Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD7113

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
14-07-2008
Zaaknummer
88762 - HA ZA 07-940
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht assurantietussenpersoon indien cliënt geen risico wil lopen en verzekerd wil zijn van een gegarandeerde uitkering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 88762 / HA ZA 07-940

Vonnis van 23 april 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

procureur mr. A.V.P.M. Gijselhart,

advocaat mr. L.C. Wenneker te Breukeler,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1] VOF,

gevestigd te [plaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [plaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] B.V.,

gevestigd te [plaats],

gedaagden,

procureur mr. C.B. Gaaf,

advocaat mr. W.J.L. de Clerck te Rotterdam.

Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden en gedaagden te samen [gedaagden]. Gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3 zullen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 november 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 23 januari 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is in 2000 benaderd door [gedaagden] met het aanbod hem te adviseren bij het treffen van een pensioenvoorziening. [gedaagden] heeft [eiser] voorgehouden dat het verstandig was om de in 1998, toen [eiser] 65 was geworden, vrijgekomen uitkering uit een levensverzekering bij Nationale Nederlanden te storten in een lijfrentepolis, die in een vaste maandelijkse uitkering voorzag. [gedaagden] heeft [eiser] een drietal soortgelijke polissen aangeboden, waarbij de inleg zou worden belegd in aandelen en in obligaties.

2.2. Op verzoek van [gedaagden] heeft Royal & SunAlliance op 22 mei 2000 aan [eiser] een offerte uitgebracht voor een Lijfrentemaatwerkplan in verband met een uitkering van een lijfrenteverzekering (productie 3 bij de conclusie van antwoord). Daaruit wordt hier aangehaald:

"Omschrijving van uw Lijfrentemaatwerkplan

Als de verzekerde op de overeengekomen lijfrente-uitkeringsdata in leven is, keert Royal & SunAlliance de overeengekomen lijfrente uit, zolang de waarde van het totaal aantal alsdan nog aanwezige participaties voldoende is.

(…)”

Op blad 5 van deze offerte staan onder het kopje "LET OP" waarschuwingen over de financiële risico's die aan beleggen zijn verbonden. Deze luiden onder meer "Naarmate wordt belegd in meer risicovolle beleggingsvormen, zullen de te behalen rendementen onderhevig zijn aan grotere schommelingen en kan dus ook de eindopbrengst meer afwijken van de in de voorbeelden gehanteerde bedragen. (…)" en "De gepresenteerde bedragen zijn uitsluitend bedoeld als voorbeeld en niet als garantie of prognose. (…)”.

Diezelfde waarschuwingen zijn ook opgenomen in een door [gedaagden] aan [eiser] verstrekt rekenvoorbeeld (productie 2 bij de conclusie van antwoord). Bij de waarschuwingen wordt verwezen naar de brochure Rendement en Risico.

2.3. [eiser] heeft via [gedaagden] een aanvraag ingediend voor een Lijfrentemaatwerkplan bij Royal & SunAlliance. Op het aanvraagformulier (productie 1 bij de conclusie van antwoord) is met de hand bijgeschreven "cliënt wil wel in aandelenfonds maar geen hoog risico. Hierdoor gekozen voor mix fonds". [gedaagden] heeft bij brief van 26 mei 2000 (productie 3 bij de dagvaarding) de ontvangst van het aanvraagformulier bevestigd en daaraan onder meer toegevoegd: "Bij de beleggingsfondsen hebben wij voor het Onderscheidend Mixfonds gekozen, aangezien dit een gespreid risico inhoudt."

2.4. Op 9 augustus 2000 heeft [eiser] op basis van de onder 2.3. genoemde aanvraag een Lijfrentemaatwerkplan afgesloten bij Royal & SunAlliance. In de polis (productie 2 bij de dagvaarding) is vermeld dat de verzekering ingaat op 1 juli 2000 en de lijfrente op

1 januari 2001, dat de koopsom ƒ 206.743,06 bedraagt en de maandelijkse uitkering in de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2011 ƒ 2.481,90. De koopsom wordt volgens de polis voor 100% belegd in het Royal & SunAlliance Onderscheidend Mixfonds (hierna: het mixfonds). Over de lijfrente wordt vermeld: "De lijfrente wordt per maand achteraf uitgekeerd, voor het eerst op 1 februari 2001, zolang en voor zover de guldenswaarde van de verzekering dit toelaat en mits de verzekerde op de betreffende vervaldatum in leven is. Zodra er geen participaties meer aanwezig zijn om een lijfrente-uitkering mee te verrekenen, vervalt de verzekering zonder enige verdere uitkering."

2.5. Eind december 2002 heeft Royal & SunAlliance [eiser] bericht dat de meeste van haar onderdelen waren overgenomen door Achmea. De naam van het Royal & SunAlliance Onderscheidend Mixfonds is gewijzigd in Avéro Achmea Onderscheidend Aandelenfonds.

2.6. Bij brief van 15 december 2004 (productie 5 bij de dagvaarding) heeft Avéro Achmea (hierna: Achmea) [eiser] geinformeerd over de gevolgen van de samenvoeging van de levensverzekeringsadministraties als gevolg van die overname. Aan deze brief wordt hier ontleend:

" Alle huidige beleggingsfondsen blijven beschikbaar voor uw huidige verzekering. Wel gaan we het aanwezige vermogen van drie beleggingsfondsen herinvesteren. (…)

Bij de herinvestering wordt het beheer van het vermogen overgedragen aan F&C Asset Management plc. F&C herinvesteert in beleggingsfondsen die in het verleden aantoonbaar beter gepresteerd hebben. Uiteraard is dit geen garantie voor de toekomst. De overdracht betekent ook dat de beheerskosten lager worden. Met als voordeel voor u een verwacht hoger kapitaal op de einddatum. (…)"

2.7. Bij brief van 9 februari 2005 (productie 7 bij de dagvaarding) heeft [gedaagden] het volgende aan [eiser] geschreven:

"Op grond van de verzekering onder bovengenoemd polisnummer ontvangt u van Avero Achmea een bruto-uitkering van EUR 1.1.26,24 per maand, zolang u in leven bent en de unitwaarde van de verzekering dit toelaat. Op 1 januari 2005 bedroeg de unitwaarde van uwe verzekering EUR 73,35. Dit betekent dat de bruto-uitkering over januari 2005 niet meer volledig aan de unitwaarde onttrokken kan worden. (…)”

2.8. Ingaande januari 2005 heeft [eiser] geen maanduitkering meer van Achmea ontvangen.

2.9. Namens [eiser] heeft [gedaagden] op 28 februari 2005 een klacht ingediend bij Achmea over het feit dat bij de overname van Royal & SunAlliance door Achmea het Onderscheidend Mixfonds gewijzigd was in het AA Onderscheidend Aandelenfonds. Bij brief van 13 maart 2005 heeft Achmea hierop als volgt gereageerd, voor zover hier van belang:

"(…) Het Royal en SunAlliance Onderscheidend Mixfonds, thans Avero Achmea Onderscheidend Aandelenfonds genaamd, heeft in aanvang hoofdzakelijk belegd in een mix van internationaal gespreide aandelen en voor circa 13% in obligaties. Deze obligatiecomponent speelde vanaf aanvang een ondergeschikte rol. (…) Het beleggingsbeleid wordt thans voortgezet onder de nieuwe fondsnaam. Deze obligatiecomponent is in de loop van 2000 verwijderd uit de fondssamenstelling. De waardedaling van het fonds is veroorzaakt door het slechte beursklimaat van de afgelopen jaren. Met kennis achteraf kan worden gesteld dat een andere verhouding tussen aandelen en obligaties een beter rendement tot gevolg zou kunnen hebben gehad. (…) Aangezien dit onlosmakelijk verbonden is aan beleggen, zijn wij niet aansprakelijk voor de waardedaling van het fonds. Echter, gezien het dossier, komt het ons aannemelijk voor dat een reden voor de keuze van verzekeringnemer voor het Mixfonds gelegen is in de obligatiecomponent. Gegeven deze keuze zou het achteraf gezien beter zijn geweest dat Avero Achmea hem specifiek te kennen zou hebben gegeven dat het aandeel van de obligaties in de mix geenszins vast zou zijn. Hoewel het hier gaat om een "wijsheid achteraf" en er naar onze mening geen sprake is van civielrechtelijke aansprakelijkheid, willen wij onder deze omstandigheden de heer [eiser] tegemoetkomen door te doen alsof wij, gezien zijn voorkeur voor een obligatiecomponent, ruim de helft van de obligatiecomponent in het Mixfonds behouden zouden hebben tot op 11 maart 2005. Derhalve zijn wij coulancehalve bereid éénmalig de fondswaarde te verhogen tot een bedrag alsof gedurende de looptijd tot het moment van fondsswitch 7.5% van de premies een rendement zou hebben behaald gelijk aan dat van het Onderscheidend Obligatiefonds dat belegt op Euro-obligatiemarkten. Dit verschil bedraagt EUR 2.335,96 (…)"

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

I voor recht zal verklaren dat [gedaagden] alsmede [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] jegens [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten zijn als adviseur/tussenpersoon en ieder afzonderlijk hoofdelijk volledig aansprakelijk zijn voor de door hem geleden schade;

II [gedaagden], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zal veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade, door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

III [gedaagden], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Aan deze vorderingen legt [eiser], tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

[eiser] heeft aan [gedaagden] duidelijk gemaakt dat hij een oudedagsvoorziening wilde treffen, dat hij de vrijgekomen levensverzekeringsuitkering daarvoor wilde aanwenden, dat hij geen ander pensioen had dan deze uitkering, dat een maandelijkse uitkering gegarandeerd moest zijn en dat hij geen enkel risico wilde lopen. [gedaagden] heeft hem daarop geadviseerd te kiezen voor de lijfrenteverzekering van Royal & SunAlliance met een korte looptijd van 10 jaar en een restbedrag dat na afloop daarvan aan [eiser] zou worden uitgekeerd. [gedaagden] heeft [eiser] verzekerd dat Royal & SunAlliance de beste keuze was, omdat er gelet op de verschillende componenten in het fonds waarin belegd zou worden, geen risico was. De brief van [gedaagden] van 26 mei 2000 vormde voor [eiser] een bevestiging van de mededeling dat hij geen risico zou lopen. Op grond van artikel 10 van de Algemene Voorwaarden bij het Lijfrentemaatwerkplan dient de verzekeringnemer jaarlijks te worden geïnformeerd over de bestaande verzekeringsdekking en de ontwikkeling van de waarde van de verzekering. Een zodanig bericht heeft [eiser] nimmer ontvangen. [eiser] is er nooit van op de hoogte gesteld dat de levensverzekering nagenoeg geen waarde meer had en daarom heeft de mededeling van [gedaagden] in de brief van 9 januari 2005 hem zeer verbaasd. Voor de wijziging van de fondssamenstelling heeft [eiser] geen toestemming gegeven en daarover is hij ook nooit geïnformeerd.

Door de hiervoor geschetste handelwijze van [gedaagden] heeft [eiser] schade geleden. Op [gedaagden] rust als adviseur en als dienstverlener een zorgplicht jegens haar cliënten en gelet daarop is zij verantwoordelijk voor de door [eiser] geleden schade.

Van een professioneel adviseur als [gedaagden] mocht worden verwacht dat zij [eiser] adequaat had geïnformeerd, in het bijzonder over de financiële risico’s van aangeboden producten. Uit de zorgplicht van [gedaagden] vloeit ook voort dat zij [eiser] had dienen te beschermen tegen het gevaar van diens gebrek aan inzicht.

[gedaagden] heeft verzuimd [eiser] te wijzen op het risico van beleggingsfondsen als oudedagsvoorziening. Hij heeft hem weliswaar een keuzemogelijkheid geboden tussen een drietal lijfrentepolissen, maar die zijn alle drie als risicovol aan te merken. Van deze drie was het fonds van Royal & SunAlliance mogelijk de veiligste optie, maar gelet op de situatie en de wensen van [eiser] had [gedaagden] hem ook moeten wijzen op de mogelijkheid van een garantiefonds met een gegarandeerd rendement. De door [gedaagden] aangeboden opties sloten in het geheel niet aan bij de behoeften en mogelijkheden van [eiser]. Voor [gedaagden] kon het gelet op de opleiding, achtergrond en leeftijd van [eiser] duidelijk zijn dat hij geen kennis had op het gebied van pensioenen en beleggingsfondsen. Daarom moest [gedaagden] extra voorzichtig zijn. [gedaagden] wist ook dat [eiser] geen ander vermogen had dan de vrijgekomen uitkering uit de levensverzekering. [eiser] kende [gedaagden] al jaren nu hij eerder via [gedaagden] de levensverzekering had afgesloten. Daarom vertrouwde hij zonder meer op de kennis en de deskundigheid van [gedaagden], toen deze hem benaderde over een pensioenvoorziening.

[gedaagden] heeft gezien het vorenstaande niet de zorg in acht genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend financieel adviseur mocht worden verlangd en daaruit volgt dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiser].

4. Het verweer

4.1. [gedaagden] concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

1. de vordering van [eiser] zal afwijzen, hetzij door hem in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren, hetzij door hem deze te ontzeggen, subsidiair de vordering van [eiser] zal toewijzen zonder dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren althans aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat [eiser] zekerheid stelt tot een door de rechtbank te bepalen bedrag;

2. [eiser] zal veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van EUR 131,00 zonder betekening, dan wel EUR 199,00 in het geval van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf de veertiende dag na dagtekening van het vonnis.

4.2. Aan deze conclusie legt [gedaagden] het navolgende ten grondslag.

Door [eiser] is voor een belegging bij Royal & SunAlliance gekozen omdat hij expliciet heeft gezegd dat hij wilde beleggen en daarnaast een verzekering wenste die in geval van overlijden een uitkering aan zijn partner zou verstrekken. Om die reden heeft hij niet gekozen voor de eveneens door [gedaagden] aangeboden guldenverzekering, waarmee hij geen enkel risico zou lopen. Deze verzekering is een van de drie polissen die [gedaagden] heeft aangeboden en uitvoerig met [eiser] besproken. Die heeft hij niet geaccepteerd, ten eerste omdat hij de uitkering te laag vond en ten tweede omdat de uitkering slechts gebaseerd kon worden op twee levens en dat had tot gevolg dat er, als [eiser] zou overlijden voor afloop van de verzekering, een lager bedrag zou worden uitgekeerd dan die van de op dat tijdstip aanwezige participaties. Dat gevolg vond [eiser] onwenselijk. De polis bij Royal & SunAlliance verstrekt in het geval [eiser] voor 1 januari 2011 overlijdt een uitkering aan de partner van [eiser] van 90% van de fondswaarde van het resterende bedrag. Dat was voor [eiser] van belang omdat zijn partner een stuk jonger is dan hij.

Het is niet zo dat [eiser] heeft gezegd dat hij geen enkel risico wilde lopen. [gedaagden] heeft hem ook niet gezegd dat hij met het mixfonds geen risico zou lopen. [eiser] heeft wel gezegd dat hij in aandelen wilde beleggen, maar geen hoog risico wilde lopen. Dat is ook aangegeven op het aanvraagformulier. Dus kan hij niet betogen dat hij tegen [gedaagden] heeft gezegd dat hij geen enkel risico wilde lopen, aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat aan het beleggen in aandelen risico’s zijn verbonden. [gedaagden] heeft [eiser] wel degelijk gewezen op deze risico’s. Bovendien had [eiser] dat ook kunnen opmaken uit het aan hem door [gedaagden] verstrekte rekenvoorbeeld, uit de offerte van Royal & SunAlliance, en uit de onder 2.4 weergegeven passages uit de polis. Op grond van artikel 3 van de Algemene Voorwaarden die bij het afsluiten van de polis aan [eiser] zijn uitgereikt, heeft de verzekerde het recht binnen twee weken na ontvangst van de polis, de overeenkomst met terugwerkende kracht op te zeggen. [eiser] heeft dat niet gedaan.

[eiser] heeft voor het mixfonds gekozen omdat in dit fonds de beleggingen worden gespreid zodat het risico minder hoog is. Uit de brief van [gedaagden] van 26 mei 2000 kan redelijkerwijs niet worden afgeleid dat van een risico geen sprake is. Dat het risico is gespreid neemt niet weg dat het een risico is. Het is dan ook volstrekt onbegrijpelijk dat [eiser] deze brief heeft opgevat als een bevestiging van de mededeling dat hij geen risico zou lopen.

Gezien het vorenstaande hoefde [gedaagden] [eiser] niet te beschermen tegen het, naar diens zeggen, aanwezige gebrek aan inzicht. Zij heeft [eiser] dan ook niet onjuist of onvolledig geadviseerd. [gedaagden] heeft dan ook voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. Het verwijt dat zij [eiser] niet heeft gewezen op de mogelijkheid om te beleggen in een garantie-of klikfonds, is onjuist. Dergelijke fondsen bestonden in 2000 niet voor direct ingaande lijfrentes waarbij in aandelen werd belegd.

Van de mededeling in de brief van Achmea van 15 december 2004 dat er sprake is van een herinvestering waardoor er meer rendement kan worden behaald kan [gedaagden] geen verwijt worden gemaakt. In de onder 2.6. geciteerde passage valt ook te lezen dat behaalde rendementen geen garantie bieden voor de toekomst. Het verwijt dat [eiser] nooit jaarlijks is geïnformeerd over de bestaande verzekeringsdekking en de ontwikkeling van de waarde van de verzekering raakt [gedaagden] niet. Deze verplichting rust immers op de verzekeraar. Deze waardeoverzichten zijn overigens wel verstrekt. [eiser] kon de ontwikkeling van het mixfonds ook via de media volgen. Hij kon dan ook niet verrast zijn door de mededeling dat de waarde van de portefeuille begin 2005 niet toereikend was om de uitkering te voldoen.

[gedaagden] heeft [eiser] in kennis gesteld van de samenstelling van het mixfonds. Dit fonds bestond voor ongeveer 80% uit aandelenfondsen, 15% uit obligaties en 5% uit liquiditeiten. In het latere Avéro Achmea Onderscheidend Aandelenfonds werd in het geheel niet in obligaties belegd. Uit de onder 2.9. genoemde brief van Achmea aan [gedaagden] van 13 maart 2005 blijkt dat de obligatiecomponent vanaf aanvang een ondergeschikte rol heeft gespeeld. Volgens Achmea is een vaste verhouding tussen obligaties en aandelen niet gegeven omdat dit het fondsbeheer zou belemmeren. Hierover heeft [gedaagden] [eiser] geïnformeerd. Bovendien wordt een assurantietussenpersoon door een fondsbeheerder niet op de hoogte gesteld van (iedere) wijziging in de fondssamenstelling. Dat is ook onmogelijk omdat die samenstelling veelvuldig wijzigt. [gedaagden] wist daarom niet (en hoefde dat niet te zijn) dat de obligatiecomponent uit de fondssamenstelling werd verwijderd. Daarbij komt nog dat de samenstelling van het mixfonds nagenoeg identiek was aan dat van het Avéro Achmea Onderscheidend Aandelenfonds. Van een wijziging in de samenstelling ten tijde van de overname door Achmea was dan ook geen sprake, zodat ook om die reden niet valt in te zien waarom [gedaagden] [eiser] daarover zou moeten informeren. Uit de onder 2.9. genoemde brief blijkt dat Achmea bereid is de fondswaarde eenmalig met EUR 2.335,96 te verhogen. Het is [gedaagden] niet bekend of [eiser] dit aanbod heeft geaccepteerd. Dit betekent echter wel dat de schade vanwege het niet informeren over de wijziging van de fondssamenstelling op dit bedrag dient te worden begroot. Deze schade is dan wellicht reeds vergoed.

Voor het geval de vordering ondanks het vorenstaande toewijsbaar wordt geacht, verzet [gedaagden] zich tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Indien [eiser] van dit vonnis in hoger beroep zal gaan, zal tussentijdse executie van het vonnis een reëel restitutierisico doen ontstaan. Subsidiair vordert [gedaagden] dat aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde wordt verbonden dat door [eiser] tot een door de rechtbank te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld.

De gevorderde verklaring voor recht kan niet worden toegewezen nu [eiser] verzuimt te stellen waarom hij bij een declaratoir vonnis belang heeft. Het verzoek tot schatting van de schade is evenmin toewijsbaar omdat dit verzoek veel te vaag is. Bovendien komt de rechter pas toe aan schatten als de schade niet te begroten is.

5. De beoordeling

5.1. Nu [eiser] stelt ten gevolge van het beweerde tekortschieten van [gedaagden] schade te hebben geleden valt niet in te zien waarom hij geen belang heeft bij de gevorderde verklaring van recht, althans voor zover hij daarmee beoogt dat in rechte komt vast te staan dat [gedaagden] aansprakelijk is voor de door hem als gevolg van dit tekortschieten geleden schade. Aan dit verweer van [gedaagden] zal dan ook worden voorbijgegaan. Ook voor het tweede deel van het petitum geldt dat dit op zichzelf te ruim is geformuleerd, aangezien daarin niet tot uiting komt dat [eiser] aanspraak maakt op de schade die hij heeft geleden tengevolge van het tekortschieten van [gedaagden]. Dat neemt niet weg dat aan de rechter op grond van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de vrijheid toekomt vermogensschade zoals die welke [eiser] vordert, te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan mag de schade worden geschat. Gezien het vorenstaande moet ook het verweer van [eiser] dat het tweede deel van het petitum te vaag is, worden gepasseerd.

5.2. Ter comparitie heeft [eiser] naar voren doen brengen dat sprake is van dwaling nu [eiser] de lijfrenteverzekering bij Royal & SunAlliance nooit zou hebben afgesloten als hij (naar de rechtbank aanneemt: door [gedaagden]) correct zou zijn geïnformeerd. Uit de pleitaantekeningen van de raadsvrouw van [eiser] blijkt echter dat zij daaraan het rechtsgevolg verbindt dat de overeenkomst met (na de overname van Royal & SunAlliance) Achmea vernietigbaar is. Aangezien het in deze zaak gaat om de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagden] zal aan deze stelling worden voorbijgegaan.

5.3. Namens [eiser] is ter comparitie betwist dat [gedaagden] hem een guldenrekening heeft aangeboden. Wel heeft [eiser] hem uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij geen risico wilde lopen en een oudedagsvoorziening wenste met een gegarandeerde looptijd. [gedaagden] heeft hem verzekerd dat er gedurende de looptijd van de lijfrente uitkeringen zouden worden gedaan en dat er daarna nog geld zou resteren. [eiser] heeft niet gezegd dat hij in aandelen wilde beleggen. Desondanks heeft [gedaagden] op het aanvraagformulier nadat [eiser] dat had ondertekend, bijgeschreven dat [eiser] had gekozen voor beleggen in aandelen. Daarvoor kan [eiser] niet verantwoordelijk worden gehouden. [gedaagden] wist dat [eiser] onervaren was in financiële kwesties en heeft hem alleen gewezen op de goede prognoses en is niet ingegaan op de risico’s. Omdat hij vertrouwde op het advies van [gedaagden] heeft hij niet binnen twee weken na ontvangst van de polis oog gehad voor die risico’s. [gedaagden] heeft hem uitgelegd dat een gespreid risico inhoudt dat een mogelijk verlies van een fonds wordt gecompenseerd door een winsten uit andere fondsen, zodat hij nagenoeg geen risico liep. Dat hij voor een risicovol fonds heeft gekozen vanwege de leeftijd van zijn partner, zoals [gedaagden] stelt, klopt niet. [eiser] heeft gezien zijn opleidingsniveau de toelichting op de offertes niet goed begrepen en voorts omdat hij ervan uitging dat [gedaagden] rekening had gehouden met zijn wensen. Uit de offerte van Royal &SunAlliance kan niet worden opgemaakt dat het om een risicovol product gaat. De brochure Rendement en Risico heeft [eiser] nooit ontvangen. [eiser] zelf heeft ter comparitie onder meer verklaard dat hij in zijn administratie geen stukken kan terugvinden van andere offertes die hem destijds zijn voorgehouden. Daarvan kan hij zich ook niet meer zo veel herinneren, maar uit het feit dat hij de beste, de minst risicovolle en de voordeligste heeft gekozen, leidt hij af dat [gedaagden] aan hem drie mixfondsen heeft geoffreerd.

Namens [gedaagden] is onder meer verklaard dat Nationale Nederlanden bij het aflopen van een levensverzekering altijd een offerte uitbrengt voor een guldenverzekering. [gedaagden] pleegt dan ook offertes bij andere maatschappijen te vragen. Zo is het ook bij [eiser] gegaan. Bij Aegon is toen een offerte gevraagd voor een guldenverzekering. [gedaagden] wist niet dat [eiser] geen pensioen had bovenop zijn AOW-uitkering. Dat hoefde zij ook niet te begrijpen omdat [eiser] had gevraagd om een lijfrente met een looptijd van tien jaar. Beleggen in alleen maar obligaties is niet ter sprake gekomen, mede omdat het rendement daarvan op dat moment heel laag was. Zij heeft [eiser] wel degelijk gewezen op de risico’s verbonden aan beleggen.

5.4. De rechtbank is van oordeel dat de zorgplicht die op een assurantietussenpersoon zoals [gedaagden] rustte, meebracht dat hij [eiser], als deze hem had meegedeeld dat hij een pensioenvoorziening wilde treffen met het geld uit een vrijgekomen levensverzekering en daarbij geen enkel risico wilde lopen, omdat hij geen ander pensioen had en daarom verzekerd wilde zijn van een gegarandeerde maandelijkse uitkering in aanvulling op zijn AOW-uitkering, hem een lijfrente zoals die welke [eiser] bij Royal & SunAlliance heeft afgesloten, niet had mogen aanbieden omdat deze niet aan de behoeften en wensen van [eiser] voldeed. In een dergelijke situatie kon zij niet volstaan met te wijzen op de risico’s die aan het beleggen in het mixfonds zijn verbonden. [eiser] stelt dat [gedaagden] deze zorgplicht heeft geschonden. [gedaagden] heeft gemotiveerd betwist dat [eiser] haar duidelijk heeft gemaakt wat zijn behoeften en wensen waren,dat zij [eiser] een guldenverzekering heeft aangeboden maar dat hij zelf daarvan heeft afgezien, dat zij [eiser] gewezen heeft op de risico’s die aan beleggen in aandelen verbonden zijn alsmede dat [eiser] uit de aan hem toegezonden stukken zelf had moeten afleiden dat de in het Lijfrentemaatwerkplan te storten koopsom risicovol werd belegd. Onder deze omstandigheden dient [eiser] te bewijzen dat hij aan [gedaagden] de hiervoor weergegeven mededelingen heeft gedaan. Tot dat bewijs zal hij hierna worden toegelaten. Slaagt hij daarin dan moet [gedaagden] aansprakelijk worden gehouden voor de schade die [eiser] heeft geleden. Als niet komt vast te staan dat [eiser] de hiervoor weergegeven mededelingen aan [gedaagden] heeft gedaan, kon [gedaagden] volstaan met de informatie die zij naar haar zeggen aan [eiser] heeft verstrekt.

5.5. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5.6. Als [eiser] bewijs wil leveren door het horen van getuigen, moet er bij het oproepen van de getuigen rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

5.7. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. Een rechtspersoon moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. draagt [eiser] op te bewijzen dat hij aan [gedaagden] heeft meegedeeld dat hij een pensioenvoorziening wilde treffen met het geld uit een vrijgekomen levensverzekering en daarbij geen enkel risico wilde lopen, omdat hij geen ander pensioen had en daarom verzekerd wilde zijn van een gegarandeerde maandelijkse uitkering in aanvulling op zijn AOW-uitkering,

6.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 mei 2008 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

6.3. bepaalt dat [eiser], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

6.4. bepaalt dat [eiser], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juni tot en met augustus 2008 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.J. van Lee in het gerechtsgebouw te Zutphen aan de Martinetsingel 2,

6.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

6.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2008.