Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD3676

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
84267 - HA ZA 07-239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale zaak.Forumkeuzebeding impliceert niet tevens -uitdrukkelijke- rechtskeuze. Degene die de kenmerkende prestatie verricht is bij concessie en licentie niet dezelfde persoon. Op grond van de omstandigheden van het geval kan de kenmerkende prestatie "verschuiven".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 310
RCR 2008, 89

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 84267 / HA ZA 07-239

Vonnis van 2 april 2008

in de zaak van

de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

TERWELANDT N.V.,

gevestigd te Sint Amands (België),

eiseres,

procureur mr. C.B. Gaaf,

advocaat mr. A.J.J.G. Schijns te 's-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NATUDIS B.V.,

gevestigd te Harderwijk,

gedaagde,

procureur mr. F.F.P.M. Vermeer.

Partijen zullen hierna Terwelandt en Natudis genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 17 juli 1989 hebben de in Nederland gevestigde Peter van Tiel B.V. en Peter van den Bergh enerzijds en de in België gevestigde N.V. Belfort-V en N.V. Scheldemolens (hierna: Belfort) anderzijds in het kader van de voortzetting van een in 1983 gestarte zakelijke relatie een overeenkomst (productie 1 van Terwelandt) met elkaar gesloten, die onder meer de navolgende bepalingen inhoudt:

“1. De N.V. Belfort-V gaat als enige producent in België-Luxemburg, Malsovit meel samenstellen en bezorgen.

2. De heer Peter van den Bergh verbindt er zich toe noch op rechtstreekse noch op onrechtstreekse wijze, noch door hemzelf noch door zijn rechtsopvolgers, een andere samensteller dan de N.V. Belfort-V in België-Luxemburg te laten optreden, noch toe te laten in België-Luxemburg Malsovit meel te laten verspreiden andere dan deze samengesteld door de N.V. Belfort-V.

3. Andere Malsovit produkten dan Malsovit meel worden eveneens door de Belfort-V verdeeld in België en Luxemburg. Hierop zijn dan ook de bepalingen van art. 2 van toepassing.

4. De samenstelling van Malsovit meel wordt bepaald door de heer Peter van den Bergh en zal in geen geval aan partijen, welke niet in deze overeenkomst staan vermeld, worden bekendgemaakt.

Alle partijen verplichten zich tot absolute geheimhouding.

5.De N.V. Belfort-V zal zich onthouden van het op de markt brengen van een produkt dat zowel in samenstelling, werking als in naamvoering ook maar enige wijze met Malsovit meel kan worden vergeleken.

6. Faktureringen en geldinningen zijn geheel voor rekening en verantwoording van Belfort-V. De afnemer zal aan Belfort-V, Bfr. 68 per kilogram voldoen, BTW niet inbegrepen. Bij elke kilogram Malsovit ontvangt de afnemer bovendien 2,75 broodzakken gratis, waarvoor eveneens Belfort-V zorg draagt.

Alle afleveringen geschieden uitsluitend tegen kontante betaling.

7. Op basis van de huidige markt- en bevoorradingsmogelijkheden, monetaire toestand, regerings- en E.E.G. beslissingen, werd op 17 juli 1989 een totaalprijs voor Malsovit meel, door de NV Belfort-V ter beschikking te stellen, bepaald op Bfr. 31,5 ekskl. BTW (…)

8. Per kilogram geleverd Malsovit wordt door Belfort-V een bedrag van Bfr. 36,5 ekskl BTW, aan Peter van Tiel B.V. uitgekeerd. (…)

9. De marketing van het Malsovit is geheel voor rekening van Peter van Tiel B.V.. Promotionele akties worden gekoördineerd met Belfort-V.

10. Belfort-V verzamelt de bestellingen die ofwel telefonisch worden doorgegeven ofwel door Belfort-V vertegenwoordigers bij kliënten worden genoteerd. Peter van Tiel B.V. is gemachtigd, zonder opgaaf van reden, een afnemer van de lijst af te voeren. Hiervan zal schriftelijk mededeling aan Belfort-V worden gedaan. Wanneer Belfort-V wijst op de gevaarlijke financiële toestand van een kliënt en Peter van Tiel B.V. de kliënt wenst te beleveren, is het financiële risiko voor Peter van Tiel B.V.

11. Peter van Tiel B.V. levert de in punt 7 genoemde broodzakken gratis aan Belfort-V. Belfort-V zal elke week een overzicht verstrekken van de gedane leveringen aan de afnemers en staat Peter van Tiel B.V. toe de juistheid van de opgaven op elke wijze te kontroleren.

12. In geval van niet-naleving door één van de partijen van één van de verplichtingen uit deze overeenkomst, heeft de andere partij het recht onderhavige overeenkomst zonder opzeggingstermijn op te zeggen, indien de tekortkomende partij geen gevolg heeft gegeven aan een ingebrekestelling om binnen de 24 uur aan de tekortkoming een einde te stellen.

13. Alle tekst- en inhoudsverklaring in verband met deze overeenkomst behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de Rechtbank van Koophandel te Mechelen (…).”

Artikel 9 van de overeenkomst is nader uitgewerkt in een “ADDENDUM KONTRAKT 17.07.1989.” Die uitwerking komt er -kort gezegd- op neer dat door Belfort in het kader van marketing en /of promotie gemaakte kosten ten laste van Peter van Tiel B.V. komen.

2.2. Natudis heeft als de rechtsopvolgster van Peter van Tiel B.V. bij brief van

12 augustus 1994 (productie 4 van Terwelandt) aan Belfort het volgende medegedeeld:

“(…)

In aansluiting op onze eerdere gesprekken en briefwisselingen deel ik u mede dat wij het bestaande Malsovit kontrakt met de aanvullende addenda per 1 januari 1995 opzeggen.

De reden daarvoor is dat de afspraken die in de addenda zijn vastgelegd alle kostenrisiko’s bij Natudis leggen, zonder dat Natudis invloed heeft op de hoogte van de gemaakte kosten. Bij een dalende omzet en een gelijkblijvend kostennivo zou Natudis moeten gaan toeleggen op de verkoop van Malsovit in België en dat willen we ten koste van alles voorkomen, zelfs ten koste van een eventuele verkoopstop van Malsovit in België.

Zover willen wij het natuurlijk niet laten komen(…) Daarom stellen wij u het volgende voor:

1. Belfort V krijgt van Natudis het merk Malsovit in licentie en verzorgt alle zaken rond Malsovit, te weten inkoop grondstoffen, meelproduktie, verkoop, distributie en marketing.

2. Natudis ontvangt in ruil hiervoor een vergoeding per verkochte kilo van 10% van de verkoopprijs aan uw klanten.(…)”.

2.3. Bij brief van 17 augustus 1994 (productie 5 van Terwelandt) heeft Belfort aan Natudis medegedeeld:

“Het bestaande kontrakt is een koncessieovereenkomst.

Koncessieovereenkomsten worden geregeld door rechtsbeginselen ook in verband met opzeggingstermijnen. U zult begrijpen dat deze rechtsbeginselen moeten geëerbiedigd worden. Wij leggen Uw brief voor aan onze advokaten wat betreft de juridische gevolgen van de door U gedane opzeg.(…) ”

2.4. Bij brief van 24 augustus 1994 (productie 6 van Terwelandt) heeft Belfort zich jegens Natudis op het standpunt gesteld dat op de concessieovereenkomst de Belgische Wet van 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop (hierna: de Alleenverkoopwet) van toepassing is en dat Natudis op grond van artikel 2 van die wet een redelijke opzegtermijn in acht dient te nemen. Belfort heeft in die brief een opzegtermijn van een jaar genoemd.

2.5. Natudis is op voormelde brief van Belfort ingegaan. De overeenkomst is per

1 januari 1996 beëindigd.

2.6. Terwelandt is sinds begin 1999 de rechtsopvolgster van Belfort.

3. De vordering

3.1. Terwelandt vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: 1. de vordering van Terwelandt ontvankelijk zal verklaren en zich internationaal bevoegd zal verklaren om kennis te nemen van dit geschil;

2. voor recht zal verklaren dat het Belgisch recht van toepassing is op het onderhavige geschil;

3a. primair: voor recht zal verklaren dat Natudis aan Terwelandt een billijke bijkomende vergoeding verschuldigd is en Natudis zal veroordelen om Terwelandt tegen kwijting te betalen een bedrag van € 37.577,04, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf

12 augustus 1994, dan wel 1 januari 1996 tot aan de dag der algehele voldoening;

3b. subsidiair: Natudis zal veroordelen om Terwelandt tegen kwijting te betalen een (schade)vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 1994, dan wel 1 januari 1996, nader op te maken bij staat;

4. Natudis zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van in totaal

€ 1.158,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 februari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

5. Natudis zal veroordelen in de kosten van deze procedure alsmede in de nakosten ad € 131,-- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, ad € 199,--, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen vonnis.

3.2. Terwelandt legt aan haar vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

Op grond van artikel 4 lid 1 en 2 van het EEG-verdrag inzake verbintenissen uit overeenkomst (EVO) is van toepassing het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten is gevestigd. De overeenkomst heeft betrekking op de productie en commercialisering van Malsovit-meel in België door de in België gevestigde Belfort. Nu deze activiteiten moeten worden gekwalificeerd als de kenmerkende prestatie is op de overeenkomst Belgisch recht van toepassing.

De overeenkomst was gericht op de inrichting van een duurzame en gestructureerde handelsrelatie, die beide partijen ten goede zou komen en die de bevordering van de verkoop van de producten van Peter van Tiel tot doel had. Belfort had de verplichting de producten van Peter van Tiel, die zij samenstelde op grond van de precieze richtlijnen van Peter van den Berghe, in eigen naam en voor eigen rekening te verkopen. Belfort heeft het product van Peter van Tiel, onder de merknaam van Peter van Tiel, conform de verkoops- en marketingrichtlijnen van Peter van Tiel, vertegenwoordigd, gepromoot en vercommercialiseerd. Er was sprake van een exclusiviteitsrelatie tussen Belfort en Peter van Tiel, nu Belfort het enige bedrijf was dat de producten van Peter van Tiel op het grondgebied van België-Luxemburg verspreidde en Belfort zich diende te onthouden van de verkoop van soortgelijke producten. De overeenkomst kan worden aangemerkt als een concessie van alleenverkoop. Op deze overeenkomst is de Alleenverkoopwet van toepassing.

Belfort heeft zich na de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door Natudis onthouden van de verkoop van soortgelijke producten als het Malsovit-meel, wat de eerder gemaakte investeringen met het oog op de exploitatie van de verkoopconcessie (zoals de aanschaf van een moderne bestelwagen en recent gemaakte publiciteitskosten) overbodig maakte. Belfort heeft de clientèle van Malsovit-meel opgebouwd vanaf nul en heeft daardoor een duidelijke meerwaarde aan clièntele bewerkstelligd. De opgebouwde clientèle kon na beëindiging van de overeenkomst niet meer door Belfort worden bevoorraad, gezien de bepalingen van de overeenkomst. Natudis bleef de clientèle bevoorraden vanuit haar nevenvestiging in Tienen en heeft aldus de door Belfort opgebouwde clientèle verworven.

Terwelandt heeft op grond van artikel 3 van de Alleenverkoopwet recht op een billijke bijkomende vergoeding.

Terwelandt raamt de vergoeding ex aequo et bono op € 37.577,04. Dit bedrag is twaalf keer de gemiddelde maandelijkse winstmarge over de laatste drie jaren van de concessie.

Natudis haalt zonder enige vergoeding voordeel uit de inspanningen die Belfort zich gedurende looptijd van de overeenkomst heeft getroost om clientèle op te bouwen in België. Dit is onmiskenbaar een gedraging in strijd met de eerlijke handelsgebruiken als neergelegd in artikel 93 van de Belgische Wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (hierna: WHPC). Subsidiair heeft zij op grond van deze wettelijke bepaling aanspraak op voormelde vergoeding.

De overname van de clientèle van Belfort door Natudis betekent een verarming voor Belfort en een verrijking voor Natudis, zonder dat daarvoor een juridische grond aangewezen kan worden. Meer subsidiair heeft Terwelandt dan ook recht op een ex aequo et bono te bepalen schadevergoeding op grond van vermogensvermeerdering zonder oorzaak.

Terwelandt vordert wettelijke rente primair vanaf 12 augustus 1994, zijnde het moment dat de concessie beëindigd werd, zonder dat daarbij door Natudis werd toegezegd dat aan Belfort een vergoeding zou worden betaald en subsidiair vanaf 1 januari 1996, zijnde het moment waarop de concessie beëindigd werd.

Terwelandt heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt, welke kosten op grond van het Belgisch recht voor vergoeding in aanmerking komen. Zij begroot deze kosten conform het rapport Voorwerk op twee punten van liquidatietarief III.

4. Het verweer

4.1. Natudis refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de vordering sub 3.1.1. en concludeert voor het overige dat de rechtbank Terwelandt bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar deze zal ontzeggen met haar veroordeling in de kosten van het geding.

4.2. Natudis voert de navolgende verweren aan.

Peter van Tiel BV heeft Belfort het alleenrecht gegeven om Malsovitmeel, waarvan de samenstelling werd bepaald door eerstgenoemde, te produceren. De overeenkomst dient te worden gekwalificeerd als een licentieovereenkomst, in welk geval de meest kenmerkende prestatie wordt geleverd door (de rechtsvoorganger van) Natudis. Op de overeenkomst is geen Belgisch recht, maar Nederlands recht van toepassing.

Het Nederlands recht kent niet een billijke bijkomende vergoeding, zodat reeds op die grond de vordering sub 3.1.3a niet kan worden toegewezen.

Mocht Belgisch recht van toepassing zijn dan is de wet op de Alleenverkoop niet van toepassing op de onderhavige overeenkomst. Een verkoopconcessie in de zin van deze wet is iedere overeenkomst krachtens welke een concessiegever aan één of meer concessiehouders het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen, die de concessiegever zelf vervaardigt of verdeelt. Natudis heeft in het kader van de overeenkomst nooit producten geleverd aan Belfort. Belfort ontving slechts een licentie om Malsovitmeel te produceren. De grondstoffen werden door Belfort bij andere leveranciers dan Natudis ingekocht en het meel werd volledig door Belfort zelf geproduceerd. Er is sprake van een licentieovereenkomst, dan wel een sui-generisovereenkomst tot samenwerking in het kader van de productie, marketing en distributie van producten vervaardigd onder licentie. Van stilzwijgende aanvaarding van de stelling van Terwelandt dat de onderhavige overeenkomst een concessieovereenkomst in de zin van de Alleenverkoopwet is, is geen sprake.

Mocht de Alleenverkoopwet van toepassing zijn, dan is Natudis geen billijke bijkomende vergoeding verschuldigd. Van een bekende (dat wil zeggen substantiële) meerwaarde aan clientèle is geen sprake, nu de omzet van het product al enkele jaren dalend was. Terwelandt heeft niet onderbouwd welke clientèle door Belfort is aangebracht. Voorts is niet aangetoond dat Natudis klanten van Belfort zou hebben verworven na beëindiging van de concessie. Het tegendeel is het geval nu uit de brief van Belfort van 24 november 1995 volgt dat Belfort zich op het standpunt stelt dat afnemers uitsluitend klanten van Belfort zijn en dat Natudis met hen geen relaties kan onderhouden. Natudis is niet op de hoogte geweest van de klanten die Belfort bediende. Belfort heeft niet voldaan aan het verzoek van Natudis om de namen en adressen van de bakkers die in 1995 Malsovit gekocht hebben aan Natudis door te geven. Ook was Natudis niet op de hoogte van het bakproces dat Belfort hanteerde. Natudis heeft nooit klanten van Belfort bediend.

Natudis betwist dat Belfort investeringen heeft gedaan die zijn gerelateerd aan de uitvoering van de overeenkomst. Ook al zou dit anders zijn, dan komt dit voor rekening en risico van Terwelandt omdat zij ruim een jaar van te voren wist dat de overeenkomst zou eindigen.

Naar Nederlands recht is Natudis geen schadevergoeding verschuldigd omdat zij de overeenkomst met inachtneming van een redelijke termijn heeft opgezegd en bijzondere omstandigheden welke aanleiding zouden kunnen geven tot schadevergoeding gesteld noch gebleken zijn.

De schadebegroting van Terwelandt (productie 32) is volstrekt niet gemotiveerd. Bovendien volgt uit de bijlage dat de omzet in de laatste jaren is gedaald.

Terwelandt heeft haar stelling dat artikel 93 WHPC van toepassing is niet gemotiveerd. Natudis betwist die stelling overigens.

Naar Belgisch recht kan slechts aanspraak worden gemaakt op schadevergoeding wegens vermogensvermeerdering zonder oorzaak, indien er geen sprake is van een overeenkomst tussen partijen. Nu Natudis geen klanten van Belfort heeft bediend, is bovendien van een vermogensverschuiving geen sprake.

Uit de dagvaarding heeft zij niet kunnen opmaken op welke grond Terwelandt schadevergoeding op te maken bij staat vordert, zodat om die reden die vordering dient te worden afgewezen.

Er zijn door Terwelandt geen buitengerechtelijke kosten gemaakt. De buitengerechtelijke kosten zijn bovendien op geen enkele wijze gespecificeerd.

De wettelijke rente is niet toewijsbaar vanaf 12 augustus 1994 omdat de beweerde schade pas geleden kan zijn na ommekomst van de overeenkomst.

De gevorderde nakosten zijn door Terwelandt in het lichaam van de dagvaarding niet verder toegelicht. Terwelandt voldoet hiermee niet aan haar stelplicht. Bovendien is voor nakosten in artikel 237 lid 4 Rv een aparte procedure voorgeschreven.

5. De beoordeling

De bevoegdheid

5.1. Nu Natudis in Nederland is gevestigd, vloeit de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van het onderhavige geschil, dat een internationaal karakter heeft en in aanmerking genomen dat Nederland en België lid zijn van de Europese Unie, voort uit artikel 2 lid 1 van de verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-verordening). Gelet op de woonplaats van Natudis is deze rechtbank -zoals ook Natudis heeft betoogd- bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

Het toepasselijke recht

5.2. De vraag naar het toepasselijke recht dient te worden beantwoord aan de hand van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980 (Trb. 1991). Dit verdrag (hierna: EVO) is voor Nederland in werking getreden

op 1 september 1991.

5.3. Artikel 13 van de overeenkomst kan -anders dan Terwelandt heeft aangevoerd- niet als een impliciete maar zekere rechtskeuze voor Belgisch recht worden aangemerkt, nu het onmiskenbaar een forumkeuzebeding is. Dit forumkeuzebeding is bovendien van beperkte strekking, in die zin dat uit de tekst van dat artikel niet kan worden afgeleid dat de rechtsvoorganger van Terwelandt (Belfort) en Natudis de bedoeling hadden alle geschillen voortvloeiend uit de overeenkomst, ook indien het om rechten en plichten gaat die -zoals in casu- niet expliciet in de tekst van de overeenkomst zijn voorzien, aan de Belgische rechter voor te leggen. Het feit dat de Belgische rechter door partijen als de bevoegde rechter is aangewezen, impliceert dan ook niet dat de Belgische rechter “dus” gehouden is om ter zake van de vordering van Terwelandt als hier aan de orde Belgisch recht toe te passen. Partijen zijn gevestigd in verschillende staten van de Europese Unie en ook in België is de EVO in werking getreden, zodat de Belgische rechter aan de hand van de EVO dient te onderzoeken welk recht op de onderhavige overeenkomst van toepassing is. Een stilzwijgende keuze voor Belgisch recht kan dan ook niet uit artikel 13 van de overeenkomst worden afgeleid. Bovendien geldt dat op grond van artikel 3 lid 1 EVO de rechtskeuze uitdrukkelijk moet zijn gedaan of voldoende duidelijk blijkt uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Die situatie doet zich hier niet voor.

Ten overvloede wordt hier opgemerkt dat partijen over de onderhavige aangelegenheid in België hebben geprocedeerd, waarbij de Belgische rechter zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onbevoegd heeft verklaard om van de vordering van Terwelandt kennis te nemen (arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 13 maart 2006, productie 11 van Terwelandt).

5.4. Bij gebreke van een rechtkeuze tussen partijen en toepasselijkheid van bijzondere verwijzingsregels in het EVO, geldt op grond van artikel 4 lid 2 EVO als uitgangspunt dat de overeenkomst wordt vermoed het nauwst verbonden te zijn met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats of wanneer het (onder meer) een rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft. Dit betreft een weerlegbaar vermoeden. Wanneer uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een nauwere verbondenheid heeft heeft met een ander land dan dat waarnaar het vermoeden verwijst, komt het vermoeden te vervallen (artikel 4 lid 5 EVO). Op grond van het arrest van de Hoge Raad van

25 september 1992 (NJ 1992,750) dient artikel 4 lid 5 EVO als uitzondering op de hoofdregel te worden beschouwd en restrictief te worden gehanteerd.

5.5. Indien de overeenkomst als een alleenverkoopovereenkomst dient te worden gekwalificeerd was de alleenverkoper (in casu de rechtsvoorganger van Terwelandt, Belfort) degene die de kenmerkende prestatie verricht (Hoge Raad 24 mei 1991, NJ 1991,676). Nu Belfort in België was gevestigd, leidt dit in beginsel tot toepasselijkheid van Belgisch recht.

Indien de overeenkomst als een licentieovereenkomst moet worden aangemerkt is in beginsel de licentiegever (in casu de rechtsvoorganger van Natudis) degene die de kenmerkende prestatie levert. Dat zou dan in beginsel tot toepasselijkheid van Nederlands recht leiden. Het is immers de rechtsvoorganger van Natudis die het merk Malsovit alsmede de receptuur heeft ontwikkeld en deze inbrengt. In het onderhavige geval is de rechtsvoorganger van Terwelandt, Belfort, evenwel gehouden om de receptuur toe te passen in producten die in België en Luxemburg -met recht van exclusiviteit- worden verhandeld en waarbij het Belfort verboden is om soortgelijke producten in die landen te verhandelen. In dat geval verschuift de kenmerkende prestatie naar Belfort. Ook in geval dat sprake is van een licentieovereenkomst, leidt dit uiteindelijk tot toepasselijkheid van Belgisch recht.

5.6. Voor de juridische kwalificatie van een overeenkomst is -zowel naar Belgisch als naar Nederlands recht- niet beslissend welke benaming partijen aan de door hen gesloten overeenkomst hebben gegeven. Van belang is uitsluitend of de inhoud van de overeenkomst mede bezien in het licht van de uitvoering daarvan past binnen de door de wet gestelde criteria waaraan moet zijn voldaan om te kunnen concluderen dat sprake is van een door de wet benoemde bijzondere overeenkomst. Om die reden wordt voorbijgegaan aan de stelling van Terwelandt dat Belfort in de correspondentie met Natudis de overeenkomst als een concessieovereenkomst in de zin van de Alleenverkoopwet heeft gekwalificeerd alsmede dat Natudis daartegen niet heeft geprotesteerd. Evenmin komt betekenis toe aan het feit dat Natudis in haar brief van 9 november 1994 (productie 16 van Terwelandt) de term concessiehouder heeft gebruikt, waarbij overigens onmiskenbaar concessiegever is bedoeld. Uit de door Terwelandt overgelegde jurisprudentie kan niet worden afgeleid dat in het onderhavige geval geoordeeld zou moeten worden dat Natudis toepasselijkheid van de Alleenverkoopwet met al haar gevolgen stilzwijgend heeft aanvaard. Meer in het bijzonder volgt dit ook niet uit het feit dat Natudis op verzoek van Belfort heeft bewilligd in het hanteren van een ruime opzegtermijn als bepaald in artikel 2 van de Alleenverkoopwet, nu het in casu om een duurovereenkomst gaat van onbepaalde tijd in welk geval -hoe men die overeenkomst ook verder kwalificeert- het hanteren van een ruime opzegtermijn niet ongebruikelijk is.

5.7. Op grond van artikel 1 § 2 van de Alleenverkoopwet is een verkoopconcessie in de zin van deze wet, iedere overeenkomst krachtens welke een concessiegever aan een of meer concessiehouders het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen, die hijzelf vervaardigt of verdeelt. Met dit laatste is kennelijk bedoeld: distribueert. Vast staat dat de overeenkomst tussen partijen geen betrekking heeft op producten die door Natudis worden vervaardigd of gedistribueerd. Natudis heeft in het kader van de overeenkomst immers slechts de receptuur van het Malsovit meel aan Belfort verstrekt. Belfort heeft, met bij derden ingekochte grondstoffen, het Malsovit meel overeenkomstig bedoelde receptuur geproduceerd. Daarmee is het door Belfort geproduceerde Malsovit meel -anders dan Terwelandt heeft gesteld- nog niet een product van Natudis. Terwelandt heeft weliswaar verwezen naar KH. Brussel 10 september 1991, welke uitspraak -zakelijk weergegeven- inhoudt dat voor toepasselijkheid van de Alleenverkoopwet is vereist dat het product dat uiteindelijk door de concessiehouder wordt verspreid dient te worden herkend als afkomstig van de distributiegever, maar dat kan haar niet baten. Het mag zo zijn dat Natudis zelf ook Malsovit meel vervaardigde en verdeelde alsmede dat de wijze waarop de producten door Belfort op de markt werden gebracht continu refereerde naar Natudis en haar merk Malsovit en dat Belfort daarbij de zakken die werden aangeleverd door Natudis onder vermelding van het merk Malsovit gebruikte, dit impliceert nog niet dat Natudis dient te worden aangemerkt als producent van het door Belfort (geproduceerde en) verkochte Malsovit meel. Voormelde rechterlijke uitspraak dient immers aldus te worden verstaan dat de concessiehouder geen wijziging in de uiterlijke verschijningsvorm van het product mag aanbrengen waardoor het product niet meer als een product afkomstig van de concessiegever kan worden herkend. Dit betekent omgekeerd niet dat indien door de wijze waarop Belfort het door haar geproduceerde Malsovit meel op de markt brengt de schijn wordt gewekt dat dat meel door Natudis is geproduceerd de Alleenverkoopwet “dus” van toepassing is. Natudis heeft daarentegen verwezen naar KH. Brussel 30 juni 1962, waarin zou zijn geoordeeld dat degene die het product zelf fabriceert geen concessiehouder is in de zin van de Alleenverkoopwet. Nu niet kan worden gezegd dat Belfort het product van Natudis verkoopt en uit de door Terwelandt overgelegde jurisprudentie niet kan worden afgeleid dat in casu wel sprake is van verkoop door Belfort van het product van Natudis, is de Alleenverkoopwet in deze niet van toepassing. Dit wordt niet anders doordat Belfort het alleenverkooprecht van het door haar geproduceerde meel heeft alsmede dat Natudis aan Belfort in het kader van de overeenkomst zwaarwichtige verplichtingen heeft opgelegd (onder meer dat zij zich diende te onthouden van het op de markt brengen van een product dat ook maar op enigerlei wijze kon worden vergeleken met Malsovit-meel) een en ander als vermeld in artikel 1 van de Alleenverkoopwet, omdat de overeenkomst tussen partijen geen verkoopconcessie in de zin van bedoelde wet inhoudt. Kortom: Natudis is niet producent en daarmee is die wet niet van toepassing.

5.8. Terwelandt heeft weliswaar bij repliek nog gesteld dat Belfort verschillende Malsovit producten (maaltijdkoeken in het bijzonder) op exclusieve basis distribueerde in België en Luxemburg, maar dat kan haar niet baten. In artikel 1 van de overeenkomst wordt immers als voorwerp van de overeenkomst uitsluitend over Malsovit meel gesproken en de overeenkomst bevat verder een gedetailleerde uitwerking over de rechten en plichten van partijen ter zake van het vermarkten van het door Belfort te produceren Malsovit meel. Weliswaar wordt in artikel 3 van de overeenkomst gesproken wordt over andere Malsovit producten dan Malsovit meel, maar aan dat artikel komt in deze geen betekenis toe. Die andere Malsovit producten worden immers in de overeenkomst niet nader omschreven en de overeenkomst bevat evenmin een regeling met betrekking tot de door Belfort aan Peter van Tiel B.V. te betalen vergoeding voor het recht om die producten exclusief te mogen verkopen. Ook over de door Belfort verschuldigde inkoopprijs van die andere producten bevat de overeenkomst geen bepaling. Bij deze stand van zaken dient te worden geoordeeld dat de tussen partijen gesloten overeenkomst uitsluitend betrekking heeft op Malsovit meel. Het feit dat Belfort op een gegeven moment ook Malsovit maaltijdkoeken is gaan verkopen, welke niet door haar maar door Peter van Tiel B.V. /Natudis zijn geproduceerd, hetgeen Natudis niet heeft bestreden, heeft niet tot gevolg dat de door partijen gesloten overeenkomst daarmee van karakter zou zijn veranderd en een overeenkomst in de zin van de Alleenverkoopwet zou zijn geworden. In de opzeggingsbrief van Natudis d.d. 12 augustus 1994, waarin Natudis aan Belfort een voorstel doet om de overeenkomst te wijzigen, wordt overigens ook niet met zoveel woorden gesproken over andere producten dan Malsovit meel. Bij deze stand van zaken kunnen de overige door Terwelandt aangedragen argumenten niet leiden tot toepasselijkheid van de Alleenverkoopwet. Om die reden behoeft ook niet te worden ingegaan op de stelling van Terwelandt dat de Alleenverkoopwet een zogenaamde politiewet is in de zin van artikel 3 van het Belgische burgerlijk wetboek, omdat Terwelandt daarbij geen belang heeft.

5.9. Nu de Alleenverkoopwet niet van toepassing is, kan Terwelandt daaraan geen recht ontlenen op een billijke bijkomende vergoeding in verband met de opbouw van een klantenkring en gemaakte exploitatiekosten.

5.10. Ten overvloede wordt overwogen dat indien de Alleenverkoopwet wel van toepassing zou zijn, dit Terwelandt niet zou hebben kunnen baten. Terwelandt heeft in dit verband gewezen op door Belfort gemaakte exploitatiekosten en op de door Belfort opgebouwde klantenkring.

5.11. Met betrekking tot de exploitatiekosten heeft Terwelandt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, weersproken dat de door Belfort -beweerdelijk- gemaakte exploitatiekosten zijn gemaakt op een moment waarop Belfort wist dat de overeenkomst met Natudis zou eindigen. Dit komt voor rekening en risico van Belfort en derhalve van Terwelandt. Veronderstellenderwijze aangenomen dat Belfort bedoelde kosten heeft gemaakt (Terwelandt heeft die kosten niet onderbouwd), is het nog maar zeer de vraag of in 1995 door Belfort gemaakte reclamekosten na het beëindigen van de overeenkomst voor Natudis nog enige betekenis hadden. De bestelauto kan door Terwelandt in ieder geval worden verkocht, zodat ook in de aanschaf van die auto geen argument is gelegen Natudis daar op enige wijze financieel voor te belasten. Dit brengt met zich dat geen sprake is van kosten die de concessiehouder heeft gedaan met het oog op de exploitatie van de concessie en die aan de concessiegever voordelen mochten opleveren na het einde van het contract als bedoeld in artikel 3 sub 2 van de Alleenverkoopwet.

5.12. Met betrekking tot de klantenkring volgt uit KH. Gent 31 oktober 1996 (productie 26 van Terwelandt) dat clientèle geen abstract juridisch begrip is maar een economisch gegeven dat al dan niet -afhankelijk van het aangeboden product- gebonden blijft aan het product of aan de verdeler (de distributeur) van het product. Anders dan Terwelandt heeft gesteld, is derhalve wel degelijk van belang of voormalige klanten (bakkers) van Belfort thans Malsovit meel betrekken van Natudis. Terwelandt, die uiteraard de voormalige afnemers van Belfort kent of geacht wordt deze te kennen, heeft -ofschoon dit gelet op de gemotiveerde betwisting van Natudis op haar weg had gelegen- geen enkele schriftelijke verklaring van de voormalige afnemers van Belfort in het geding gebracht waaruit blijkt dat die afnemers thans Malsovit meel afnemen van Natudis en welke bedragen op jaarbasis daarmee zijn gemoeid. Het enkele feit dat volgens Terwelandt Natudis weet wie in 1995 de voormalige afnemers van Belfort waren, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat Natudis na beëindiging van de relatie met Belfort Malsovit meel aan de betreffende bakkers heeft kunnen verkopen. Terwelandt heeft geen specifiek bewijsaanbod ter zake gedaan. Terwelandt heeft bovendien niet betwist dat er al enige jaren sprake was van een dalende markt. Terwelandt heeft weliswaar aangevoerd dat dit was te wijten aan oneerlijke handelspraktijken van een concurrent en dat Belfort in samenspraak met Natudis actie heeft ondernomen, maar Terwelandt heeft niet gesteld, laat staan cijfermatig onderbouwd, dat Belfort er destijds in is geslaagd om het verloren marktaandeel weer terug te winnen. Bij deze stand van zaken is niet kunnen blijken van een bekende meerwaarde inzake clientèle die door de concessiehouder is aangebracht en die aan de concessiegever verblijft na de beëindiging van het contract als bedoeld in artikel 3 sub 1 van de Alleenverkoopwet. Daaraan doet niet af dat Natudis, gelet op het bij brief van 12 augustus 1994 aan Belfort gedane voorstel, kennelijk in België nog wel een markt zag voor de verkoop van Malsovit meel. Uit het door Terwelandt als productie 43 overgelegde verslag blijkt dat de verkoop van met Malsovit meel gebakken brood tegenvalt. Hiermee wordt eerder onderstreept dat bij het einde van de overeenkomst door Natudis geen aanzienlijke klantenkring van Belfort kon worden overgenomen.

5.13. Terwelandt heeft voorts nog gesteld dat Natudis in strijd met de goede trouw handelt door aan Belfort geen bijkomende vergoeding te betalen. Deze stelling gaat op grond van hetgeen hiervoor sub 5.11. en 5.12. is overwogen niet op.

5.14. De onderhavige overeenkomst dient te worden gekwalificeerd als een licentieovereenkomst. Terwelandt heeft niet gesteld dat Belfort, indien sprake is van een licentieovereenkomst op grond van Belgisch recht, jegens Natudis aanspraak kan maken op een bijkomende vergoeding als hiervoor bedoeld.

5.15. Terwelandt heeft subsidiair een beroep gedaan op artikel 93 WHPC (productie 34 van Terwelandt). Dit artikel luidt als volgt: “Verboden is elke met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad, waardoor een verkoper de beroepsbelangen van een of meer andere verkopers schaadt of kan schaden”.

Naar zijn kennelijke strekking vestigt dit artikel enkel een buitencontractuele aansprakelijkheid voor een verkoper die zich ten koste van zijn concurrenten aan oneerlijke handelspraktijken schuldig maakt.

Die situatie doet zich hier niet voor. Dat Natudis na het einde van de overeenkomst met Belfort in België en Luxemburg voormalige klanten van Belfort zou kunnen beleveren met haar Malsovit producten is geen gevolg van onrechtmatig gedrag van Natudis. Het is een gevolg van het einde van de overeenkomst, waarin Natudis zich jegens Belfort had verbonden om geen Malsovit producten in voormelde landen te (doen) verkopen. Dit wordt niet anders doordat partijen het niet met elkaar eens zijn geworden over een door Natudis aan Belfort te betalen vergoeding voor overname van haar klantenkring. Rechtens heeft Belfort en daarmee Terwelandt immers geen aanspraak op een dergelijke vergoeding.

5.16. Na gemotiveerde betwisting door Natudis heeft Terwelandt bij repliek de meer subsidiaire grondslag, gebaseerd op vermogensvermeerdering zonder oorzaak, niet nader onderbouwd. Overigens kan niet worden gezegd dat -veronderstellenderwijze aangenomen dat Belfort voor Natudis een interessante klantenkring heeft achtergelaten- sprake is van een vermogensvermeerdering zonder oorzaak. Dat Natudis zonder vergoeding de klanten van Belfort heeft overgenomen (dat van een dergelijke overname sprake is wordt door Natudis met klem bestreden) is immers het gevolg van het einde van de overeenkomst en het feit dat in die overeenkomst niet is voorzien in een vergoeding voor Belfort voor het opgebouwde klantenbestand bij het einde van de overeenkomst.

5.17. Op grond van het vorenoverwogene dient de tot schadevergoeding strekkende vordering van Terwelandt te worden afgewezen. Bij deze stand van zaken heeft Terwelandt geen rechtens te respecteren belang bij een verklaring voor recht dat op de overeenkomst tussen partijen Belgisch recht van toepassing is.

5.18. Terwelandt zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Natudis worden begroot op:

- vast recht € 850,00

- salaris procureur € 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.008,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt Terwelandt in de proceskosten, aan de zijde van Natudis tot op heden begroot op € 2.008,00,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, mr. K.H.A. Heenk en mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2008.