Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD5754

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
87025 / HA ZA 07-670
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering van vrouw tegen haar ex-man tot vernietiging van een koopovereenkomst waarbij de man zijn woonhuis met opstallen heeft verkocht. Vordering wordt afgewezen omdat onvoldoende gesteld is waaruit - indien bewezen - kan worden afgeleid dat de koper wist of behoorde te weten dat een derde door deze koop werd benadeeld.

Pauliana ex artikel 3:45 BW (gewone Pauliana)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 87025 / HA ZA 07-670

Vonnis van 9 april 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

procureur mr. M.M.H. Ceelen,

advocaat mr. P.F. Schepel te Deventer,

tegen

1. [gedaagde A],

wonende te [plaats],

gedaagde,

procureur mr. P. Buikes,

2. [gedaagde B],

wonende te [plaats],

gedaagde,

procureur mr. A.J. Zeyl,

advocaat mr. J.J. Paalman te Almelo.

Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde A] en [gedaagde B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 september 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 5 december 2007 met bijlagen

- de akte van [gedaagde A]

- de akte van [gedaagde A]

- de akte van [gedaagde B]

- de akte van [eiseres].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De vrouw is gehuwd geweest met [gedaagde A]. Het huwelijk is op 12 juni 2006 ontbonden door inschrijving van de beschikking tot echtscheiding van deze rechtbank van 26 januari 2005, die in hoger beroep is bekrachtigd bij beschikking van het gerechtshof Arnhem van 21 februari 2006.

2.2. De man en [eiseres] waren onder huwelijkse voorwaarden gehuwd, waarbij iedere gemeenschap van goederen was uitgesloten en een ‘Amsterdams’ verrekenbeding was overeengekomen. Betreffende die verrekening is bij beschikking van deze rechtbank van 25 juli 2007 beslist, dat [gedaagde A] in ieder geval een bedrag van € 109.858,24 aan [eiseres] dient te betalen. Tegen voornoemde beschikking heeft [gedaagde A] hoger beroep en [eiseres] incidenteel hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

2.3. De man is uit hoofde van de beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 29 november 2004 met ingang van die datum voor de duur van de echtscheidingsprocedure een bijdrage in het levensonderhoud van [eiseres] verschuldigd van € 1.510,00 per maand. Op grond van de beschikking van het gerechtshof Arnhem van 21 februari 2006 is [gedaagde A] vanaf 12 juni 2006 een bijdrage in het levensonderhoud van [eiseres] van € 1.200,00 per maand. De vrouw heeft enkele jaren beslag gelegd op de Delta Lloyd uitkering van [gedaagde A]. De vrouw ontvangt daaruit maandelijks een bedrag van gemiddeld € 180,--. Op 24 april 2007 bedroeg de achterstand in de alimentatiebetaling door [gedaagde A] aan [eiseres] € 36.032,40. De man heeft bij deze rechtbank nihilstelling van de door hem aan [eiseres] te betalen alimentatie verzocht met ingang van 1 mei 2007.

2.4. De man was tijdens het huwelijk van [gedaagde A] en [eiseres] eigenaar van het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, cultuurgrond, bouwland, campingterrein, waterpartijen en een perceel grasland aan [adres en plaats]. De vrouw heeft conservatoir verhaalsbeslag doen leggen op het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, cultuurgrond, bouwland, campingterrein en waterpartijen, welk beslag op 7 februari 2005 in de openbare registers in ingeschreven.

Op 21 december 2006 heeft [gedaagde A] het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, cultuurgrond, bouwland, campingterrein en waterpartijen verkocht en geleverd aan [gedaagde B] voor € 880.000,00 en het perceel grasland aan de moeder van [gedaagde A] voor € 20.000,00, onder voorbehoud van het levenslange zakelijk recht van gebruik en bewoning voor [gedaagde A] van het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, respectievelijk het perceel grasland. In beide de overdrachtsaktes staat voormeld conservatoire beslag vermeld.

Op 30 oktober 2007 heeft de Belastingdienst Oost, kantoor Doetinchem, executoriaal beslag gelegd op voornoemd levenslange zakelijk recht van gebruik en bewoning van [gedaagde A].

3. De vordering

3.1. De vrouw vordert dat de rechtbank,

bij vonnis:

I de verkoop en levering van het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, cultuurgrond, bouwland, campingterrein en waterpartijen van [gedaagde A] aan [gedaagde B] en de vestiging van het recht van gebruik en bewoning ten gunste van [gedaagde A], ten opzichte van [eiseres] nietig zal verklaren althans zal vernietigen;

II voor recht zal verklaren dat [eiseres] gerechtigd is haar vorderingen tot betaling van alimentatie op het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, cultuurgrond, bouwland, campingterrein en waterpartijen van [gedaagde A] te verhalen als ware deze woning eigendom van [gedaagde A] zonder dat daar een recht van gebruik en bewoning op rust en [gedaagde B] zal veroordelen dit verhaal te gehengen en te gedogen;

en voorts bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

III [gedaagde A] en [gedaagde B] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van het geding, des dat de één betalende de ander in zoverre zal zijn bevrijd, en daarbij op voorhand het nasalaris zal begroten op een bedrag van € 131,00 zonder betekening, en € 199,00 bij betekening van het ten deze te wijzen vonnis, het totale bedrag aan proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente daarover indien en voor zover deze niet binnen 14 dagen na het wijzen van het vonnis zijn voldaan.

3.2. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, het navolgende aangevoerd.

Het conservatoire beslag dient tot zekerheid van de vordering uit hoofde van het Amsterdamse verrekenbeding en die vordering is daarbij voorshands begroot op € 200.000,00. Als gevolg van de verkoop is [eiseres] benadeeld in haar verhaalsmogelijkheden, omdat zij nu geen beslag meer op het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, cultuurgrond, bouwland, campingterrein en waterpartijen kan leggen tot verhaal van de door [gedaagde A] aan haar verschuldigde alimentatie. Het zakelijk recht van gebruik en bewoning levert bij executie naar alle waarschijnlijkheid weinig of niets op.

De overdracht van het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, cultuurgrond, bouwland, campingterrein en waterpartijen is ten opzichte van [eiseres] vernietigbaar op grond van artikel 505, lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en kan niet tegen haar worden ingeroepen. Tegenover [gedaagde A] heeft [eiseres] daar een beroep op gedaan, maar [gedaagde A] heeft niet berust in de vernietiging.

Er bestond geen rechtsplicht tot de verkoop voor [gedaagde A]. Bovendien is de woning aanzienlijk beneden de werkelijke economische waarde verkocht. Omdat nergens blijkt van een taxatie, kan het niet anders zijn dan dat niet alleen [gedaagde A], maar ook [gedaagde B], van de benadeling op de hoogte was of in elk geval had moeten zijn.

4. Het verweer van [gedaagde A]

4.1. De man concludeert dat de rechtbank, bij vonnis voor zoveel mogelijk bij voorraad, [eiseres] in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren althans die vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

4.2. De man heeft daartoe aangevoerd.

De vrouw heeft geen belang bij de gevorderde vernietiging en zij is niet benadeeld door de koopovereenkomst. Hij bestrijdt dat de verkoop tegen een veel te lage prijs heeft plaatsgevonden. Na een vernietiging zullen het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, cultuurgrond, bouwland, campingterrein en waterpartijen bij een executieverkoop veel minder opbrengen. De vrouw miskent bovendien dat de kooppenningen in de plaats zijn getreden van de verkochte zaken. Voorts miskent [eiseres] dat de waarde van het zakelijk recht van gebruik en bewoning niet moet worden onderschat, omdat het woonhuis onderdeel is van een bedrijfscomplex waarvoor in de markt veel animo bestaat.

De koopovereenkomst heeft een door de Rabobank aangekondigde executieveiling voorkomen. Daarom was de verkoop geen onverplichte rechtshandeling in de zin van artikel 3:45 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en had [eiseres] er zelf ook belang bij.

5. Het verweer van [gedaagde B]

5.1. [gedaagde B] concludeert dat de rechtbank, bij vonnis voor zoveel mogelijk bij voorraad, [eiseres] in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren althans die vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

5.2. Hij heeft daartoe het navolgende aangevoerd.

[gedaagde B] betwist dat sprake zou zijn van een verkoop tegen een veel te lage prijs. De beslagen woning maakt onderdeel uit van een sterk verouderd en vervallen recreatiecomplex en is een niet luxe bedrijfswoning, die niet eenvoudig los verkoopbaar is.

[gedaagde B] wist niet dat sprake zou zijn van benadeling van [eiseres] door de verkoop. Ook thans weet hij niet beter dan dat [gedaagde A] de omvang van zijn betalingsverplichtingen aan [eiseres] betwist en dat daarover nog procedures lopen. Bovendien heeft hij de koopovereenkomst gesloten nadat de Rabobank, als hypotheekhouder, de executieveiling van de verkochte zaken al had aangekondigd. Die executieveiling is door de verkoop voorkomen. De verkoop aan [gedaagde B] dient met een dergelijke executoriale verkoop te worden gelijkgesteld. Het gelegde beslag moet daardoor worden geacht te zijn vervallen.

Zolang de omvang van de betalingsverplichtingen van [gedaagde A] aan [eiseres] nog niet onherroepelijk vaststaan, is er volgens hem geen reden tot toewijzing van de vorderingen van [eiseres]. Hij stelt verder dat het beslag niet is gelegd ten behoeve van de beweerde alimentatievordering van [eiseres] op [gedaagde A]. Van een nietigheid van de overdracht kan in verband met die vordering geen sprake zijn.

6. De beoordeling

6.1. De vordering van [eiseres] tot vernietiging van de koopovereenkomst tussen [gedaagde A] en [gedaagde B] kan niet gebaseerd worden op artikel 505, lid 2 Rv, nu dit artikel daarvoor geen mogelijkheid biedt. Gelet op de door [eiseres] aangevoerde feiten, neemt de rechtbank aan dat zij heeft bedoeld haar vordering te baseren op artikel 3:45 BW.

6.2. Partijen zijn het er, blijkens het proces-verbaal van de comparitie van partijen, thans over eens dat het conservatoire beslag door [eiseres] is gelegd ter verhaal van haar vordering op [gedaagde A] ter zake van de verrekening huwelijkse voorwaarden en dat de alimentatievordering van [eiseres] niet onder dat beslag valt.

De vrouw stelt dat zij deze vordering instelt omdat zij door de verkoop geen beslag meer op de volle eigendom van het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, cultuurgrond, bouwland, campingterrein en waterpartijen kan leggen tot verhaal van de door [gedaagde A] aan haar verschuldigde alimentatie, nu hij – behoudens het gebruiksrecht - geen eigenaar meer is. Daarvan uitgaande kan niet worden uitgesloten dat [eiseres] belang heeft bij een vernietiging van de koopovereenkomst.

6.3. De voorwaarden voor een vernietiging van bedoelde koopovereenkomst op grond van artikel 3:45 BW zijn, dat moet vast staan dat:

- het gaat om een onverplichte rechtshandeling;

- [eiseres] is benadeeld in haar verhaalsmogelijkheden;

- zowel [gedaagde A] als [gedaagde B] wisten of behoorden te weten dat [eiseres] door de overeenkomst zou worden benadeeld in haar verhaalsmogelijkheden.

6.4. Nu [gedaagde A] niet op grond van een wet of overeenkomst verplicht was de onroerende zaken te verkopen, gaat het hier om een onverplichte rechtshandeling. Dat de koop is gesloten om een executoriale verkoop te voorkomen, maakt dat niet anders.

Voorts kan gezegd worden dat [eiseres] door de verkoop benadeeld is in haar verhaalsmogelijkheden, indien de waarde van haar alimentatievordering de economische waarde van het zakelijk gebruiksrecht van [gedaagde A] en eventuele andere vermogensbestanddelen van [gedaagde A], bijvoorbeeld (een deel van) de kooppenningen, overstijgt. De vrouw heeft zich daarover niet uitgelaten. De stelling van [eiseres], dat de onroerende zaken door [gedaagde A] voor een te lage prijs verkocht zouden zijn, kan hierbij ook een rol spelen, aangezien de opbrengst van de verkoop mede bepalend kan zijn voor een eventueel restant van de kooppenningen, dat in het bezit zou zijn van [gedaagde A].

6.5. Daargelaten of [eiseres] door de verkoop benadeeld is in haar verhaalsmogelijkheden, heeft [eiseres] onvoldoende gesteld waaruit – indien bewezen – kan worden afgeleid dat met name [gedaagde B] wist of behoorde te weten dat [eiseres] door de overeenkomst zou worden benadeeld in haar verhaalsmogelijkheden. De enkele stelling dat [gedaagde A] en [gedaagde B] de verkoopprijs, zonder taxatie, in onderling overleg hebben vastgesteld is daartoe onvoldoende. Ook het feit dat [gedaagde B] de onroerende zaken heeft gekocht, terwijl daar een conservatoir beslag op rustte, maakt de aankoop door [gedaagde B] niet paulianeus. Door de aankoop heeft [gedaagde B] bewust het risico genomen dat de vordering, waarvoor het beslag gelegd was, nog zal worden verhaald op de door hem gekochte zaken als had de verkoop niet plaatsgevonden. Maar hij hoefde er niet zonder meer op bedacht te zijn, dat er nog andere vorderingen van [eiseres] waren waarvoor (nog) geen conservatoir beslag gelegd was op de bezittingen van [gedaagde A]. Het lag juist meer voor de hand dat [eiseres] voor al haar te verwachte vorderingen beslag zou hebben gelegd.

Nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde B] wist of behoorde te weten van eventuele andere vorderingen van [eiseres] op [gedaagde A] dan de vordering waarvoor beslag was gelegd, is niet voldaan aan de derde voorwaarde voor een vernietiging van de koopovereenkomst, zoals hiervoor onder 6.3. is aangegeven. Reeds om die reden zullen de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.

6.6. Nu [eiseres] en [gedaagde A] voormalige echtgenoten zijn, zullen de proceskosten van [gedaagde A] en [eiseres] worden gecompenseerd, in die zin dat zij ieder hun eigen kosten dragen. Wel zal [eiseres], als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van [gedaagde B] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde B] worden begroot op:

- vast recht 251,00

- salaris procureur 904,00 (2 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.155,00

7. De beslissing

De rechtbank

7.1. wijst de vorderingen af,

7.2. compenseert de proceskosten van [gedaagde A] en [eiseres] aldus dat zij ieder hun eigen kosten dragen,

7.3. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde B], tot op heden begroot op EUR 1.155,00,

7.4. verklaart dit vonnis, voor wat betreft de kostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.M. Boon en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2008.