Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD7231

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
75005 - HA ZA 06-49
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In tussenvonnis wordt de vordering op grond van artikel 843a Rv tot afgifte van met name genoemde stukken (exhibitieplicht) afgewezen. Bindende eindbeslissing. Het na tussenvonnis in het geding brengen van een betalingsoverzicht dat eiseres reeds voor het vonnis in haar bezit had, levert geen nieuw feit op dat meebrengt dat terug dient te worden gekomen op deze beslissing. Eindbeslissing mede gebaseerd op het niet voldoen aan stelplicht. Repareren van deze stelplicht wordt niet toelaatbaar geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 75005 / HA ZA 06-49

Vonnis van 11 juni 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEAT PROVIDER B.V.,

gevestigd te Putten,

eiseres,

procureur mr. A.J. Zeyl,

advocaat mr. L.M. Schelstraete te Tilburg

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Putten,

gedaagde,

procureur mr. H.C.J. Coumou,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PLUIMVEEVERWERKENDE- INDUSTRIE [gedaagde 2] B.V.,

gevestigd te Nijkerk,

3. [gedaagde 3],

wonende te Putten,

4. [gedaagde 4],

wonende te Putten,

gedaagden

procureur mr. C.B. Gaaf,

advocaat mr. H.C. Sauer te Amersfoort.

Eiseres zal hierna Meat Provider genoemd worden. Gedaagde sub 1 zal hierna [gedaagde 1] genoemd worden. Gedaagden sub 2, 3 en 4 zullen hierna samen [gedaagden 2, 3, 4] genoemd worden. Afzonderlijk zullen zij [gedaagde 2]., [gedaagde 3] en [gedaagde 4] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de incidentele conclusie tot inzage in en afgifte van bescheiden, tevens akte indiening producties van Meat Provider;

- de incidentele conclusie van antwoord tevens uitlating over producties van

[gedaagde 1];

- de incidentele conclusie van antwoord van [gedaagden 2, 3, 4];

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vordering in het incident

2.1. Meat Provider vordert dat de rechtbank bij voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

[gedaagde 1] zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis althans binnen een in goede justitie door de rechtbank te stellen termijn:

I. Meat Provider, althans een daartoe aan te wijzen registeraccountant volledige inzage te verschaffen in en afgifte van alle uit hoofde van de betalingen tussen [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2]. en/of [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] relevante originele bescheiden waaronder in het bijzonder, doch niet uitsluitend terzake alle betalingstransacties geduid als productie 1, zijnde het betaaloverzicht;

II Meat Provider, althans een daartoe aan te wijzen registeraccountant volledige inzage te verschaffen in en afgifte van alle bescheiden betrekking hebbende op de (specificatie van) de door [gedaagde 1] ontvangen provisiebetalingen van 7 november 2005 en 15 december 2005;

III. Meat Provider, althans een daartoe aan te wijzen registeraccountant volledige inzage te verschaffen in en afgifte van alle doorlopend genummerde bankafschriften staande op naam van [gedaagde 1], gelegen in de periode 1 januari 2005 tot 1 december 2005;

IV Meat Provider, althans een daartoe aan te wijzen registeraccountant volledige inzage te verschaffen in en afgifte van alle doorlopend genummerde bankafschriften staande op naam van [gedaagde 1], gelegen in de periode 1 december 2005 tot en met 1 april 2006;

V Meat Provider, althans een daartoe aan te wijzen registeraccountant volledige inzage te verschaffen in en afgifte van de tussen [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2]. en/of [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] gesloten (arbeids)-overeenkomst(en) en daarmee samenhangende bescheiden, inclusief alle met de door [gedaagde 1] voor de overige gedaagden gemaakte (belonings-)afspraken in het kader van de te verrichten werkzaamheden;

[gedaagden 2, 3, 4] hoofdelijk zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie door de rechtbank te stellen termijn:

VI Meat Provider, althans een daartoe aan te wijzen registeraccountant volledige inzage te verschaffen in en afgifte van alle doorgenummerde verkoopfacturen en daaraan ten grondslag liggende correspondentie en bescheiden van [gedaagde 2]. aan al haar afnemers, gelegen in de periode 1 januari 2005 tot en met 1 april 2006, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen andere periode;

VII Meat Provider, althans een daartoe aan te wijzen registeraccountant volledige inzage te verschaffen in en afgifte van de tussen [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2]. en/of [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] gesloten (arbeids-)overeenkomst(en) en daarmee samenhangende bescheiden inclusief alle met de door [gedaagde 1] voor de overige gedaagden gemaakte (belonings-)afspraken en dienaangaande correspondentie en overige schriftelijke bescheiden in het kader van de te verrichten werkzaamheden;

zal bepalen dat [gedaagde 1] en [gedaagden 2, 3, 4]:

VIII hoofdelijk worden verplicht tot het in het geding brengen van de administratie waarop ook bewijsbeslag is gelegd;

IX [gedaagde 1] en [gedaagden 2, 3, 4] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander bevrijd zal zijn, zal veroordelen in de kosten van dit geding, daaronder begrepen alle kosten op de tenuitvoerlegging vallende;

X. een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- aan Meat Provider te voldoen voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde 1] en [gedaagden 2, 3, 4] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijven het hiervoor onder I tot en met VII na te komen, althans van een zodanig bedrag als de rechtbank zal vermenen te behoren, met bepaling dat Meat Provider het vonnis jegens [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zonodig door middel van lijfsdwang ten uitvoer zal kunnen leggen;

subsidiair

zal bepalen dat [gedaagde 1] en [gedaagden 2, 3, 4] hoofdelijk worden verplicht tot het in het geding brengen van de bescheiden, primair zoals in de onderdelen I tot en met VII wordt gevorderd en tot het in het geding brengen van de administratie waarop ook bewijsbeslag is gelegd;

[gedaagde 1] en [gedaagden 2, 3, 4] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd zal veroordelen in de kosten van dit geding, daaronder begrepen alle kosten op de tenuitvoerlegging vallende;

meer subsidiair

zal bepalen dat hoger beroep zal openstaan tegen alle thans gewezen vonnissen in deze procedure en tegen het thans te wijzen vonnis in dit incident.

2.2. Aan deze incidentele vordering legt Meat Provider - voor zover hier van belang - de volgende stellingen ten grondslag. In het tussenvonnis van deze rechtbank van 28 juni 2006 is de vordering tot afgifte van met name genoemde stukken afgewezen. Thans is er sprake van dusdanige nieuwe feiten dat terug dient te worden gekomen op dit oordeel. Meat Provider was voorafgaand aan de getuigenverhoren van [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] reeds in het bezit van een overzicht waaruit blijkt dat [gedaagden 2, 3, 4] aan [gedaagde 1] betalingen heeft gedaan op 7 november 2005 en 15 december 2005, welke betalingen mede betrekking zullen hebben op de periode vóór 7 november 2005. [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben meinedige verklaringen afgelegd. Het is van cruciaal belang voor de rechtbank om te weten of [gedaagden 2, 3, 4] ten tijde van het dienstverband van [gedaagde 1] bij Meat Provider, provisievergoedingen heeft betaald aan [gedaagde 1] waarbij [gedaagde 1] ten voordele van [gedaagden 2, 3, 4] en ten nadele van Meat Provider bestellingen en transacties heeft laten uitvoeren door [gedaagden 2, 3, 4] in plaats van door Meat Provider. In dit licht mag de rechtbank geen gegevens worden onthouden die betrekking hebben op deze onrechtmatige transacties nu afgifte tot en inzage van de onderhavige documenten tot doel hebben de integrale waarheidsvinding te dienen.

2.3. [gedaagde 1] en [gedaagden 2, 3, 4] hebben gemotiveerd verweer gevoerd op welk verweer zal worden ingegaan indien daar aanleiding voor bestaat.

3. De beoordeling in het incident

3.1. Het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagden 2, 3, 4] dat Meat Provider

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen, zal worden gepasseerd. De omstandigheid dat Meat Provider bij de voorzieningenrechter heeft gevorderd afgifte van en inzage in dezelfde stukken als hier aan de orde zijn en dat zij van het afwijzend vonnis in hoger beroep is gegaan waarop tot op heden niet is beslist, maakt nog niet dat het haar niet vrij staat een incidentele vordering met dezelfde inhoud bij de bodemrechter in te stellen. Het verweer van [gedaagde 1] dat het onwenselijk is dat twee gerechtelijke instanties oordelen over dezelfde vordering, wordt verworpen. De voorzieningenrechter geeft slechts een voorziening die geen nadeel kan toebrengen aan de zaak ten principale en voorts dient de voorzieningenrechter zijn oordeel in beginsel af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter.

3.2. De vordering van Meat Provider wordt in die zin opgevat dat zij stelt dat er sprake is van nieuwe feiten op grond waarvan terug dient te worden gekomen op een in het vonnis van 28 juni 2006 gegeven eindbeslissing. In dat vonnis is onder meer beslist tot afwijzing van de gevorderde inzage in de bancaire administratie van zowel [gedaagde 1] als [gedaagden 2, 3, 4].

3.3. Met Meat Provider wordt geoordeeld - en ook [gedaagde 1] en [gedaagden 2, 3, 4] hebben dit niet bestreden - dat voormelde beslissing in het vonnis van 28 juni 2006 een uitdrukkelijke en zonder voorbehoud gegeven beslissing is en aldus een bindende eindbeslissing is. Voor een dergelijke beslissing geldt de op beperking van het processuele debat gerichte regel dat daarvan in dezelfde instantie niet kan worden teruggekomen, behoudens indien bijzondere, door de rechter in zijn desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden. Dit laatste kan met name het geval zijn indien sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag van de rechter of indien de desbetreffende beslissing blijkt te berusten op een, niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag.

3.4. Meat Provider zal niet worden gevolgd in haar stelling dat de getuigenverklaringen van [gedaagde 1] en Meat Provider nieuwe feiten zijn die meebrengen dat voormelde eindbeslissing berust op een onjuist feitencomplex. Meat Provider stelt weliswaar dat [gedaagde 1] en [gedaagden 2, 3, 4] meineed hebben gepleegd maar dit is tot nu toe niet in rechte komen vast te staan. Het enkele feit dat Meat Provider aangifte heeft gedaan tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en zij terzake zijn gehoord heeft, zonder bijkomende omstandigheden die door Meat Provider niet zijn gesteld, geen betekenis. Ook het betalingsoverzicht dat Meat Provider in het geding heeft gebracht kan niet worden geduid als een nieuw feit in de onder 3.3 vermelde zin. Relevant in dit verband is de getuigenverklaring van [getuige 1], waar die luidt:

"U vraagt mij of ik iets weet van een commissieafspraak tussen [gedaagden 2, 3, 4] en Meat Provider inhoudende betaling van 5 cent per kilo voor leveringen van [gedaagden 2, 3, 4] via Meat Provider. Nee, daar weet ik niets van. Dergelijke afspraken of facturen ben ik ook niet in de administratie tegengekomen. Mijn vader kwam op enig moment, dat moet vóór 1 januari 2006 zijn geweest, met een papier waarop commissiebetalingen door [gedaagden 2, 3, 4] aan [gedaagde 1] stonden. Daar was mij niets van bekend. Mijn vader zei tegen mij: “lees en trek je conclusie”.

Hieruit kan worden opgemaakt dat Meat Provider dit overzicht ruimschoots vóór 28 juni 2006 en ook vóór de datum van de comparitie van partijen, 30 mei 2006, in haar bezit had. Indien Meat Provider er dan voor kiest om dit overzicht ná de datum van het vonnis in het geding te brengen, kan niet gezegd worden dat de onderhavige eindbeslissing is gebaseerd op een niet aan Meat Provider toe te rekenen onjuiste feitelijke grondslag.

Hier komt nog het volgende bij. Uit het vonnis van 28 juni 2006 kan worden afgeleid dat de eindbeslissing onder meer stoelt op het niet voldoen door Meat Provider aan haar stelplicht. Zo luidt de desbetreffende overweging 8.45 in het vonnis, voor zover van belang:

"Meat Provider heeft anders dan de hiervoor genoemde faxbrief geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat sprake is van provisiebetalingen door [gedaagden 2, 3, 4] aan [gedaagde 1] tijdens het dienstverband van [gedaagde 1] met Meat Provider. [getuige 1] heeft ter zitting nog verklaard: "(…) Ik ga er vanuit dat er provisievergoedingen zijn betaald door [gedaagden 2, 3, 4] aan [gedaagde 1], van welke vergoedingen zou moeten blijken uit de boekhouding of privé administratie tussen [gedaagden 2, 3, 4] en [gedaagde 1] (…)" Dit vermoeden van de zijde van Meat Provider is echter onvoldoende."

Nu Meat Provider - achteraf gesproken - in staat is geweest dit vermoeden te onderbouwen door het overzicht te overleggen maar er voor gekozen heeft dit niet te doen, dient deze keuze voor haar rekening te blijven en is het in strijd met een goede procesorde indien haar alsnog zou worden toegestaan dit niet voldoen aan haar stelplicht te repareren.

3.5. De omstandigheid dat Meat Provider de periode, waarover zij overlegging vordert van de financiële stukken door [gedaagde 1] en [gedaagden 2, 3, 4], heeft uitgebreid tot april 2006, doet aan het voorgaande niets af nu Meat Provider haar gehele vordering heeft gestoeld op de onder 2.2 genoemde gronden. Hetzelfde geldt voor de vorderingen hiervoor onder 2.1 vermeld achter VIII, IX en X en de subsidair ingestelde vordering.

3.6. Gelet op het voorgaande zullen de hiervoor onder 2.1 achter I tot en met X vermelde vorderingen en de subsidiair ingestelde vordering dan ook worden afgewezen.

3.7. Ook de meer subsidiaire vordering zal worden afgewezen. Meat Provider baseert deze vordering op het bepaalde in de artikelen 21 en 22 Rv. Uit de parlementaire geschiedenis van de genoemde artikelen blijkt dat de wetgever niet heeft bedoeld met deze artikelen processuele rechten te scheppen die door partijen kunnen worden ingeroepen. Beide artikelen zijn ingebed in een aantal beginselen van procesrecht, die tezamen het kader scheppen voor de rechtspleging in civiele zaken. Zij moeten in die context en tegen die achtergrond worden uitgelegd.

3.8. Meat Provider zal voorzover zij vordert dat alsnog hoger beroep zal openstaan tegen het vonnis van 28 juni 2006, niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Bij vonnis van 30 augustus 2006 is deze vordering reeds afgewezen. Ook zal geen hoger beroep worden opengesteld tegen de overige vonnissen die gewezen zijn in deze procedure. Meat Provider heeft niet onderbouwd op grond waarvan afgeweken zou moeten worden van de hoofdregel van artikel 337 lid 2 Rv.

3.9. [gedaagden 2, 3, 4] heeft nog verzocht een termijn te stellen waarbinnen de getuigen aan de zijde van Meat Provider zijn gehoord. Nu [gedaagden 2, 3, 4] dit verzoek niet in de vorm van een eis in reconventie heeft gedaan zal hier niet verder op worden ingegaan.

3.10. Meat Provider zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident. Deze kosten worden begroot op € 452,-- (1 punt van tarief II á € 452,-- per punt).

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. verklaart Meat Provider niet-ontvankelijk in haar vordering tot het openstellen van hoger beroep tegen het vonnis van 28 juni 2006 en wijst haar vorderingen voor het overige af;

4.2. veroordeelt Meat Provider in de kosten van het incident die worden begroot op € 452,--;

4.3. bepaalt dat de hoofdzaak weer op de rol zal komen van 9 juli 2008 voor uitlating tegengetuigenverhoor door [gedaagde 1] en [gedaagden 2, 3, 4]

Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk, mr. P.F.A. Bierbooms en mr. J.S.W. Lucassen en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2008.