwartaal van 2007 een margeverlies van € 56.000,-- geleden, doordat klanten wegliepen als gevolg van het niet voorhanden hebben van producten. In 2008 is hierdoor een schade van ten minste € 50.000,-- geleden. Als [eiseres] een reguliere opzegtermijn in acht had genomen, dan had [gedaagde] deze klanten kunnen behouden.

Omstreeks november 2006 is tussen partijen afgesproken dat partijen de kosten van certificeren van de producten van [eiseres] in gelijke mate zouden delen en dat [eigenaar gedaagde BV] de certificering zou aanvragen en de volledige kosten voorlopig zou voorschieten. De certificeringskosten van [naam 2] en [naam 3] FDO bedragen € 10.019,36 exclusief BTW. Nu als gevolg van de opzegging van de relatie door [eiseres], de certificeringswerkzaamheden waardeloos zijn geworden voor [gedaagde], dient [eiseres] deze kosten volledig te dragen.

De restantvoorraad van voor [eiseres] bestelde bouten dient nog te worden afgerekend. Resumerend komt de vordering van [gedaagde] op € 128.019,36, zodat na verrekening met de vordering van [eiseres], Ratering/wanders een bedrag van € 58.323,50 te vorderen heeft.

6. Het verweer in reconventie

6.1. [eiseres] concludeert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel de vorderingen af zal wijzen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

6.2. [eiseres] voert in verweer onder meer het volgende aan.

Er was geen sprake van exclusiviteit.

Er is nooit een verhoging van het leverancierskrediet tot boven het door de verzekeraar gedekte bedrag van € 125.000,-- overeengekomen. [gedaagde] kon de brief van 30 juli 2007 niet zo opvatten dat het krediet met € 100.000,- werd verhoogd, gelet op de vele sommaties en telefoongesprekken.

Uit de betalingsherinneringen en sommaties blijkt dat [eiseres] niet plotseling het roer omgooide. De gevolgen van het aanhoudende niet betalen werden in de hele correspondentie en in de gevoerde gesprekken weer en weer geschetst.

Het voortdurend niet nakomen van de betalingsverplichtingen door [gedaagde] en het herhaaldelijk niet nakomen van concrete betalingstoezeggingen vormden voldoende reden voor een opzegging per eind september 2007.

De betalingen van 7 september 2008 (circa € 20.000,--) en 11 september 2008 (circa € 15.000,--) waren bij lange niet voldoende om de schuld tot onder de kredietlimiet te brengen. Pas door de op 2 oktober 2007 ontvangen betaling van € 76.033,50 kwam het openstaande en opeisbare saldo onder de overeengekomen kredietlimiet van € 125.000,--.

7. De beoordeling

in conventie en in reconventie

7.1. Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie zullen deze tezamen worden behandeld.

7.2. Nu [eiseres] een rechtspersoon naar vreemd recht is en haar vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en wel op grond van artikel 2 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, nu [gedaagde] woonplaats heeft in Nederland.

7.3. Partijen hebben zich niet expliciet uitgelaten over het toepasselijke recht. Nu beide partijen echter verwijzen naar bepalingen uit het Burgerlijke Wetboek, wordt aangenomen dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht.

7.4. Tussen partijen is niet in geschil dat hun relatie, die bestond uit een aaneenschakeling van (koop)overeenkomsten, moet worden geduid als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Evenmin is in geschil dat [eiseres] in beginsel gerechtigd was om deze overeenkomst te beëindigen. Volgens [gedaagde] was [eiseres] echter niet gerechtigd deze overeenkomst op zo’n korte termijn op te zeggen en heeft zij, door dit wel te doen, onrechtmatig gehandeld, als gevolg waarvan [gedaagde] schade heeft geleden. Dit verweer dient, nu een wettelijke of contractuele regeling ontbreekt, te worden beoordeeld aan de hand van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval.

7.5. In het midden kan worden gelaten of de relatie, zoals [gedaagde] stelt, 22 jaar duurde dan wel enkele jaren. Zelfs indien de relatie met [gedaagde] dient te worden gezien als een voortzetting van de relatie met [naam vorige eigenaar], geldt dat in de gegeven omstandigheden naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van [eiseres] kon worden gevergd een langere opzegtermijn in acht te nemen. De rechtbank acht hierbij van belang dat de overeengekomen kredietlimiet (in ieder geval) sinds november 2006 aanmerkelijk werd overschreden en dat [gedaagde], ondanks uitdrukkelijke verzoeken en de op 6 september 2007 gemaakte afspraak, vóór de opzegging geen maatregelen heeft genomen om het openstaande saldo onder deze kredietlimiet te brengen. Te meer nu [gedaagde] ermee bekend was dat het krediet verzekerd was voor een bedrag van € 125.000,-- en dat overschrijding van de limiet tot gevolg zou kunnen hebben dat de dekking verloren zou gaan, moest het voor [gedaagde] al ruim vóór de opzegging duidelijk zijn dat [eiseres] geen genoegen meer kon nemen met een overschrijding van het krediet met ruim € 100.000,--. In het licht van de hiervoor weergegeven correspondentie van de zijde van [eiseres] moest het voor [gedaagde] eveneens duidelijk zijn dat met de brief van 30 juli 2007 geen verhoging van de kredietlimiet werd toegestaan. Dat [gedaagde] deze brief ook niet zo heeft opgevat, blijkt wel uit haar faxbericht van 3 augustus 2007, waarin uitgegaan wordt van een limiet van “€ 125.000,00// € 150.000,00”. Ook in het onder 2.13 genoemde overzicht gaat [gedaagde] uit van een kredietlimiet van € 125.000,00. Voorts is van belang dat [gedaagde], zoals onweersproken vaststaat, ook na de sommaties van 29 augustus 2007 en 18 september 2007 de vervallen facturen niet volledig voldeed. Ten slotte wordt in aanmerking genomen dat [gedaagde] niet akkoord ging met het voorstel van [eiseres] om nieuwe leveringen tegen contante betaling of betaling vooraf te doen. In het licht van voorgenoemde omstandigheden behoefde [eiseres] naar de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid, anders dan ter comparitie door [gedaagde] is betoogd, ook ná de opzegging niet te bezien of de situatie alsnog hersteld kon worden. Slotsom is dan ook dat [eiseres] geen schadevergoeding verschuldigd is aan [gedaagde] vanwege het beëindigen van de tussen hen bestaande duurovereenkomst met een opzegtermijn van twee dagen, nog daargelaten dat onvoldoende van deze schade is gebleken.

7.6. Het betoog van [gedaagde] dat de volledige certificeringskosten voor rekening van [eiseres] dienen te komen, omdat de certificeringswerkzaamheden van [naam 3] FDO BV en [naam 2] N.V. voor haar als gevolg van de opzegging door [naam 3] waardeloos zijn geworden, wordt verworpen. Uit het hiervoor overwogene volgt immers dat de opzegging door [eiseres] haar grond vindt in het feit dat [gedaagde] bij herhaling haar verplichtingen jegens [eiseres] niet nakwam. In licht van de hiervoor genoemde omstandigheden nopen de eisen van de redelijkheid en billijkheid dan ook niet tot toekenning van een schadevergoeding, bestaande uit de volledige certificeringskosten.

7.7. [gedaagde] stelt dat de afspraak over het delen van de certificeringskosten omstreeks november 2006 is gemaakt en dat daarbij is afgesproken dat [gedaagde] de certificering zou aanvragen en de volledige kosten voorlopig zou voorschieten. Nu blijkens deze stelling de certicifering nog moest worden aangevraagd en niet is gesteld of gebleken dat eveneens overeengekomen is dat reeds gemaakte kosten van certificering gedeeld zouden worden, bestaat geen grond om een deel van de met de factuur van 22 juni 2006 in rekening gebrachte kosten voor rekening van [eiseres] te doen komen. Ook de overige facturen, die tezamen € 5.939,36 belopen, behoeven geen bespreking. [gedaagde] heeft immers niet betwist dat conform afspraak ook de door [eiseres] in verband met de certificering gemaakte kosten gedeeld dienen te worden. Evenmin is weersproken dat deze kosten € 9.324,10 bedragen. Ook indien de facturen van 15 januari 2007 en 5 en 19 juni 2007 geacht moeten worden onder de gemaakte afspraken te vallen, hetgeen door [eiseres] wordt betwist, heeft [gedaagde] dan ook geen vordering op [eiseres] in verband met de kosten van certificering.

7.8. Overeenkomstig de ter comparitie tussen partijen bereikte overeenstemming zal op het door [gedaagde] erkende bedrag van € 69.695,86 een bedrag van € 9.750,-- in mindering worden gebracht in verband met aan [eiseres] geleverde bouten.

7.9. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij de verschuldigdheid hiervan ontkent vanwege haar tegenvordering. Hierin zal [gedaagde] in zoverre worden gevolgd dat geen wettelijke rente verschuldigd is over een bedrag van € 9.750,-- vanaf 7 december 2007, zijnde de dag waarop de op de bouten ziende factuur van 7 november 2007 opeisbaar is geworden en door [gedaagde] met de vordering van [eiseres] verrekend kon worden. Voor het overige is de verschuldigdheid van de wettelijke rente ex artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek vanaf de factuurdata onvoldoende bestreden zodat deze kan worden toegewezen.

7.10. De vordering van [eiseres] met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. [eiseres] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele herhaalde aanmaning, het enkele doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

7.11. Uit het vorenstaande volgt dat de vordering in reconventie dient te worden afgewezen.

7.12. [gedaagde] zal zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

7.13. De kosten aan de zijde van [eiseres] in conventie worden begroot op:

- dagvaarding € 70,85

- vast recht 1.575,00

- salaris procureur 1.788,00 (2 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.433,85

7.14. De kosten aan de zijde van [eiseres] in reconventie worden begroot op:

- salaris procureur € 894,00 (2 punten × factor 0,5 × tarief € 894,00)

Totaal € 894,00

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 59.945,86 (negenenvijftigduizend negenhonderdvijfenveertig euro en zesentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over een bedrag van € 69.695,85 vanaf de vervaldata van de facturen tot en met 6 december 2007 en over een bedrag van € 59.945,86 vanaf 7 december 2007 tot de dag van volledige betaling,

8.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 3.433,85,

8.3. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

8.5. wijst de vorderingen af,

8.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 894,00,

8.7. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2008.