Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD4296

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
06-580098-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van voorarrest en schadevergoeding aan de benadeelde partijen voor het plegen van diefstal met braak en valse sleutel. (Promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/580098-08

Uitspraak d.d.: 17 juni 2008

tegenspraak/ dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [plaats] op [1987],

wonende te [plaats],

thans verblijvende in het Huis van Bewaring aan de Hogenslagweg 8 te Doetinchem.

1.Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni 2008.

2. De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 27 oktober 2007 te Ermelo tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een (digitale) fotocamera (merk Olympus) en/of (een) geldbedrag(en) en/of een Postbankpas (op naam van [slachtoffer A]) en/of een Postbankpas (op naam van [slachtoffer B]) en/of een of meer (voetbal)magneetje(s) en/of een of meer andere goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of (een) valse sleutel(s);

(incident 1)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 27 oktober 2007 in de

gemeente Ermelo (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

in/uit een geldautoma(a)t(en) heeft weggenomen (respectievelijk) 250 Euro

en/of 400 Euro, althans (een) geldbedrag(en), (telkens) geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van (een) valse sleutel(s); (incident 1)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2007 tot en met 18 oktober 2007

te Harderwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning

( gelegen aan [adres]) heeft weggenomen een bankpas en/of een mobiele telefoon (zilverkleurige Nokia 6300) en/of een hoeveelheid juwelen en/of sieraden en/of horloge(s) en/of twee/een dozen/doos ( met in totaal circa 400 postzegels) en/of een aantal videocamera('s) en/of een toetsenbord en/of een muis en/of een zender (ontvanger) en/of een memory-stick en/of aftershave en/of een beeldscherm en/of een USB-stick en/of een laptop (merk Apple) en/of of meer andere goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C] en/of [bedrijf A] B.V. en/of [bedrijf B] B.V. en/of aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of (een) valse sleutel(s); (incident 3)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 oktober 2007 tot en met 18 oktober 2007 in de gemeente Harderwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een) geldautoma(a)t(en) heeft weggenomen (respectievelijk) 250 Euro en/of 1000 Euro en/of 250 Euro en/of 1000 Euro, in ieder geval (een) geldbedrag(e), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf B] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s); (incident 3)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks de periode van 4 januari 2008 tot en met 7 januari 2008 te Harderwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een gebouw (van een wijkpost, gevestigd aan [adres]) heeft weggenomen drie, althans een aantal bladblazer(s) en/of drie, althans een aantal motorheggescha(a)r(en) en/of een motorzaag en/of twee/een bosmaaier(s) en/of een boormachine en/of een accuboormachine en/of een haakse slijptol, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan wijkpost [naam] en/of de gemeente Harderwijk, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; (incident 14)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks de periode van 4 januari 2008 tot en met 11 maart 2008 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, een accuboormachine (merk Panasonic, voorzien van code HK090) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die accuboormachine wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; (incident 14)

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks de periode van 4 januari 2008 tot en met 11 maart 2008 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, een accuboormachine (merk Panasonic, voorzien van code HK090) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die accuboormachine redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; (incident 14)

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3. Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

4.1 Vaststaande feiten

De rechtbank stelt de volgende feiten vast.

Bij inbraken gepleegd op 27 oktober 2007 te Ermelo en in de periode van 14 oktober 2007 tot en met 18 oktober 2007 te Harderwijk zijn goederen weggenomen, waaronder verschillende bankpassen met bijbehorende pincodes. Met deze bankpassen is vervolgens geld gepind en/of zijn goederen aangeschaft.

4.2 Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde (waarbij hij niet bewezen acht het bestanddeel ‘tezamen en in vereniging’ en de diefstal van ‘(voetbal)magneetjes’) en feit 2. Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie aangevoerd dat er - gezien de korte tijd die ligt tussen de pintransactie van 17.28 uur bij de Rabobank in het centrum van Harderwijk, waarvan verdachte beweert dat deze door [persoon]’ zou zijn gedaan en de pintransactie bij [speelgoedzaak] Harderwijk van 17.44 uur uitgevoerd door verdachte (zijnde 16 minuten) - onvoldoende tijd is voor het zich verplaatsen van deze [persoon] van het centrum van Harderwijk naar het woonwagenkamp (een afstand van ca. 4 km.), de overdracht van de bankpas van [persoon] aan verdachte aldaar, het zich verplaatsen van verdachte en zijn broertje van het woonwagenkamp naar het centrum van Harderwijk, het uitzoeken van de goederen (eerst bij [winkel] en vervolgens bij [speelgoedzaak]) en de uiteindelijke afrekening om 17.44 uur door verdachte bij [speelgoedzaak]. De officier van justitie acht bewezen dat verdachte alle pintransacties uitgevoerd op 17 en 18 oktober 2007 met de van diefstal afkomstige bankpas heeft uitgevoerd en heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 4. Ten aanzien van feit 3 en feit 5 subsidiair heeft hij gerekwireerd tot vrijspraak.

4.3 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich in zijn pleidooi aangesloten bij de officier van justitie met betrekking tot de vrijspraak van het onder de feiten 3 en 5 tenlastegelegde. Door de raadsman is beaamd dat terzake het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde een bewezenverklaring kan volgen. Ten aanzien van het onder feit 4 tenlastegelegde is door de raadsman aangevoerd dat verdachte geen geld heeft gepind met de door verdachte verkregen pinpas en dat verdachte de pinpas heeft verkregen kort nadat er

- door een ander dan verdachte - bij een geldautomaat mee was gepind. De raadsman heeft tot vrijspraak van feit 4 geconcludeerd.

4.4 Vrijspraak feit 3 en feit 5

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 en feit 5 tenlastegelegde heeft begaan. Op grond van het dossier kan niet bewezenverklaard worden dat verdachte degene is geweest die de feiten (al dan niet in vereniging met (een) ander(en)) heeft gepleegd. Nu de officier van justitie tot vrijspraak ter zake heeft gerekwireerd, wordt met deze motivering volstaan.

4.5 Bewijsmiddelen feit 1, 2 en 4

De vindplaatsvermeldingen, voorkomende in de - navolgende - overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0610/07-390714 (dossiernummer 08-2025114), gedateerd 22 april 2008.

De bewijsmiddelen zijn te vinden in de volgende stukken:

a. de aangifte van [slachtoffer A], pagina 210;

b. de ten aanzien van feit 1 en feit 2 door verdachte ter zitting afgelegde bekennende verklaring;

c. DNA-profielcluster en proces-verbaal opname bloedsporen, pagina 218 t/m 220;

d. de aangifte van [slach[slachtoffer C]] pagina 296;

e. de verklaringen van verdachte, pagina 364 t/m 376;

f. de getuigenverklaringen van [manager] en [verkoper A] van [winkel], pagina 316 t/m 320;

g. de getuigenverklaring en fotoconfrontatie van [verkoper B] van [speelgoedzaak], respectievelijk pagina 326 en 352 t/m 354;

h. de verklaringen van [broer verdachte], broer van verdachte, pagina 382 t/m 384;

i. transactieoverzicht rekening courant [bedrijf B] B.V., pagina 306.

4.6 Uit deze bewijsmiddelen worden de volgende redengevende feiten en omstandigheden afgeleid.

4.6a [slachtoffer A] doet aangifte van inbraak in zijn woning, gelegen aan de [adres en plaats]. Er zijn pinpassen, een digitale fotocamera en geldbedragen uit de woning gestolen.

4.6b Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij op 27 oktober 2007 heeft ingebroken in een woning gelegen aan de [adres en plaats]. Verdachte heeft verklaard uit die woning een digitale fotocamera (Olympus), geldbedragen en twee postbankpassen te hebben weggenomen. Verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens met de postbankpas van [slachtoffer A] twee maal is gaan pinnen bij 2 verschillende banken en dat hij in totaal een bedrag van € 650,- euro heeft gepind.

4.6c Tijdens het onderzoek zijn bloedsporen aangetroffen op een plastic pinhouder en op een metalen dropblikje, dat als spaarpot werd gebruikt. Het DNA van verdachte komt volledig overeen met het in het aangetroffen bloedspoor aanwezige DNA (voetnoot 1).

4.6d [slachtoffer C] doet aangifte (voetnoot 2) van inbraak in zijn woning aan [adres] te Harderwijk en diefstal van onder andere een bankpas met pincode in de periode van 14 oktober 2007 tot en met donderdag 18 oktober 2007. De bij deze bankpas behorende bankrekening staat op naam van het bedrijf dat [slachtoffer C] heeft opgezet, te weten [bedrijf B] B.V. Met deze bankpas zijn goederen aangeschaft bij [winkel] en [speelgoedzaak] te Harderwijk. Daarnaast is er met de bankpas verschillende malen geld gepind bij verschillende geldautomaten in Harderwijk (voetnoot 3).

4.6e Verdachte ontkent de inbraak in de woning van [slachtoffer C] en ontkent in eerste instantie dat hij goederen heeft aangeschaft met de uit de woning van [slachtoffer C] gestolen bankpas (voetnoot 4). Vervolgens verklaart verdachte dat hij de betreffende bankpas met pincode heeft gekocht van ene [persoon]’, een jongen die wel eens op het woonwagenkamp kwam. Verdachte verklaart dat deze [persoon] hem vertelde dat er nog 3000 euro op de pas stond, dat hij ([persoon]) die dag al gepind had en dat er alleen nog maar bij winkels gekocht kon worden met deze pinpas. Verdachte verklaart dat hij vervolgens zijn [broer verdachte] heeft geroepen en samen met hem naar de binnenstad van Harderwijk is gereden (voetnoot 5).

Verdachte verklaart dat hij de bankpas van [persoon] na 17.00 uur heeft gekocht, dat hij de pas om 17.40 uur bij [speelgoedzaak] heeft gebruikt en om 18.00 uur bij [winkel]. Verdachte ontkent overige pintransacties met de gestolen bankpas (voetnoot 6).

4.6f [naam], manager van [winkel] Harderwijk, verklaart dat hij zich kan herinneren dat op 17 oktober 2007 twee jongens de winkel binnenkwamen rond 17.30 uur. Hij zag dat de jongens wat in de winkel rondkeken en daarna de winkel verlieten. [manager] zag dat de jongens na ongeveer een kwartier weer in de winkel terug kwamen en werden geholpen door zijn collega [verkoper A]. [manager] heeft gezien dat er een laptop aan hen werd verkocht en dat er middels een pinpas bij de betaalautomaat in de winkel werd betaald (voetnoot 7).

[verkoper A], verkoper bij [winkel] Harderwijk, verklaart dat beide jongens die later een laptop bij hem kochten eerst om 17.30 uur in de winkel kwamen en interesse hadden in een laptop. [verkoper A] heeft de jongens daarbij geadviseerd. Na dit advies zijn beide jongens uit de winkel vertrokken. Tegen sluitingstijd, zag hij dat de jongens weer terug in de winkel kwamen lopen en ze deelden [verkoper A] mee dat ze een laptop wilden kopen en hun beltegoed van Vodafone wilden opwaarderen. De jongens kochten een laptop van HP, twee computerspelen en het opwaarderen van het beltegoed, en betaalden hiervoor een totaalbedrag van € 1.710,97. Dit bedrag werd afgerekend door middel van een pintransactie met een bankpas (voetnoot 8).

4.6g [verkoper B], verkoper bij [speelgoedzaak] Harderwijk, verklaart dat hij zich kan herinneren dat hij aan twee jongens een Playstation 3 en toebehoren heeft verkocht. Hij kan het zich herinneren omdat het kort voor sluitingstijd, 18.00 uur, was (voetnoot 9). Na de koop begeleidde hij deze jongens naar de kassa. Daar hebben ze de goederen betaald middels een pintransactie (voetnoot 10).

Aan [verkoper B] werden 2 foto’s getoond. [verkoper B] herkent de persoon op foto nr. 179 als de jongen die de playstation 3 heeft gekocht (voetnoot 11). Op foto 179 staat verdachte afgebeeld (voetnoot 12).

4.6h De jongere broer van verdachte, [broer verdachte], verklaart (voetnoot 13)dat zijn broer hem had gevraagd mee te gaan naar de stad om spullen te kopen. Ze hebben toen bij [winkel] een laptop gekocht en bij [speelgoedzaak] spelletjes voor Playstation en een Playstation III, alsmede opwaardering van een prepaid GSM. Er is bij beide winkels afgerekend met een bankpas.

4.6i Uit een transactieoverzicht van de Rabobank (voetnoot 14) blijkt dat met de gestolen bankpas onder andere op 17 oktober 2007 geldbedragen zijn opgenomen vanuit twee verschillende geldautomaten in Harderwijk, te weten om 16.59 uur bij een bankautomaat van de ABNAMRO aan de Westermeenweg te Harderwijk, om 17.28 uur bij een bankautomaat van de Rabobank aan de Hoofdweg te Harderwijk. Vervolgens blijkt uit het transactieoverzicht dat om 17.44 uur en om 18.00 uur goederen zijn aangeschaft bij respectievelijk [speelgoedzaak] en [winkel] te Harderwijk.

5. Bespreking van het verweer

Anders dan de officier van justitie heeft de raadsman betoogd dat verdachte op 17 oktober 2007, nadat hij de bankpas van [persoon] had verkregen, om 17.35 uur naar het centrum is gegaan en genoeg tijd heeft gehad om bij [speelgoedzaak] om 17.44 uur goederen aan te schaffen.

De rechtbank stelt vast dat, gelet op de tijdstippen genoemd op het transactieoverzicht van de Rabobank van de pintransacties op 17 oktober 2008, er tussen de pintransactie gedaan om 17.28 uur bij de Rabobank te Harderwijk en de eerstvolgende pintransactie om 17.44 uur bij [speelgoedzaak] te Harderwijk een periode van 16 minuten zit. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de afstand van de woning van verdachte naar het centrum van Harderwijk ca. 4 km. is en dat deze afstand tweemaal moet zijn afgelegd voordat verdachte met de bankpas in het centrum van Harderwijk is aangekomen (de pintransactie van 17.28 uur vond immers plaats in het centrum van Harderwijk, terwijl de bankpas daarna - volgens de verklaring van verdachte - is overgedragen aan verdachte bij zijn woning aan [adres en plaats], waarop verdachte volgens eigen zeggen naar het centrum van Harderwijk is gegaan om daar om 17.44 uur de bankpas te gebruiken). Verdachte verklaart dat hij en zijn broer eenmaal aangekomen in het centrum van Harderwijk, eerst bij [winkel] naar binnen zijn gegaan om een laptop te kopen. De manager en de verkoper van [winkel] verklaren dat er rond half zes twee jongens in de winkel zijn geweest. Zij verklaren dat beide jongens bij hun eerste bezoek aan [winkel] geadviseerd zijn door de verkoper van [winkel]. Vervolgens hebben verdachte en zijn broer de winkel zonder iets te kopen verlaten en zijn ze bij [speelgoedzaak] naar binnen gegaan. Ook bij [speelgoedzaak] is verdachte geholpen door een verkoper, alvorens een aantal computerspelen, een playstation III en 2 draadloze afstandsbedieningen om de playstation te bedienen aan te schaffen en af te rekenen bij een caissière.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde handelingen in de twee winkels, alsmede het twee maal afleggen van een afstand van 4 km. door respectievelijk [persoon] en verdachte niet plaats hebben kunnen vinden binnen het tijdsbestek van 16 minuten dat tussen de twee voornoemde pintransacties ligt. Op grond van de verklaring van verdachte (voetnoot 15) waaruit blijkt dat hij de bankpas na 17.00 uur van [persoon] heeft verkregen op het woonwagenkamp aan [adres en plaats], het transactieoverzicht van de Rabobank (voetnoot 16), waaruit blijkt dat bij Rabo Randmeren, gevestigd in het centrum van Harderwijk, een bedrag van € 1.000,- is gepind om 17.28 uur en de verklaring van [verkoper A] (voetnoot 17) dat verdachte met zijn broer rond 17.30 uur in de winkel kwam voor advies over een laptop, komt de rechtbank tot het oordeel dat de bankpas reeds vóór het tijdstip van 17.28 uur in bezit is gekomen van verdachte en dat de pintransactie van 17.28 uur bij de Rabobank door verdachte zelf is uitgevoerd.

De rechtbank acht - op basis van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen - niet wettig bewezen dat verdachte de overige pintransacties met de van diefstal afkomstige bankpas heeft uitgevoerd op 17 en 18 oktober 2007 en spreekt verdachte daarvan vrij. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat verdachte de bewuste pas vóór 17.00 uur op 17 oktober 2007 in zijn bezit heeft gehad en dat hij deze vervolgens onafgebroken tot de volgende dag bij zich heeft gehouden.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

Feit 1:

hij op 27 oktober 2007 te Ermelo met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de Fokko Kortlanglaan 152 A) heeft weggenomen een (digitale) fotocamera (merk Olympus) en geldbedragen en een Postbankpas (op naam van [slachtoffer A]) en een Postbankpas (op naam van [slachtoffer B]) toebehorende aan [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Feit 2:

hij op tijdstippen op 27 oktober 2007 in de gemeente Ermelo telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit geldautomaten heeft weggenomen respectievelijk 250 Euro en 400 Euro telkens toebehorende aan [slachtoffer A], waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Feit 4:

hij op 17 oktober 2007 in de gemeente Harderwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat heeft weggenomen 1000 Euro toebehorende aan [bedrijf B] B.V., waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

7. Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

8. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

Feit 1: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Feit 2: diefstal waarbij de schuldige de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

Feit 4: diefstal waarbij de schuldige de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

10. Oplegging van straf en/of maatregel

10.1 De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest.

10.2 De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte een mildere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist en bovendien een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen.

10.3 De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden.

Verdachte heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde schuldig gemaakt aan woninginbraak, waarbij hij door middel van verbreking van een raam de woning is binnengegaan. Verdachte heeft de hele woning doorzocht en zich uiteindelijk uit de voeten gemaakt met een aantal goederen van het slachtoffer en onder andere een bankpas met pincode. Met deze bankpas heeft verdachte vervolgens tweemaal geld opgenomen van de rekening van het slachtoffer. Ten aanzien van feit 4 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opnemen van geld met een bankpas die niet van verdachte was. Verdachte heeft geen enkele verklaring afgelegd voor de reden van het plegen van deze feiten, behalve dat hij is opgegroeid in een woonwagenkamp en uit een crimineel milieu komt. De feiten die verdachte heeft gepleegd zijn ernstige feiten die schade, angst en ontsteltenis toebrengen bij de slachtoffers. De rechtbank is - mede gelet op de vele eerdere veroordelingen van verdachte voor soortgelijke feiten - van oordeel dat verdachte zich niet ten volle van het effect van zijn daden op zijn slachtoffers bewust is en dat hij bovendien niet leert van zijn eerdere (ook voorwaardelijke) afstraffingen door justitie.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting het rapport van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering van 20 mei 2008 in aanmerking genomen en concludeert tot oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

11. Ad informandum gevoegde zaak

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen de ter kennisneming gevoegde zaak, met pleegdatum 17 oktober 2007 te Harderwijk, bekend onder parketnummer 580098-08. Verdachte heeft bekend dat feit te hebben begaan en de officier van justitie heeft toegezegd dat voor dat feit geen verdere strafvervolging zal volgen.

12. Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer A], [adres en plaats], rekeningnummer: [banknummer], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 890,50 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 1 en 2.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van € 890,50, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

De benadeelde partij [bedrijf B] B.V., p/a [slachtoffer C], [adres en plaats], rekeningnummer [banknummer], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.914,93 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 4.

De raadsman heeft (enkel) gesteld dat niet is gebleken dat [slachtoffer C] bevoegd is [bedrijf B] B.V. in rechte te vertegenwoordigen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat [bedrijf B] B.V. als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.000,-, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De rechtbank merkt - onder verwijzing naar HR 16 november 2004, NJ2005, 45 - het door de raadsman gestelde aan als een (onvoldoende) gemotiveerde betwisting van de bevoegdheid van [slachtoffer C] om de B.V. te vertegenwoordigen, mede gelet op de uit de aangifte blijkende positie van [slachtoffer C] ten aanzien van die B.V. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vordering tot voormeld bedrag kan worden toegewezen.

De benadeelde partij [bedrijf B] B.V. zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en kan derhalve haar vordering voor het overige slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De benadeelde partijen [slachtoffer C] en Gemeente Harderwijk hebben zich beide met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van respectievelijk € 8.590,- en

€ 10.605,01 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde onder respectievelijk feit 3 en feit 5.

Deze benadeelde partijen zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, nu verdachte is vrijgesproken van het onder feit 3 en feit 5 tenlastegelegde. De benadeelde partijen kunnen derhalve hun vorderingen slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

13. Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van feit 1, 2 en 4 de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemde slachtoffers.

14. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 57, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder feit 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [DH1][slachtoffer A], adres voornoemd, van een bedrag van € 890,50 (achthonderdnegentig euro vijftig cent) met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer A] voornoemd, een bedrag te betalen van € 890,50, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 17 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij[DH2] [bedrijf B], adres voornoemd, van een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf B] B.V. voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [bedrijf B] voornoemd, een bedrag te betalen van € 1.000,-, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 20 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer C] en Gemeente Harderwijk niet ontvankelijk in hun vorderingen.

Aldus gewezen door mrs. Krijger, voorzitter, Van der Mei en Steenhuisen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Erp, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juni 2008.

Voetnoten:

1 DNA-profielcluster en proces-verbaal opname bloedsporen, pagina 218 t/m 220

2 Aangifte [slachtoffer C], pagina 296

3 Transactieoverzicht rekening courant [bedrijf B] B.V., pagina 306

4 Processen-verbaal van de verklaringen van verdachte, pagina 356 t/m 357, 358, 360 t/m 361 en 362.

5 Proces-verbaal van de verklaring van verdachte, pagina 364 t/m 365.

6 Proces-verbaal van de verklaring van verdachte, pagina 371.

7 Proces-verbaal van de getuigenverklaring van [manager], pagina 316 en 317.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [verkoper A], pagina 319 t/m 320.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [verkoper B], pagina 324.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [verkoper B], pagina 326 en proces-verbaal [getuige], pagina 340.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [verkoper B], pagina 352.

12 Proces-verbaal ambtelijk verslag, pagina 353 en foto van verdachte, pagina 354.

13 Proces-verbaal verklaring [broer verdachte], pagina 382 en 383.

14 Transactie-overzicht Rabobank, pagina 306

15 Proces-verbaal verklaring verdachte, pagina 371

16 Transactieoverzicht Rabobank, pagina 306

17 Proces-verbaal verklaring [verkoper A], pagina 319