Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD7204

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
90319 - HA ZA 07-1196
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Financiële afrekening tussen niet gehuwde en niet geregistreerde samenwoners. Geen samenlevingsovereenkomst. Vordering strekt tot verdeling van de verkoopopbrengst van hun woonboerderij en tot verrekening bij helfte van het vermogen van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 90319 / HA ZA 07-1196

Vonnis van 28 mei 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

procureur mr. J.H. van den Sigtenhorst,

advocaat mr. A.M.B. Leerkotte te Utrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

procureur mr. C.B. Gaaf,

advocaat mr. P.F. Schepel te Deventer.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 februari 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 25 maart 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zij hebben samengewoond vanaf mei 1985 tot begin 2006. Uit hun relatie zijn twee kinderen geboren, beiden inmiddels meerderjarig. De vrouw heeft nog twee kinderen die geboren zijn uit een eerder huwelijk.

Partijen hebben geen samenlevingsovereenkomst opgesteld.

2.2. Partijen hebben in 1987 gezamenlijk hun eerste woning gekocht en deze gefinancierd met op hun beider naam staande (hypothecaire) leningen. Deze woning hebben zij in 1995 verkocht. De overwaarde in deze woning, het na aflossing resterende deel van de hypothecaire lening en een aanvullende hypotheek hebben partijen aangewend voor de aankoop van hun tweede woning, een woonboerderij te [plaats]. Beide partijen waren eigenaar van deze boerderij.

2.3. De man heeft in 1997 voor de aankoop van het [restaurant A] een bedrag van fl. 150.000,-- geleend. Tot zekerheid voor deze lening hebben partijen een tweede recht van hypotheek op hun woonboerderij gevestigd (productie 8 bij dagvaarding). Voornoemd restaurant wordt geëxploiteerd in de door de man op 9 september 1997 opgerichte besloten vennootschap [A] B.V. De man houdt indirect alle aandelen in deze vennootschap.

2.4. De in 1995 voor fl. 395.000,-- gekochte woonboerderij hebben partijen in 2001 verkocht voor een bedrag van fl. 1.250.000,--. Zij zijn in een huurwoning gaan wonen. Van de opbrengst hebben zij onder meer op hun beider naam een beleggingsportefeuille gekocht.

2.5. In het voorjaar van 2003 is het [restaurant B] geopend en in de winter van 2003 [restaurant C]. De aankoop van deze restaurants is gedaan ten laste van de verkoopopbrengst van de woonboerderij voor bedragen van respectievelijk € 100.000,-- en € 250.000,--. De man heeft deze restaurants aanvankelijk ondergebracht in zijn [vennootschap A]. Per 12 maart 2004 heeft hij voor elk restaurant een aparte besloten vennootschap opgericht. Al deze vennootschappen worden gehouden door [Naam] Holding B.V. De man is bestuurder en aandeelhouder van deze vennootschappen. In april 2006 is [restaurant D] aangekocht.

2.6. Zowel de man als de vrouw heeft werkzaamheden verricht in de restaurants. De man had (en heeft) de dagelijkse leiding van de bedrijven, de vrouw verzorgde de inrichting en de (bloem-)decoraties. Daarnaast had de vrouw de zorg voor de kinderen van partijen en de gemeenschappelijke huishouding.

2.7. De vrouw is in de periode 1998 tot 2001 ernstig ziek geweest.

2.8. De samenwoning en de affectieve relatie tussen partijen zijn geëindigd. De man heeft op 15 januari 2006 de door partijen samen bewoonde huurwoning verlaten. De vrouw is tot 1 april 2007 in deze woning blijven wonen, samen met de zoon van partijen.

2.9. De man heeft tot 1 april 2007 de kosten van levensonderhoud van de vrouw voor een bedrag van in totaal € 6.000,00 per maand betaald. Vanaf die datum betaalt bij maandelijks een bedrag van in totaal € 2.410,00 per maand aan de vrouw en betaalt hij € 90,00 per maand aan wegenbelasting en verzekering voor de auto van de vrouw.

2.10. Partijen zijn er niet in geslaagd hun relatie financieel af te wikkelen.

3. De vordering

3.1. De vrouw vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij de voorraad:

3.1.1. de man zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis over te gaan tot het afleggen van rekening en verantwoording van het door hem gevoerde beheer over de activa en passiva deel uitmakend van de gemeenschap die hij feitelijk onder zich heeft vanaf 2 september 2001, onder verbeurte van een direct opeisbaar boete van € 500,00 voor elke dag dat de man daarmee in gebreke is;

3.1.2. de man zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van dit vonnis over te gaan tot het geven van een beschrijving en waardebepaling van diens per 1 maart 2006 aanwezige goederen en gelden enerzijds en de schulden anderzijds, inclusief het aandelenkapitaal van de door de man in de vorm van rechtspersonen gedreven ondernemingen, een en ander ter vaststelling van diens voor verrekening of verdeling in aanmerking komende vermogen, onder verbeurte van een direct opeisbaar boete van € 500,00 voor elke dag dat de man daarmee in gebreke is;

3.1.3. de man zal veroordelen om ter zake de verrekenplicht op grond van 3: 185 BW en terzake arbeidsbeloning en op grond van de redelijkheid en de billijkheid aan de vrouw te voldoen een bedrag gelijk aan de helft van het vermogen van de man per 1 maart 2006, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.1.4. de man zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. De vrouw heeft aan haar vorderingen het volgende ten grondslag gelegd.

De samenwoning tussen partijen was vermogensrechtelijk ingericht op een wijze die is gelijk te stellen aan een gemeenschap van goederen. De woningen en de bijbehorende hypothecaire geldleningen stonden steeds op naam van partijen, de beleggingsportefeuille was van partijen tezamen en het geld voor de zaak werd gezamenlijk geleend. Partijen hadden jegens elkaar testamentair blijk gegeven van een verzorgingsplicht.

Het gezamenlijk geleende geld, met de woonboerderij in [plaats] als onderpand en de overwaarde van de woonboerderij vormden het kapitaal van de restaurants. De restaurants floreerden door inspanningen van partijen tezamen. Tot hun uiteengaan hebben partijen de restaurants behandeld als behoorden deze aan hen beiden in gemeenschappelijk eigendom toe. Niet alleen hebben partijen beiden financieel aanzienlijk geïnvesteerd in de restaurants, ook alle arbeidsuren stonden in het teken van de restaurants. De vrouw verrichtte de arbeid om niet, dat wil zeggen zij ontving geen apart salaris. De winst en het salaris van de man vormden hun beider inkomen. Het kan niet zo zijn dat de man alleen eigenaar is geworden van de restaurants, zonder verrekeningsbedoeling. De waarde van de restaurants dient verdeeld te worden alsof zij aan partijen gemeenschappelijk toebehoorden, althans is de bevoordeling van de man naar verhouding zo exorbitant, dat hij er niet op mocht vertrouwen zonder enige restitutie daarvan te kunnen profiteren.

De rechtsbetrekking tussen deelgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Het totale vermogen van partijen dient daarom verdeeld te worden als ware er een gemeenschap van goederen. De man kan niet volstaan met alleen uitkering van de destijds door de vrouw ingebrachte gelden.

4. Het verweer

4.1. De man heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw onder haar veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, op voorhand te begroten nasalaris daaronder begrepen.

4.2. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft hij het volgende aangevoerd.

Ongehuwd samenwonenden hebben er in de regel bewust voor gekozen hun relatie niet te laten beheersen door voor het huwelijk geschreven regels. Het gaat daarom niet aan deze regels, zelfs niet naar analogie, op hun relatie toe te passen. De door de vrouw gestelde feiten leveren niet voldoende uitzonderlijke feiten en omstandigheden op om van deze hoofdregel af te wijken.

Er is geen sprake van enig gemeenschappelijk vermogen, doch uitsluitend van door de vrouw aan de man ter beschikking gestelde gelden, die de man nominaal aan haar dient terug te betalen. Van deze gelden is tijdens de samenwoning tussen partijen al een gedeelte verteerd en na afloop van die samenwoning zijn bedragen aan en ten behoeve van de vrouw betaald. De man is daarom per 1 december 2007 per saldo nog een bedrag van € 43.709,55 verschuldigd. Dit bedrag neemt iedere maand na 1 december 2007 af met een bedrag van

€ 2.500,--.

Voor wat betreft de loonvordering van de vrouw geldt dat de inzet van de vrouw in arbeidsuren in de ondernemingen van de man nog geen 20% bedroeg van die van de man. De vrouw heeft in die ondernemingen nooit iets anders gedaan dan de bloemen verzorgen. De vennootschappen van de man zijn geen partij in deze procedure. Bovendien heeft de vrouw langer dan vijf jaar geleden voor het laatst werkzaamheden verricht, zodat een eventuele loonvordering verjaard is.

Voor de betaling van boetes zoals door de vrouw gevorderd, wordt geen grondslag gesteld en deze bestaat ook niet.

5. De beoordeling

5.1. Partijen zijn het erover eens dat zij moeten overgaan tot afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van hun langjarige samenwoning en dat de man aan de vrouw daartoe een bedrag in geld moet uitkeren. Zij verschillen van mening over de omvang van dit bedrag.

5.2. Naar de rechtbank begrijpt strekt de vordering van de vrouw tot verdeling van de gemeenschap die bestaat uit de verkoopopbrengst van de woonboerderij en tot verrekening bij helfte van het vermogen van de man op 1 maart 2006. De vrouw heeft gesteld dat partijen stilzwijgend zijn overeengekomen dat zij voor het geval aan hun samenleving een einde komt op deze wijze zullen verrekenen en dat zij, de vrouw, geen genoegen hoeft te nemen met uitkering van slechts het bedrag van haar aandeel in de verkoopopbrengst verminderd met schulden die daaruit zijn betaald.

5.3. Partijen zijn niet gehuwd geweest en hebben geen geregistreerd partnerschap gesloten, zodat tussen hen geen gemeenschap van goederen bestaat of heeft bestaan. Partijen hebben de vermogensrechtelijke gevolgen van hun samenleving niet geregeld in een samenlevingsovereenkomst. Zij hebben evenmin op schrift afspraken gemaakt over de verkoopopbrengst van de woning en de vermogensverschuivingen die door de besteding daarvan tussen hen zijn opgetreden.

Of partijen de door de vrouw gestelde stilzwijgende afspraak tot verrekening hebben gemaakt moet daarom worden vastgesteld aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen in redelijkheid hebben mogen afleiden.

5.4. Vast staat dat partijen met gezamenlijk (geleend) geld steeds samen de restaurants [A, B en C] gefinancierd hebben, zonder dat kan worden vastgesteld wie welk deel voor zijn of haar rekening heeft genomen. De aankoop van [restaurant B] en [restaurant C] is geheel betaald uit de opbrengst van de woonboerderij die door de man voor partijen werd beheerd. Partijen hebben hieromtrent het volgende verklaard.

De vrouw heeft over de gang van zaken bij het vestigen van een tweede hypotheek op de woonboerderij ten behoeve van het [restaurant A] het volgende verklaard: “(…) Toen ik met [gedaagde] bij de notaris zat voor de hypotheekakte voor [restaurant A] hoorde ik dat het restaurant op naam van [gedaagde] stond. Ik was het daar helemaal niet mee eens en ik heb dat ook gezegd. Ik dacht het is ons restaurant en daarom nemen we ook samen een hypotheek. [gedaagde] zei tegen mij: “Het is heel normaal het hoort zo, het komt wel goed.” Hij zei ook altijd we doen het samen voor onze zaak. Ik snapte er helemaal niets van maar ik liet het financiële gedeelte aan [gedaagde] over. [gedaagde] zei ook altijd dat wij het samen deden. (…) Omdat [gedaagde] altijd zei, dit zijn onze zaken, dacht ik dat hij het wel goed zou bedoelen. Ik heb nooit beter geweten dan dat ik mede-eigenares was van onze zaken en dat [gedaagde] het voor ons goed geregeld had. (…)”

De man heeft daarover verklaard: “(…) Tijdens het tekenen van de hypotheekakte voor [restaurant A] is [eiseres] mee geweest naar de notaris. (…) Ik heb er destijds bewust voor gekozen om de restaurants alleen op mijn naam te laten zetten omdat ik niet wilde dat als er iets ernstigs zou gebeuren de zaken verkocht zouden moeten worden en het personeel op straat gezet zou moeten worden. Ik heb dit ook op advies van [meneer] gedaan. Van hem huur ik alle panden. Hij zei tegen mij: “Zorg dat je je zaakjes goed voor elkaar hebt en dat er niet teveel directeuren in de B.V. zitten want als het dan mis gaat moet je de hele handel verkopen.“ Ik heb dat niet zo tegen [eiseres] gezegd. Ik weet niet meer wat ik destijds heb geantwoord toen zij mij daarna vroeg. (…) Het financiële gedeelte was voor [eiseres] niet interessant. Het boeide haar ook niet. Ik kreeg daarom een bepaalde vrijheid om de administratie in te richten zoals mij goed dunkte. (…)”

De vrouw heeft voorts verklaard: “(…) Ondanks dat ik veel ziek ben geweest hebben wij toch samen de zaken opgebouwd. Bij gebrek aan wetenschap wordt betwist dat de lening voor [restaurant A] geheel uit de zaak is afgelost. Er zijn ook aandelen van onze beleggingsrekening verkocht omdat [gedaagde] de zaken schuldenvrij wilde hebben. Er zijn ook privé-spullen in de zaken gezet zoals al mijn schilderijen. (…)”

De man heeft verklaard: “(…) Deze lening [de hypothecaire lening ad fl. 150.000,-- voor [restaurant A], rechtbank] is uit de opbrengsten van het restaurant afgelost. De andere restaurants zijn gekocht met de opbrengsten uit de boerderij. [restaurant B] kostte ongeveer, voor zover ik mij kan herinneren, € 100.000,00, [restaurant C] kostte ongeveer

€ 250.000,00. (…) We hadden ongeveer ƒ 800.000,00 over van de verkoop van de boerderij in [plaats]. Daarvan is een stuk belegd en we hebben een zomerhuisje gekocht. Toen dit is verkocht is er in totaal ongeveer ƒ 735.000,00 in de zaken gegaan. Wij waren dus eigenlijk een bank voor onze eigen zaken. Wij hebben ons eigen geld er in gestopt. Op de balans is dit geboekt als een lening op naam van familie [gedaagde]. Deze lening is echter weer teruggevloeid in het gezinsgebeuren. U houdt mij de crediteringen voor op de beleggingsrekening waarvan de afschriften zijn overgelegd als productie II bij conclusie van antwoord. Er werd wel eens wat gekocht voor de bedrijven zo ook voor [restaurant A] bijvoorbeeld als er iets kapot ging. Dit werd dan van de beleggingsrekening betaald. Deze rekening stond op onze beider naam. (…)“

5.5. Partijen droegen ieder zonder verrekening over en weer bij aan de kosten van hun gezamenlijke huishouden, zo blijkt onder meer uit het door de man als productie 1 in het geding gebrachte overzicht.

Aanvankelijk leefden partijen van het AWW-pensioen dat de vrouw tot de wetswijziging per 1 juli 1996 ontving en van het inkomen uit arbeid van de man. Na de overname/oprichting van [restaurant A] en de volgende twee restaurants werden de kosten van het gezamenlijk gevoerde huishouden gefinancierd uit de opbrengsten van de restaurants. De vrouw heeft daarover verklaard: ”(...)Ik wist niet dat het huishoudgeld dat ik van [gedaagde] kreeg door de zaak werd betaald. Ik kreeg de laatste jaren in onze relatie huishoudgeld. Daarvoor haalde ik wel eens wat geld van de en/of rekening af. (…) Er zijn een aantal dingen op rekening van de zaak gekocht zoals vele boodschappen, de rest kocht ik dan in de supermarkt. In ons huis zijn geen dure spullen aangeschaft want we hadden bijna alles al. (…)”

De man heeft verklaard: “(…) Wij hadden ook een gezamenlijke en/of rekening. Daarmee kon [eiseres] doen en laten wat zij wilde. Het salaris dat uit de B.V. werd gehaald werd daar op gestort. Ik ben begonnen met een netto salaris van ƒ 4.000,00. Later haalde ik € 1.500,00 netto uit [restaurant A] en nog eens € 1.000,00 elk netto uit de andere restaurants. Daarvan werden dan de vaste lasten betaald. Daarnaast kon [eiseres] alle boodschappen en dergelijke doen op rekening van de restaurants. De grotere uitgaven zoals de vakanties en de studies van de kinderen werden gehaald uit de zaak. Dit boekte ik dan zelf af op de opbrengst van onze woning. Het financiële gedeelte was voor [eiseres] niet interessant. Het boeide haar ook niet. (….) Wij hebben het eerste jaar nadat [restaurant A] was gestart heel sober geleefd om zo spoedig mogelijk van de lening af te komen. (…) Er werd niet veel winst gemaakt omdat alles wat er aan winst gemaakt werd gelijk weer geïnvesteerd werd in de ondernemingen. Zo heb ik een keer een hele dure stoommachine gekocht voor zo’n 40 à 50.000,00 gulden. (…)”

5.6. Deze verklaringen van partijen en de feitelijke gang van zaken kunnen niet anders worden geduid dan dat het gemeenschappelijk kapitaal van partijen door de man is beheerd en is gebruikt voor de aankoop van de eerste drie restaurants.

Dit brengt met zich dat de man rekening en verantwoording over dat beheer dient af te leggen en dat de vrouw recht heeft op de helft van de waarde van de investeringen die met de verkoopopbrengst van de woonboerderij in het tweede en derde restaurant zijn gedaan. Dat geldt evenzeer voor het eerste restaurant, nu ook deze investering feitelijk ten laste van partijen samen is gekomen. Daarbij is niet van belang of en hoeveel arbeid de vrouw heeft verricht ten behoeve van de restaurants.

De stelling van de man dat de vrouw slechts aanspraak kan maken op nominale vergoeding van het door haar verschafte kapitaal kan derhalve geen stand houden.

Het feit dat de drie restaurants waarvoor het gemeenschappelijk kapitaal is aangewend eigendom zijn van de vennootschappen van de man leidt niet tot een ander oordeel. Uit de verklaring van de man blijkt dat hij met name uit beheerstechnische overwegingen de restaurants op zijn naam heeft gezet. Het oordeel dat de vrouw aanspraak kan maken op een deel van de met het gemeenschappelijk kapitaal verkregen revenuen, doet geen afbreuk aan deze bedoeling van de man. Omdat er geen sprake is van mede-eigendom van de vrouw, behoeft immers niet verdeeld te worden, maar dienen partijen met elkaar af te rekenen.

5.7. De rechtbank acht, mede gelet op de verstandhouding tussen partijen - ter zitting is gebleken dat partijen nog met elkaar in gesprek zijn - de procedure in dit stadium geschikt voor doorverwijzing naar een mediator. De rechtbank beveelt aan dat partijen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen en met de hulp van een mediator proberen tot een financiële afwikkeling van hun relatie te komen. Juist mediation biedt partijen de mogelijkheid een regeling te treffen waardoor de continuïteit van de restaurants gewaarborgd kan blijven en aan de belangen van beide partijen tegemoet kan worden gekomen. Aan de partijen wordt verzocht om aan te geven of zij van die mogelijkheid gebruik willen maken. De zaak wordt verwezen naar de rol voor uitlating over mediation. Partijen wordt verzocht om, indien zij deze doorverwijzing wensen, hun verhinderdagen op te geven en voorts hun adressen en de telefoonnummers waar zij bereikbaar zijn. Voor de partijen is de brochure “Mediation: toch samen het conflict oplossen” bijgevoegd.

5.8. In het geval de partijen van voornoemde mogelijkheid geen gebruik willen maken, zal de rechtbank de zaak zelf afdoen. Partijen dienen zich dan uit te laten over het aan de vrouw toekomende bedrag en per welke datum deze afrekening dient plaats te vinden. Om dit te kunnen beoordelen dient te worden beschikt over de financiële gegevens van de restaurants [restaurant A], [restaurant B] en [restaurant C] c.q. de besloten vennootschappen waarin zij zijn ondergebracht. De man dient dan bij akte de akte van oprichting van de besloten vennootschappen alsmede de jaarrekeningen (met bijbehorende toelichting) van deze vennootschappen alsmede van de Holding over de jaren 2005, 2006 en 2007 in het geding te brengen.

5.9. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank

draagt de man op zich bij akte uit te laten omtrent hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 5.9 en 5.10, waartoe de zaak wordt verwezen naar de rol van 11 juni 2008, ambtshalve peremptoir;

bepaalt dat de vrouw in de gelegenheid zal worden gesteld op deze akte bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek, J.H. Lieber en S.B. Boorsma en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2008.