Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD8527

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-07-2008
Datum publicatie
25-07-2008
Zaaknummer
06/800812-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt voor verkrachting, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. De rechtbank verwerpt de verweren betreffende de betrouwbaarheid van de aangifte. Zij acht de aangifte die zeer gedetailleerd is en een lange periode bestrijkt, betrouwbaar. Talrijke details uit de aangifte worden ondersteund door verklaringen van verdachte zelf en van getuigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/800812-07

Uitspraak d.d.: 25 juli 2008

Tegenspraak / dip / oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1951],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juli 2008.

Ter terechtzitting gegeven beslissingen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting verzocht een stukje (pagina’s 114 tot en met 116 van het proces-verbaal van politie) uit het telefoongesprek tussen verdachte en aangeefster te beluisteren. De raadsman heeft zich hiertegen namens verdachte verzet. De rechtbank heeft het verzet na beraad afgewezen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 1991 tot

14 juli 1993,

te Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, en/of in Oostenrijk en/of in

Duitsland en/of in Frankrijk en/of in Portugal en/of (elders) in Europa,

(telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met

geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het

ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit

het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

hebbende verdachte een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer]

gebracht en/of geduwd en/of zijn penis in de vagina en/of de mond van die

[slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of zijn tong in de mond van die [slachtoffer]

geduwd en/of gestopt en/of (over) de borst(en) en/of de vagina en/of de

schaamstreek en/of de billen betast en/of gestreeld en/of gewreven en/of het

laten betasten en/of vastpakken van zijn, verdachte's, penis door die [slachtoffer]

en/of zich laten aftrekken door die [slachtoffer]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- een psychisch en een uit feitelijk verhoudingen voortvloeiend overwicht op

die [slachtoffer] had (mede gelet op het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte,

en die [slachtoffer]) en/of

- meermalen, althans eenmaal, heeft ingespeeld op de devotie/godvruchtigheid

van die [slachtoffer] en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat ze voor God getrouwd waren en/of

- (aldus) (telkens) een voor die [slachtoffer] (ongelijkwaardige) situatie heeft

doen ontstaan waaraan of waardoor die [slachtoffer] zich niet kon verzetten tegen

eerdergenoemde seksuele handelingen;

art 242 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring. Zij heeft betoogd dat de aangifte zeer gedetailleerd is en dat een groot aantal details wordt ondersteund door verklaringen van getuigen en verdachte, en door andere bewijsstukken. Op grond hiervan acht zij de aangifte in zijn volledigheid betrouwbaar, ook wat betreft de beschreven seksuele handelingen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Door en namens verdachte is betoogd dat aangeefster verdachte vals beschuldigt en uit is op financieel gewin. Verder heeft de raadsman gesteld dat aangeefster is behandeld door meerdere therapeuten. Niet inzichtelijk is of de therapie is aangeslagen. Daarnaast is niet duidelijk of aangeefster is beïnvloed door conclusies die therapeuten hebben getrokken. Hij wijst erop dat aangeefster heeft verklaard dat zij na beëindiging van het contact met verdachte vaak droomde over wat er volgens haar was gebeurd en dat zij die dromen emotioneler beleefde dan de werkelijkheid was. In de visie van verdachte zijn bij aangeefster dromen en werkelijkheid door elkaar gaan lopen, waardoor niet meer te onderscheiden is wat realiteit en wat fictie is. Voorts acht de raadsman niet uitgesloten dat aangeefster lijdt aan een obsessieve compulsieve stoornis, een dwangstoornis bij streng gelovigen, dan wel dat zij lijdt aan een andere stoornis.

Bewijsmiddelen

Uit de bewijsmiddelen worden de volgende redengevende feiten en omstandigheden afgeleid (eindnoot 1) .

Aangeefster heeft verklaard dat zij [verdachte] (verdachte) in 1987 heeft leren kennen tijdens een bedevaartreis naar Lourdes. Na deze reis werd het contact tussen haar en [verdachte] intensiever. [verdachte] drong voor haar gevoel langzaam hun gezin binnen. Aangeefster verbleef regelmatig in de weekenden bij [verdachte] en zijn vrouw en ging verschillende keren mee met vakantie. [verdachte]’s vrouw ging niet altijd mee met vakantie. Regelmatig ontving zij kaartjes en attenties van [verdachte]. Tijdens de wintersportvakantie in december 1987 leerde [verdachte] haar tongzoenen. Ze sliepen toen op één kamer in een tweepersoonsbed. Als aangeefster wakker werd, voelde ze dat [verdachte] haar streelde over haar buik, rug en benen. Zijn handen gingen dan ook tussen haar benen (eindnoot 2) . In de weekenden dat ze bij [verdachte] en zijn vrouw was, bracht [verdachte] haar naar bed. In het begin gaf hij haar dan een kusje, later begon hij haar ook aan te raken. Nadat de doucheruimte in [verdachte]’s huis was verbouwd, ging hij samen met aangeefster onder de douche. Hij knuffelde haar en ze zag dat hij een erectie kreeg. Hij betastte haar vagina en zij moest aan zijn penis zitten (eindnoot 3) .

Aangeefster heeft verklaard dat [verdachte] steeds verder ging: eerst ging hij met zijn vingers tussen haar benen en betastte hij haar vagina, daarna ging hij met zijn duim of vinger in haar vagina . Met zijn penis ging dat op dezelfde manier: eerst hield [verdachte] zijn penis tegen haar vagina en vervolgens ging hij steeds verder. Hij noemde dat “alleen maar even binnen kijken” of “alleen met het kopje er in”. De eerste keer, dat het gebeurde was op de grond in zijn woonkamer. Op haar 15de of 16de verjaardag hebben ze echt geslachtsgemeenschap gehad, in die zin dat [verdachte] is klaargekomen. Ze waren toen in Lourdes (eindnoot 4) . Van haar 14de tot en met haar 17de heeft [verdachte] geslachtsgemeenschap met haar gehad. Volgens aangeefster moet een normaal mens wel gezien hebben dat ze de seksuele handelingen niet wilde. Ze hield haar benen bij elkaar en haar handen voor haar kruis, ze had een verwrongen gezicht en bood weerstand door bijvoorbeeld te gaan zitten of [verdachte] van zich af te duwen (eindnoot 5) .

Aangeefster heeft verklaard dat ze ongeveer zeven keer naar Lourdes is geweest, waarvan één keer samen met haar moeder en de overige keren met [verdachte] (eindnoot 6) . Tijdens die vakanties noemde hij haar zijn vriendin of zijn vrouw. Het geloof was voor [verdachte] belangrijk en dat werd een steeds dikkere rode draad. [verdachte] zei dat ze, toen ze geslachtsgemeenschap hadden gehad, voor God getrouwd waren (eindnoot 7) . Hij zei ook dat Maria hen bij elkaar gebracht had en dat het zo heeft moeten zijn. Hij zei dat hij vervloekingen kon uitspreken en dat hij wist wanneer iemand de hel in ging. Aangeefster hoefde maar iets te doen wat in zijn ogen niet goed was en ze moest biechten. [verdachte] zei dat hij net als God haar steeds kon zien en ze geloofde dat. [verdachte] zei ook dat ze hopeloos zou mislukken als ze hem aan de kant zou zetten. Hij zei dat ze zonder hem niets was en in de goot zou belanden. Ze was geïndoctrineerd door hem. Door de intensiteit waarmee hij dingen zei en de bangmakerij voor het geloof deed ze wat hij wilde of van haar verwachtte (eindnoot 8) . De op een na de laatste keer dat ze naar Lourdes ging, was volgens aangeefster in de zomer van 1992. Tijdens de biecht heeft ze de priester verteld over [verdachte] en haar. Een jaar later, toen ze weer met [verdachte] in Lourdes was, heeft ze ook gebiecht en verteld over [verdachte] en haar. Bij deze priester, genaamd [naam priester], zijn ze in Nederland uitgenodigd toen hij tot deken werd gewijd.

Aangeefster heeft in een aanvullend verhoor verklaard dat ze onder invloed van [verdachte] conservatiever werd in haar geloof. Het naar [verdachte] en zijn vrouw gaan werd een gewoonte, maar [verdachte] dwong het ook wel af. Als [verdachte] haar kwam halen, gingen ze meestal een stuk rijden. Ze moest dan seksuele dingen in de auto doen (eindnoot 9) . Als hij haar naar huis bracht, stopten ze met de auto op een parkeerplaats. In de auto zoende en betastte hij haar. Ze herinnert zich dat ze met haar hoofd op zijn schoot lag en ze kan zich weinig anders voorstellen dan dat ze zijn penis in haar mond heeft gehad. Ze heeft [verdachte] ook wel eens moeten aftrekken. Wat ze nog goed weet is dat [verdachte] een blauwe ader op zijn penis heeft in de vorm van de staf van Sinterklaas. Aangeefster heeft verklaard dat ze ook vaak met [verdachte] ging wandelen in het bos. [verdachte] zocht dan afgelegen plekjes waar ze konden zoenen en waar ze geslachtsgemeenschap hadden (eindnoot 10) . Hij ging met een, maar ook wel met twee vingers in haar vagina (eindnoot 11) .

Volgens aangeefster zei [verdachte] vaak dingen over God tegen haar. Op een gegeven moment bestonden de weekenden alleen nog maar uit naar de kerk gaan. Ze bad veel en moest aan een bepaalde vorm van zelfkastijding doen. Alles wat ze deed, stond in dienst van God.

Verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd (eindnoot 12) dat aangeefster telefonisch heeft verklaard dat ze op 10 juni 1992 mondeling examen Frans heeft gehad, waarvoor ze het boek “La Symfonie pastorale” heeft gelezen. De inhoud van het boek heeft ze besproken met verdachte, omdat ze vond dat het niet meer kon wat er tussen hen gebeurde. Aangeefster verklaarde dat ze hierdoor zeker wist dat verdachte in die periode nog seks met haar had. In 1992 heeft aangeefster besloten de vijfde klas over te doen, omdat er veel onrust was in haar leven. Die onrust betrof verdachte. Het ging niet goed met haar. Ondanks het feit dat ze verdachte probeerde duidelijk te maken dat ze geen seks meer met hem wilde, dreef hij zijn zin door en gebeurde het wel. Aangeefster heeft verder verklaard dat ze in 1992 voor het eerst heeft gebiecht bij een priester en dat ze hierdoor zeker weet dat verdachte toen nog seks met haar had. Met seks bedoelde ze de seks zoals weergegeven in haar eerdere verklaringen.

Aangeefster heeft in 1994 twee keer telefonisch contact gehad met verdachte en heeft die gesprekken opgenomen. In het eerste gesprek komen onder meer de volgende passages voor:

Verdachte: “Nah, je kunt onze Heer toch niet in de steek gaan laten?”(eindnoot 13)

Aangeefster: “Wie zegt dat ik dat doe als ik niet naar de kerk ga?”

Verdachte: “Nou als je niet naar de kerk gaat, dan vind ik erger kun je niet”.

Aangeefster: “Dat is waar”.

Verdachte: “En dat is natuurlijk onze Lieve Heer, zuiverder kun je hem niet krijgen”….

Verdachte: “Nou dat jij de kerk laat vallen, tenminste, niet laat vallen, je begrijpt hoe ik bedoel, dat je daar niet meer heen ging, gaat. Dat dat dat eh nee. Dat had ik je, dat had ik echt niet verwacht. En ook niet gehoopt natuurlijk. Ik heb de stille hoop gehad dat je je geloof trouw zou blijven …” …

Verdachte: “Bid je nog wel een beetje of niet?”

Aangeefster: “Is dat belangrijk voor je?”

Verdachte: “Ja tuurlijk anders zou ik het niet vragen.” …

Aangeefster: “… nadat wij met onze seksuele relatie gebroken hebben, ben jij eh heel veel naar de kerk gegaan en ben je, ben je helemaal de andere kant opgegaan, wat naar de kerk gaan betreft. Ja toch?”

Verdachte: “ja”.

Aangeefster: “Ja nou goed, ik in eerste instantie ook omdat het eigenlijk het enige was wat ik, wat ik mocht van jou. Naar de kerk gaan.” …

Verdachte: “Ja. Nou ik hoop dat God geeft dat je er snel door heen bent.”

Aangeefster: “Hoezo?”

Verdachte: “Nou omdat het een verkeerde instelling is. Om God te laten vallen. Dat weet jij ook wel.” …

Verdachte: “… moet je dat boekje maar eens lezen. Daat staat ook duidelijk in dat de Satan inderdaad tweedracht probeert te zaaien en de mens probeert naar zich toe te trekken. Hou toch voet bij stuk man. Doe toch niet zo raar, joh.”

Aangeefster: “ik heb een beetje een opdonder gekregen.” …

Verdachte: “De grote baas?”

Aangeefster: “Nee. Van de gedachten over ons. Van de omgang die we hebben gehad. En de rol die geloof daar ook in gespeeld heeft.”

In het tweede gesprek komen onder meer de volgende passages voor:

Aangeefster: “Afgelopen zeven jaar? Wacht eventjes.”(eindnoot 14)

Verdachte: “Ja onze periode dat we elkaar kennen….”…

Verdachte: “…Jij bent de baas, je bent 19 jaar…”…

Verdachte: “ja, ik heb je een jaar lang bijna niet gesproken. Ja op [naam] verjaardag de laatste keer…”…

Verdachte: “Toen je achttien jaar was ben je nog met me mee geweest naar Ransdaal en en en zeg maar een half jaar later is het mis.”…

Aangeefster: “En toch was je mijn vaderfiguur en mijn moederfiguur en mijn echtgenoot”. Verdachte: “En toch zul je me heel graag willen spreken”…

Verdachte: “…ik ben tweeënveertig jaar…”

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangeefster tijdens een reis naar Lourdes in gezelschap van haar moeder heeft leren kennen. Aangeefster kwam vaak, doch niet ieder weekend bij hen. Zij had een bijzondere positie in die zin dat ze de kinderwens van hem en van zijn vrouw vervulde. Aangeefster is mee geweest op wintersport. Ze hebben toen op één kamer geslapen en zijn vrouw was toen niet mee. Verdachte herkent op de hem getoonde foto B (p.74) zichzelf en erkent dat het beddengoed op de foto’s B, C (p.75) en E (p.76) hetzelfde is, dus dat alle foto’s op dezelfde kamer zijn gemaakt. Er is toen niemand bij hem en aangeefster op die kamer geweest. Op de foto’s C, D en E herkent hij aangeefster. Ook erkent hij dat aangeefster op foto E tenminste half ontkleed is. Aangeefster is samen met hem 3, 4 of 5 keer naar Lourdes geweest. Ze hebben ook in Lourdes op één kamer geslapen, omdat dit goedkoper was dan twee kamers. In Lourdes is hij wel eens bij een priester geweest om te biechten. Het geloof speelde toen en ook nu een grote rol. Verdachte heeft verder verklaard dat hij aangeefster nooit met één vinger heeft aangeraakt. Hiermee bedoelde hij seksueel aanraken. Wel heeft hij aangeefster in haar nek gekriebeld, met haar handje gedrukt en haar voor het slapengaan op haar mond gekust. Verdachte vindt een kus op de mond normaal en vindt dit geen seksueel aanraken.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij deken/pastoor [naam priester] een keer in Lourdes heeft ontmoet (eindnoot 15) . Verder heeft hij bij de politie verklaard dat hij aangeefster wel eens bloot heeft gezien als zij de badkamer in of uitliepen. Ook heeft aangeefster hem wel eens bloot gezien. Aangeefster heeft zeker zijn penis gezien (eindnoot 16) .

Verbalisant [verbalisant] (eindnoot 17) heeft gerelateerd dat zij contact heeft gehad met pastoor [naam priester]. [naam priester] verklaarde dat hij zich [slachtoffer] nog goed kon herinneren, maar dat hij niets mocht vertellen over wat hij wist.

Getuige [getuige 1] (eindnoot 18) heeft verklaard dat [slachtoffer] opeens wegbleef. Twee keer werd afgesproken dat ze een weekend zou komen, maar kwam niet. Met Pasen was ze nog wel geweest. [getuige 1] heeft verklaard dat zij toen jarig was en dat [slachtoffer] een cadeautje voor haar had meegenomen. Volgens haar was [slachtoffer] toen 18 jaar.

Getuige [getuige 2] (eindnoot 19) heeft verklaard dat [slachtoffer] in haar klas zat toen ze ongeveer 17 jaar was. [slachtoffer] was onzeker en heel religieus. [getuige 2] herinnert zich dat [slachtoffer] onder een proefwerk iets had geschreven dat zij zag als een noodkreet. Ze heeft contact met haar gezocht en haar een paar vragen gesteld. [slachtoffer] vertelde haar dat ze misbruikt was door een vriend van de familie en dat hij had gewacht tot ze 16 was zodat het niet meer strafbaar was. Ze had het idee dat [slachtoffer] ontmaagd werd toen ze 16 jaar was. [slachtoffer] heeft niet verteld wat hij precies gedaan had. [slachtoffer] heeft haar ook verteld dat hij betrokken was bij dat religieuze van haar. [getuige 2] had de indruk dat hij al vroeg begonnen was om [slachtoffer] aan zich te binden.

Beoordeling van de bewijsmiddelen en bespreken van de verweren

Over de betrouwbaarheid van de aangifte

Door en namens verdachte is de betrouwbaarheid van de aangifte betwist.

In dat verband is aangevoerd, dat de aangifte zijn oorsprong zou vinden in het feit dat aangeefster op geld van verdachte uit is.

Ook is de mogelijkheid geopperd, dat aangeefster aan een psychische stoornis leidt zoals verwoord onder punt 33 van de pleitnota of, zoals gesteld in punt 35 van die nota, “een stoornis van welke aard of in welke mate ook”.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Over de betrouwbaarheid in het algemeen

Aangeefster heeft zich op enig moment gewend tot de politie om aangifte te doen van jarenlang seksueel misbruik door verdachte. De aangifte bevindt zich bij de stukken.

Zij bestrijkt een langdurige periode en is zeer gedetailleerd. Talrijke details uit de aangifte vinden verankering in zich bij de stukken bevindende verklaringen van getuigen, maar ook van verdachte zelf. Dat zich in de aangifte hier en daar tegenstrijdigheden of een enkele onjuistheid bevinden kan de verdediging worden nagegeven: de aangifte bestrijkt tenslotte een lange periode die inmiddels ook nog eens vijftien jaar achter ons ligt.

Dit doet in de visie van de rechtbank echter niet af aan de betrouwbaarheid van de aangifte als geheel.

Namens verdachte is op geen enkel moment verzocht om het horen van (aanvullende) getuigen, noch ook om het horen van aangeefster of het verrichten van aanvullend onderzoek. Slechts één karaktergetuige is op verzoek van verdachte bij de rechter-commissaris gehoord. Bij deze stand van zaken kan niet met succes worden betoogd dat de aangifte niet zou kunnen dienen als basis voor een bewezenverklaring.

Over een financieel motief

Op geen enkel moment is gebleken, dat aangeefster uit is op enigerlei vergoeding van schade door verdachte. Dat is immers nergens door haar gesteld (integendeel: zij heeft ter zitting verklaard met de aangifte en haar slachtofferverklaring een periode te willen afsluiten) en evenmin heeft er een benadeelde partijstelling plaatsgevonden. Van een financieel motief als achtergrond voor het doen van (valse) aangifte is de rechtbank ook overigens niet gebleken.

Over de aanwezigheid van een psychische stoornis bij aangeefster

Namens verdachte is er de staf over gebroken, dat geen van de therapeuten van aangeefster ooit als getuige door de politie is bevraagd over haar geestestoestand. Dat leidt tot verwijtbare eenzijdigheid aan de kant van de opsporingsautoriteiten, zo begrijpt de rechtbank dit verweer.

Nog daargelaten dat van de kant van de verdediging nimmer is gevraagd om dergelijk onderzoek, wordt met dat standpunt miskend dat dergelijk soort behandelaars een door de wet beschermd verschoningsrecht toekomt. Aangezien het mogelijk bestaan van een psychische stoornis bij aangeefster ook overigens op geen enkele manier van een onderbouwing is voorzien, wordt ook dit standpunt gepasseerd.

Overweging

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich, aanvankelijk mogelijk uit werkelijke genegenheid voor het jonge kind dat aangeefster toentertijd was maar al betrekkelijk snel (tevens) uit andere motieven, een plaats in het leven van aangeefster heeft geforceerd.

Uit verdachtes verklaring ter terechtzitting komt immers naar voren dat verdachte zich van lieverlee gevraagd maar ook ongevraagd op veel terreinen van het leven van aangeefster manifesteerde, van haar sportlessen tot schoolprestaties, van artsenbezoek tot vakantiekampen. Aangeefster is daardoor belemmerd in het leiden van haar eigen leven en het ontwikkelen van haar identiteit. Daarnaast is verdachte, ook buiten medeweten van zijn echtgenote, meer dan eens met aangeefster naar/in het buitenland geweest, waar hij zich niet heeft ontzien om met aangeefster een kamer en het bed te delen. Daarnaar op zitting gevraagd heeft verdachte verklaard daar niets ongewoons aan te vinden, ook niet aan het feit dat aangeefster zich blijkens zich in het dossier bevindende foto’s op zijn minst voor de helft ontkleed in het door hen gedeelde dubbele bed bevond, waarvoor hij geen verklaring heeft gegeven. Daaromtrent merkt de rechtbank nog op dat verdachte bij de politie, maar ook ter zitting, herhaaldelijk zijn misnoegen heeft geuit over de moraal en de zeden in het ouderlijk gezin van aangeefster (men liep daar naakt en/of dronken door het huis, zorgde niet voor goed en/of toereikend voedsel, etc.) wat niet goed te rijmen lijkt met de afbeeldingen op de genoemde foto’s alsmede het zich bevinden in een en hetzelfde dubbele bed of het zich naakt in de doucheruimte laten verrassen door aangeefster. Verdachte heeft zich, door aldus te handelen, in alle opzichten vergaand aan aangeefster vergrepen en misbruik gemaakt van haar vertrouwen en later ook van haar religieuze belevingswereld. De rechtbank heeft de overtuiging dat verdachte met zijn handelen is doorgegaan nadat aangeefster 16 jaar was geworden en dat aangeefster zich pas volledig uit zijn greep heeft weten los te maken nadat zij 18 jaar werd. De rechtbank acht hierbij van belang dat aangeefster heeft verklaard dat ze in 1992 met verdachte naar Lourdes is gegaan. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij meerdere keren met aangeefster naar Lourdes is geweest. Hij heeft niet ontkend dat hij in 1992 met haar naar Lourdes is geweest. Voorts heeft verdachte verklaard dat zij tijdens hun verblijf in Lourdes altijd op één hotelkamer sliepen. Verdachte heeft ook verklaard dat hij in Lourdes heeft gebiecht, hetgeen overeenkomt met de verklaring van aangeefster en met de inhoud van het hiervoor gerelateerde ambtsedig proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] over de priester [naam priester]. De rechtbank neemt ook in aanmerking de door aangeefster opgenomen telefoongesprekken, waaruit naar voren komt dat deze in 1994 moeten zijn gevoerd. Dit wordt namelijk gekoppeld aan een incident met een vliegtuigje in de tuin van het Witte Huis in Washington (p. 111 van het proces-verbaal van politie). Bovendien zegt verdachte in dat gesprek dat ze elkaar op dat moment zeven jaar kennen, dat aangeefster op dat moment 19 jaar is, dat hijzelf 42 jaar is en dat zij elkaar een jaar lang bijna niet hebben gesproken. Als aangeefster verdachte in het eerste gesprek confronteert met het feit dat hij na het verbreken van hun seksuele relatie veel naar de kerk is gegaan, reageert verdachte slechts met ja en spreekt het bestaan van een seksuele verhouding niet tegen. Verdachtes verklaring daarover ter terechtzitting dat zijn antwoord alleen zag op het naar de kerk gaan, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Immers indien verdachte zou moeten worden gevolgd in zijn stelling dat er nooit een seksuele relatie tussen hem en aangeefster heeft bestaan, dan had het meer voor de hand gelegen dat hij op de vraagstelling van aangeefster anders had gereageerd, bijvoorbeeld door dit te ontkennen of door boos te worden.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 december 1991 tot 14 juli 1993 te Apeldoorn en/of elders in Nederland, en in Frankrijk, telkens door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte een of meer vingers in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of zijn penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of zijn tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd en/of gestopt en/of (over) de borst(en) en/of de vagina en/of de schaamstreek en/of de billen betast en/of gestreeld en/of het laten betasten en/of vastpakken van zijn, verdachte's, penis door die [slachtoffer] en/of zich laten aftrekken door die [slachtoffer]

en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte

- een psychisch en een uit feitelijk verhoudingen voortvloeiend overwicht op die [slachtoffer] had, mede gelet op het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] en/of

- meermalen heeft ingespeeld op de devotie/godvruchtigheid van die [slachtoffer] en/of

- aldus telkens een voor die [slachtoffer] ongelijkwaardige situatie heeft doen ontstaan waaraan of waardoor die [slachtoffer] zich niet kon verzetten tegen eerdergenoemde seksuele handelingen.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Verkrachting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

Door de officier van justitie is onder bewezenverklaring van het feit gevorderd, dat verdachte een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek van preventieve hechtenis wordt opgelegd.

Door de raadman is vrijspraak bepleit.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de op te leggen straf het volgende.

Door te handelen zoals hiervoor weergegeven, heeft verdachte er blijk van gegeven zich uitsluitend met zijn eigen lustbeleving te hebben bezighouden en zich op geen moment rekenschap te hebben gegeven van de zich ontwikkelende persoonlijkheid, identiteit en seksualiteit van een jong meisje respectievelijk jonge vrouw. Dat rekent de rechtbank verdachte ernstig aan.

Dat aangeefster er door woord en geschrift van heeft blijk gegeven zich inmiddels voor een aanzienlijk gedeelte onder de invloed van verdachte en zijn optreden te hebben uitgewerkt, is geenszins verdachtes verdienste maar geheel die van haarzelf.

Anderzijds is het inmiddels geruime tijd geleden dat de onderhavige feiten zijn gepleegd en heeft verdachte een blanco strafblad. Ook dat neemt de rechtbank als factor van betekenis mee. Daarnaast is in aanmerking genomen de huidige leeftijd van verdachte en zijn niet-optimale gezondheidstoestand.

Alles overziende acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur gerechtvaardigd, doch zij zal een deel daarvan in voorwaardelijk vorm opleggen teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mrs. Hemrica, voorzitter, Roessingh-Bakels en Follender Grossfeld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 juli 2008.

(eindnoot 1) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam) proces-verbaal nr. PL0620/07-200595, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, Jeugd en Zedenzaken, gesloten en getekend op 9 maart 2007.

(eindnoot 2) Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p.32/33

(eindnoot 3) Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p.35/36

(eindnoot 4) Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p.40

(eindnoot 5) Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p.41

(eindnoot 6) Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p.33

(eindnoot 7) Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p.34

(eindnoot 8) Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p.36

(eindnoot 9) Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer], p.54

(eindnoot 10) Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer], p.61

(eindnoot 11) Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer], p.62

(eindnoot 12) Proces-verbaal, ambtelijk verslag, PL0620/06-222896, gesloten en ondertekend op 19 december 2007

(eindnoot 13) Proces-verbaal (ambtelijk verslag, p.115/116

(eindnoot 14) Proces-verbaal (ambtelijk verslag), p.124-131

(eindnoot 15) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p.233

(eindnoot 16) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p.254

(eindnoot 17) Proces-verbaal (ambtelijk verslag), p.184

(eindnoot 18) Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], p.159/160

(eindnoot 19) Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], p.146-148