Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD3911

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
13-06-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
06-801613-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat, doordat verdachte met gebalde vuist en met kracht tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen, ten minste sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, welk gevolg ook daadwerkelijk is opgetreden. Geen sprake van een noodweersituatie dus beroep op noodweer en noodweer exces slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/801613-07

Uitspraak d.d. 13 juni 2008

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaatsnaam op 1961],

wonende te [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 november 2007 en 30 mei 2008.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 april 2007 te Uddel, gemeente Apeldoorn, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een (op twee plaatsen) gebroken kaak en/of een hersenschudding), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans éénmaal, (met kracht en gebalde vuist) op/tegen de kaak, althans op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam te slaan;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 30 april 2007 te Uddel, gemeente Apeldoorn, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal, (met kracht en gebalde vuist) op/tegen de kaak, althans op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

De bewijsmotivering (eindnoot 1)

A. De vaststaande feiten.

Op 30 april 2007 was [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]) op de Koninginnecross in Uddel. Op de terugweg van de Koninginnecross zat [slachtoffer] met zijn vrienden, onder wie [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1]), in de auto. Bij het verlaten van het terrein is er een woordenwisseling ontstaan tussen [naam 1] en de bestuurder van een bus, [naam 2], de broer van verdachte. [slachtoffer] is uit de auto gestapt en heeft een klap op zijn hoofd gekregen.

B. Het standpunt van het openbaar ministerie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

C. Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat de wijze waarop de politie de verklaringen van de vrienden van het slachtoffer ([slachtoffer]) telkenmale op nagenoeg dezelfde wijze op papier heeft gezet, doet vermoeden dat deze getuigen hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Bovendien verschillen deze getuigenverklaringen van die van anderen die iets gezien of gehoord hebben, en lopen deze op essentiële onderdelen uit elkaar.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat bij verdachte geen sprake was van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft geprobeerd uit de situatie weg te komen en heeft daarbij van zich afgezwaaid. [slachtoffer] is kennelijk daardoor geraakt. De klap is hard en mogelijk op een ongelukkige plek terecht gekomen, dat is bijkomstig, maar niet gewild.

D. Beoordeling van het verweer inzake de getuigenverklaringen.

De rechtbank overweegt dat uit de hierna volgende bewijsconstructie blijkt dat de getuigenverklaringen van de vrienden van aangever niet voor het bewijs zijn gebezigd. De rechtbank is overigens van oordeel dat uit de inhoud van deze getuigenverklaringen en de wijze waarop deze verklaringen zijn opgesteld niet kan worden afgeleid dat deze op elkaar zijn afgestemd. Dat de verklaringen voor een groot deel overeenstemmen is eigen aan de omstandigheid dat de getuigen over hetzelfde incident verklaren. Dit maakt nog niet dat de verklaringen op elkaar zijn afgestemd. Daarbij verschillen de verklaringen onderling op een aantal punten van elkaar.

E. Beoordeling van de tenlastelegging.

De rechtbank acht voor het bewijs de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat op het moment dat hij op 30 april 2007 met zijn auto het terrein in Uddel wilde verlaten hij zijn neefje, [getuige 1] (hierna te noemen: [getuige 1]), aan zag komen lopen. [getuige 1] huilde en zei dat zijn vader (de broer van verdachte) in elkaar werd geslagen. Verdachte is toen naar zijn broer gegaan met de bedoeling om rust te creëren. Op het moment dat hij daar aankwam, zag hij dat er een aantal jongeren tegen de bus van zijn broer aan het schoppen waren. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij een trap in zijn maagstreek kreeg en op de grond viel. Verdachte heeft geprobeerd weg te komen en heeft van zich afgezwaaid. Verdachte heeft voorts verklaard dat er opeens iemand op de grond lag. Verdachte trekt daaruit de conclusie dat dit als gevolg van zijn handelen is gebeurd. Verdachte is daarna teruggegaan naar zijn auto.

Verdachte heeft bij de politie (eindnoot 2) verklaard dat hij op 30 april 2007 op de Koninginnecross in Uddel was. Verdachte heeft verklaard dat een grote groep jongeren om zijn broer stond en dat er een grote chaos en hectiek was. Verdachte heeft verklaard dat toen hij werd belaagd, hij in de groep om zich heen heeft gezwaaid. Aangezien de jongeren bijna bovenop hem zaten zal hij naar alle waarschijnlijkheid wel iemand geraakt hebben.

Aangever [slachtoffer](eindnoot 3) heeft bij zijn aangifte verklaard dat hij op 30 april 2008 in Uddel naar een cross is geweest. Bij de terugreis zat [slachtoffer] met zijn vrienden in de auto, die door [naam 1] werd bestuurd. Er ontstond een woordenwisseling tussen [naam 1] en de bestuurder van een busje. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij uit de auto is gestapt en naar [naam 1] is gelopen om hem tot rust te krijgen. [slachtoffer] heeft voorts verklaard dat hij tussen de auto’s is doorgelopen. Vanaf dat moment weet [slachtoffer] niets meer; hij is wakker geworden in de ambulance.

Getuige [getuige 2] (hierna te noemen: [getuige 2]) heeft bij de politie (eindnoot 4) verklaard dat hij op 30 april 2007 bij de Koninginnecross in Uddel was. [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat er een opstootje was tussen de inzittenden van een auto, onder wie [slachtoffer], en de bestuurder van een bus. [getuige 2] heeft verklaard dat er jongeren, waaronder [slachtoffer], bij het busje stonden. Voorts zag hij dat er een man kwaad naar de groep jongeren kwam lopen. De man had zijn vuisten gebald. Voorts heeft [getuige 2] verklaard dat hij zag dat de kwade man [slachtoffer] zomaar een enorme vuistslag gaf. [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat de man met kracht stompte en dat [slachtoffer] vol in het gezicht werd geraakt, waardoor [slachtoffer] als een blok achterover viel en meteen buiten westen was. [getuige 2] heeft verklaard dat hij de man die de vuistslag gaf kende en dat het verdachte [verdachte] was.

Getuige [getuige 3] (hierna te noemen: [getuige 3]) heeft bij de politie (eindnoot 5) verklaard dat hij op 30 april 2007 bij de Koninginnecross in Uddel was. Hij hoorde dat er bij de ingang van het terrein een vechtpartij gaande was. [getuige 3] heeft verklaard dat hij zag dat op de parkeerplaats iemand op de grond lag. Op ongeveer tien meter van de plaats waar de jongen op de grond lag, zag hij verdachte staan. Verdachte rende naar zijn auto. [getuige 3] heeft voorts verklaard dat hij verdachte heeft aangesproken en dat hij aan hem heeft gevraagd wat er aan de hand was. [getuige 3] hoorde verdachte daarop zeggen: “Ze trappen tegen de auto van mijn broer aan. Ik heb er een een flinke knal voor zijn kop gegeven.”

In een schriftelijke verklaring d.d. 2 november 2007 van [getuige 1] (opgemaakt ten overstaan van de advocaat van verdachte) heeft deze verklaard dat hij op 30 april 2007 met zijn vader bij de Koninginnecross in Uddel was. Op het moment dat de personen uit de auto die voor hen stond kwamen, is hij uit de auto gestapt om hulp te gaan halen. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat hij zag dat zijn oom erbij kwam. Hij kreeg de indruk dat zijn oom onderuit dreigde te gaan. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat hij zag dat zijn oom zich in paniek omdraaide en een vuistslag naar achteren gaf aan de man die zich aan zijn oom opdrong. Voorts heeft [getuige 1] bij de rechter-commissaris (eindnoot 6) verklaard dat het klopt dat zijn oom een vuistslag naar achteren heeft gegeven. [getuige 1] heeft verklaard dat zijn oom van zich afmaaide en een klap naar achteren gaf met zijn vuist. Het was een harde klap.

Uit de medische informatie (eindnoot 7) blijkt dat [slachtoffer] een onder- en een bovenkaakbreuk heeft opgelopen en dat er sprake was van nekklachten.

De rechtbank acht op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank is van oordeel dat, doordat verdachte met gebalde vuist en met kracht tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen, ten minste sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, welk gevolg ook daadwerkelijk is opgetreden.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 30 april 2007 te Uddel, gemeente Apeldoorn, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken kaak), heeft toegebracht, door deze opzettelijk éénmaal (met kracht en gebalde vuist) op/tegen de kaak, althans op/tegen het hoofd te slaan;

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. In het bijzonder is niet bewezen dat, zoals tenlaste is gelegd, [slachtoffer] “een (op twee plaatsen) gebroken kaak” heeft opgelopen, nu het dossier (zie de slachtofferverklaring) daaromtrent vermeldt dat er een kaakbreuk rechtsonder en linksboven was opgetreden. Om die reden heeft de rechtbank bewezen verklaard dat het lichamelijk letsel bestond uit “een gebroken kaak”.

De verdachte wordt vrijgesproken van het meer of anders tenlaste gelegde.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft ter zitting namens verdachte een beroep gedaan op noodweer, althans noodweerexces. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat, toen verdachte bij de bus van zijn broer aankwam, er een bedreigende situatie was. Er stonden ongeveer acht mannen bij zijn broer welke mannen zich hoogst agressief gedroegen. De agressie heeft zich ook op verdachte gericht. Hij kreeg een stomp en werd naar de grond gewerkt. Ter verdediging van zichzelf en van zijn broer heeft hij zich toen omgedraaid en een slag naar achteren gegeven. Deze klap trof [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft zich niet afzijdig gehouden van de situatie. Van verdachte kan niet worden verwacht dat hij lijdzaam toekijkt of en in welke mate een ander of hijzelf in elkaar wordt geslagen. Het was een situatie van overmacht waarin verweer noodzakelijk was.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer danwel noodweer exces niet opgaat. Er zijn geen feiten en omstandigheden aanwezig die het aannemen van noodweersituatie voor de verdachte aannemelijk maken. Verder heeft verdachte in de door hem vermeende noodweersituatie veel te hard ingegrepen en had hij zeker andere wegen moeten bewandelen.

Artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat niet strafbaar is degene die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. In lid 2 van dat artikel wordt de strafbaarheid in geval van noodweerexces uitgesloten.

Voor een geslaagd beroep op deze strafuitsluitingsgrond is vooreerst vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, ofwel een noodweersituatie, jegens verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte of zijn broer. De verklaring van verdachte dat sprake was van chaos en hectiek vindt geen steun in de getuigenverklaringen van de omstanders. Uit deze getuigenverklaringen blijkt dat er wel wat schermutselingen waren, maar van een bedreigende situatie waarin verdachte genoodzaakt was zichzelf te verdedigen is niet gebleken. Uit de verklaringen komt eerder naar voren dat verdachte doelbewust op de groep is afgelopen en [slachtoffer] een klap tegen zijn hoofd heeft gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake was een noodweersituatie.

Het beroep op noodweer slaagt niet, hetgeen tot de conclusie leidt dat het bewezene oplevert het misdrijf:

zware mishandeling

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar. Het beroep op noodweerexces slaagt niet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot (het ontbreken van) een noodweersituatie, en ook overigens is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis indien deze straf niet naar behoren wordt verricht.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast een taakstraf als na te melden op zijn plaats.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het zinloze en grove karakter van het geweld dat in de onderhavige situatie door verdachte is toegepast in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich, nadat hem gebleken was dat zijn broer bij een ruzie betrokken was, naar de auto van zijn broer begeven. Daar aangekomen heeft verdachte, zonder dat daartoe een (directe) aanleiding of noodzaak bestond, het slachtoffer met gebalde vuist een flinke klap gegeven als gevolg waarvan het slachtoffer zijn boven- en onderkaak heeft gebroken. Deze gebeurtenissen hebben de nodige gevolgen voor het slachtoffer gehad. Het slachtoffer heeft een tijd lang niet heeft kunnen werken, vijf weken lang enkel vloeibaar voedsel tot zich kunnen nemen en veel pijn ondervonden. Daarnaast is er bij het slachtoffer het nodige onbegrip omtrent het gebeurde aanwezig.

De rechtbank komt tot oplegging van een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist aangezien zij in de geëiste straf onvoldoende de ernst en omvang van het gepleegde feit tot uitdrukking vindt gebracht. De rechtbank acht een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2389,88 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het primair tenlastegelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De materiële schade is door de benadeelde partij toereikend met stukken onderbouwd. De rechtbank acht toekenning van het gevorderde bedrag aan immateriële schade, gelet op de gevolgen die de gebeurtenissen voor het slachtoffer hebben gehad, billijk. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

- bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

- veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 160 (honderdzestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen.

- veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 2389,88, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

- legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 2389,88, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 41 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

- bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Roessingh, voorzitter, Kleinrensink en Gilhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Erp, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 juni 2008.

(Eindnoot 1) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen verbaal, als bijlagen opgenomen bij (Stam) proces-verbaal nr. PL0620/07-204332, ondertekend d.d. 12 juni 2007.

(Eindnoot 2)Proces-verbaal van verhoor van verdachte, doorgenummerde dossierpag. 43.

(Eindnoot 3)Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], doorgenummerde dossierpag. 15.

(Eindnoot 4) Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], doorgenummerde dossierpag. 22 en 23.

(Eindnoot 5)Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], doorgenummerde dossierpag. 36

(Eindnoot 6)Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris van de rechtbank Zutphen d.d. 11 maart 2008.

(Eindnoot 7)Medische verklaring d.d. 4 mei 2008 van huisarts P.A.G. Willemsen, doorgenummerde dossierpag. 18