Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD8378

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
23-07-2008
Zaaknummer
87682 - HA ZA 07-760
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser legt ten behoeve van de comparitie van partijen een brief over met commentaar op de conclusies van antwoord. Sprake van een verkapte conclusie van repliek. Voeging aan de zijde van gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

In de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: 87682 / HA ZA 07-760

Vonnis van 16 juli 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BERKEL-B STUDIEBEGELEIDING EN ORTHOPEDAGOGIEK B.V.,

gevestigd te Laren (gld),

eiseres,

procureur mr. J.H. van den Sigtenhorst,

tegen

[gedaagde 1],

wonende te Winterswijk,

gedaagde,

procureur mr. B.S. Witteveen.

en

[gedaagde 2],

wonende te Winterswijk,

gevoegde partij aan de zijde van gedaagde,

procureur mr. I.B. ter Woord.

Alsmede in de vrijwaringszaak met zaaknunmmer / rolnummer: 90409 / HA ZA 07-1212

van

[gedaagde 1],

wonende te Winterswijk,

eiser,

procureur mr. B.S. Witteveen.

tegen

[gedaagde 2],

wonende te Winterswijk,

gedaagde,

procureur mr. I.B. ter Woord.

Partijen zullen hierna Berkel-B, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 maart 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij brief van 19 maart 2007 gericht aan “de ouder(s)/verzorger(s) van: [namen kinderen]”, die door Berkel-B als productie 1 bij dagvaarding in het geding is gebracht, schrijft Berkel-B onder meer:

“Geachte Heer [gedaagde 1],

In het verleden heb wij financiële afspraken gemaakt met mevr. [gedaagde 2].

(…)

In bijgevoegde specificaties kunt u zien dat nog niet alle facturen zijn voldaan, maar ook nog niet alle zorg is geleverd t.o.v. de gefactureerde bedragen.

Op dit moment staat nog een bedrag van € 4.806,11 voor wel geleverde zorg open.(…)

In ieder geval dient het openstaande bedrag á € 4.806,11 per direct voldaan te worden. Mochten wij binnen 2 weken geen betaling hebben ontvangen, dan zijn wij genoodzaakt de betaling uit handen te geven.

(…)”

Uit de bij deze brief gevoegde bijlage blijkt dat het gaat om een overzicht van gefactureerde bedragen en ontvangen betalingen voor activiteiten van Berkel-B in de periode januari tot en met december 2005.

2.2. Bij brieven van 8 en 31 mei 2007, overgelegd als productie 2 bij dagvaarding, heeft Berkel-B haar betalingsverzoek herhaald en tot betaling “binnen zeven dagen na heden” gesommeerd.

3. De vordering

In de hoofdzaak

3.1. Berkel-B vordert dat de rechtbank [gedaagde 1] bij voorraad veroordeelt om, tegen kwijting, aan Berkel-B te betalen de somma van € 5.724,83, vermeerderd met rente vanaf heden gerekend tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van dit geding.

3.2. Berkel-B legt aan haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

Berkel-B heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde 1] diverse werkzaamheden verricht voor zijn minderjarige kinderen, zoals omschreven op aan [gedaagde 1] gezonden nota’s. [gedaagde 1] laat ten onrechte een bedrag van € 4.806,11 onbetaald. Berkel-B vordert buitengerechtelijke kosten, door haar begroot op € 720,92 exclusief BTW. De BTW over de invorderingskosten beloopt € 136,97. Voorts vordert Berkel-B wettelijke rente vanaf de vervaldata van de nota’s. In totaal is per datum van dagvaarding € 60.83 aan rente verschenen.

4. Het verweer

4.1. [gedaagde 1] concludeert dat de rechtbank Berkel-B in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen, met veroordeling van Berkel-B in de kosten van het geding.

4.2. [gedaagde 1] voert onder meer de volgende verweren aan.

Niet [gedaagde 1] maar zijn ex-partner, [gedaagde 2], is met Berkel-B een overeenkomst aangegaan tot het verrichten van zorgwerkzaamheden voor de kinderen van [gedaagde 1]. In de periode waar de vordering van Berkel-B betrekking op heeft, 2005, was [gedaagde 2] altijd de gesprekspartner van Berkel-B en beheerde zij de persoonsgebonden budgetten voor de kinderen. De gelden voor die budgetten werden door het zorgkantoor op de rekening van [gedaagde 2] gestort en zij deed alle betalingen aan Berkel-B. Berkel-B was daar van op de hoogte en kan dan ook niet [gedaagde 1] aanspreken voor vermeende betalingsachterstanden.

4.3. Bij incidenteel vonnis van 20 februari 2008 heeft de rechtbank [gedaagde 2] toegestaan zich in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde 1] te voegen.

[gedaagde 2] concludeert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Berkel-B in haar vorderingen, zowel ten aanzien van [gedaagde 2] als ook ten aanzien van [gedaagde 1], niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze zal afwijzen, met veroordeling van Berkel-B in de kosten van deze procedure.

4.4. [gedaagde 2] voert onder meer de volgende verweren aan.

[gedaagde 2] erkent dat zij in het kalenderjaar 2005 de persoonsgebonden budgetten voor de kinderen van [gedaagde 1], destijds haar partner, op haar bankrekening kreeg overgemaakt en dat zij die budgetten beheerde. [gedaagde 2] heeft Berkel-B aangezocht om haar te begeleiden en haar zorgtaken ten aanzien van de kinderen van [gedaagde 1] deels over te nemen. Destijds heeft [gedaagde 2] een deel van de facturen van Berkel-B onbetaald gelaten aangezien die facturen gedeeltelijk onjuist waren, onder meer omdat werkzaamheden in rekening werden gebracht die aantoonbaar niet door Berkel-B waren verricht. Berkel-B heeft tenminste een bedrag van € 5.759,17 aan werkzaamheden opgevoerd en gefactureerd welke door Berkel-B feitelijk niet zijn verricht. Voorts is niet betaald omdat Berkel-B toerekenbaar te kort schoot in de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden.

In het overzicht dat Berkel-B in het geding heeft gebracht ontbreekt bovendien een betaling van € 1.225,70. [gedaagde 2] is met Berkel-B overeengekomen dat alle geschillen zouden worden beëindigd door eenmalige betaling door [gedaagde 2] van dit bedrag. Alsdan zou door Berkel-B finale kwijting worden verleend. Van enige restantvordering is dan ook geen sprake meer. Bovendien heeft Berkel-B de thans gestelde restantvordering van € 4.806,11 volstrekt onvoldoende onderbouwd. Ook om die reden moet zij worden afgewezen, gelet ook op de betwisting van de werkzaamheden en de klachten van [gedaagde 2].

In de vrijwaringszaak

4.5. [gedaagde 1] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 2] zal veroordelen om aan [gedaagde 1] te betalen datgene waartoe [gedaagde 1] als gedaagde in de hoofdzaak jegens Berkel-B mocht worden veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling en met veroordeling van [gedaagde 2] in de kosten van het geding in vrijwaring.

4.6. De onderbouwing van de vordering van [gedaagde 1] zal, voor zover relevant, hierna aan de orde komen.

4.7. [gedaagde 2] heeft verweer gevoerd dat, voor zover relevant, hierna aan de orde komt.

5. De beoordeling

In de hoofdzaak

5.1. Bij brief van 28 mei 2008 heeft de raadsman van Berkel-B ten behoeve van de comparitie een schriftelijke reactie van (de directeur van) Berkel-B aan de rechtbank gestuurd. In die reactie gaat Berkel-B uitgebreid in op de stellingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de conclusies van antwoord en de daarbij door hen in het geding gebrachte stukken. Zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] hebben ter comparitie bezwaar gemaakt tegen deze gang van zaken en gesteld dat het hier een verkapte conclusie van repliek betreft. Door mr. Van den Sigtenhorst is ter comparitie namens Berkel-B opgemerkt: “Het door mij ten behoeve van de comparitie toegezonden stuk, de brief van mijn cliënt van 27 maart 2008, is inderdaad een soort conclusie van repliek. Dat risico heb ik bewust genomen. Ik laat het aan uw beleid over of dit stuk onderdeel uit maakt van de processtukken.”

5.2. Uit het bepaalde in de artikelen 21 en 111 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat partijen gehouden zijn in een zo vroeg mogelijk stadium de voor de beslechting van het geschil relevante feiten aan te voeren. Gelet op de uiterst summiere inhoud van de dagvaarding, mede bezien tegen de informatie die uit de conclusies van antwoord en de daarbij horende producties blijkt, heeft Berkel-B naar het oordeel van de rechtbank daaraan niet voldaan. Daar komt nog bij dat ter comparitie door [gedaagde 2] twee kopieën van zorgovereenkomsten, gedateerd oktober 2004, zijn getoond die zijn ondertekend door [gedaagde 2] en de heer [naam], directeur van Berkel-B, terwijl Berkel-B tot dan toe de stelling had ingenomen dat er geen schriftelijke overeenkomst bestond en de overeenkomst mondeling met [gedaagde 1] was aangegaan. Daarmee staat vast dat Berkel-B heeft verzaakt om in de dagvaarding de feiten die voor de beslissing van belang zijn naar volledigheid en waarheid aan te voeren, zoals ingevolge artikel 21 Rv vereist is. Voorts heeft Berkel-B niet voldaan aan de substantiëringsverplichting van artikel 111 lid 3 Rv. Gelet daar op acht de rechtbank de poging van Berkel-B om een en ander te repareren door ten behoeve van de comparitie een stuk in te dienen dat het karakter draagt van een conclusie van repliek, in strijd met de goede procesorde. De rechtbank zal dan ook voorbij gaan aan de inhoud van de brief van Berkel-B van 27 maart 2008, aan de rechtbank toegezonden bij brief van haar raadsman van 28 mei 2008.

5.3. Uit de incidentele conclusie tot voeging blijkt dat [gedaagde 2] zich in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde 1] heeft gevoegd teneinde feiten en gronden te kunnen aanvoeren die moeten bijdragen aan afwijzing van de vordering jegens [gedaagde 1]. [gedaagde 2] heeft belang bij afwijzing van de vordering in de hoofdzaak nu zij door [gedaagde 1] in vrijwaring is opgeroepen.

5.4. Bij conclusie van antwoord concludeert [gedaagde 2] niet slechts tot afwijzing van de vordering jegens [gedaagde 1] maar ook tot afwijzing van de vordering jegens haar. De voeging op grond van artikel 217 Rv brengt echter niet mee dat Berkel-B geacht moet worden haar vordering ook tegen [gedaagde 2] te hebben ingesteld. De vordering van Berkel-B is gericht tegen [gedaagde 1]. De voeging door [gedaagde 2] brengt daar, anders dan zij lijkt te stellen, geen verandering in. De rechtbank zal dan ook hierna de vordering van Berkel-B enkel ten aanzien van [gedaagde 1] beoordelen, mede gelet op de door [gedaagde 2] gestelde feiten en de door haar gevoerde verweren.

5.5. De grondslag van de vordering van Berkel-B jegens [gedaagde 1] is gelegen in de overeenkomst of overeenkomsten die [gedaagde 1], als wettelijk vertegenwoordiger van zijn kinderen, met Berkel-B zou hebben gesloten ten behoeve van het verlenen van zorg aan zijn kinderen. [gedaagde 1] heeft gesteld dat die overeenkomsten niet met hem maar met zijn toenmalige partner, [gedaagde 2], zijn gesloten. [gedaagde 2] heeft deze stelling bevestigd en bovendien ter comparitie twee zogeheten zorgovereenkomsten getoond die betrekking hebben op de kinderen van [gedaagde 1]. Deze zorgovereenkomsten zijn ondertekend door Berkel-B en [gedaagde 2]. Nu voorts zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] hebben gesteld dat [gedaagde 2] in 2005 de persoonsgeboden budgetten van de kinderen van [gedaagde 1] beheerde, die budgetten aan haar werden overgemaakt en zij de facturen van Berkel-B betaalde, welke stellingen door Berkel-B niet zijn betwist, acht de rechtbank niet aangetoond dat [gedaagde 1] schuldenaar is van Berkel-B voor de door Berkel-B in 2005 verleende zorg aan diens kinderen. Het enkele feit dat medewerkers van Berkel-B destijds ook met [gedaagde 1] gesprekken hebben gevoerd over de te volgen behandeling, zoals Berkel-B stelt, maakt dat niet anders.

5.6. Het voorgaande brengt mee dat de vordering jegens [gedaagde 1] wordt afgewezen. Berkel-B zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten worden veroordeeld, zowel van [gedaagde 1] als van [gedaagde 2].

Daar waar – gelet op de uitkomst van de hoofdzaak en zoals hierna zal worden overwogen – de vordering van [gedaagde 1] in vrijwaring zal worden afgewezen, waarbij [gedaagde 1] als de in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden, zullen de aan de zijde van [gedaagde 1] gevallen proceskosten van de vrijwaringszaak (behoudens zijn eigen kosten in vrijwaring), in totaal

€ 1.068,00, worden aangemerkt als aan zijn zijde gevallen proceskosten van de hoofdzaak (Hoge Raad 26 maart 1993, NJ 1993, 613).

De proceskosten van [gedaagde 1] in de hoofdzaak worden begroot op € 300,00 aan griffierecht en € 1.152,00 aan salaris procureur (3 punten, tarief I), derhalve in totaal € 1.452,00.

5.7. De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op € 1.152,00 aan salaris procureur (1 punt voor het incident en 2 punten voor de hoofdzaak, tarief I).

in de vrijwaringszaak

5.8. Nu de vordering jegens [gedaagde 1] in de hoofdzaak is afgewezen, dient de vordering in de vrijwaring eveneens te worden afgewezen.

5.9. Hoewel niet uitdrukkelijk door [gedaagde 2] een kostenveroordeling is gevorderd overweegt de rechtbank, mede vanwege het door [gedaagde 2] bij conclusie van antwoord ingenomen standpunt, daarover als volgt. Gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad heeft [gedaagde 1] in de vrijwaringszaak te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. Derhalve zal hij in de aan de zijde van [gedaagde 2] gevallen kosten in vrijwaring worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde 2] worden begroot op € 300,00 aan griffierecht en € 768,00 aan salaris procureur (2 punten, tarief I), derhalve in totaal

€ 1.068,00.

6. De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt Berkel-B in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] tot op heden begroot op € 2.520,00 en aan de zijde van [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 1.152,00,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad

In de vrijwaringszaak

6.4. wijst de vordering af,

6.5. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 1.068,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op

16 juli 2008.