Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD4218

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
321118 CV 07/2596
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2009:BK8820, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Exceptie van onbevoegdheid inzake een geschil over kennelijk onredelijk ontslag wordt afgewezen. Aan het constitutieve benoemingsvereiste van statutair directeur ex art 2: 242 BW is niet voldaan. Bij de overgang van de bedrijfsactiviteiten door de oorspronkelijke werkgever is slechts de arbeidsverhouding met de werknemer van rechtswege overgegaan. Deze is daarmee geen statutair directeur van de ontvangende partij geworden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 242
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2008/177
AR-Updates.nl 2008-0395
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Kanton – Locatie Terborg

Zaaknummer: 321118 CV 07/2596

vonnis d.d. 28 februari 2008

inzake

[eiser], wonende te [adres en plaats]

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident, hierna te noemen [eiser],

gemachtigde: mr.drs. J.C. Broekman, advocaat te Breda,

tegen

de besloten vennootschap FASSIN B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudende te 7041 GB ’s-Heerenberg, gemeente Montferland, Ulenpasweg 8,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident, hierna te noemen Fassin,

gemachtigde : mr. J. van Donselaar, advocaat te Apeldoorn,

1. Het procesverloop

In de hoofdzaak en in het incident:

Dit blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 27 november 2007;

- de incidentele conclusie d.d. 10 januari 2008, houdende exceptie van onbevoegdheid;

- de conclusie van antwoord in het incident d.d. 14 februari 2008.

2. Beoordeling

In het incident:

2.1. Stellende dat de opzegging d.d. 6 februari 2007 van zijn arbeidsovereenkomst met Fassin kennelijk onredelijk is, heeft [eiser] -in de hoofdzaak- gevorderd dat zijn voormalige werkgeefster zal worden veroordeeld tot betaling van € 775.237,-- bruto, verhoogd met rente en kosten.

2.2. Alvorens daarop te antwoorden heeft Fassin bij wege van exceptief verweer aangevoerd dat de rechtbank sector kanton niet tot kennisneming bevoegd is, omdat voor geschillen tussen een vennootschap en een statutair bestuurder de sector civiel van de rechtbank is aangewezen.

Zij heeft geconcludeerd tot verwijzing naar de bevoegde rechter met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident.

2.3. [eiser] heeft betwist dat hij statutair bestuurder van (onder meer) Fassin is geweest. De opgeworpen exceptie dient zijns inziens als ongegrond van de hand te worden gewezen, met veroordeling van Fassin in de proceskosten.

2.4. Wat overigens ook zij van het betoog zijdens Fassin, zij kan er hoe dan ook niet om heen dat (kennelijk) niet is voldaan aan het constitutieve benoemingsvereiste van

art 2: 242 BW. Een expliciet besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van Fassin tot aanstelling van [eiser] als haar bestuurder kan blijkbaar niet worden overgelegd.

2.5. De hoedanigheid van bestuurder kan niet worden geconstrueerd op grond van eerder daartoe geuite voornemens en evenmin als gevolg van de feitelijke en afgestemde gedragingen van partijen of van wederzijds opgewekt vertrouwen.

2.6. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 7: 662 en 663 BW is bij de overgang van de bedrijfsactiviteiten van Langenberg-Fassin B.V. slechts de arbeidsverhouding met [eiser] van rechtswege overgegaan op Fassin. Hij is daarmee niet tevens statutair bestuurder van laatstgenoemde, als de ontvangende partij, geworden.

2.7. Het beroep op de onbevoegdheid van de sector kanton van de rechtbank kan bijgevolg niet slagen.

Fassin dient als de in het bevoegdheidsincident in het ongelijk gestelde partij te worden belast met de proceskosten.

3. Beslissing

In de hoofdzaak en in het incident:

3.1. De exceptie van onbevoegdheid wordt afgewezen.

3.2. Fassin wordt veroordeeld in de proceskosten, die in het incident aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op € 300,00 voor gemachtigdensalaris.

3.3. De procedure wordt voor het overige verwezen naar de rolzitting van donderdag

27 maart 2008 te 11.00 uur, teneinde Fassin in de gelegenheid te stellen om in de hoofdzaak voor antwoord te concluderen (peremptoir!).

3.4. Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak wordt aangehouden.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Eijkelestam en bij vervroeging uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting van donderdag 28 februari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.