Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD5834

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
06/460557-07 en 06/460126-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan een reeks vernielingen. (Promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummers: 06/460557-07 en 06/460126-08.

Uitspraak d.d.: 1 juli 2008

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1978],

wonende te [adres en plaats],

uit andere hoofde gedetineerd in het huis van bewaring “Het Veer” te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 april 2008 en 17 juni 2008.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

(inzake parketnummer: 06/460557-07)

1.

hij op of omstreeks 16 oktober 2007 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een baksteen (althans een hard en/of zwaar voorwerp) met kracht (door een ruit) naar, althans in de richting van, die [slachtoffer A] heeft gegooid en/of geworpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 16 oktober 2007 te [plaats] [slachtoffer A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een baksteen (althans een hard en/of zwaar voorwerp) met kracht (door een ruit) naar, althans in de richting van, die [slachtoffer A] gegooid en/of geworpen;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 16 oktober 2007 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruiten en/of de (voor)gevel van een woning (gelegen aan [adres A]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 16 oktober 2007 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een kozijn, het metselwerk, geveltegels en/of betegeling van een woning (gelegen aan [adres B]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 9 september 2007 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruiten van een woning (gelegen aan [adres A]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(Parketnummer 802377/07)

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.hij op of omstreeks 16 december 2007 te [plaats], [gemeente], [vader verdachte] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een gieter, althans een zwaar en/of hard en/of scherp voorwerp met kracht naar het hoofd, althans naar het lichaam die [vader verdachte] gegooid en/of (vervolgens) naar die [vader verdachte] gewezen en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Op 29 januari ben ik vrij en dan maak ik je dood",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(parketnummer 06/850002-08)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 december 2007 tot en met 16 december 2007 te [plaats], althans in de [gemeente], (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een tuinhek en/of (een) plant(en) en/of (een) plantenbak(ken) en/of (een) bloempot(ten) en/of een gieter en/of een (kantoor)agenda, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [vader verdachte], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(parketnummer 06/850002-08)

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

(inzake parketnummer: 06/460126-08)

1.

hij op meerdere, althans één, tijdstip(pen) op of omstreeks 29 februari 2008 te Kampen (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk meerdere, althans één ruit(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Bank] ([filiaal]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 01 maart 2008 te Kampen opzettelijk en wederrechtelijk een beeldscherm, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Regiopolitie IJsselland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

De bewijsmotivering

A. De vaststaande feiten

T.a.v. feit 1, 2 en 3 (parketnummer 06/460557-07):

Op 16 oktober 2007 is van de woning van [slachtoffer B] en [slachtoffer D] een ruit ingegooid. [slachtoffer B] was op dat moment tezamen met [slachtoffer A] in de woning aanwezig. [slachtoffer D] is de voormalige werkgever van verdachte.

T.a.v. feit 4 (parketnummer 06/460557-07):

Op 9 september 2007 is bij [slachtoffer D] een aantal ruiten van zijn woning ingegooid. Op dat moment was niemand in de woning aanwezig.

T.a.v. feit 5 en 6 (parketnummer 06/460557-07):

In het weekend van 14 tot en met 16 december 2007 hebben de ouders van verdachte hun 30-jarig huwelijksfeest gevierd. Verdachte was daar niet bij aanwezig. Thuisgekomen waren er in de tuin een aantal vernielingen aangericht. Later dat weekend is verdachte nog bij de woning van zijn ouders geweest.

T.a.v. feit 1 (parketnummer 06/460126-08):

Op 29 februari 2008 zijn bij de [Bank] aan [adres en plaats] een aantal ruiten ingegooid. In een van de spreekkamers waar de ruiten zijn ingegooid waren op dat moment mensen aanwezig.

T.a.v. feit 2 (parketnummer 06/460126-08):

Op 29 februari 2008 is verdachte in verzekering gesteld op grond van verdenking van vernieling van een bankgebouw. Op 1 maart 2008 is verdachte hieromtrent op het politiebureau in Zwolle verhoord.

B. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 06/460557-07 en 06/460126-08 tenlastegelegde.

C. Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw van verdachte is ten aanzien van feit 1 (parketnummer 06/460557-07) aangevoerd dat verdachte niet het voornemen had om [slachtoffer A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

D. Beoordeling van de tenlastelegging

T.a.v. feit 2 (parketnummer 06/460126-08):

De rechtbank is van oordeel dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. Niet kan worden bewezenverklaard dat verdachte dit feit in Kampen heeft begaan.

De rechtbank acht voor het bewijs de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

T.a.v. feit 1, 2 en 3 (parketnummer 06/460557-07) (voetnoot 1):

Verdachte heeft ter terechtzitting van 17 juni 2008 verklaard dat hij de ruiten van de woning van zijn voormalige werkgever, [slachtoffer D], heeft ingegooid. Verdachte heeft verklaard dat het allemaal erg snel ging en dat hij niet meer weet of hij, voor het gooien van de tweede steen, heeft gezien dat er iemand achter de ruit in de woning stond. Verdachte heeft voorts verklaard dat het kan zijn dat door zijn handelen verf tegen de woning van de buren van [slachtoffer D] aan [adres B] in [plaats] is gekomen, maar dat dit niet zijn bedoeling is geweest.

Verdachte heeft bij de politie verklaard (voetnoot 2) dat hij op 16 oktober 2007 twee potjes verf heeft gekocht en dat hij twee bakstenen door de ruit heeft gegooid bij [slachtoffer D] op [adres A] in [plaats]. Verdachte heeft verklaard dat hij ook verfpotten bij de woning naar binnen heeft gegooid. Verdachte heeft verklaard dat hij twee bakstenen heeft opgehaald en deze bakstenen bij die “trutten” door de ruit heeft gegooid. Verdachte heeft verklaard dat een vrouw onder de luxaflex door keek en hem aan stond te kijken. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij een baksteen gooide en zij daarna achter de ruit ging staan. Daarna heeft hij de verf door de ruit gegooid.

Aangeefster [slachtoffer A] heeft bij de politie verklaard (voetnoot 3) dat zij op 16 oktober 2007 in de woning van haar schoonzus ([slachtoffer B]) aan [adres A] te [plaats] was en dat zij zag dat er een witte auto aan kwam rijden. Aangeefster zag dat een man uit de auto stapte en in de richting van de woning liep. Aangeefster hoorde een harde knal gevolgd door het breken van het glas. Daarna hoorde zij nog een knal, dat was een blikje verf dat tegen het raam was gegooid. Aangeefster heeft voorts verklaard dat zij naar het vernielde raam liep om het kenteken van de auto op te schrijven. Verdachte liep toen naar zijn auto en pakte een baksteen. Aangeefster heeft verklaard dat hij de baksteen met kracht in haar richting gooide. Aangeefster stelt zeker te weten dat verdachte haar moet hebben zien staan achter het raam, omdat zij op dat momnet met haar hand de luxaflex openhield. Aangeefster heeft verklaard dat zij in elkaar dook om te voorkomen dat de baksteen haar zou raken. De baksteen miste haar maar net.

Aangeefster [slachtoffer B] heeft bij de politie verklaard (voetnoot 4) dat zij op 16 oktober 2007 samen met haar schoonzus [slachtoffer A] op de bank in haar woning aan [adres A] te [plaats] zat. Aangeefster heeft verklaard dat een witte auto de straat in kwam rijden en dat zij wist dat dit de auto was van verdachte. Verdachte is een voormalig werknemer van haar echtgenoot. Zij zag dat hij een baksteen uit zijn auto haalde en zij is meteen naar de achterkant van de woonkamer gelopen. Een paar seconden later hoorde zij een harde knal en wist zij dat verdachte de baksteen door de ruit aan de voorzijde van de woning had gegooid. Op het moment dat verdachte de baksteen door de ruit gooide stond [slachtoffer A] nog bij het raam waar verdachte de steen door heen had gegooid. Aangeefster heeft voorts verklaard dat zij zag dat [slachtoffer A] bij het raam ging staan om te zien wat er was gebeurd en verdachte op dat moment nog een steen door de ruit gooide. [slachtoffer A] kon de steen nog maar net ontwijken. Aangeefster heeft verklaard dat zij zeker weet dat verdachte de steen bewust in de richting van [slachtoffer A] heeft gegooid, omdat verdachte haar namelijk moet hebben zien staan. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte daarna in zijn auto stapte en weg reed. Buiten zag aangeefster dat de voorgevel besmeurd was met rode en blauwe verf.

Aangeefster [slachtoffer C] heeft bij de politie verklaard (voetnoot 5) dat zij op [adres B] te [plaats] woont en dat zij samen met haar buren ([adres A]) een twee-onder-één-kap woning deelt. Op 16 oktober 2007 was zij thuis in de woonkamer en zag zij buiten een witte personenauto over de openbare weg komen scheuren. Zij hoorde de auto in de buurt stoppen en hoorde korte tijd daarna een harde klap die zij direct associeerde met het ingooien van een ruit. Aangeefster heeft verklaard dat zij naar de telefoon liep om de politie te bellen en ondertussen naar buiten keek. Zij zag dat voor het huis van de buren een man stond. Aangeefster heeft voorts verklaard dat zij zag dat verdachte verf gooide en een of meerdere stenen kennelijk met de bedoeling om het huis van de buren van [adres A] te raken. Hierbij is ook verf op haar eigendommen gekomen. De verf zit op het kozijn, het metselwerk, de geveltegels, de planten en de betegeling voor de woning.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten (parketnummer 06/460557-07) heeft begaan. De stelling van de raadsvrouw dat geen sprake is van een poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door verdachte nu verdachte niet het voornemen had om aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maakt dit niet anders. Daargelaten de vraag of verdachte [slachtoffer A] achter het raam heeft zien staan op het moment dat hij de steen door de ruit gooide, is de rechtbank van oordeel dat verdachte met zijn handelwijze de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij iemand zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Mede gezien het tijdstip waarop verdachte de stenen door de ruit heeft gegooid, was de kans aanwezig dat er personen in de (woonkamer van de) woning aanwezig zouden zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet bij verdachte.

Ten aanzien van de stelling van verdachte dat het niet zijn bedoeling was om de verf tegen de woning aan [adres B] te [plaats] te gooien, is de rechtbank van oordeel dat hier eveneens sprake is van voorwaardelijk opzet bij verdachte. Verdachte heeft met zijn handelwijze de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij tevens de woning van de buren zou raken.

T.a.v. feit 4 (parketnummer 06/460557-07) (voetnoot 6):

Verdachte heeft ter terechtzitting van 17 juni 2008 verklaard dat hij op 9 september 2007 de ruiten van de woning aan [adres A] heeft ingegooid.

Aangever [slachtoffer D] heeft bij zijn aangifte bij de politie verklaard (voetnoot 7) dat hij eigenaar is van de woning aan [adres A] te [plaats]. Aangever heeft voorts verklaard dat hij op zondag 9 september 2007, rond 16:15 uur, samen met zijn vrouw en kinderen op bezoek was bij kennissen aan [adres C]. Aangever werd gebeld door zijn buurvrouw. Zij vertelde dat er stenen door de ruit van de woning van aangever waren gegooid. Aangever heeft verklaard dat hij daarop direct naar zijn woning is gegaan. Hij zag dat er twee ruiten aan voorzijde van de woning vernield waren en hij zag een baksteen in de vensterbank liggen. In de woning lag een tweede baksteen op de grond.

Getuige [slachtoffer C] heeft bij de politie verklaard (voetnoot 8) dat zij op zaterdag 9 september 2007, omstreeks 16:30 uur, op de bank aan de voorzijde van haar woning ([adres B]) zat. Zij heeft voorts verklaard dat zij voor haar woning een witte auto zag stoppen. Uit deze auto stapte een man. [slachtoffer C] heeft voorts verklaard dat de man de straat uit liep richting de aflopende nummers. De man kwam vervolgens teruggelopen en had in zijn beide handen een baksteen. [slachtoffer C] zag dat de man voor de woning met [adres A] stond en een van de stenen tegen de ramen van de woning gooide. [slachtoffer C] hoorde een doffe dreun. Buiten zag [slachtoffer C] dat er glas onder het raam van de woning lag.

Bij een spiegelconfrontatie (voetnoot 9) op 9 september 2007 heeft [slachtoffer C] verdachte herkend als de persoon die zij bij haar woning en de woning van de buren heeft gezien.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde feit (parketnummer 06/460557-07) heeft begaan.

T.a.v. feit 5 (parketnummer 06/460557-07) (voetnoot 10):

Verdachte heeft ter terechtzitting van 17 juni 2008 verklaard dat het kan zijn dat hij zijn vader op 16 december 2007 heeft bedreigd met de woorden zoals in de tenlastelegging zijn genoemd. Verdachte heeft daar echter aan toegevoegd dat hij dit niet zo bedoeld heeft. Verdachte ontkent dat hij met een gieter naar zijn vader heeft gegooid.

Aangever [vader verdachte] heeft bij de politie verklaard (voetnoot 11) dat hij op 16 december 2007 thuis was met zijn gezin. Om omstreeks 14:20 uur zag hij zijn zoon (verdachte) aan komen rijden en zag hij dat verdachte door de achterdeur binnenkwam. Aangever is naar de keuken gelopen waar hij verdachte zag. Aangever zei tegen verdachte dat hij niet meer welkom was in verband met de eerdere problemen in dat weekend. Aangever heeft verklaard dat hij zag dat verdachte boos was. Verdachte riep daarop dat hij antwoorden wilden hebben. Aangever heeft daarop gezegd dat verdachte de woning moest verlaten en dat hij anders de politie zou bellen. Aangever heeft voorts verklaard dat hij zag dat verdachte een gieter uit de vensterbank pakte en deze met kracht naar hem toe gooide. Aangever zag dat de gieter langs hem heen was gekomen en met de tuit in zijn agenda ging. Verdachte ging daarop weg en aangever belde de politie. Aangever heeft verklaard dat verdachte later terugkwam naar de woning van aangever. Aangever heeft tegen verdachte gezegd dat hij moest gaan. Dat deed verdachte niet. Uiteindelijk zijn verdachte en aangever blijven praten tot de politie kwam. Toen de politie verdachte aanhield draaide hij zich om naar aangever en zei “Op 29 januari ben ik vrij en dan maak ik je dood”.

In het proces-verbaal van aanhouding (voetnoot 12) heeft getuige [verbalisant] verklaard dat hij op 16 december 2007 om omstreeks 14:48 uur bij de woning van aangever arriveerde. Daar aangekomen hoorde hij dat verdachte hevig tekeerging tegen zijn vader. Verbalisanten hebben daarop verdachte aangesproken en hem medegedeeld dat hij werd aangehouden terzake van vernieling. Verbalisanten zijn met verdachte naar het dienstvoertuig gegaan. [verbalisant] hoorde dat verdachte tegen zijn vader riep dat hij hem nog wel op zou komen zoeken. [verbalisant] heeft voorts verklaard dat hij verdachte tegen zijn vader hoorde zeggen: “Als ik vrijkom in januari maak ik je hartstikke dood”.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zijn vader met woorden heeft bedreigd. Dat verdachte met een gieter naar zijn vader heeft gegooid kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen. Dit is enkel door de vader van verdachte verklaard. Door verdachte wordt dit echter weersproken, zodat hier de verklaring van vader tegenover de verklaring van verdachte staat.

T.a.v. feit 6 (parketnummer 06/460557-07):

Verdachte heeft ter terechtzitting van 17 juni 2008 verklaard dat hij op 15 december 2007 bij zijn ouders in de tuin planten en plantenbakken heeft vernield. Verdachte heeft verklaard dat hij de bloemen met bloempotten heeft omgegooid. Daarbij heeft verdachte verklaard dat hij niet weet meer weet of hij een tuinhek heeft vernield.

Aangever [vader verdachte] heeft bij de politie verklaard (voetnoot 13) dat op vrijdag 14 december 2007 verdachte bij hem thuis kwam. Verdachte verweet aangever dat hij een rol heeft gehad bij het ontslag van verdachte bij zijn toenmalige werkgever in Lelystad. In de woonkamer is het tot een confrontatie gekomen waarbij verdachte een stoel omgooide. Aangever heeft voorts verklaard dat verdachte door het dolle heen was en het schuim op zijn mond stond. Aangever heeft de politie gebeld omdat hij bang was dat het zou escaleren. De politie zei tegen aangever dat hij het huis moest verlaten. De politie is gekomen en verdachte is weggegaan. Aangever heeft voorts verklaard dat verdachte een uur later weer op de stoep stond. Verdachte pakte een steen van de grond en ging voor het raam staan. Aangever zei dat hij weg moest gaan. Verdachte gooide de steen weg en gooide in zijn boosheid een tuinhekje zo hard dicht dat de grendel vernield werd.

Voorts heeft aangever verklaard dat hij op zaterdag 15 december 2007 met zijn vrouw uit eten was. Aangever had in de tussentijd twee voicemails van verdachte gekregen. Later werd aangever door zijn dochter gebeld die zei dat verdachte tegen haar had gezegd dat hij thuis dingen had vernield. Toen aangever thuiskwam zag hij dat in de achtertuin een aantal bloempotten leeggegooid waren op het terras en dat een bloempot ergens anders in de struiken lag. Aangever heeft voorts verklaard dat hij zag dat een andere plant op de grond lag en dat de vuurkorf met verlichting was omgegooid. Tevens zag aangever dat een aantal planten op de grond lag en dat achter de tafel ook een bult grond lag.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het onder 6 tenlastegelegde feit (parketnummer 06/460557-07) wettig en overtuigend bewezen is.

T.a.v. feit 1 (parketnummer 06/460126-08) (voetnoot 14):

Verdachte heeft ter terechtzitting van 17 juni 2008 en bij de politie(voetnoot 15) verklaard dat hij op 29 februari 2008 een aantal ruiten bij de [Bank] aan [adres en plaats] heeft ingegooid.

Aangever [medewerker Bank] heeft bij de politie verklaard (voetnoot 16) dat hij op vrijdag 29 februari 2008 omstreeks 17:00 uur terugkwam bij het filiaal van de [Bank] aan [adres en plaats]. De voordeur was inmiddels afgesloten. Aangever hoorde een harde klap. Aangever is hierop naar de hal gelopen en zag de dat de voor hem bekende verdachte voor de deur stond met een baksteen in zijn handen. Aangever heeft voorts verklaard dat hij zag dat verdachte de baksteen met kracht tegen de ruit van de schuifpui gooide, met als gevolg dat de ruit kapotging. Hierna liep verdachte de hoek om en hoorde aangever dat verdachte iets tegen de ruiten van spreekkamer 1 aan gooide. In deze ruimte waren geen mensen aanwezig. Aangever heeft verklaard dat kort hierop tot tweemaal toe een vierkante baksteen door de ruiten van spreekkamer 2 vloog. In deze kamer waren ook geen mensen aanwezig. De stenen lagen tot drie meter ver in de ruimte. Uiteindelijk zijn er zeven ruiten gesneuveld met diverse afmetingen.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit (parketnummer 06/460126-08) heeft begaan.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

(inzake parketnummer: 06/460557-07)

1.

hij op 16 oktober 2007 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een baksteen met kracht door een ruit in de richting van, die [slachtoffer A] heeft gegooid en, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 16 oktober 2007 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit en de (voor)gevel van een woning gelegen aan [adres A], geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B], heeft vernield en/of beschadigd;

3.

hij op 16 oktober 2007 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een kozijn, het metselwerk, geveltegels en/of betegeling van een woning (gelegen aan [adres B]), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C], heeft beschadigd;

4.

hij op 9 september 2007 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk ruiten van een woning (gelegen aan [adres A]), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer D], heeft vernield;

5.

hij op 16 december 2007 te [plaats] zijn vader [vader verdachte] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend naar die [vader verdachte] gewezen en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Op 29 januari ben ik vrij en dan maak ik je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(parketnummer 06/850002-08)

6.

hij op meer tijdstippen in de periode van 14 december 2007 tot en met 16 december 2007 te [plaats], (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een tuinhek en planten en plantenbakken en bloempotten, geheel of ten dele toebehorende aan [vader verdachte], heeft vernield en beschadigd;

(inzake parketnummer: 06/460126-08)

1.

hij op tijdstip(pen) op 29 februari 2008 te Kampen (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk meerdere ruiten, geheel of ten dele toebehorende aan [Bank] ([filiaal]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield;

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

(inzake parketnummer: 06/460557-07)

t.a.v. feit 1 primair:

poging tot zware mishandeling.

t.a.v. feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.

t.a.v. feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

t.a.v. feit 4:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.

t.a.v. feit 5:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

t.a.v. feit 6:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.

(inzake parketnummer: 06/460126-08)

t.a.v. feit 1:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 94 dagen onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door de reclassering en zich onder behandeling van Riagg laat stellen.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan een aantal vernielingen. Verdachte heeft zich bij deze vernielingen tegen een aantal personen gericht met wie hij, naar eigen zeggen, een onopgelost conflict heeft. Verdachte ziet zich genoodzaakt om vernielingen aan te richten om ervoor te zorgen dat deze personen weer naar hem gaan luisteren. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen veel onrust en gevoelens van angst veroorzaakt bij degenen tegen wie de vernielingen en bedreigingen zijn gericht. Doordat verdachte zich tegen deze personen blijft richten blijft de angst dat verdachte wederom vernielingen zal aanrichten bij deze personen bestaan. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft verdachte voorts wederom een tweetal vernielingen aangericht. In het verleden is verdachte reeds veroordeeld voor een aantal soortgelijke delicten.

Over verdachte is door psychiater Verhoef van het NIFP, door de reclassering en door psychiater A. Pen gerapporteerd.

De heer Verhoef van het NIFP heeft in zijn rapporten geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een pervasieve ontwikkelingsstoornis in de vorm van Asperger. Opvallende sociale en beroepsmatige beperkingen liggen ten grondslag aan de verstoorde arbeidscarrière en conflicten waarbij verdachte zich vooral laat leiden door eigen belevingen en interpretaties met weinig sociale en emotionele wederkerigheid. Door zich vast te bijten in verkeerd geïnterpreteerde informatie en conflicten, kan dit bij verdachte leiden tot een verlies van het overzicht, met als gevolg een agressieve impulsdoorbraak. Verdachte is dan ook in mindere mate toerekeningsvatbaar. In het rapport wordt geadviseerd om verdachte als bijzondere voorwaarde contact met RIAGG inclusief medicatie en toezicht en begeleiding door de Reclassering op te leggen.

In het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland is voorts geconcludeerd dat sprake is van een gemiddelde recidivekans. Verdachte is gediagnosticeerd met het syndroom van Asperger en heeft tijdens het schorsingstoezicht tweemaal gerecidiveerd. Deze stoornis in combinatie met het weigeren van inname van de voorgeschreven medicatie en het ontbreken van een goede controle hierop maken dat betrokkene steeds meer in een isolement komt en uit beeld raakt bij zijn ambulante begeleiders en familie die hem niet meer kunnen corrigeren, sturen en controleren. In dit isolement raakt hij steeds meer overtuigd van zijn eigen gedachten en ideeën waardoor hij niet meer in staat is om tot een constructieve oplossing van zijn problemen te komen wat uiteindelijk resulteert in agressiedoorbraken die elkaar steeds sneller opvolgen. Daarbij komt dat hij zowel fysiek als verbaal steeds gewelddadiger lijkt te worden naar instanties en nu ook tegen zijn ouders. De kans wordt aanwezig geacht dat deze agressie zich ook weer op zijn voormalige baas kan gaan richten.

In het pro-justitiarapport van 3 juni 2008 wordt geconcludeerd dat verdachte moet worden beschouwd als sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Daarbij wordt de kans op recidive hoog geschat. Gegeven de omstandigheid dat slechts monodisciplinair onderzoek is gedaan wordt geadviseerd aan verdachte reclasseringstoezicht op te leggen met de verplichting zich te houden aan de aanwijzingen van de Reclassering. Die zou in eerste instantie moeten bestaan uit een eis tot opname in een FPK. Aldaar zou aanvullend klinisch psychiatrisch en psychologisch onderzoek kunnen worden gedaan en onder geleide van een klinische gedragsobservatie kan worden bekeken of een ambulante behandeling door de polikliniek van de FPK haalbaar en verantwoord is. Ook zou verdere aandacht kunnen worden besteed aan medicamenteuze behandeling.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding verdachte naast een onvoorwaardelijke tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Als bijzondere voorwaarde wordt daarbij gesteld dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de Reclassering ook indien die een ambulante behandeling van verdachte inhouden. De rechtbank merkt daarbij op dat indien na ambulant onderzoek of ambulante behandeling mocht blijken dat behoefte bestaat aan een klinische behandeling van verdachte, wijziging van de voorwaarde kan worden verzocht, zodra een concrete behandelplek voorhanden is.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer B] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 (parketnummer: 06/460557-07) tenlastegelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer C] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 210,-, vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 3 (parketnummer: 06/460557-07) tenlastegelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer D] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 200,-, vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 4 (parketnummer: 06/460557-07) tenlastegelegde.

De benadeelde partij [Bank] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.070,59, vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 (parketnummer: 06/460126-08) tenlastegelegde.

Door de officier van justitie is ten aanzien van de vordering van [slachtoffer C] gesteld dat het schilderen in eigen beheer is uitgevoerd, zodat daarvoor geen kosten zijn gemaakt. Een bedrag van € 45,- acht de officier van justitie dan ook redelijk. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer B] is door de officier van justitie gesteld dat haar vordering geen causaal verband heeft met het tenlastegelegde zodat deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. De officier van justitie heeft voorts verzocht om telkens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van de vordering van de [Bank] op het standpunt gesteld dat deze schade wellicht door de verzekering gedekt wordt.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer B] als gevolg van het onder 2 (parketnummer: 06/460557-07) bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer C] als gevolg van het onder 3 (parketnummer: 06/460557-07) bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het handelen van verdachte niet rechtstreeks tot het slachtoffer was gericht aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen en acht toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 100,- redelijk. Voor het resterende deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer D] als gevolg van het onder 4 (parketnummer: 06/460557-07) bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar.

Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij [Bank], zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het bewezenverklaarde van het onder 1 (parketnummer: 06/460126-08) tenlastegelegde materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag zal de vordering in zoverre worden toegewezen exclusief de gevorderde BTW.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffers.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 45, 285, 302, 350 Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit (parketnummer: 06/460126-08) heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 5 en 6 (parketnummer: 06/460557-07) en onder 1 (parketnummer: 06/460126-08) tenlastegelegde heeft begaan.

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

- bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot één maand niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

- beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

- stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Zutphen, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt. Ook als dit inhoudt dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen door de Riagg Zwolle. De veroordeelde zal zich dan houden aan regels die door of namens de leiding van Riagg Zwolle zullen worden gegeven.

- geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde(n) hulp en steun te verlenen.

- veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het schadeveroorzakende moment en vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Benadeelde partij Bedrag

1. [slachtoffer B] € 250,-

([adres A], [plaats], rekeningnr: [nummer])

2. [slachtoffer C] € 100,-

([adres B], [plaats], rekeningnr: [nummer])

3. [slachtoffer D] € 200,-

([adres A], [plaats], rekeningnr: [nummer])

4. [Bank], gemachtigde [medewerker bank] € 1.740,-

([adres en plaats], rekeningnr: [nummer])

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer C] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van haar vordering slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

- wijst de vordering van de benadeelde partij [Bank] voor het overige af.

- legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van na te melden slachtoffer(s) de na te melden bedragen te betalen, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal na te melden dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Slachtoffer Bedrag Vervangende hechtenis

1. [slachtoffer B] € 250,- 5 dagen

([adres A], [plaats], rekeningnr: [nummer])

2. [slachtoffer C] € 100,- 2 dagen

([adres B], [plaats], rekeningnr: [nummer])

3. [slachtoffer D] € 200,- 2 dagen

([adres A], [plaats], rekeningnr: [nummer])

4. [Bank], gemachtigde [medewerker bank] € 1.740,- 34 dagen

([adres en plaats], rekeningnr: [nummer])

- bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Borgerhoff Mulder, voorzitter, De Bie en Prisse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Erp, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2008.

Voetnoten:

1 Wanneer ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 (parketnummer 06/460557-07) wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het (stam) proces-verbaal nr. PL0612/07-208161, Regiopolitie Noord en Oost Gelderland, district Noord-West Veluwe, gesloten en getekend op16 oktober 2007.

2 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 42, 43 en 47.

3 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 50 en 51.

4 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer B], p. 21 en 22.

5 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer C], p. 61.

6 Wanneer ten aanzien van feit 4 wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam) proces-verbaal nr. PL0612/07-207478, Regiopolitie Noord en Oost Gelderland, district Noord-West Veluwe, gesloten en getekend op 24 september 2007.

7 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer D], p. 17.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer C], p. 22.

9 Proces-verbaal van een spiegelconfrontatie, p. 23.

10 Wanneer ten aanzien van de feiten 5 en 6 wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam) proces-verbaal nr. PL04NO/07-507750, Regiopolitie IJsselland, district Noord, gesloten en getekend op 2 januari 2008.

11 Proces-verbaal van aangifte [vader verdachte], p. 14.

12 Proces-verbaal van aanhouding, [verbalisant], p. 6.

13 Proces-verbaal van aangifte van [vader verdachte], p. 11.

14 Wanneer ten aanzien van feit 1 (parketnummer 06/460126-08) wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam) proces-verbaal nr.PL04NO/08-501255, regiopolitie IJssselland, district Noord, gesloten en ondertekend op 11 maart 2008.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 16.

16 Proces-verbaal van aangifte van [medewerker Bank], p. 11.